In deze zaak is de betrokkene, geboren in 1972, niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 4 maart 2022. Dit gebeurde naar aanleiding van een vonnis van de rechtbank Overijssel van 11 januari 2021. De betrokkene was niet verschenen op de zitting in hoger beroep en zijn raadsman was niet bevoegd om de verdediging te voeren. Het hof verleende verstek en verklaarde de betrokkene niet-ontvankelijk op basis van artikel 416 lid 2 van het Wetboek van Strafvordering (Sv), omdat hij geen bezwaren had ingediend tegen het vonnis van de rechtbank en het hof geen redenen zag voor een inhoudelijke behandeling van de zaak. In cassatie werd geklaagd dat het hof ten onrechte niet-ontvankelijk had verklaard, omdat de oproepingstermijn in eerste aanleg niet in acht was genomen. De conclusie van de Procureur-Generaal strekt tot verwerping van het cassatieberoep, waarbij wordt gesteld dat het hof de beslissing om niet-ontvankelijk te verklaren op juiste gronden heeft genomen. De Procureur-Generaal wijst erop dat de betrokkene niet is verschenen en dat de rechtbank de oproeping op de juiste wijze heeft betekend, maar dat de termijn niet in acht is genomen. Dit verzuim had het hof niet hoeven te weerhouden van het niet-ontvankelijk verklaren van de betrokkene in zijn hoger beroep. De conclusie is dat de betrokkene niet-ontvankelijk is verklaard in zijn hoger beroep, en dat er geen gronden zijn voor vernietiging van de bestreden uitspraak.