ECLI:NL:PHR:2026:9

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
6 januari 2026
Publicatiedatum
3 december 2025
Zaaknummer
24/01222
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid in hoger beroep in ontnemingsprocedure

In deze zaak is de betrokkene, geboren in 1972, niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 4 maart 2022. Dit gebeurde naar aanleiding van een vonnis van de rechtbank Overijssel van 11 januari 2021. De betrokkene was niet verschenen op de zitting in hoger beroep en zijn raadsman was niet bevoegd om de verdediging te voeren. Het hof verleende verstek en verklaarde de betrokkene niet-ontvankelijk op basis van artikel 416 lid 2 van het Wetboek van Strafvordering (Sv), omdat hij geen bezwaren had ingediend tegen het vonnis van de rechtbank en het hof geen redenen zag voor een inhoudelijke behandeling van de zaak. In cassatie werd geklaagd dat het hof ten onrechte niet-ontvankelijk had verklaard, omdat de oproepingstermijn in eerste aanleg niet in acht was genomen. De conclusie van de Procureur-Generaal strekt tot verwerping van het cassatieberoep, waarbij wordt gesteld dat het hof de beslissing om niet-ontvankelijk te verklaren op juiste gronden heeft genomen. De Procureur-Generaal wijst erop dat de betrokkene niet is verschenen en dat de rechtbank de oproeping op de juiste wijze heeft betekend, maar dat de termijn niet in acht is genomen. Dit verzuim had het hof niet hoeven te weerhouden van het niet-ontvankelijk verklaren van de betrokkene in zijn hoger beroep. De conclusie is dat de betrokkene niet-ontvankelijk is verklaard in zijn hoger beroep, en dat er geen gronden zijn voor vernietiging van de bestreden uitspraak.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer24/01222 P
Zitting6 januari 2026
CONCLUSIE
P.H.P.H.M.C. van Kempen
In de zaak
[betrokkene] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1972,
hierna: de betrokkene

1.Inleiding

1.1
De betrokkene is door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Zwolle bij arrest van 4 maart 2022 (parketnr. 21-001619-21) niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Overijssel van 11 januari 2021.
1.2
Er bestaat samenhang met de zaak 24/01206. In deze zaak concludeer ik vandaag ook.
1.3
Het cassatieberoep is ingesteld namens de betrokkene. V.P.J. Tuma, advocaat in Arnhem, heeft één middel van cassatie voorgesteld.

2.Waar het in cassatie om gaat

2.1
In deze ontnemingsprocedure is de betrokkene niet ter terechtzitting in hoger beroep op 4 maart 2022 verschenen. De raadsman van de betrokkene was niet bepaaldelijk gemachtigd de verdediging te voeren. Het hof heeft verstek verleend tegen de betrokkene en heeft hem op grond van art. 416 lid 2 Sv niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep, omdat hij geen bezwaren heeft opgegeven tegen het vonnis van de rechtbank en het hof ook zelf geen redenen heeft gezien die een inhoudelijke behandeling van de zaak noodzakelijk maakten. In cassatie wordt geklaagd over dit oordeel. Volgens de steller van het middel heeft in eerste aanleg een dusdanige schending van de behoorlijke procesorde plaatsgevonden dat het hof tot een inhoudelijke behandeling van de zaak over had moeten gaan.
2.2
De conclusie strekt tot verwerping van het middel.

3.Het middel

3.1
Het middel houdt in dat het hof de betrokkene ten onrechte niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep heeft verklaard, dan wel dat de beslissing om de betrokkene niet-ontvankelijk te verklaren onbegrijpelijk is althans niet toereikend is gemotiveerd. De steller van het middel voert daartoe aan dat de oproepingstermijn in eerste aanleg (art. 511b lid 4 Sv jo. art. 265 lid 1 Sv) niet in acht is genomen, nu tussen de dag van de betekening van de oproeping in eerste aanleg en de dag van de terechtzitting niet ten minste tien vrije dagen zijn verlopen. De rechtbank had het onderzoek ter terechtzitting om die reden moeten schorsen, maar is in plaats daarvan overgegaan tot een inhoudelijke behandeling. Dit is volgens de toelichting op het middel een verzuim dat zozeer strijdt met een behoorlijke procesorde dat het nietigheid van het onderzoek en de naar aanleiding daarvan gegeven uitspraak zou moeten meebrengen. Volgens de steller van het middel had dit verzuim voor het hof reden moeten zijn om de zaak inhoudelijk te behandelen en had het hof de betrokkene daarom niet niet-ontvankelijk in het hoger beroep mogen verklaren.
3.2
Het vonnis van de rechtbank Overijssel van 11 januari 2021 houdt onder meer in:

2. De oproeping
De rechtbank constateert dat de oproeping op de bij de wet voorgeschreven wijze aan veroordeelde is betekend. De rechtbank constateert echter ook dat tussen de dag van de betekening van de oproeping en de dag van de terechtzitting niet ten minste tien vrije dagen zijn verlopen. Veroordeelde is niet verschenen en niet is gebleken dat veroordeelde hiermee heeft ingestemd. In weerwil van artikel 265 lid 3 van het Wetboek van Strafvordering is de rechtbank, alle omstandigheden in aanmerking genomen − waaronder verdere vruchteloze uitreikingen van de oproeping voor de zitting van 5 oktober 2020 − van oordeel dat veroordeelde niet wordt geschaad in zijn belangen door het voortzetten van het onderzoek.
De rechtbank stelt dan ook vast dat de oproeping geldig is.”
3.3
Het bestreden arrest van 4 maart 2022 houdt het volgende in:

Ontvankelijkheid van het hoger beroep
Het hof ziet in deze zaak aanleiding toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 416, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, nu de betrokkene geen bezwaren heeft opgegeven tegen het hierboven genoemde vonnis en het hof ook zelf geen redenen ziet die een inhoudelijke behandeling van de zaak noodzakelijk maken. Het hof zal de betrokkene daarom niet-ontvankelijk verklaren in het door hem ingestelde hoger beroep.
BESLISSING
Het hof:
Verklaart de betrokkene niet-ontvankelijk in het hoger beroep.”
3.4
Volgens art. 422 lid 2 Sv – dat ook van toepassing is in de ontnemingsprocedure overeenkomstig art. 511g lid 2 Sv – gaat de rechter slechts over tot de beraadslaging in hoger beroep als bedoeld in art. 348 en 350 Sv [1] indien de uitreiking van de oproeping in hoger beroep geldig is en het hoger beroep is ingesteld overeenkomstig de eisen die het Wetboek van Strafvordering daaraan stelt. De beraadslaging vindt dan plaats naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en naar aanleiding van het onderzoek in eerste aanleg, zoals dit volgens het proces-verbaal van die terechtzitting heeft plaatsgehad. De beraadslaging in hoger beroep strekt zich dus ook uit over de rechtmatigheid van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg. Als het hof constateert dat een vormverzuim heeft plaatsgevonden, zoals het verzuim het onderzoek ter terechtzitting te schorsen indien de inleidende oproepingstermijn niet in acht is genomen en de betrokkene niet op zitting is verschenen, kan dit verzuim grond zijn voor vernietiging van het vonnis wegens schending van een beginsel van een behoorlijke procesorde. [2] Het eventuele onderzoek naar de nietigheid van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en het daarop gegronde vonnis komt blijkens het wettelijke systeem pas eerst aan de orde indien het hof de ontvankelijkheid van het hoger beroep heeft vastgesteld. [3]
3.5
Onder de vraag van art. 422 lid 1 Sv “of het hoger beroep is ingesteld overeenkomstig de eisen die dit wetboek daaraan stelt” moet mede worden begrepen het in art. 416 lid 2 Sv − dat overeenkomstig art. 511g lid 2 Sv ook van toepassing is in de ontnemingsprocedure − beschreven geval dat de betrokkene geen schriftuur en ook geen mondelinge bezwaren tegen het vonnis heeft ingebracht. [4] In een dergelijk geval kan het hof het door de betrokkene ingestelde beroep op grond van art. 416 lid 2 Sv zonder onderzoek van de zaak zelf niet-ontvankelijk verklaren.
3.6
Dat de niet-ontvankelijkheidsbeslissing als bedoeld in art. 416 lid 2 Sv voorafgaat aan de inhoudelijke behandeling in hoger beroep volgt ook uit HR 14 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1199,
NJ2016/285. Het hof had de verdachte niet-ontvankelijk verklaard met toepassing van art. 416 lid 2 Sv. In cassatie werd geklaagd dat het hof ten onrechte had verzuimd de inleidende dagvaarding nietig te verklaren. De Hoge Raad overwoog: [5]
“Ingevolge art. 422 Sv is het Hof slechts gehouden tot de beraadslaging als bedoeld in de art. 348 en 350 Sv indien, voor zover hier van belang, aan het vereiste is voldaan dat ‘het hoger beroep is ingesteld overeenkomstig de eisen die dit wetboek daaraan stelt.’ Daaruit volgt dat de vraag naar de geldigheid van de inleidende dagvaarding eerst aan de orde komt, wanneer de vraag naar de ontvankelijkheid van het hoger beroep bevestigend is beantwoord. Onder de vraag van art. 422, eerste lid, Sv ‘of het hoger beroep is ingesteld overeenkomstig de eisen die dit wetboek daaraan stelt’ moet mede worden begrepen het in art. 416, tweede lid, Sv beschreven geval (vgl. HR 12 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ3624, NJ 2013/178).”
3.7
Ondertussen is de rechter in hoger beroep op grond van art. 416 lid 2 Sv niet gehouden de betrokkene zonder onderzoek van de zaak zelf niet-ontvankelijk te verklaren. Volgens deze bepaling “kan” het hof tot zodanige niet-ontvankelijkverklaring overgaan. Deze bepaling verschaft dus een discretionaire bevoegdheid en biedt daarmee ruimte voor een ambtshalve beslissing om de zaak inhoudelijk te behandelen. [6] Bovendien geldt dat volgens de Hoge Raad uit de tekst noch uit de wetsgeschiedenis van art. 416 lid 2 Sv volgt dat de rechter uitsluitend zonder onderzoek van de zaak zelf de niet-ontvankelijkverklaring van het hoger beroep van de betrokkene kan uitspreken. Een dergelijke beslissing kan dus ook na dat onderzoek worden gegeven. [7]
3.8
In het verlengde daarvan merk ik op dat in deze zaak wringt dat blijkens de vaststellingen door de rechtbank – zie onder 3.2 – de betrokkene niet is verschenen op de terechtzitting in eerste aanleg en dat niet is gebleken dat betrokkene met de verkorte oproepingstermijn heeft ingestemd. Niettemin overweegt de rechtbank vervolgens: “In weerwil van artikel 265 lid 3 van het Wetboek van Strafvordering is de rechtbank, alle omstandigheden in aanmerking genomen − waaronder eerdere vruchteloze uitreikingen van de oproeping voor de zitting van 5 oktober 2020 − van oordeel dat veroordeelde niet wordt geschaad in zijn belangen door het voortzetten van het onderzoek.” De rechtbank maakt hiermee duidelijk waarom zij het van belang acht om het onderzoek voort te zetten, maar niet waarom de belangen van de betrokkene daardoor niet zouden worden geschaad. Ook los daarvan geldt dat de rechtbank ingevolge art. 265 lid 3 Sv en 511b lid 4 Sv het onderzoek had moeten schorsen nu de betrokkene niet was verschenen en blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting van 11 januari 2021 namens hem evenmin een raadsman was verschenen. [8] Volgens rechtspraak van de Hoge Raad strijdt het door de zittingsrechter voortzetten van het onderzoek ter terechtzitting nadat verstek tegen de niet verschenen betrokkene is verleend “zozeer met een behoorlijke procesorde dat het nietigheid van het onderzoek en de naar aanleiding daarvan gegeven uitspraak oplevert”. [9]
3.9
De vraag is wat dit voor deze zaak betekent. Van belang is dan dat een dergelijk verzuim door de betrokkene aan de orde kan worden gesteld door aanwending van het openstaande rechtsmiddel. De aangewezen weg daarvoor was in dit geval het instellen van hoger beroep met in achtneming van de daaraan gestelde processuele vereisten waaronder die van art. 416 lid 2 Sv. Namens de betrokkene is hoger beroep ingesteld door een door de betrokkene gevolmachtigd advocaat, hetgeen impliceert dat de betrokkene het hoger beroep heeft laten instellen en dat hij bij die instelling bijstand van een advocaat had. Het hof heeft de betrokkene niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep op grond van het zojuist genoemde art. 416 lid 2 Sv, omdat (door of namens hem) geen bezwaren zijn opgegeven tegen het vonnis en het hof ook zelf geen redenen heeft gezien die een inhoudelijke behandeling van de zaak noodzakelijk maakten. Mogelijk heeft daarbij een rol gespeeld dat de ter terechtzitting in hoger beroep aanwezige maar niet uitdrukkelijk door betrokkene gemachtigde raadsman, nadat hij van het hof de gelegenheid kreeg om het woord te voeren, heeft opgemerkt: “Als ik contact had kunnen krijgen met verdachte, had ik de zaak al lang ingetrokken. Verdachte belde mij op en zei dat hij veroordeeld was, met het verzoek om appel in te stellen. Toen ik de stukken ontving, dacht ik: dit is niet handig. Ik heb vervolgens geen contact meer met verdachte gehad.” [10] Uit hetgeen uiteen is gezet onder 3.4 t/m 3.7 volgt dat het hof deze beslissing voorafgaand aan het onderzoek naar de nietigheid van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg heeft kunnen nemen. Wanneer sprake is van nietigheid van het onderzoek in eerste aanleg en de daaruit voortvloeiende uitspraak wegens het niet in acht nemen van de oproepingstermijn, staat dit er dus op zichzelf niet aan in de weg dat het gerechtshof toepassing geeft aan art. 416 lid 2 Sv. Mede erop gelet dat de uit deze bepaling voortvloeiende vereisten tot verwezenlijking strekken van het door de wetgever beoogde voortbouwend appel, meen ik dat er in de onderhavige zaak geen reden is om hiervan af te wijken.
3.1
Het middel faalt.

4.Afronding

4.1
Het middel faalt en kan worden afgedaan met toepassing van art. 81 lid 1 RO.
4.2
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
4.3
Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Uit art. 511e lid 1 sub a Sv volgt dat het beslissingsschema in strafzaken ook van toepassing is in ontnemingszaken met dien verstande dat de rechtbank naar aanleiding van de vordering en van het onderzoek ter terechtzitting beraadslaagt over de vraag of de in art. 36e Sr bedoelde maatregel moet worden opgelegd en zo ja, op welk bedrag de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel is te schatten.
2.Het gerechtshof is in zo’n geval niet verplicht te vernietigen. In de memorie van toelichting Wet stroomlijning hoger beroep wordt daarover opgemerkt: “Het past bij het concept van het voortbouwend hoger beroep, dat het gerechtshof, met inachtneming van hetgeen ter zitting in hoger beroep is geschied, oordeelt of aan enig vormverzuim in eerste aanleg vernietigende betekenis moet worden toegekend. De belangen die in het geding zijn, komen door hoger beroep immers in een ander daglicht te staan vanwege die behandeling in hoger beroep dan bij de beoordeling naar de stand van zaken op het moment van wijzing of uitwerking van het vonnis in eerste aanleg.” Zie
3.Vgl. A-G Machielse, conclusie voor HR 12 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ3624,
4.Vgl. HR 12 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ3624,
5.In HR 14 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1199,
6.Zie
7.Zie o.a. HR 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN0019,
8.Vgl. HR 8 juni 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM0154,
9.HR 20 december 2011, ECLI:NL:HR:2011:BT8878, r.o. 2.4.
10.Proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 4 maart 2022.