ECLI:NL:RBDOR:2005:AV3483
Rechtbank Dordrecht
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling vergoeding niet-genoten roostervrije dagen bij beëindiging dienstverband na faillissement werkgever
Eiser maakte bezwaar tegen het niet vergoeden van niet-genoten roostervrije dagen na het faillissement van zijn werkgever. Verweerder had zijn verzoek tot overneming van verplichtingen uit dienstbetrekking grotendeels gehonoreerd, behalve voor de roostervrije dagen. De rechtbank overwoog dat volgens de CAO voor het Bouwbedrijf bij beëindiging van het dienstverband moet worden berekend hoeveel roostervrije dagen de werknemer heeft opgebouwd, waarvan de reeds genoten collectieve en op eigen verzoek opgenomen dagen worden afgetrokken. De resterende dagen moeten in principe tijdens de opzegtermijn worden opgenomen.
De rechtbank stelde vast dat eiser niet aannemelijk had gemaakt dat het voor hem onmogelijk was deze dagen op te nemen binnen de opzegtermijn van zes weken, die door de curator was vastgesteld. Het feit dat van eiser geen werkzaamheden werden verwacht, ontsloeg hem niet van de verplichting om de resterende roostervrije dagen op te nemen, al was het slechts door kennisgeving aan de curator. Het subsidiaire betoog dat de verplichting alleen zou gelden voor collectief vastgestelde dagen werd verworpen. De rechtbank concludeerde dat eiser zijn resterende roostervrije dagen had moeten opnemen en wees het beroep af.
De rechtbank zag geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling en wees het beroep ongegrond. Tegen deze uitspraak kan beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.
Uitkomst: Het beroep van eiser op vergoeding van niet-genoten roostervrije dagen wordt ongegrond verklaard omdat hij deze binnen de opzegtermijn had moeten opnemen.