ECLI:NL:PHR:2026:8

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
6 januari 2026
Publicatiedatum
3 december 2025
Zaaknummer
24/01206
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijk verklaring in hoger beroep wegens schending dagvaardingstermijn

In deze zaak is de verdachte, geboren in 1972, niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 4 maart 2022. Dit gebeurde op basis van artikel 416 lid 2 van het Wetboek van Strafvordering (Sv), omdat de verdachte niet was verschenen op de zitting en zijn raadsman niet specifiek gemachtigd was om de verdediging te voeren. Het hof verleende verstek tegen de verdachte en oordeelde dat er geen bezwaren waren ingediend tegen het vonnis van de rechtbank Overijssel van 11 januari 2021, waardoor een inhoudelijke behandeling niet noodzakelijk werd geacht.

De advocaat van de verdachte, V.P.J. Tuma, stelde in cassatie dat er een schending van de behoorlijke procesorde had plaatsgevonden, omdat de dagvaardingstermijn in eerste aanleg niet in acht was genomen. De rechtbank had de zitting voortgezet, ondanks dat er niet ten minste tien vrije dagen waren verstreken tussen de betekening van de dagvaarding en de zitting. De conclusie van de Procureur-Generaal, P.H.P.H.M.C. van Kempen, strekt tot verwerping van het cassatieberoep, waarbij wordt gesteld dat het hof terecht de niet-ontvankelijkheid heeft uitgesproken zonder de zaak inhoudelijk te behandelen.

De Procureur-Generaal wijst erop dat de beslissing van het hof om de verdachte niet-ontvankelijk te verklaren, niet in strijd is met de wet, en dat de belangen van de verdachte niet geschaad zijn door het voortzetten van het onderzoek. De conclusie is dat het middel faalt en dat er geen gronden zijn voor vernietiging van de bestreden uitspraak.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer24/01206
Zitting6 januari 2026
CONCLUSIE
P.H.P.H.M.C. van Kempen
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1972,
hierna: de verdachte

1.Inleiding

1.1
De verdachte is door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Zwolle bij arrest van 4 maart 2022 (parketnr. 21-001549-21) niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Overijssel van 11 januari 2021.
1.2
Er bestaat samenhang met de zaak 24/01222. In deze zaak concludeer ik vandaag ook.
1.3
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. V.P.J. Tuma, advocaat in Arnhem, heeft één middel van cassatie voorgesteld.

2.Waar het in cassatie om gaat

2.1
De verdachte is niet ter terechtzitting in hoger beroep op 4 maart 2022 verschenen. De raadsman van de verdachte was niet bepaaldelijk gemachtigd de verdediging te voeren. Het hof heeft verstek verleend tegen de verdachte en heeft hem op grond van art. 416 lid 2 Sv niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep, omdat hij geen bezwaren heeft opgegeven tegen het vonnis van de rechtbank en het hof ook zelf geen redenen heeft gezien die een inhoudelijke behandeling van de zaak noodzakelijk maakten. In cassatie wordt geklaagd over dit oordeel. Volgens de steller van het middel heeft in eerste aanleg een dusdanige schending van de behoorlijke procesorde plaatsgevonden dat het hof tot een inhoudelijke behandeling van de zaak over had moeten gaan.
2.2
De conclusie strekt tot verwerping van het middel.

3.Het middel

3.1
Het middel houdt in dat het hof de verdachte ten onrechte niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep heeft verklaard, dan wel dat de beslissing om de verdachte niet-ontvankelijk te verklaren onbegrijpelijk is althans niet toereikend is gemotiveerd. De steller van het middel voert daartoe aan dat de dagvaardingstermijn in eerste aanleg (art. 265 lid 1 Sv) niet in acht is genomen, nu tussen de dag van de betekening van de dagvaarding in eerste aanleg en de dag van de terechtzitting niet ten minste tien vrije dagen zijn verlopen. De rechtbank had het onderzoek ter terechtzitting om die reden moeten schorsen, maar is in plaats daarvan overgegaan tot een inhoudelijke behandeling. Dit is volgens de toelichting op het middel een verzuim dat zozeer strijdt met een behoorlijke procesorde dat het nietigheid van het onderzoek en de naar aanleiding daarvan gegeven uitspraak zou moeten meebrengen. Volgens de steller van het middel had dit verzuim voor het hof reden moeten zijn om de zaak inhoudelijk te behandelen en had het hof de verdachte daarom niet niet-ontvankelijk in het hoger beroep mogen verklaren.
3.2
Het vonnis van de rechtbank Overijssel van 11 januari 2021 houdt onder meer in:

3. De voorvragen
3.1
De dagvaarding
De rechtbank constateert dat de dagvaarding op de bij de wet voorgeschreven wijze aan verdachte is betekend. De rechtbank constateert echter ook dat tussen de dag van de betekening van de dagvaarding en de dag van de terechtzitting niet ten minste tien vrije dagen zijn verlopen. Verdachte is niet verschenen en niet is gebleken dat verdachte hiermee heeft ingestemd. In weerwil van artikel 265 lid 3 van het Wetboek van Strafvordering is de rechtbank, alle omstandigheden in aanmerking genomen − waaronder eerdere vruchteloze uitreikingen van de dagvaarding voor de zitting van 5 oktober 2020 − van oordeel dat verdachte niet wordt geschaad in zijn belangen door het voortzetten van het onderzoek.
De rechtbank stelt dan ook vast dat de dagvaarding geldig is.”
3.3
Het bestreden arrest van 4 maart 2022 houdt het volgende in:

Ontvankelijkheid van het hoger beroep
Het hof ziet in deze zaak aanleiding toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 416, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, nu de verdachte geen bezwaren heeft opgegeven tegen het hierboven genoemde vonnis en het hof ook zelf geen redenen ziet die een inhoudelijke behandeling van de zaak noodzakelijk maken. Het hof zal de verdachte daarom niet-ontvankelijk verklaren in het door hem ingestelde hoger beroep.
BESLISSING
Het hof:
Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep.”
3.4
Volgens art. 422 lid 2 Sv gaat de rechter slechts over tot de beraadslaging in hoger beroep als bedoeld in art. 348 en 350 Sv indien de uitreiking van de dagvaarding in hoger beroep geldig is en het hoger beroep is ingesteld overeenkomstig de eisen die het Wetboek van Strafvordering daaraan stelt. De beraadslaging vindt dan plaats naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en naar aanleiding van het onderzoek in eerste aanleg, zoals dit volgens het proces-verbaal van die terechtzitting heeft plaatsgehad. De beraadslaging in hoger beroep strekt zich dus ook uit over de rechtmatigheid van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg. Als het hof constateert dat een vormverzuim heeft plaatsgevonden, zoals het verzuim het onderzoek ter terechtzitting te schorsen indien de inleidende dagvaardingstermijn niet in acht is genomen en de verdachte niet op zitting is verschenen, kan dit verzuim grond zijn voor vernietiging van het vonnis wegens schending van een beginsel van een behoorlijke procesorde. [1] Het eventuele onderzoek naar de nietigheid van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en het daarop gegronde vonnis komt blijkens het wettelijke systeem pas eerst aan de orde indien het hof de ontvankelijkheid van het hoger beroep heeft vastgesteld. [2]
3.5
Onder de vraag van art. 422 lid 1 Sv “of het hoger beroep is ingesteld overeenkomstig de eisen die dit wetboek daaraan stelt” moet mede worden begrepen het in art. 416 lid 2 Sv beschreven geval dat de verdachte geen schriftuur en ook geen mondelinge bezwaren tegen het vonnis heeft ingebracht. [3] In een dergelijk geval kan het hof het door de verdachte ingestelde beroep op grond van art. 416 lid 2 Sv zonder onderzoek van de zaak zelf niet-ontvankelijk verklaren.
3.6
Dat de niet-ontvankelijkheidsbeslissing als bedoeld in art. 416 lid 2 Sv voorafgaat aan de inhoudelijke behandeling in hoger beroep volgt ook uit HR 14 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1199,
NJ2016/285. Het hof had de verdachte niet-ontvankelijk verklaard met toepassing van art. 416 lid 2 Sv. In cassatie werd geklaagd dat het hof ten onrechte had verzuimd de inleidende dagvaarding nietig te verklaren. De Hoge Raad overwoog: [4]
“Ingevolge art. 422 Sv is het Hof slechts gehouden tot de beraadslaging als bedoeld in de art. 348 en 350 Sv indien, voor zover hier van belang, aan het vereiste is voldaan dat ‘het hoger beroep is ingesteld overeenkomstig de eisen die dit wetboek daaraan stelt.’ Daaruit volgt dat de vraag naar de geldigheid van de inleidende dagvaarding eerst aan de orde komt, wanneer de vraag naar de ontvankelijkheid van het hoger beroep bevestigend is beantwoord. Onder de vraag van art. 422, eerste lid, Sv ‘of het hoger beroep is ingesteld overeenkomstig de eisen die dit wetboek daaraan stelt’ moet mede worden begrepen het in art. 416, tweede lid, Sv beschreven geval (vgl. HR 12 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ3624, NJ 2013/178).”
3.7
Ondertussen is de rechter in hoger beroep op grond van art. 416 lid 2 Sv niet gehouden de verdachte zonder onderzoek van de zaak zelf niet-ontvankelijk te verklaren. Volgens deze bepaling “kan” het hof tot zodanige niet-ontvankelijkverklaring overgaan. Deze bepaling verschaft dus een discretionaire bevoegdheid en biedt daarmee ruimte voor een ambtshalve beslissing om de zaak inhoudelijk te behandelen. [5] Bovendien geldt dat volgens de Hoge Raad uit de tekst noch uit de wetsgeschiedenis van art. 416 lid 2 Sv volgt dat de rechter uitsluitend zonder onderzoek van de zaak zelf de niet-ontvankelijkverklaring van het hoger beroep van de verdachte kan uitspreken. Een dergelijke beslissing kan dus ook na dat onderzoek worden gegeven. [6]
3.8
In het verlengde daarvan merk ik op dat in deze zaak wringt dat blijkens de vaststellingen door de rechtbank – zie onder 3.2 – de verdachte niet is verschenen op de terechtzitting in eerste aanleg en dat niet is gebleken dat verdachte met de verkorte dagvaardingstermijn heeft ingestemd. Niettemin overweegt de rechtbank vervolgens: “In weerwil van artikel 265 lid 3 van het Wetboek van Strafvordering is de rechtbank, alle omstandigheden in aanmerking genomen − waaronder eerdere vruchteloze uitreikingen van de dagvaarding voor de zitting van 5 oktober 2020 − van oordeel dat verdachte niet wordt geschaad in zijn belangen door het voortzetten van het onderzoek.” De rechtbank maakt hiermee duidelijk waarom zij het van belang acht om het onderzoek voort te zetten, maar niet waarom de belangen van de verdachte daardoor niet zouden worden geschaad. Ook los daarvan geldt dat de rechtbank ingevolge art. 265 lid 3 Sv het onderzoek had moeten schorsen nu de verdachte niet was verschenen en blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting van 11 januari 2021 namens hem evenmin een raadsman was verschenen. [7] Volgens rechtspraak van de Hoge Raad strijdt het door de zittingsrechter onder zulke omstandigheden voortzetten van het onderzoek ter terechtzitting nadat verstek tegen de niet verschenen verdachte is verleend “zozeer met een behoorlijke procesorde dat het nietigheid van het onderzoek en de naar aanleiding daarvan gegeven uitspraak oplevert”. [8]
3.9
De vraag is wat dit voor deze zaak betekent. Van belang is dan dat een dergelijk verzuim door de verdachte aan de orde kan worden gesteld door aanwending van het openstaande rechtsmiddel. De aangewezen weg daarvoor was in dit geval het instellen van hoger beroep met in achtneming van de daaraan gestelde processuele vereisten waaronder die van art. 416 lid 2 Sv. Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld door een door de verdachte gevolmachtigd advocaat, hetgeen impliceert dat de verdachte het hoger beroep heeft laten instellen en dat hij bij die instelling bijstand van een advocaat had. Het hof heeft de verdachte niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep op grond van het zojuist genoemde art. 416 lid 2 Sv, omdat (door of namens hem) geen bezwaren zijn opgegeven tegen het vonnis en het hof ook zelf geen redenen heeft gezien die een inhoudelijke behandeling van de zaak noodzakelijk maakten. Mogelijk heeft daarbij een rol gespeeld dat de ter terechtzitting in hoger beroep aanwezige maar niet uitdrukkelijk door verdachte gemachtigde raadsman, nadat hij van het hof de gelegenheid kreeg om het woord te voeren, heeft opgemerkt: “Als ik contact had kunnen krijgen met verdachte, had ik de zaak al lang ingetrokken. Verdachte belde mij op en zei dat hij veroordeeld was, met het verzoek om appel in te stellen. Toen ik de stukken ontving, dacht ik: dit is niet handig. Ik heb vervolgens geen contact meer met verdachte gehad.” [9] Uit hetgeen uiteen is gezet onder 3.4 t/m 3.7 volgt dat het hof deze beslissing voorafgaand aan het onderzoek naar de nietigheid van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg heeft kunnen nemen. Wanneer sprake is van nietigheid van het onderzoek in eerste aanleg en de daaruit voortvloeiende uitspraak wegens het niet in acht nemen van de dagvaardingstermijn, staat dit er dus op zichzelf niet aan in de weg dat het gerechtshof toepassing geeft aan art. 416 lid 2 Sv. Mede erop gelet dat de uit deze bepaling voortvloeiende vereisten tot verwezenlijking strekken van het door de wetgever beoogde voortbouwend appel, meen ik dat er in de onderhavige zaak geen reden is om hiervan af te wijken.
3.1
Het middel faalt.

4.Afronding

4.1
Het middel faalt en kan worden afgedaan met toepassing van art. 81 lid 1 RO.
4.2
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
4.3
Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Het gerechtshof is in zo’n geval niet verplicht te vernietigen. In de memorie van toelichting bij de Wet stroomlijning hoger beroep wordt daarover opgemerkt: “Het past bij het concept van het voortbouwend hoger beroep, dat het gerechtshof, met inachtneming van hetgeen ter zitting in hoger beroep is geschied, oordeelt of aan enig vormverzuim in eerste aanleg vernietigende betekenis moet worden toegekend. De belangen die in het geding zijn, komen door hoger beroep immers in een ander daglicht te staan vanwege die behandeling in hoger beroep dan bij de beoordeling naar de stand van zaken op het moment van wijzing of uitwerking van het vonnis in eerste aanleg.” Zie
2.Vgl. A-G Machielse, conclusie voor HR 12 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ3624,
3.Vgl. HR 12 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ3624,
4.In HR 14 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1199,
5.Zie
6.Zie o.a. HR 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN0019,
7.Vgl. HR 8 juni 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM0154,
8.HR 20 december 2011, ECLI:NL:HR:2011:BT8878, r.o. 2.4.
9.Proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 4 maart 2022.