ECLI:NL:RBALM:2006:AX2379
Rechtbank Almelo
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- M.L.J. Koopmans
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van WW-uitkeringen na faillissement en opzegging arbeidsovereenkomsten bij [naam] BV
Eisers, voormalige werknemers van [naam] BV, hebben WW-uitkeringen aangevraagd na het faillissement van hun werkgever. Verweerder wees deze aanvragen aanvankelijk af omdat er geen sprake zou zijn van een overgang van onderneming. Na bezwaar en eerdere vernietiging door de rechtbank, werden besluiten genomen die deels in het voordeel van eisers waren.
De kern van het geschil betrof de vaststelling van de dag van opzegging van de arbeidsovereenkomsten, waarbij verweerder een fictieve datum van 23 december 2003 vaststelde, een week na het faillissement. Eisers betwistten dit vanwege de feestdagen en de afwezigheid van de curator, maar de rechtbank oordeelde dat verweerder binnen zijn beoordelingsruimte bleef en dat de curator onnodige vertraging had veroorzaakt.
Daarnaast was er discussie over de vergoeding van niet-genoten roostervrije dagen. Verweerder rekende deze toe aan de opzegtermijn conform de CAO, terwijl eisers stelden dat zij deze dagen niet konden opnemen. De rechtbank volgde verweerder, verwijzend naar vaste jurisprudentie en interpretatie van de CAO-bepalingen.
Verder werden proceskosten toegekend aan enkele eisers en werd een besluit ten aanzien van een eiser vernietigd wegens onjuistheid. De rechtbank oordeelde ook over het onderscheid tussen bruto en netto vakantierechten en de bewijslast rond de datum van indiensttreding. Het vonnis bevatte een uitgebreide motivering over de toepassing van de Werkloosheidswet, Faillissementswet en de toepasselijke CAO.
Partijen kunnen tegen dit vonnis hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep.
Uitkomst: De rechtbank verklaart de meeste beroepen ongegrond, vernietigt het besluit over eiser sub 16 en veroordeelt verweerder in proceskosten.