ECLI:NL:PHR:2026:725

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
14 juli 2026
Publicatiedatum
9 juli 2026
Zaaknummer
25/03117
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 26 WWMArt. 279 SvArt. 281 lid 1 SvArt. 328 SvArt. 329 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt afwijzing aanhoudingsverzoek wegens vergissing aanvangstijd zitting

De zaak betreft een cassatieberoep tegen het oordeel van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden dat een verzoek tot aanhouding van de terechtzitting in hoger beroep afwees. Verdachte was niet aanwezig omdat hij dacht dat de zitting pas om 14:00 uur zou beginnen, terwijl deze om 12:00 uur gepland stond. De raadsman van verdachte vroeg om aanhouding zodat verdachte alsnog aanwezig kon zijn.

Het hof weegt het belang van verdachte bij zijn aanwezigheidsrecht af tegen het algemene belang van een spoedige en doeltreffende berechting. Gelet op de ouderdom van de zaak, de eerdere aanhouding op verzoek van de verdediging en de aanwezigheid van een gemachtigde raadsman die de verdediging voerde, oordeelde het hof dat het algemene belang zwaarder woog en wees het verzoek af.

De Hoge Raad toetst de motivering van het hof en concludeert dat het hof de concrete omstandigheid van de vergissing van verdachte wel degelijk heeft betrokken in zijn belangenafweging. De eerdere aanhouding en de aanwezigheid van een gemachtigde raadsman zijn terecht meegewogen. De Hoge Raad acht de motivering begrijpelijk en voldoende en verwerpt het cassatiemiddel. De zaak wordt derhalve niet opnieuw aangehouden.

Uitkomst: Het cassatiemiddel wordt verworpen en het aanhoudingsverzoek terecht afgewezen, waardoor de zaak op de geplande dag is behandeld zonder aanwezigheid van verdachte.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer25/03117
Zitting14 juli 2026
CONCLUSIE
D.J.M.W. Paridaens
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1974,
hierna: de verdachte.

1.Inleiding

1.1
Na vernietiging en terugwijzing door de Hoge Raad bij arrest van 16 april 2024 [1] is de verdachte bij arrest van 6 augustus 2025 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden [2] wegens “handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III” en “handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie” veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 60 uren, subsidiair 30 dagen hechtenis.
1.2
Namens de verdachte heeft T. Scheffer, advocaat in Amsterdam, één middel van cassatie voorgesteld.

2.Het middel

2.1
Het middel klaagt over de afwijzing door het hof van een verzoek tot aanhouding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep.
2.2
Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 23 juli 2025 vermeldt met betrekking tot het aanhoudingsverzoek het volgende:

De voorzitter doet de zaak (die gepland stond voor 12.00 uur) tegen de na te noemen verdachte uitroepen.
De verdachte genaamd:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1974,
wonende te [postcode] [plaats] , [a-straat 1] ,
is niet verschenen.
Als raadsman van verdachte is ter terechtzitting aanwezig mr. T. Scheffer, advocaat te Amsterdam, die verklaart uitdrukkelijk door verdachte gemachtigd te zijn de verdediging te voeren.
De raadsman van verdachte voert het woord:
Verdachte is er niet omdat hij dacht dat de zaak pas om 14.00 uur zou beginnen. Ik verzoek om de zaak aan te houden, zodat verdachte dan aanwezig kan zijn.
De advocaat-generaal merkt op:
De zaak is op 22 januari 2025 al eerder aangehouden op verzoek van de verdediging. Ik verzet mij tegen het aanhoudingsverzoek.
De voorzitter onderbreekt het onderzoek voor het houden van beraad.
De voorzitter hervat het onderzoek.
De voorzitter merkt op dat het hof er sterk aan hecht om de zaak vandaag af te doen, gelet op de ouderdom van de zaak. Er moet een afweging gemaakt worden tussen het belang van verdachte om bij zijn zaak aanwezig te zijn en het algemeen belang dat er uit bestaat dat de zaak niet nog ouder wordt dan deze al is. Het hof vindt dat algemene belang zwaarder wegen, mede gelet op de omstandigheden dat de zaak op verzoek van de verdediging begin dit jaar al een keer is aangehouden en de inbreuk op het aanwezigheidsrecht deels gecompenseerd kan worden door de raadsman die gemachtigd is om de verdediging te voeren.
Het hof biedt nog wel aan om later vandaag met de behandeling van de zaak te beginnen zodat verdachte alsnog aanwezig kan zijn. Het hof heeft namelijk om 13.45 uur nog tijd om de zaak te behandelen.
De raadsman van verdachte voert het woord:
Ik ben dan verhinderd omdat ik bij een voorgeleiding aanwezig moet zijn. Ook heb ik verdachte geadviseerd om vandaag niet meer te komen, omdat hij ruim een uur te laat zou aankomen.
De oudste raadsheer merkt op dat het jammer is dat de raadsman zijn cliënt heeft geadviseerd om niet te komen, omdat het hof om 13.00 uur ook nog wel ruimte had voor de behandeling van de zaak.
De voorzitter merkt op dat het hof gelet op de hiervoor genoemde belangenafweging de zaak vandaag af zal doen.
2.3
Het door de raadsman van de verdachte ter terechtzitting van 23 juli 2025 gedane verzoek tot aanhouding van de zaak is een verzoek aan de rechter als bedoeld in art. 328 Sv Pro in verbinding met art. 331 lid 1 Sv Pro en art. 415 lid 1 Sv Pro om toepassing te geven aan art. 281 lid 1 Sv Pro. Het betreft een aanhoudingsverzoek met het oog op de effectuering van het aanwezigheidsrecht van de verdachte.
2.4
De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 2 december 2025 [3] het te hanteren beoordelingskader voor aanhoudingsverzoeken als volgt geformuleerd:
“2.3
Een verzoek tot aanhouding van het onderzoek op de terechtzitting (hierna: aanhoudingsverzoek) kan op de terechtzitting worden gedaan door de verdachte of door zijn raadsman die daartoe door de verdachte op grond van artikel 279 van Pro het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) is gemachtigd. Ook de raadsman die niet is gemachtigd tot het voeren van de verdediging van de verdachte die op de terechtzitting niet is verschenen, kan daar een aanhoudingsverzoek doen voor zover dat verzoek wordt gedaan met het oog op het effectueren van het aanwezigheidsrecht van de verdachte of om de in artikel 279 lid 1 Sv Pro bedoelde machtiging alsnog te verkrijgen. Op grond van artikel 329 en Pro 330 Sv wordt beslist op het verzoek nadat het openbaar ministerie daarover is gehoord.
De verdachte of zijn raadsman moet concreet de omstandigheid aanvoeren die aan het aanhoudingsverzoek ten grondslag ligt. Als zo’n omstandigheid niet wordt aangevoerd, mag de rechter het verzoek om die reden afwijzen.
In de regel mag van de verdachte of zijn raadsman worden gevergd dat hij (alsnog) de gegevens verstrekt die de rechter met het oog op de te nemen beslissing noodzakelijk acht. Als de rechter de omstandigheid die aan het verzoek ten grondslag is gelegd, niet zonder meer aannemelijk acht, kan hij gevolgen verbinden aan de omstandigheid dat het verzoek onvoldoende met bewijsstukken is onderbouwd en/of niet (voldoende) aan de door hem gevraagde aanvulling is voldaan.
Voor het oordeel dat de omstandigheid die aan het verzoek ten grondslag is gelegd, niet aannemelijk is, volstaat echter niet steeds de vaststelling dat die omstandigheid onvoldoende is onderbouwd. Het is immers mede afhankelijk van de aard van de aangevoerde reden – in het bijzonder of het gaat om een omstandigheid die zich onverwacht aandient, bijvoorbeeld in verband met ziekte van de verdachte – of, voordat wordt beslist op het verzoek, gelegenheid moet worden geboden het verzoek nader toe te lichten en/of op een later moment (alsnog) bewijsstukken over te leggen. De rechter kan echter het bieden van die gelegenheid en het nemen van een beslissing over de aannemelijkheid van de omstandigheid die aan het verzoek ten grondslag is gelegd, achterwege laten op grond van zijn oordeel dat wat is aangevoerd – als dat juist zou zijn – in de hierna weer te geven belangenafweging niet tot toewijzing van het verzoek leidt.
Nadat in voorkomende gevallen gelegenheid is geboden voor een nadere toelichting of het overleggen van bewijsstukken, kan de rechter het verzoek al – dat wil zeggen: zonder tot die belangenafweging over te gaan – afwijzen op de grond dat de omstandigheid die aan het verzoek ten grondslag is gelegd, niet aannemelijk is.
Wanneer zich niet het geval voordoet dat de omstandigheid die aan het verzoek ten grondslag is gelegd, niet aannemelijk is geoordeeld, moet de rechter een afweging maken tussen alle bij aanhouding van het onderzoek op de terechtzitting betrokken belangen. Het gaat daarbij om het belang van de verdachte bij het kunnen uitoefenen van zijn in artikel 6 lid 3 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden gewaarborgde aanwezigheidsrecht – waaronder het recht om zich in zijn afwezigheid op de terechtzitting door een daartoe uitdrukkelijk gemachtigde raadsman te doen verdedigen – en, kort gezegd, het belang dat niet alleen de verdachte maar ook de samenleving heeft bij een doeltreffende en spoedige berechting. Van deze afweging, waarbij de aan het aanhoudingsverzoek ten grondslag gelegde omstandigheden moeten worden betrokken, moet de rechter in geval van afwijzing van het verzoek blijk geven in de motivering van zijn beslissing.”
2.5
In de onderhavige zaak is aan het verzoek om aanhouding, zoals vereist, een concrete omstandigheid ten grondslag gelegd. De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep immers aangevoerd dat de verdachte er niet is omdat hij dacht dat de terechtzitting pas om 14:00 uur (in plaats van om 12:00 uur) zou beginnen. Het hof heeft niet geoordeeld dat deze omstandigheid niet aannemelijk is en moest daarom een afweging maken tussen het belang van de verdachte bij het kunnen uitoefenen van zijn in art. 6 lid 3 EVRM Pro gewaarborgde aanwezigheidsrecht – waaronder het recht om zich in zijn afwezigheid op de terechtzitting door een daartoe uitdrukkelijk gemachtigde raadsman te doen verdedigen – en het belang dat niet alleen de verdachte maar ook de samenleving heeft bij een doeltreffende en spoedige berichting. Nu het verzoek door het hof is afgewezen, moest het hof bovendien van deze afweging, waarbij de aan het aanhoudingsverzoek ten grondslag gelegde omstandigheid moet worden betrokken, blijk geven in de motivering van zijn beslissing. Namens het hof heeft de voorzitter ter terechtzitting in dit verband allereerst opgemerkt dat het hof er sterk aan hecht om de zaak vandaag af te doen, gelet op de ouderdom van de zaak. En verder:

Er moet een afweging gemaakt worden tussen het belang van verdachte om bij zijn zaak aanwezig te zijn en het algemeen belang dat er uit bestaat dat de zaak niet nog ouder wordt dan deze al is. Het hof vindt dat algemene belang zwaarder wegen, mede gelet op de omstandigheden dat de zaak op verzoek van de verdediging begin dit jaar al een keer is aangehouden en de inbreuk op het aanwezigheidsrecht deels gecompenseerd kan worden door de raadsman die gemachtigd is om de verdediging te voeren.
2.6
In het algemeen geldt dat niet op voorhand kan worden aangegeven hoe de genoemde belangenafweging zal moeten uitvallen. De rechter moet deze afweging maken in de concrete omstandigheden van het geval en, bij afwijzing van het aanhoudingsverzoek, die beslissing motiveren. [4] Bij dat oordeel kan onder meer betekenis worden toegekend aan de omstandigheid dat een zaak al eerder is aangehouden. [5] In cassatie kan die motivering alleen op begrijpelijkheid worden getoetst. [6]
2.7
Het middel klaagt over de (motivering van de) afwijzing van het aanhoudingsverzoek door het hof. Door de steller van het middel wordt in de toelichting – in de kern – aangevoerd dat:
(i) het hof bij zijn belangenafweging enkel de ouderdom van de zaak, de eerdere aanhouding van de behandeling van de zaak en de aanwezigheid van een gemachtigd raadsman heeft meegewogen, en niet ook de aan het aanhoudingsverzoek ten grondslag gelegde omstandigheid, namelijk de vergissing van de verdachte in de aanvangstijd, zodat de afwijzing van het aanhoudingsverzoek getuigt van een onjuiste rechtsopvatting althans niet zonder meer begrijpelijk althans onvoldoende met redenen omkleed is;
(ii) voor zover de afwijzing van het aanhoudingsverzoek door het hof niet getuigt van een onjuiste rechtsopvatting, is het oordeel van het hof niet zonder meer begrijpelijk althans onvoldoende met redenen omkleed, omdat de eerdere aanhouding de doorslag lijkt te hebben gegeven bij de beslissing om de zaak niet opnieuw aan te houden. Dat de zaak eerder is aangehouden, levert geen bijzondere omstandigheid op die de afwijzing van het verzoek rechtvaardigt, te meer nu de eerdere aanhouding verband hield met verhindering van de voorkeursraadsman en geen van de procespartijen zich tegen het aanhoudingsverzoek heeft verzet;
(iii) het feit dat op de terechtzitting van 23 juli 2025 een gemachtigd raadsman aanwezig was, de bestreden beslissing evenmin begrijpelijk maakt nu de redelijke termijn na terugwijzing van de zaak door de Hoge Raad nog niet was overschreden noch een overschrijding van de redelijke termijn in het verschiet lag, terwijl het tijdsverloop van circa zes maanden tussen de aanhoudingsverzoeken niet dusdanig groot is dat het aanwezigheidsrecht moet wijken voor het belang dat de samenleving heeft bij een doeltreffende en spoedige berechting.
2.8
De raadsman van de verdachte heeft aan het aanhoudingsverzoek ten grondslag gelegd dat de verdachte zich in de aanvangstijd van de zitting heeft vergist. Een beoordeling van de aannemelijkheid van de aangevoerde omstandigheid kan achterwege blijven indien dat wat is aangevoerd – als dat juist zou zijn – na een belangenafweging toch niet tot toewijzing van het verzoek zou leiden. [7] Het hof heeft kennelijk gemeend dat van zo’n situatie sprake was en geoordeeld dat “het algemeen belang dat er uit bestaat dat de zaak niet nog ouder wordt dan deze al is” zwaarder weegt dan het belang van de verdachte bij zijn aanwezigheidsrecht. Het hof doelt daarmee – zo begrijp ik – op het belang dat niet alleen de verdachte, maar ook de samenleving heeft bij een doeltreffende en spoedige berechting. Bij dat oordeel heeft het hof in aanmerking genomen dat “de zaak op verzoek van de verdediging begin dit jaar al een keer is aangehouden en de inbreuk op het aanwezigheidsrecht deels gecompenseerd kan worden door de raadsman die gemachtigd is om de verdediging te voeren.” Verder heeft het hof ter terechtzitting aangeboden om de behandeling van de zaak die dag op een later tijdstip, namelijk om 13:00 uur of om 13:45 uur, te laten plaatsvinden opdat de verdachte ter terechtzitting aanwezig kan zijn. Nadat de raadsman aangeeft dat hijzelf om 13:45 uur verhinderd is en hij de verdachte heeft “geadviseerd om vandaag niet te meer te komen, omdat hij ruim een uur te laat zou aankomen”, merkt de voorzitter op dat “het hof gelet op de hiervoor genoemde belangenafweging de zaak vandaag af zal doen.”
2.9
Gelet op het vorenstaande heeft het hof wel degelijk de aan het aanhoudingsverzoek ten grondslag gelegde omstandigheid betrokken bij de beoordeling van het aanhoudingsverzoek. Een en ander brengt mee dat hetgeen de steller van het middel heeft aangevoerd als vermeld in randnummer 2.7 onder (i) feitelijke grondslag mist en reeds daarom faalt.
2.1
Voor zover de steller van het middel verder klaagt dat het oordeel van het hof niet zonder meer begrijpelijk is althans onvoldoende met redenen is omkleed, omdat (ii) de eerdere aanhouding van de zaak de doorslag lijkt te hebben gegeven en (iii) het feit dat een gemachtigd raadsman ter terechtzitting aanwezig is het oordeel evenmin begrijpelijk maakt nu de redelijke termijn (nog) niet in het geding komt, merk ik het navolgende op.
2.11
Anders dan de steller van het middel zie ik niet in dat de eerdere aanhouding van de behandeling van de zaak bij de door het hof gemaakte belangenafweging de doorslag heeft gegeven. Dat de zaak al een keer is aangehouden, is blijkens ’s hofs overwegingen slechts één van de factoren die het hof heeft meegewogen en ook heeft kunnen meewegen in het kader van het procesverloop van de zaak. Het hof heeft daarnaast uitdrukkelijk – en niet onbegrijpelijk – acht geslagen op de ouderdom van de zaak. Het tenlastegelegde dateert immers van januari 2020. Verder heeft het hof niet onbegrijpelijk acht geslagen op het feit dat een gemachtigd raadsman aanwezig is, hetgeen de inbreuk op het aanwezigheidsrecht van de verdachte volgens het hof deels compenseert. Het feit dat een gemachtigd raadsman aanwezig is, vormt een omstandigheid die kan bijdragen aan het oordeel dat berechting bij afwezigheid van de verdachte aanvaardbaar is. [8] Het hof heeft deze omstandigheid aldus kunnen meewegen. Daarvoor is niet vereist dat de redelijke termijn is overschreden of op korte termijn wordt overschreden, zodat het nog niet in beeld komen van deze situatie het oordeel van het hof – anders dan de steller van het middel aanvoert – evenmin onbegrijpelijk maakt.
2.12
Al met al heeft het hof in voldoende mate blijk gegeven van een afweging van alle bij aanhouding van het onderzoek op de terechtzitting betrokken belangen en is de afwijzing van het verzoek niet onbegrijpelijk of onvoldoende met redenen omkleed. Daarbij betrek ik dat het hof nadat het heeft opgemerkt dat het “er sterk aan hecht om de zaak die dag af te doen,” nog heeft aangeboden om de zaak op één van de genoemde latere tijdstippen te behandelen. Door de raadsman van de verdachte is echter aangegeven dat dit niet mogelijk was, waarop het hof het aanhoudingsverzoek heeft afgewezen.

3.Slotsom

3.1
Het middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 RO Pro ontleende motivering.
3.2
Ambtshalve heb ik geen grond voor vernietiging van de uitspraak van het hof aangetroffen.
3.3
Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.HR 16 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:596.
2.Met parketnummer: 21-001694-24.
3.HR 2 december 2025, ECLI:NL:HR:2025:1815. Zie ook (in iets andere bewoordingen): HR 12 november 2019, ECLI:NL:HR:2019:1737,
4.Zie onder meer: HR 8 oktober 2024, ECLI:NL:HR:2024:1387, r.o. 2.3.
5.Zie bijvoorbeeld HR 27 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:3862.
6.Zie onder meer: HR 19 november 2024, ECLI:NL:HR:2024:1644, r.o. 2.3 en HR 1 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:1896, r.o. 2.3.
7.Vgl. HR 2 december 2025, ECLI:NL:HR:2025:1815, r.o. 2.4.
8.HR 13 juli 2021, ECLI:NL:HR:2021:1134. Voor de volledigheid merk ik op dat hieruit niet mag worden afgeleid dat de verdachte daarmee het recht om ter terechtzitting in hoger beroep zelf aanwezig te zijn, heeft prijsgegeven, maar dat dit wel maakt dat het niet uitoefenen van het aanwezigheidsrecht door de verdachte eerder aanvaardbaar kan worden geacht. Vgl. HR 11 mei 2021, ECLI:NL:HR:2021:685.