ECLI:NL:PHR:2026:620

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
23 juni 2026
Publicatiedatum
21 juni 2026
Zaaknummer
24/00272
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 420bis SrArt. 81 lid 1 ROArt. 6 lid 1 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling medeplegen valsheid in geschrift en gewoontewitwassen met strafvermindering

De verdachte werd door het gerechtshof Amsterdam veroordeeld voor medeplegen van valsheid in geschrift, feitelijk leidinggeven aan het medeplegen van het opzettelijk voorhanden hebben van valse facturen, en medeplegen van gewoontewitwassen. De feiten betreffen het gebruik van valse facturen van de bedrijven [B] B.V. en [A] B.V. ten behoeve van de vennootschappen van de verdachte, waarbij geen daadwerkelijke werkzaamheden zijn verricht die de gefactureerde bedragen rechtvaardigen.

De verdediging voerde aan dat wel degelijk werkzaamheden zijn verricht en dat er sprake was van lumpsum-afspraken, waarbij de facturen niet per specifieke werkzaamheden werden opgesteld. Ook werd gesteld dat de verdachte geen opzet had op de valsheid van de facturen. Het hof oordeelde echter dat de facturen vals waren, dat de verdachte feitelijk leiding gaf aan het voorhanden hebben van deze facturen, en dat sprake was van gewoontewitwassen van crimineel geld via de vennootschappen van de verdachte.

De advocaat-generaal concludeert dat het cassatieberoep moet worden verworpen, maar dat de strafoplegging moet worden verminderd wegens overschrijding van de redelijke termijn. De Hoge Raad bevestigt dat het hof voldoende gemotiveerd heeft geoordeeld dat de facturen vals zijn en dat de verdachte opzettelijk heeft gehandeld. Ook is het oordeel over het gewoontewitwassen en de herkomst van de gelden niet onbegrijpelijk. De verwijzingen naar bewijsmiddelen en verklaringen zijn toereikend. De straf wordt verminderd vanwege de overschrijding van de redelijke termijn.

Uitkomst: Veroordeling voor medeplegen valsheid in geschrift en gewoontewitwassen met vermindering van de gevangenisstraf wegens overschrijding redelijke termijn.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer24/00272
Zitting23 juni 2026
CONCLUSIE
P.T.C. van Kampen
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1971,
hierna: de verdachte

1.Het cassatieberoep

1.1
Het gerechtshof Amsterdam heeft de verdachte bij arrest van 25 januari 2024 (parketnr. 23-002808-21) wegens (1) “medeplegen van valsheid in geschrift”, (2) “feitelijk leidinggeven aan het medeplegen van opzettelijk een vals geschrift voorhanden hebben, terwijl hij weet dat dit geschrift bestemd is voor het gebruik als ware het echt en onvervalst, meermalen gepleegd”, en (3) “medeplegen van gewoontewitwassen” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 22 maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren.
1.2
Er bestaat samenhang met de zaken 24/00454 en 24/00337. In die zaken zal ik vandaag ook concluderen.
1.3
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. Advocaten S.A.H. Vromen en J.S. Nan hebben twee middelen van cassatie voorgesteld.
1.4
Samen met de twee hiervoor genoemde zaken maakt de onderhavige zaak blijkens de vaststellingen van het hof onderdeel uit van het strafrechtelijke onderzoek Tandem IV. Naar aanleiding van de strafrechtelijke onderzoeken Tandem I en Tandem II zijn eerder zes mannen, waaronder [betrokkene 1] , door de rechtbank Amsterdam veroordeeld voor (onder meer) betrokkenheid bij een liquidatiepoging in 2015. Uit het onderzoek Tandem II bleek dat [betrokkene 1] via een beveiligd netwerk van de server Ennetcom contact had met een persoon genaamd [betrokkene 2] . Dat leidde tot het onderzoek Tandem III. Naar aanleiding van dit laatste onderzoek is [betrokkene 2] door de rechtbank Amsterdam bij vonnis van 7 december 2018 onherroepelijk veroordeeld voor onder meer het medeplegen van witwassen in november 2015 en deelname aan een criminele organisatie met [betrokkene 3] en anderen in de periode februari t/m november 2015, welke organisatie zich bezighield met de invoer van harddrugs. [1] Naar aanleiding van het onderzoek Tandem III is de verdenking gerezen dat [betrokkene 2] contact onderhield met [medeverdachte 1] (hierna: [medeverdachte 1] ) en [medeverdachte 2] (hierna: [medeverdachte 2] ) om door [betrokkene 2] en [betrokkene 1] verworven crimineel vermogen door de beide broers en hun bedrijven te laten witwassen. De broers en hun respectievelijke bedrijven ( [A] B.V. en [B] B.V.) ontvingen aanzienlijke bedragen van aan de verdachte in de onderhavige zaak gelieerde bedrijven ( [C] B.V. en [D] B.V.). Dit heeft geleid tot het onderzoek Tandem IV, naar aanleiding waarvan (onder meer) de verdachte in de onderhavige zaak door het hof is veroordeeld voor – kort gezegd – medeplegen van valsheid in geschrift en gewoontewitwassen.

2.Het eerste middel

2.1
Het eerste middel heeft betrekking op het onder 2 bewezenverklaarde feit en bestaat uit drie deelklachten. De drie deelklachten houden in dat:
1) het oordeel van het hof dat sprake is van valse facturen niet begrijpelijk is;
2) het hof onvoldoende heeft gemotiveerd dat de verdachte feitelijke leiding heeft gegeven aan het
opzettelijkvoorhanden hebben van de valse facturen door [C] BV en/of [D] BV; en
3) de bewezenverklaring onvoldoende met redenen is omkleed.
2.2
Ten laste van de verdachte heeft het hof onder feit 2 bewezenverklaard dat:
“ [C] B.V. en/of [D] B.V. op tijdstippen in de periode van 24 januari 2013 tot en met 31 december 2017 in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen,
opzettelijk de hierna (onder a, b, c, d, e, f, g, h, i, en j) genoemde valselijk opgemaakte geschriften die bestemd waren om tot bewijs van enig feit te dienen voorhanden heeft gehad, terwijl [C] B.V. en/of [D] B.V. en/of zijn mededaders (telkens) wisten dat die geschriften bestemd waren voor gebruik als waren deze echt en onvervalst
aan welke bovenomschreven verboden gedragingen verdachte feitelijk leiding heeft gegeven,
te weten de geschriften:
a. een factuur van het bedrijf [B] B.V. met als vermelde werkzaamheden en/of diensten "Managementadvies Q1" met factuurnummer 2013004, d.d. 24 januari 2013, met een gesteld bedrag van 2.420 euro (inclusief BTW), geadresseerd aan [D] B.V.;
b. een factuur van het bedrijf [B] B.V. met als vermelde werkzaamheden en/of diensten "Managementadvies Q4" met factuurnummer 2013003, d.d. 24 januari 2013, met een gesteld bedrag van 18.150 euro (inclusief BTW) geadresseerd aan [C] B.V.;
c. een factuur van het bedrijf [B] B.V. met als vermelde werkzaamheden en/of diensten "Advisory Q2-14" met factuurnummer 2013005, d.d. 22 maart 2014, met een gesteld bedrag van 27.830 euro (inclusief BTW), geadresseerd aan [E] B.V. (Handelsnaam van [D] B.V.);
d. een factuur van het bedrijf [B] B.V. met als vermelde werkzaamheden en/of diensten "Advisory Q4-14" met factuurnummer 2013020, d.d. 29 december 2014, met een gesteld bedrag van 21.780 euro (inclusief BTW), geadresseerd aan [C] B.V.;
e. een factuur van het bedrijf [A] B.V. met als vermelde werkzaamheden en/of diensten "Ondersteuning jan t/m april 2015" met factuurnummer 41, d.d. 18 mei 2015, met een gesteld bedrag van 6.050 euro (inclusief BTW), geadresseerd aan [C] B.V.;
f. een factuur van het bedrijf [A] B.V. met als vermelde werkzaamheden en/of diensten "Financiële ondersteuning mei t/m sept. 2015" met factuurnummer 80, d.d. 19 oktober 2015, met een gesteld bedrag van 18.150 euro (inclusief BTW) geadresseerd aan [C] B.V./ [F] B.V.;
g. een factuur van het bedrijf [A] B.V. met als vermelde werkzaamheden en/of diensten "Financiële ondersteuning okt t/m dec 2015 - aanvulling financiële ondersteuning jan t/m dec 2015" met factuurnummer 98, d.d. 10 november 2015, met een gesteld bedrag van 43.560 euro (inclusief BTW), geadresseerd aan [C] B.V./ [F] B.V.;
h. een factuur van het bedrijf [A] B.V. met als vermelde werkzaamheden of diensten: "'Ondersteuning juni t/m augustus 2016" d.d. 3 augustus 2016 met een gesteld bedrag van 36.300 euro (inclusief BTW), geadresseerd aan [C] B.V./ [F] B.V.;
i. een factuur van het bedrijf [A] B.V. met als vermelde werkzaamheden en/of diensten "Ondersteuning November t/m december 2016 - extra werk 2016 (avond en weekend toeslag)" met factuurnummer 201600232, d.d. 10 november 2016, met een gesteld bedrag van 30.250 euro (inclusief BTW), geadresseerd aan [C] B.V. en/of [F] B.V.;
j. een factuur van het bedrijf [A] B.V. met als vermelde werkzaamheden en/of diensten " Inhuur Externe", met factuurnummer 17700445, d.d. 28 augustus 2017, met een gesteld bedrag van 24.200 euro (inclusief BTW), geadresseerd aan [C] B.V.;
bestaande de valsheid hierin dat op die geschriften valselijk en in strijd met de waarheid is vermeld en opgenomen dat de op die facturen vermelde werkzaamheden verricht zijn en/of beschreven diensten zijn geleverd op de wijze als omschreven in de facturen, terwijl in werkelijkheid vermelde werkzaamheden en/of diensten niet zijn verricht.”
2.3
De bewezenverklaring is met gebruik van de Promis-werkwijze gemotiveerd. Omwille van de leesbaarheid heb ik de voetnoten uit de bewijsmotivering weggelaten. Het arrest bevat voor zover relevant de volgende overwegingen:

Redengevende feiten en omstandigheden
[…]
[medeverdachte 1] is bestuurder en enig aandeelhouder van [G] B.V. (hierna: [G] ) vanaf de oprichting op 9 oktober 2012. Onder [G] hing [B] B.V. (hierna: [B] ). [medeverdachte 1] was directeur van [B] . [medeverdachte 1] heeft verklaard dat er geen andere mensen waren die betalingen konden doen voor [B] en dat hij alleen kon beschikken over de identifier waarmee bankbetalingen werden gedaan.
[medeverdachte 2] is sinds de oprichting op 5 juni 2014 enig bestuurder van de vennootschap [A] B.V. (hierna: [A] ). Enig aandeelhouder is vanaf 12 maart 2015 [H] . [medeverdachte 2] is de bestuurder van deze stichting sinds 1 januari 2017.
[verdachte] is registeraccountant. [verdachte] is bestuurder en enig aandeelhouder van [C] B.V. (hierna: [C] ) sinds 8 maart 1999. Een handelsnaam van [C] is [F] .
[C] is enig aandeelhouder van [D] B.V. (hierna: [D] ) sinds 8 maart 1999. [verdachte] is hiervan bestuurder sinds 31 oktober 2014. [D] heeft meerdere handelsnamen, waaronder [I] en [E] .
[…]
Uit het bankrekeningoverzicht van [B] blijkt dat in de periode van 1 januari 2014 tot en met 30 september 2015 betalingen hebben plaatsgevonden door [F] ( [C] ) (in totaal € 64.789,45) en [D] (in totaal € 30.250,-) op een totaalbedrag aan bijschrijvingen van € 253.194,- (inclusief contante stortingen).
[…]
In totaal is door [A] een bedrag van € 158.510,- gefactureerd aan de rechtspersonen gelieerd aan [verdachte] . In het bankrekeningoverzicht van [A] zijn betalingen door [F] terug te vinden die verband houden met de ten laste gelegde facturen a tot en met f. In de omschrijving van deze betalingen is het betreffende factuurnummer opgenomen en de hoogte van de betalingen correspondeert met de hoogte van de bedragen vermeld op de facturen. De betalingen zijn veelal kort na de factuurdatum gedaan.
Op de onder [verdachte] inbeslaggenomen laptops, waarop hij zijn financiële administratie bijhield, en telefoon zijn geen bestanden of berichten aangetroffen die er op wijzen dat [A] werkzaamheden heeft verricht voor de rechtspersonen gelieerd aan [verdachte] . Op de laptop van [medeverdachte 2] is niets aangetroffen wat duidt op werkzaamheden die [A] ten behoeve van de aan [verdachte] gelieerde rechtspersonen zou hebben verricht.
[…]
Op 26 juni 2018 verklaart de vader van [medeverdachte 1] , [vader medeverdachte 1] , dat zijn zoon [medeverdachte 1] nooit voor [verdachte] heeft gewerkt. Hij vraagt zich af wat zijn zoon voor [verdachte] zou moeten doen. [vader medeverdachte 1] verklaart in hetzelfde verhoor met beide personen, ook in privé om te gaan.
Op 29 augustus 2018 heeft een doorzoeking plaatsgevonden in het kantoor van [verdachte] . De onder
a tot en met jten laste gelegde facturen zijn aangetroffen in de inbeslaggenomen administratie. De facturen
a tot en met dzijn afkomstig van [B] . De facturen
e tot en met jzijn afkomstig van [A] B.V.
Bewijsoverwegingen
[…]
Feit 2 valse facturen
De verdachte wordt er onder feit 2 (
eerste alternatief) van beschuldigd dat hij feitelijk leiding heeft gegeven aan, dan wel opdracht heeft gegeven tot, het medeplegen van het opzettelijk voorhanden hebben van tien valse facturen. Onder feit 2 (
tweede alternatief) wordt hij ervan beschuldigd dat hij dit feit samen met anderen heeft gepleegd.
Op 29 augustus 2018 heeft een doorzoeking plaatsgevonden in het kantoor van de verdachte. De onder
a tot en met jten laste gelegde facturen zijn aangetroffen in de inbeslaggenomen administratie. De facturen
a tot en met dzijn afkomstig van [B] . De facturen
e tot en met jzijn afkomstig van [A] B.V. De facturen zijn veelal kort na de factuurdatum betaald.
Op de inbeslaggenomen telefoon van de verdachte en de laptops, waarop hij zijn financiële administratie bijhield, zijn geen bestanden aangetroffen waaruit concreet blijkt dat [medeverdachte 1] , [B] , [medeverdachte 2] en [A] werkzaamheden van enige omvang hebben verricht voor de verdachte of een van zijn bedrijven. Ook bij [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] is in de administraties van hun vennootschappen, in hun telefoons noch in hun laptops iets aangetroffen waaruit blijkt dat zij of hun vennootschappen werkzaamheden van enige omvang hebben verricht voor de verdachte of zijn vennootschappen. De zeer beperkte hoeveelheid e-mailberichten en notities die door de verdediging gedurende de procedure aan het dossier zijn toegevoegd, brengen het hof niet tot een ander oordeel.
Facturen [B] (a t/m d)
Het hof is van oordeel dat uit de bewijsmiddelen blijkt dat de ten laste gelegde facturen vals zijn en dat [C] die voorhanden heeft gehad. In de administratie van [C] zijn deze facturen aangetroffen, maar geen bestanden die er op duiden dat [B] werkzaamheden heeft verricht ten behoeve van de aan de verdachte gelieerde rechtspersonen, terwijl de werkzaamheden van dien aard zouden moeten zijn dat die betalingen van in totaal € 96.800.- zouden moeten rechtvaardigen. Ook [vader medeverdachte 1] verklaarde op 26 juni 2018 dat zijn zoon [medeverdachte 1] nooit voor de verdachte heeft gewerkt. Hij vraagt zich zelfs af wat zijn zoon voor de verdachte zou moeten doen, terwijl het toch om substantiële werkzaamheden zou moeten gaan en [vader medeverdachte 1] in hetzelfde verhoor heeft verklaard met beide personen, ook in privé, om te gaan.
De verdediging heeft verschillende e-mails overgelegd, die te linken zouden moeten zijn aan werkzaamheden die [B] voor vennootschappen van [verdachte] heeft verricht. Ook uit deze e-mails blijkt evenwel niet concreet welke werkzaamheden [B] voor vennootschappen van [verdachte] heeft verricht en hoe die met de facturen zouden corresponderen. Bovendien verhoudt de beweerdelijke betalingsafspraak (lump sum) zich niet met de wijze waarop is gefactureerd. Er is niet met een vaste frequentie een bepaald bedrag in rekening gebracht. Integendeel, er is onregelmatig gefactureerd en de in rekening gebrachte bedragen lopen uiteen. De omschrijvingen op de facturen zijn zodanig vaag dat daaruit geen concrete werkzaamheden te herleiden zijn.
Over de bij [B] aangetroffen factuur met als omschrijving ‘Marktonderzoek en advies project [plaats] ’, is door [medeverdachte 1] op 5 juni 2018 bij de politie verklaard dat hij geen idee heeft of hij bij dat project betrokken is geweest, weet hij niet wat het project inhoudt en weet hij ook niet of hij voor het project heeft gewerkt, terwijl er een betaling van € 18.150,- inclusief BTW tegenover de beweerdelijke werkzaamheden stond. Daar komt bij dat de onder (a) en (b) ten laste gelegde facturen – die beide op 24 januari 2014 zijn gedateerd en een gelijke omschrijving hebben (Advisory Q1) – met een afwijkende datering bij [B] zijn aangetroffen.
Facturen hebben naar hun aard een bewijsbestemming in het maatschappelijk verkeer. De ten laste gelegde facturen zijn in de administratie van [C] aangetroffen, waarmee vaststaat dat de facturen bestemd waren voor gebruik jegens derden.
Het voorhanden hebben van de valse facturen heeft plaatsgevonden binnen de sfeer van de rechtspersoon en kan dan ook aan [C] worden toegerekend. De verdachte heeft aan die gedragingen feitelijk leidinggegeven. Hij was bestuurder en enig aandeelhouder en de enige natuurlijke persoon die betrokken was bij [C] . Het hof ziet onvoldoende aanknopingspunten voor het ten laste gelegde medeplegen, zodat de verdachte van dat onderdeel van de tenlastelegging zal worden vrijgesproken.
Op grond van het voorgaande komt het hof tot het oordeel dat de in de ten laste gelegde facturen
a tot en met domschreven werkzaamheden niet door [B] zijn verricht, dat die facturen dus valselijk zijn opgemaakt en dat de verdachte feitelijk leiding heeft gegeven aan het opzettelijk voorhanden hebben van die facturen.
Facturen [A] (e t/m j)
Het hof is van oordeel dat uit de bewijsmiddelen blijkt dat de ten laste gelegde facturen vals zijn en dat [C] die voorhanden heeft gehad.
In de administraties van [A] en [C] zijn geen bestanden of berichten aangetroffen die duiden op door [A] verrichte werkzaamheden ten behoeve van de aan [verdachte] gelieerde rechtspersonen, terwijl de werkzaamheden van dien aard zouden moeten zijn dat die betalingen van in totaal € 158.510,- zouden moeten rechtvaardigen. De facturen bevatten opvallend ronde bedragen en de omschrijvingen daarin zijn zodanig vaag dat daaruit geen concrete werkzaamheden te herleiden zijn.
De verdediging heeft in dit verband verwezen naar verschillende e-mails die namens [verdachte] zijn overgelegd en die te linken zouden moeten zijn aan werkzaamheden die [A] voor vennootschappen van [verdachte] heeft verricht. Ook uit deze e-mails blijkt evenwel niet concreet welke werkzaamheden [A] voor vennootschappen van [verdachte] heeft verricht en hoe die met de facturen zouden corresponderen. De zeer beperkte hoeveelheid e-mailberichten en notities die door de verdediging gedurende de procedure aan het dossier zijn toegevoegd, brengen het hof niet tot een ander oordeel.
[medeverdachte 2] heeft bij de politie in zijn eerste verhoor verklaard dat hij in opdracht van [verdachte] heeft gewerkt voor klanten van [F] . Hij maakte de opzet voor de administratie en adviezen over de boekhouding van klanten. [medeverdachte 2] werkte in het kantoor dat zich in de woning van [verdachte] op de eerste verdieping bevond en hij werkte op de computer van [verdachte] . Alle afspraken werden mondeling gemaakt. [medeverdachte 2] hoefde niet aan [verdachte] te rapporteren, omdat ze samen werkten op hetzelfde adres.
In een latere verklaring heeft [medeverdachte 2] geschreven dat hij een vaste prijs, een zogenoemde lump sum vergoeding, ontving om zich beschikbaar te houden voor het geval [verdachte] werk aan hem wilde uitbesteden.
[verdachte] heeft bij de politie verklaard dat [medeverdachte 2] hem hielp bij de administratie en bij het zoeken van nieuwe opdrachtgevers. [verdachte] heeft hem een lump sum betaald voor zijn activiteiten. Alle afspraken verliepen mondeling. Dat was een vertrouwenskwestie. [medeverdachte 2] werkte op zijn eigen computer in zijn eigen omgeving. Voor afstemming over de werkzaamheden ging [verdachte] naar het kantoor van de verdachte in [plaats] .
Op 1 september 2020 heeft [verdachte] bij de rechter-commissaris en ook op zitting in hoger beroep verklaard dat [medeverdachte 2] hem hielp bij zijn werkzaamheden voor ABN-AMRO. Dat gebeurde volledig online. [verdachte] had op zijn laptop toegang tot de systemen van ABN-AMRO. Hij gaf [medeverdachte 2] vervolgens via Team Viewer op afstand toegang tot zijn laptop, zodat [medeverdachte 2] de werkzaamheden kon verrichten. [medeverdachte 2] heeft op de zitting in eerste aanleg verklaard dat, door het op afstand toegang krijgen tot de laptop van [verdachte] , het voor hem leek alsof hij en [verdachte] ‘fysiek naast elkaar’ zaten.
[medeverdachte 2] en [verdachte] hebben bij de politie in eerste instantie volstrekt tegenstrijdige verklaringen afgelegd over de locatie waar [medeverdachte 2] zijn werkzaamheden zou hebben verricht en op wiens laptop er werd gewerkt. Dat lijkt achteraf door [medeverdachte 2] en [verdachte] te zijn onderkend. De later afgelegde verklaringen dat [medeverdachte 2] en [verdachte] gebruik maakten van Team Viewer zodat [medeverdachte 2] op zijn eigen werkplek toch op de computer van [verdachte] kon werken, vindt het hof volstrekt ongeloofwaardig en lijken duidelijk op elkaar te zijn afgestemd en bedoeld om een gat in hun verklaringen te dichten.
Bovendien verhoudt de beweerdelijke betalingsafspraak (
lump sum) zich niet met de wijze waarop er is gefactureerd. Er is niet met een vaste frequentie een bepaald bedrag in rekening gebracht. Integendeel, er is onregelmatig gefactureerd en de in rekening gebrachte bedragen lopen uiteen. Ook de gefactureerde vergoeding voor de omschrijvingen "Inhuur externe" en "extra weekend en avond werk" past niet bij een
lump sum.
Naar het oordeel van het hof zijn, gelet op het gebrek aan enige onderbouwing en de volledig tegengestelde verklaring van [medeverdachte 2] en de verdachte over waar de werkzaamheden zouden zijn verricht, de werkzaamheden waarvoor is gefactureerd, niet verricht.
Facturen hebben naar hun aard een bewijsbestemming in het maatschappelijk verkeer. Bovendien zijn de facturen in de administratie van [verdachte] aangetroffen, waarmee vaststaat dat de facturen bestemd waren voor het gebruik jegens derden.
Het opzettelijk voorhanden hebben van de valse facturen heeft plaatsgevonden binnen de sfeer van de rechtspersoon en kan zodoende aan de rechtspersoon worden toegerekend. De verdachte was bestuurder van [C] en [D] BV en was direct betrokken bij het opmaken en gebruiken van de valse facturen door ze in de administratie van zijn vennootschappen op te nemen en heeft feitelijk leidinggegeven aan het voorhanden hebben van valse geschriften. Het is niet gebleken dat de verdachte het feitelijke leidinggeven als medepleger heeft gedaan, zodat de verdachte van dat onderdeel van de tenlastelegging zal worden vrijgesproken.
Het hof komt tot bewezenverklaring van het eerste alternatief tenlastegelegde. Het hof komt op basis van het voorgaande tot het oordeel dat de facturen
e tot en met jdie door [A] aan [C] zijn verstrekt valselijk zijn opgemaakt omdat daar geen prestatie van [A] tegenover heeft gestaan en dat verdachte feitelijk leiding heeft gegeven aan het opzettelijk voorhanden hebben van die facturen.”
2.4
Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 12, 15 en 19 december 2023 en 12 januari 2024 blijkt dat de raadsvrouw van de verdachte op 19 december 2023 het woord heeft gevoerd aan de hand van overgelegde pleitaantekeningen. Deze pleitaantekeningen houden voor zover relevant het volgende in:

FEIT 2
46. Onder feit 2 is cliënt door de rechtbank veroordeeld voor het feitelijk leidinggeven aan het voorhanden hebben van een tiental vermeend valse facturen door [C] B.V en/of [D] B.V. Dit betreffen vier facturen afkomstig van [B] B.V., het bedrijf van [medeverdachte 1] , en zes facturen afkomstig van [A] B.V., het bedrijf van [medeverdachte 2] .
47. Onduidelijk is welk verwijt cliënt in dit kader precies wordt gemaakt. Afgaande op de tekst van de bewezenverklaring zouden de facturen vals zijn, omdat de daarop beschreven werkzaamheden/diensten in werkelijkheid niet zouden zijn verricht. De rechtbank lijkt dat oordeel enerzijds te baseren op de veronderstelling dat helemaal geen werkzaamheden zijn verricht door (de bedrijven van) [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] . Ook de advocaat-generaal meent dat kan worden vastgesteld dat
géénwerkzaamheden hebben plaatsgevonden. Anderzijds lijkt de rechtbank te overwegen dat wel werkzaamheden hebben plaatsgevonden – ik citeer: dit
“duidt op een begin van werkzaamheden"– maar dat deze werkzaamheden niet corresponderen met de facturen en in omvang in het niet vallen bij de hoogte van deze facturen.
Helemaal geen werkzaamheden?
48. Om met de eerste veronderstelling – dat helemaal geen werkzaamheden zouden hebben plaatsgevonden – te beginnen: dat klopt simpelweg niet.
49. Zowel uit het onderzoek door de politie, als uit de e-mails die de verdediging in verschillende stadia van het onderzoek heeft overgelegd, blijkt duidelijk dat [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] wel degelijk werkzaamheden voor cliënt hebben uitgevoerd.
50. Op 24 november 2023 heeft de verdediging een schriftelijk standpunt overgelegd, waarin wordt toegelicht waaruit deze werkzaamheden hebben bestaan en waarin deze werkzaamheden zijn onderbouwd met stukken. Ik verzoek u de inhoud van (een deel van) dit schriftelijk stuk hier als ingelast en voorgehouden te beschouwen:
“9. In onderstaande wordt getracht zo specifiek mogelijk toe te lichten en te onderbouwen welke werkzaamheden met de tenlastegelegde facturen corresponderen. Het is voor cliënt echter niet in alle gevallen eenvoudig per factuur exact aan te geven welke specifieke werkzaamheden daar tegenover hebben gestaan. Dat heeft twee redenen.
10. Ten eerste zijn de afspraken met [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] die aan de facturen ten grondslag liggen mondeling gemaakt. Dit betekent dat aan de facturen geen schriftelijke overeenkomst ten grondslag ligt én dat overleg over de werkzaamheden van beide heren voornamelijk telefonisch en per WhatsApp plaatsvond. Slechts een beperkt deel van het overleg is via de e-mail gegaan. De overgelegde e-mails zijn dus de weergave van slechts een fractie van het overleg dat heeft plaatsgevonden. Daarbij geldt dat cliënt in het verleden meermaals (delen van) zijn Yahoo mailbox heeft geleegd en met het schonen van zijn mailbox pas eind augustus 2018 is gestopt. Ook is hij in die periode meerdere malen van telefoon gewisseld (gemiddeld elke twee jaar), waardoor hij geen toegang heeft tot zijn telefoongegevens van die tijd, noch tot zijn WhatsApp geschiedenis.
11. Om te proberen toch nog oude, gewiste WhatsApp gesprekken terug te halen, heeft cliënt onderzoek gedaan naar de mogelijkheid deze WhatsApp gesprekken terug te halen. Op basis van informatie op de website van WhatsApp en diverse gebruikersfora, werd hem duidelijk dat dit niet mogelijk is. Desalniettemin heeft hij contact opgenomen met de helpdesk van WhatsApp met de vraag of deze gesprekken op enigerlei wijze terug te halen zijn (zie
bijlage 1). Helaas heeft hij daarop geen reactie gekregen.
12. De tweede reden waarom het lastig is de facturen aan specifieke werkzaamheden te koppelen, is dat met beide heren overeengekomen is dat cliënt hen een 'lumpsum' zou betalen voor hun werkzaamheden. Dat een lumpsum werd betaald voor de werkzaamheden heeft cliënt vanaf zijn allereerste verhoor bij de politie verklaard. Vooraf was (mondeling) een vast bedrag afgesproken dat de vennootschappen van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] gedurende een jaar of voor een specifiek project mochten factureren voor hun werkzaamheden. Dit afgesproken bedrag was gebaseerd op een schatting van de te verrichten werkzaamheden. Zoals ook uit de algemene omschrijvingen op de facturen blijkt, werd dus niet per factuur voor specifieke werkzaamheden gefactureerd. Op de facturen werd telkens een deel van de vooraf afgesproken lumpsum gefactureerd.
FACTUREN [B] B.V.
13. Zoals in eerste aanleg al toegelicht, heeft [medeverdachte 1] vanuit zijn bedrijf [B] B.V voornamelijk in 2014 voor de vennootschappen van cliënt gewerkt. Zoals zowel cliënt als [medeverdachte 1] verklaren, bestonden de werkzaamheden van [medeverdachte 1] hoofdzakelijk uit het bieden van commerciële advisering en ondersteuning.
14. Cliënt heeft met [medeverdachte 1] steeds afgesproken dat hij voor zijn werkzaamheden ten aanzien van een bepaald project een lumpsum – een vooraf afgesproken vast bedrag – mocht factureren aan de vennootschappen van cliënt.
15. De rechtbank acht de verklaring dat een lumpsum was afgesproken om meerdere redenen ongeloofwaardig.
16. Ten eerste acht de rechtbank dit ongeloofwaardig omdat omschrijvingen als "Managementadvies Q1" en "Advisory Q2-14" op de facturen niet zouden corresponderen met een lumpsum. Dat kan de verdediging niet plaatsen. Niet valt in te zien waarom deze omschrijvingen, die beide neerkomen op advieswerkzaamheden over een bepaalde periode, niet zouden corresponderen met een vooraf afgesproken totaalprijs.
17. Voorts wijst de rechtbank op een factuur met de titel "project [plaats] " die niet zou stroken met de gestelde lumpsumafspraken. Deze factuur is echter niet ten laste gelegd en valt inderdaad buiten de door de verdediging genoemde lumpsum afspraken waar de overige – wel tenlastegelegde facturen – op zien.
18. Ook acht de rechtbank het opmerkelijk dat aan verschillende vennootschappen is gefactureerd. Daarmee doelt de rechtbank kennelijk op het feit dat de facturen zijn verstuurd aan [E] B.V./ [D] B.V. en [C] B.V. Cliënt merkt daar over op dat [E] B.V./ [D] B.V. een 100% dochter is van [C] B.V. en dat door dit bedrijf betaalde facturen op de rekening courant van de holding werden geboekt als dit ten laste moest komen van [C] B.V. Factureren op het een of het andere bedrijf kwam economisch altijd op hetzelfde neer. [medeverdachte 1] was daarvan op de hoogte.
19. Tot slot overweegt de rechtbank dat het feit dat onregelmatig en verschillende bedragen zijn gefactureerd niet past bij een lumpsum. Het feit dat onregelmatig is gefactureerd, maakt echter niet dat geen sprake is van een lumpsum. Bij elkaar opgeteld komen de bedragen immers neer op de afgesproken lumpsum en cliënt en [medeverdachte 1] hadden niet afgesproken in welke termijnen het totaalbedrag door [medeverdachte 1] zou worden gefactureerd. De keuze hoe dit totaalbedrag werd gefactureerd, liet cliënt aan [medeverdachte 1] . Cliënt betaalde de factuur echter pas nadat de factuur was ontvangen en was getoetst of de facturatie nog wel paste binnen de overeengekomen lumpsum.
a. Factuur van het bedrijf [B] B.V. met als vermelde werkzaamheden en/of diensten "Managementadvies Q1" met factuurnummer 2013004, d.d. 24 januari 2013, met een gesteld bedrag van 2.420 euro (inclusief BTW), geadresseerd aan [D] B.V.
20. De factuur is gedateerd 24 januari 2013. Dit is een verschrijving. De factuur is in werkelijkheid verstuurd op 24 januari 2014, is betaald in januari 2014 en is in de administratie van [D] B.V. ook opgenomen in het jaar 2014. Bijgaand treft u een dagafschrift van de bankrekening van [D] B.V. bij de Rabobank aan, waaruit blijkt dat de betaling heeft plaatsgevonden op 24 januari 2014 (
bijlage 2). Daarnaast treft u een foto aan van het Grootboek Verwerkingsverslag van [D] B.V., waar uit blijkt dat de factuur in de administratie van 2014 is verwerkt (
bijlage 3).
21. De factuur heeft betrekking op werkzaamheden die [medeverdachte 1] via zijn vennootschap [B] B.V. voor de vennootschappen van cliënt en zijn neef [betrokkene 4] heeft uitgevoerd ten behoeve van de verkoop van uit China geïmporteerde aanstekers aan Nederlandse supermarkten.
22. [C] B.V. heeft in aanloop naar het Europees Kampioenschap voetbal van 2012 samen met [betrokkene 4] 100.000 XXL oranje aanstekers laten produceren in China. Nederland is op dit EK heel vroeg uitgeschakeld. Ook kwamen deze aanstekers te laat aan in Nederland. Er is toen een groot aantal aanstekers onverkocht gebleven. Daarop is [medeverdachte 1] benaderd en vervolgens ingehuurd om de onverkocht gebleven aanstekers te promoten en te verkopen. Door de inspanningen van [B] B.V. is een groot aantal aanstekers in de aanloop naar het Wereldkampioenschap voetbal 2014 alsnog verkocht, via onder meer supermarkten van Aldi en Dirk van den Broek.
23. Uit de e-mails en documenten in
bijlage 4blijkt dat cliënt zich samen met zijn neef [betrokkene 4] bezighield met de import van de aanstekers en het plan deze aanstekers te verkopen aan de Nederlandse supermarkten. Uit de e-mails blijkt ook dat [medeverdachte 1] in een later stadium betrokken werd bij de verkoop van de aanstekers. Op pagina 5 van bijlage 4 is te zien dat [betrokkene 4] een aantal documenten ten aanzien van de aanstekers aan [medeverdachte 1] toestuurt. Dat [B] B.V. daadwerkelijk werkzaamheden heeft verricht, blijkt onder meer uit een brief die namens [B] B.V. is verstuurd aan de supermarkt Aldi, waarin de aanstekers worden aangeboden (p. 6). Op pagina 7 is te zien dat [betrokkene 4] aan [betrokkene 5] , een medewerker van [B] B.V., vraagt wanneer hij langskomt om te 'stikkeren' voor de levering aan Dirk van den Broek. Op de laatste pagina van bijlage 4 is nog een foto gevoegd van de aanstekers.
24. Cliënt had met [medeverdachte 1] afgesproken dat hij voor de werkzaamheden van [B] B.V. ten aanzien van de verkoop van de aanstekers een totaalbedrag (lump-sum) van €17.000 ex btw mocht factureren.
25. De rechtbank heeft in het vonnis ten aanzien van deze werkzaamheden overwogen dat het feit dat ingekochte aanstekers in de supermarkt zijn terecht gekomen, duidt op een begin van werkzaamheden, maar onduidelijk is met welke factuur die dan moeten corresponderen en dat de werkzaamheden in omvang in het niet vallen bij de hoogte van de facturen. Kennelijk acht de rechtbank het dus wel aannemelijk dat [medeverdachte 1] in dit kader enkele werkzaamheden voor cliënt heeft uitgevoerd. Hoe de rechtbank vervolgens tot de conclusie komt dat dit in omvang in het niet valt bij de hoogte van de facturen, is de verdediging onduidelijk en klopt niet. De werkzaamheden van [medeverdachte 1] hebben ervoor gezorgd dat een groot aantal aanstekers uiteindelijk toch verkocht is. Weliswaar heeft [verdachte] B.V. uiteindelijk een licht verlies geleden op het aanstekerproject, maar dit is een gebruikelijk ondernemersrisico en doet niets af aan de inspanningen van [medeverdachte 1] waarvoor hij betaald is. Tot slot is het niet aan de rechtbank om te toetsen of de overeengekomen vergoeding redelijk is. Dat kunnen en mogen partijen onderling bepalen.
b. Factuur van het bedrijf [B] B.V. met als vermelde werkzaamheden en/of diensten "Managementadvies Q4" met factuurnummer 2013003. d.d. 24 januari 2013, met een gesteld bedrag van 18.150 euro (inclusief BTW) geadresseerd aan [C] B.V.
26. Ook de datum op deze factuur is een verschrijving. De factuur is in werkelijkheid verstuurd op 24 januari 2014, is betaald in januari 2014 en is in de administratie van [C] B.V. ook opgenomen in het jaar 2014. Bijgaand treft u een dag afschrift van de bankrekening van [C] B.V. bij de Rabobank aan, waaruit blijkt dat de betaling heeft plaatsgevonden op 24 januari 2014 (
bijlage 5). Daar naast treft u een foto aan van het Grootboek Verwerkingsverslag van [C] B.V., waaruit blijkt dat de factuur in de administratie van 2014 is verwerkt (
bijlage 6).
27. De werkzaamheden die door [medeverdachte 1] worden gefactureerd met deze factuur, zien ook op zijn inspanningen ten aanzien van de verkoop van de oranje aanstekers. Het gefactureerde bedrag is onderdeel van het lumpsum bedrag van €17.000 ex btw dat overeengekomen is. Hetgeen over de werkzaamheden ten aanzien van de aanstekers in bovenstaande (randnummers 21 t/m 25) is toegelicht, geldt dus ook voor deze factuur.
28. Cliënt kan achteraf niet verklaren waarom als omschrijving op deze factuur "Managementadvies Q4" staat, terwijl de factuur in januari is verzonden. Dit zal een slordigheid van de kant van [medeverdachte 1] zijn geweest, waar cliënt overheen heeft gekeken. Cliënt heeft enkel gecontroleerd of het bedrag dat gefactureerd werd paste binnen de overeengekomen lumpsum van €17.000 ex btw.
c. Factuur van het bedrijf [B] B.V. met als vermelde werkzaamheden en/of diensten "Advisory Q2-14" met factuurnummer 2013005, d.d. 22 maart 2014, met een gesteld bedrag van 27.830 euro (inclusief BTW), geadresseerd aan [E] B.V. (Handelsnaam van [D] B.V.);
d. Factuur van het bedrijf [B] B.V. met als vermelde werkzaamheden en/of diensten "Advisory Q4-14" met factuurnummer 2013020, d.d. 29 december 2014, met een gesteld bedrag van 21.780 euro (inclusief BTW), geadresseerd aan [C] B.V.
29. De werkzaamheden die corresponderen met deze twee facturen zijn tweeledig.
30. Ten eerste heeft [medeverdachte 1] gewerkt aan de website design en promotie van de [J] , een appartementengebouw in Suriname waarvan cliënt eigenaar is. Daarover heeft cliënt al verklaard tijdens zijn verhoren in augustus en september 2018. Uit
bijlage 7blijkt dat [medeverdachte 1] hiertoe samen met zijn medewerker [betrokkene 5] een plan van aanpak heeft opgesteld, die hij met cliënt heeft gedeeld en dat hij voorstellen heeft gedaan aan cliënt ten aanzien van aanpassingen aan de website.
31. Ook ten aanzien van deze werkzaamheden heeft de rechtbank geoordeeld dat de stukken weliswaar duiden op een begin van werkzaamheden, maar onduidelijk is met welke factuur die dan moeten corresponderen en dat deze werkzaamheden in omvang in het niet vallen bij de hoogte van de facturen. Ook hier merkt de verdediging op dat de rechtbank kennelijk tóch aanneemt dat [medeverdachte 1] werkzaamheden voor cliënt heeft uitgevoerd. Hoe de rechtbank vervolgens tot de conclusie komt dat deze werkzaamheden niet corresponderen met de hoogte van de facturen, is de verdediging wederom onduidelijk. Alhoewel het moeilijk is de extra winst uit de verhuur van de appartementen die is behaald door de promotiewerkzaamheden van [medeverdachte 1] exact in te schatten, hebben zijn werkzaamheden daaraan zeker bijgedragen. Ook hier geldt dat het niet aan de rechtbank is om te bepalen wat een redelijke vergoeding voor de uitgevoerde werkzaamheden is.
32. Voorts was het de bedoeling dat [medeverdachte 1] cliënt zou helpen bij het ontwikkelen van een softwareapplicatie voor de zorg.
Bijlage 8bevat een e-mail ten aanzien van dit project. [medeverdachte 1] wijst cliënt op een bericht op Twitter ten aanzien van plek in verpleeghuizen, waarbij hij ook refereert aan een eerder gesprek dat zij daarover hadden. De software is uiteindelijk niet uitgerold, omdat [B] B.V. failliet is gegaan. Daardoor zijn er geen concretere e-mails over de specifieke werkzaamheden.
33. Cliënt heeft met [medeverdachte 1] afgesproken dat hij voor zijn werkzaamheden ten behoeve van de softwareapplicatie en de [J] een lumpsum mocht factureren van €60.000 ex btw. Uiteindelijk heeft [medeverdachte 1] voor deze werkzaamheden een totaalbedrag van €41.000 in rekening gebracht. De reden dat het gefactureerde bedrag lager is dan de overeengekomen lumpsum is gelegen in het onverwachte faillissement van [B] B.V.
FACTUREN [A] B.V.
34. Cliënt heeft in de periode van 2015 tot en met 2017 samengewerkt met [medeverdachte 2] . [medeverdachte 2] bood [C] B.V. vanuit zijn bedrijf [A] B.V. voornamelijk financiële en administratieve ondersteuning. [medeverdachte 2] was goed met administratieve software en office en kon cliënt daarmee ondersteunen. Zowel [medeverdachte 2] als cliënt verklaren dat [medeverdachte 2] cliënt ook hielp met de opzet en inrichting van de administratie van de klanten van [C] B.V.
35. In zijn e-mailbox heeft cliënt 52 e-mails aangetroffen van en aan [e-mailadres] . Zoekende op [medeverdachte 2] trof hij 137 e-mails aan (
bijlage 9). De meest relevante e mails worden in onderstaande onderbouwing van de facturen uitgelicht en als bijlagen bijgevoegd.
36. Ook met [medeverdachte 2] is cliënt mondeling overeengekomen dat hij hem een lumpsum zou betalen voor zijn inspanningen: een vast bedrag per periode voor werkzaamheden die [medeverdachte 2] voor hem uitvoerde. In 2015 is afgesproken dat [medeverdachte 2] een totaalbedrag van €56.000 ex btw in rekening mocht brengen. Dit bedrag is gebaseerd op een inschatting van ongeveer 650 uur aan administratief werk tegen een uurtarief van €85. Voor het jaar 2016 is overeengekomen dat [medeverdachte 2] een totaalbedrag van €120.000 zou mogen declareren. Dit bedrag is gebaseerd op de inschatting dat [medeverdachte 2] ongeveer 100 uur per maand voor cliënt zou werken tegen een uurtarief van €100. In 2017 is vervolgens nog eenmalig €20.000 gefactureerd voor ongeveer 200 uur werk à €100 per uur.
37. Ook ten aanzien van de facturen van [A] B.V. schuift de rechtbank de verklaring dat sprake was van een lumpsum afspraak als ongeloofwaardig terzijde. Daarbij hecht de rechtbank opnieuw veel waarde aan het feit dat niet met een vaste frequentie is gefactureerd. Opnieuw merkt cliënt op dat de frequentie van factureren niets afdoet aan de lumpsum afspraken. Cliënt heeft met [medeverdachte 2] een vast bedrag afgesproken. Op welke wijze en in welke termijnen [medeverdachte 2] dit bedrag wilde factureren, heeft cliënt aan hem gelaten.
38. Opvallend is voorts dat de rechtbank zonder enige motivering oordeelt dat niet is onderbouwd dat [A] de werkzaamheden zoals beschreven op de facturen heeft verricht. In de administratie is niets aangetroffen en uit de overgelegde e-mails blijkt dit ook niet, aldus de rechtbank. Daarbij gaat de rechtbank in het geheel niet in op (de inhoud van) de door de verdediging overgelegde e-mails (waarover later meer), waaruit wel degelijk blijkt dat [medeverdachte 2] werkzaamheden heeft uitgevoerd voor cliënt. De rechtbank laat na te motiveren waarom de werkzaamheden die uit de e-mails blijken niet met de facturen zouden corresponderen.
e. Factuur van het bedrijf [A] B.V. met als vermelde werkzaamheden en/of diensten "Ondersteuning jan t/m april 2015" met factuurnummer 41, d.d. 18 mei 2015, met een gesteld bedrag van 6.050 euro (inclusief BTW), geadresseerd aan [C] B.V.;
f. Factuur van het bedrijf [A] B.V. met als vermelde werkzaamheden en/of diensten "Financiële ondersteuning mei t/m sept 2015" met factuurnummer 80, d.d. 19 oktober 2015, met een gesteld bedrag van 18.150 euro (inclusief BTW) geadresseerd aan [C] B.V./ [F] B.V.;
g. Factuur van het bedrijf [A] B.V. met als vermelde werkzaamheden en/of diensten "Financiële ondersteuning okt t/m dec 2015 - aanvulling financiële ondersteuning jan t/m dec 2015" met factuurnummer 98, d.d. 10 november 2015, met een gesteld bedrag van 43.560 euro (inclusief BTW), geadresseerd aan [C] B.V./ [F] B.V.
39. Deze facturen hebben betrekking op administratieve ondersteuning door [medeverdachte 2] op diverse werkzaamheden van [C] B.V. Een deel van het werk zag op accountantswerk. De specifieke werkzaamheden van [medeverdachte 2] bestonden uit het opmaken van rapportages in PowerPoint en Excel ten behoeve van de cliënten van [C] B.V. [medeverdachte 2] hielp cliënt met het verzamelen van data en het uitvoeren van steekproeven.
40. Zo ondersteunde [medeverdachte 2] cliënt met het opstellen van de accountantsverklaringen voor [K] B.V., [L] en [M] . Over deze werkzaamheden van [medeverdachte 2] heeft cliënt vanaf zijn eerste verhoor bij de politie verklaard. Over deze werkzaamheden is tussen cliënt en [medeverdachte 2] veelvuldig gecommuniceerd, zoals te zien is in
bijlage 10. In deze e-mails is – naast de vele communicatie tussen [medeverdachte 2] en de bovengenoemde rechtspersonen met cliënt in de cc – te zien dat [medeverdachte 2] cliënt documenten toestuurt (zie bijvoorbeeld p. 12-13, 26-27, 33 en 37 t/m 41), dat cliënt [medeverdachte 2] opdrachten geeft (zie bijvoorbeeld p. 19 t/m 21, p. 24, p. 28) en dat [medeverdachte 2] en cliënt over deze werkzaamheden ook telefonisch contact hadden (zie bijvoorbeeld p. 32-33).
41. Daarbij wordt het volgende opgemerkt. In het dossier komt naar voren dat [medeverdachte 2] als boekhouder voor [K] B.V. en [L] werkte en wordt het vermoeden geuit dat hij voor zijn werkzaamheden voor deze partijen dus direct werd betaald. De werkzaamheden die [medeverdachte 2] als boekhouder voor [K] en [L] heeft verricht, staan echter los van de werkzaamheden die hij in opdracht van cliënt voor deze partijen uitvoerde. Uit de overgelegde e-mails blijkt ook duidelijk dat cliënt [medeverdachte 2] opdrachten gaf en [medeverdachte 2] deze opdrachten voor cliënt uitvoerde. Daarbij wordt bijvoorbeeld gewezen op pagina 37 van bijlage 10, waarin [medeverdachte 2] mailt "Zie hierbij de gevraagde gegevens (...) Laat me weten of nog iets nodig hebt" en pagina 28, waarin cliënt aan [medeverdachte 2] mailt "Mail die selectie voor steekproef naar hen en zet me in de cc (...)". De betalingen van cliënt aan [medeverdachte 2] zagen dus wel degelijk ook op deze werkzaamheden.
42. Een ander deel van de werkzaamheden die [medeverdachte 2] voor cliënt heeft uitgevoerd, bestond uit het samenstellen van rapportages voor een klant van cliënt: ABN Amro. Cliënt was verantwoordelijk voor een tijdrovende voortgangsrapportage en het uitvoerende werk bestond uit de wekelijkse opmaak van een voortgangsrapport in Excel en PowerPoint van ruim 50 pagina's. De werkzaamheden van [medeverdachte 2] in dit kader bestonden uit het in PowerPoint en in Excel maken van draft rapportages ten behoeve van ABN Amro. De eindcontrole deed cliënt zelf, inclusief het aansturen van de overige projectmedewerkers. Cliënt kon via zijn laptop in de beveiligde omgeving van ABN Amro (via Citrix) en [medeverdachte 2] werkte via Teamviewer op de laptop van cliënt. Over deze werkzaamheden is geen correspondentie beschikbaar, aangezien [medeverdachte 2] al zijn werkzaamheden uitvoerde via Teamviewer en hij de vertrouwelijke informatie van deze klant niet op zijn eigen computer bewaarde, dan wel via de e-mail deelde. Alle overige zaken werden door cliënt en [medeverdachte 2] afgestemd via WhatsApp.
43. De rechtbank overweegt in het vonnis dat hij de verklaringen van cliënt ten aanzien van deze werkzaamheden ongeloofwaardig acht, omdat de verklaring afgestemd zou zijn op de verklaring van [medeverdachte 2] en bedoeld zou zijn om een gat in hun verklaringen te dichten. Volgens de rechtbank hebben cliënt en [medeverdachte 2] eerder - bij de politie - volstrekt tegenstrijdige verklaringen afgelegd over de locatie waar [medeverdachte 2] zijn werkzaamheden verrichte en op wiens laptop werd gewerkt. In de pleitnotitie in eerste aanleg is al stilgestaan bij het feit dat de verklaringen van [medeverdachte 2] en cliënt op dit punt helemaal niet zo tegengesteld zijn. Ten aanzien van de later afgelegde verklaring van cliënt over de werkzaamheden die hebben plaatsgevonden via Teamviewer, geldt dat cliënt hierover in eerste instantie liever niets wilde verklaren, omdat ABN niet op de hoogte was van het feit dat hij de hulp van [medeverdachte 2] inschakelde bij het uitvoeren van de opdracht voor ABN.
44. Om deze werkzaamheden van [medeverdachte 2] te onderbouwen, heeft cliënt nog getracht via de helpdesk van Teamviewer de loggegevens op te vragen, waarmee bovenbeschreven werkwijze zou kunnen worden bevestigd (
bijlage 11). Helaas heeft hij daarop geen reactie gekregen. Dat hij niet nader kan onderbouwen dat de betreffende werkzaamheden via Teamviewer hebben plaatsgevonden, kan hem dan ook niet worden tegengeworpen.
45. Dat [medeverdachte 2] cliënt heeft ondersteund bij zijn werkzaamheden voor ABN Amro kan wel blijken uit het feit dat cliënt in 2015 zowel een fulltime opdracht had van ABN als een fulltime opdracht van ATB (hetgeen ook kan worden afgeleid uit de sterk toenemende omzet van [C] B.V. in die periode, zie
bijlage 12). Client kon deze twee opdrachten tegelijkertijd doen doordat [medeverdachte 2] een groot deel van de werkzaamheden voor ABN op zich nam.
h. Factuur van het bedrijf [A] B.V. met als vermelde werkzaamheden of diensten: 'Ondersteuning juni t/m augustus 2016" d.d. 3 augustus 2016 met een gesteld bedrag van 36.300 euro (inclusief BTW), geadresseerd aan [C] B.V./ [F] B.V.;
i. Factuur van het bedrijf [A] B.V. met als vermelde werkzaamheden en/of diensten "Ondersteuning November t/m december 2016 — extra werk 2016 (avond en weekend toeslag)" met factuurnummer 201600232, d.d. 10 november 2016, met een gesteld bedrag van 30.250 euro (inclusief BTW), geadresseerd aan [C] B.V. en/of [F] B.V.
46. Ook deze facturen hadden betrekking op de werkzaamheden die [medeverdachte 2] uitvoerde ten behoeve van het opstellen van de accountantsverklaringen voor onder meer [K] B.V., [L] en [M] en de ondersteunende werkzaamheden die hij via Teamviewer uitvoerde voor ABN Amro.
47. Daarbij wordt opgemerkt dat cliënt op basis van de drukte in 2015 met [medeverdachte 2] afspraken heeft gemaakt over diens beschikbaarheid in 2016. Uiteindelijk viel de omzet van cliënt in 2016 tegen, omdat zowel de opdracht van ATB, als de opdracht van ABN Amro halverwege het jaar vrij plotseling stopten. De afspraken met [medeverdachte 2] ten aanzien van de lumpsum betalingen die hij zou ontvangen voor zijn werkzaamheden had cliënt toen echter al gemaakt. Er is dus ook gefactureerd en betaald op basis van die afspraken.
48. De rechtbank heeft in het vonnis zijn verbazing uitgesproken over het feit dat de lumpsum in 2016 het dubbele zou bedragen dan die in 2015, terwijl daar de helft aan beschikbare uren tegenover zou staan. Dit ontbeert volgens de rechtbank iedere zakelijke logica. Waarop de rechtbank de vaststelling dat in 2016 twee keer zo weinig uren is gewerkt als in 2015 baseert, is voor de verdediging onduidelijk. Dit klopt niet. Dat de lumpsum in 2016 hoger was dan in 2015, terwijl in 2015 meer werk is gedaan, klopt echter wel en heeft te maken met bovenbeschreven afspraken en ontwikkelingen.
j. Factuur van het bedrijf [A] B.V. met als vermelde werkzaamheden en/of diensten "Inhuur Externe", met factuurnummer 17700445, d.d. 28 augustus 2017, met een gesteld bedrag van 24.200 euro (inclusief BTW); geadresseerd aan [C] B.V.
49. Deze factuur had betrekking op werkzaamheden van [medeverdachte 2] met betrekking tot potentieel detacheringswerk. In 2017 heeft [medeverdachte 2] , op verzoek van [C] B.V., commerciële activiteiten ontplooid op het gebied van detachering, werving en selectie. Daarover heeft cliënt ook verklaard tijdens zijn verhoor op 29 augustus 2018. Deze werkzaamheden zijn uitgevoerd gedurende geheel 2017. In
bijlage 13treft u enkele e-mails van [medeverdachte 2] aan, waarin hij relevante vacatures doorstuurt ten behoeve van detacheringswerk. De omschrijving op de factuur "Inhuur Externe" is een verwijzing naar deze werkzaamheden.
50. Voor deze in 2017 door [medeverdachte 2] uitgevoerde werkzaamheden, heeft [A] B.V. het vooraf afgesproken bedrag van €20.000 ex btw in rekening gebracht.
TOT SLOT
51. Tot slot wijst de verdediging uw hof er in algemene zin nog op dat cliënt achteraf concludeert dat het factureren van de werkzaamheden door zijn neven enigszins slordig is verlopen. De facturen werden niet regelmatig gestuurd, de omschrijvingen op de facturen zijn in voorkomende gevallen niet helemaal helder en (zoals in onderstaande nader toegelicht) stond niet op alle facturen de juiste datum vermeld. Dit soort onregelmatigheden zijn cliënt destijds, door de extreme drukte, niet opgevallen. Daarbij speelt mee dat hij wellicht minder oplettend is geweest omdat het familie betrof. Dit is weliswaar slordig te noemen, maar betekent niet dat er geen werkzaamheden hebben plaatsgevonden en dat de facturen om die reden vals zijn.
CONCLUSIE
52. Op basis van bovenstaande toelichting en onderbouwing volgt de conclusie dat [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] via hun vennootschappen [B] B.V. en [A] B.V. wel degelijk werkzaamheden hebben uitgevoerd voor de vennootschappen van cliënt. De verstuurde en betaalde facturen corresponderen met deze werkzaamheden. Dat de facturen vals zouden zijn omdat de daarop vermelde werkzaamheden niet zijn verricht, is dus onjuist.”
51. Ter aanvulling op de omschrijving van de werkzaamheden in het schriftelijk standpunt, ga ik naar aanleiding van het requisitoir nog kort in op de werkzaamheden van [medeverdachte 2] voor ABN. De advocaat-generaal merkt in haar requisitoir op dat geen stukken zijn aangedragen die de werkzaamheden van cliënt voor de ABN onderbouwen. Dat klopt. De verdediging ging er namelijk van uit dat geen twijfel bestaat over de vraag of cliënt werkzaamheden heeft verricht voor ABN. Uit het dossier blijkt namelijk duidelijk dat cliënt jarenlang als ZZP’er voor deze bank heeft gewerkt.
52. Wat daar ook van zij: cliënt onderbouwt deze werkzaamheden graag. Zoals hij ter zitting heeft verklaard, heeft hij in de periode van 2009 tot 2016 verschillende opdrachten gedaan bij ABN. Hij heeft niet voor al deze specifieke opdrachten een aparte overeenkomst, omdat hij door het detacheringsbureau ( [N] ) standaard werd gevraagd online de verlenging van zijn overeenkomst van opdracht te accorderen (zie ter illustratie
bijlage 1). Bijgaand treft u ter onderbouwing van de werkzaamheden van cliënt in 2016 een e-mail aan van hem aan zijn team met daarbij een agenda voor ‘de stuurgroep discrepantiedossier’ (
bijlage 2). Daarnaast treft u een document aan ten behoeve van een vergadering van het 'Project Portfolio Board Hypotheken', waarin onder agendapunt 3.2 het rapport van cliënt wordt besproken (
bijlage 3). Zoals cliënt ter zitting verklaarde, was voor zijn opdracht enerzijds specialistische kennis nodig en moesten er anderzijds tijdsintensieve repetitieve taken worden uitgevoerd. Voor dit laatste schakelde hij [medeverdachte 2] in.
53. Ook meent de advocaat-generaal dat de verklaring dat [medeverdachte 2] op de laptop van cliënt werkte via TeamViewer "ongelooflijk onwaarschijnlijk en onlogisch" is. Dit zou een omslachtige wijze van werken zijn en cliënt zou op deze manier zelf niets meer op zijn laptop kunnen doen. Ten eerste: cliënt heeft ter zitting ook verklaard dat hij niet zelf op zijn laptop werkte op het moment dat [medeverdachte 2] met zijn werkzaamheden bezig was. Hij werkte op die momenten voor ATB via een computer van ATB. Was dit dan toch een omslachtige wijze van werken? Wellicht. Maar ook een noodzakelijke. Cliënt wilde namelijk – zoals hij zelf ook al verklaarde – niet dat de gegevens van ABN op de laptop van [medeverdachte 2] belandde.
54. Terug naar de in het schriftelijk standpunt beschreven werkzaamheden.
55. Zoals benoemd, zijn veel bijlagen bij dit standpunt al in eerdere stadia van het proces aan het OM verstuurd en aan het dossier gevoegd. Het is op zijn zachts gezegd opmerkelijk dat de rechtbank volledig voorbij gaat aan deze stukken, waaruit blijkt dat werkzaamheden hebben plaatsgevonden. Cliënt heeft in zijn e-mailbox zeker 200 e-mails aangetroffen tussen hem en [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] . De e-mails zijn duidelijk zakelijk van aard. Er wordt niet gesproken over privéaangelegenheden. De rechtbank laat na om deze stukken te duiden en te motiveren waarom ondanks het bestaan van deze stukken toch geconcludeerd wordt dat géén werkzaamheden hebben plaatsgevonden. Dit valt het meest op in de motivering van de rechtbank ten aanzien van de facturen van [A] B.V. Verder dan
"uit de door de verdediging overgelegde e-mails blijkt dat ook niet"komt de rechtbank niet.
56. De advocaat-generaal gaat in haar requisitoir nog een stapje verder: zij laat na de overgelegde e-mails überhaupt te benoemen. In het requisitoir wordt volstaan met de opmerking dat de verdachten "vaag blijven" over de uitgevoerde werkzaamheden, zonder dat enig gewag wordt gemaakt van de concrete en onderbouwde omschrijving van de werkzaamheden in het schriftelijk standpunt van 24 november 2023.
57. In dat kader steekt ook de overweging van de rechtbank en de kennelijke opvatting van de advocaat-generaal dat de verklaring van cliënt over de werkzaamheden nauwelijks tot niet verifieerbaar zou zijn.
58. De politie heeft namelijk nagelaten enig zelfstandig onderzoek te doen naar de werkzaamheden waarop de facturen betrekking hebben. De politie heeft geen onderzoek verricht naar de mailbox op de laptop en/of telefoon van cliënt en naar aanleiding van de e-mails die cliënt tijdens zijn verhoor heeft getoond is niets gedaan om een en ander te verifiëren. Zoals al meermaals naar voren gebracht, zijn politie en justitie dit onder zoek duidelijk ingegaan met een bepaalde hypothese en daar paste een diepgravend onderzoek naar uitgevoerde werkzaamheden niet bij. Dit terwijl het wel degelijk aan het OM (en dus de politie) is aan te tonen dat de facturen vals zijn. Het is niet aan cliënt om te bewijzen dat de facturen
nietvals zijn.
59. Desalniettemin heeft cliënt alles in het werk gesteld om precies dat te doen: te bewijzen dat wel werkzaamheden zijn verricht en de facturen dus niet vals zijn.
60. Daarbij hecht ik eraan te benadrukken dat cliënt wel degelijk - anders dan uw hof suggereerde tijdens de feitenbehandeling – direct tijdens zijn politieverhoren heeft verklaard over de werkzaamheden die zijn neven voor hem hebben uitgevoerd. Cliënt heeft tijdens zijn eerste verhoor – nog voordat hij inzage had in zijn administratie of mailbox – verklaard over:
 De werkzaamheden van [medeverdachte 2] voor [K] B.V.
 De werkzaamheden van [medeverdachte 2] ten aanzien van het zoeken naar nieuwe opdrachtgevers.
 Het feit dat [medeverdachte 2] hem heeft ondersteund met de administratie, onder andere door te helpen met Excel overzichten.
 Het feit dat [medeverdachte 1] hem commerciële ondersteuning gaf.
 De werkzaamheden van [medeverdachte 1] voor een project in de zorg.
61. Uw hof leek het vorige week opmerkelijk te vinden dat cliënt tijdens zijn verhoren bij de politie niet gedetailleerder kon verklaren over de werkzaamheden van zijn neven. Los van het feit dat cliënt wel degelijk in grote lijnen over deze werkzaamheden heeft verklaard, geldt ook dat hij op dat moment over géén van zijn opdrachtnemers precies kon verklaren welke werkzaamheden zij verricht hadden. Tijdens zijn verhoor is hem gevraagd naar de werkzaamheden van andere ZZP’ers die hij heeft ingehuurd. Het antwoord van cliënt: "
Ik weet dat niet. Ik moet dat nakijken."Betekent dit dat cliënt alle 25 ZZP’ers die hij heeft ingehuurd onverschuldigd heeft betaald? Uiteraard niet. Cliënt heeft door de jaren heen simpelweg met veel verschillende ZZP’ers gewerkt op veel verschillende projecten. Dat gegeven en het feit dat hij zich destijds in een stressvolle situatie bevond, maakt dat hij zich de werkzaamheden niet meer exact kon herinneren.
62. Zoals in het schriftelijk standpunt van 24 november 2023 toegelicht, heeft de verdediging in de jaren na de verhoren meerdere malen stukken overgelegd om de werkzaamheden te onderbouwen. Onder die omstandigheden klemt het dat de inspanningen die de verdediging heeft verricht om de werkzaamheden te onderbouwen door de rechtbank af worden gedaan met de overweging dat een en ander niet verifieerbaar zou zijn. Dit getuigt van een onjuiste opvatting over de bewijslastverdeling. Daarnaast klopt het niet. De verklaring van cliënt had geverifieerd kunnen worden door bijvoorbeeld vorderingen te doen bij Yahoo, WhatsApp en Teamviewer. Cliënt heeft immers tijdens zijn verhoren meermaals aangegeven dat hét meeste zakelijke contact tussen hem en zijn neven via deze kanalen is verlopen. Het OM beschikt over ruimere mogelijkheden deze oude (gewiste) gegevens terug te halen dan cliënt.
63. Tot zover ten aanzien van de veronderstelling dat géén werkzaamheden zouden zijn verricht. Dit klopt simpelweg niet en om die reden kan niet geconcludeerd worden dat de facturen vals zijn.
[…]
74. Ook was de opzet van cliënt niet op de valsheid gericht. Als door zijn neven al minder werkzaamheden zijn verricht dan afgesproken, was hij daarvan niet op de hoogte. In dat kader wijs ik u ook op het door het OM geschetste 'scenario 1‘ ten aanzien van de witwasverdenking. Ook het OM houdt kennelijk rekening met de mogelijkheid dat cliënt niet wist van de vermeende valsheid van de facturen. Daarbij vergeet de advocaat- generaal echter te vermelden dat cliënt in dat geval ook geen opzet had op het voorhanden hebben van valse facturen.
75. Daarnaast heeft cliënt slordigheden in de facturen begrijpelijkerwijs over het hoofd gezien.
76. In dat kader laat deze zaak zich goed vergelijken met een recente zaak van het hof Den Haag. In die zaak stelde het hof vast dat door de verdachte was gewerkt en dat die werkzaamheden waren gefactureerd, maar bevatten de facturen enkele slordigheden. Het hof oordeelde: "De slordigheden zijn onvoldoende om tot een bewezenverklaring te komen van het vereiste opzet op de valsheid.”
[…]
82. Ik kom tot een conclusie ten aanzien van feit 2. [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] hebben werkzaamheden voor cliënt uitgevoerd, waarvoor zij facturen hebben gestuurd. Dit blijkt duidelijk uit de door de verdediging overgelegde stukken. In ieder geval ging cliënt ervan uit dat de werkzaamheden waren verricht en had hij dus geen opzet op de valsheid. Indien uw hof meent dat de omschrijvingen op de facturen te algemeen zijn en/of de gefactureerde bedragen te hoog, geldt dat deze omstandigheden de facturen niet vals maken. De facturen zijn niet vals en cliënt dient van dit feit te worden vrijgesproken.”
De eerste deelklacht
2.5
De eerste deelklacht houdt in dat het oordeel van het hof dat sprake is van valse facturen niet begrijpelijk is. Daartoe wordt aangevoerd dat de overwegingen van het hof ten aanzien van de valsheid innerlijk tegenstrijdig zijn, nu het hof enerzijds overweegt dat er geen werkzaamheden zijn verricht en anderzijds opmerkt dat de omschrijvingen en bedragen op de facturen niet corresponderen met de verrichte werkzaamheden. Voor zover het hof meent dat er geen werkzaamheden zijn verricht, is dit oordeel in het licht van hetgeen in hoger beroep door de verdediging is aangevoerd niet zonder meer begrijpelijk. Voor zover het hof meent dat de facturen vals zijn omdat de omschrijvingen op de facturen te algemeen zijn of te hoge bedragen zijn gefactureerd is dit oordeel evenmin begrijpelijk, nu het hof het verweer van de verdediging op dit punt onvoldoende gemotiveerd heeft verworpen.
2.6
Het hof heeft ten aanzien van feit 2 allereerst overwogen dat op de telefoon en de laptops van de verdachte, waarop hij zijn financiële administratie bijhield, geen bestanden zijn aangetroffen waaruit concreet blijkt dat [medeverdachte 1] , [B] , [medeverdachte 2] en [A] werkzaamheden “van enige omvang” hebben verricht voor de verdachte of een van zijn bedrijven. Dergelijke bestanden zijn ook niet aangetroffen bij [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] , noch in de administraties van hun vennootschappen, hun telefoons of in hun laptops. Daarbij heeft het hof opgemerkt dat de (beweerdelijke) werkzaamheden “van dien aard” zouden moeten zijn dat die betalingen van in totaal € 96.800 ( [B] ) en € 158.510,- ( [A] ) zouden moeten rechtvaardigen.
2.7
Anders dan in de schriftuur wordt betoogd, lees ik in deze overwegingen niet dat het hof van oordeel is dat er (enige) werkzaamheden zijn verricht door [B] en/of [A] . Ik maak uit de bovengenoemde overwegingen juist op dat nergens uit blijkt dat [B] of [A] werkzaamheden hebben verricht voor de aan verdachte gelieerde rechtspersonen, en dat dit des te opmerkelijker is nu het – gelet op de bedragen die daar blijkens de facturen tegenover stonden – toch om substantiële werkzaamheden moet zijn gegaan. Dat biedt steun aan het oordeel van het hof dat de werkzaamheden waarvoor is gefactureerd niet zijn verricht. Ook de overige overwegingen wijzen in die richting. Van innerlijke tegenstrijdigheid is aldus geen sprake. In zoverre faalt de klacht.
2.8
Dan resteert de klacht dat het oordeel van het hof dat de werkzaamheden waarvoor is gefactureerd niet zijn verricht, niet begrijpelijk is in het licht van hetgeen de verdediging in hoger beroep heeft aangevoerd. Ik bespreek eerst het oordeel van het hof met betrekking tot de facturen van [B] (a t/m d) en ga daarna in op het oordeel over de facturen van [A] (e t/m j).
Facturen van [B] (a t/m d)
2.9
Ten aanzien van de facturen van [B] (a t/m d) heeft het hof overwogen er in de administratie van [C] geen bestanden zijn aangetroffen die er op duiden dat [B] werkzaamheden heeft verricht ten behoeve van de aan [verdachte] gelieerde rechtspersonen, terwijl de werkzaamheden van dien aard zouden moeten zijn dat die betalingen van in totaal € 96.800,- zouden moeten rechtvaardigen. De omschrijvingen op de facturen zijn bovendien zodanig vaag, zo overweegt het hof, dat ook daaruit geen concrete werkzaamheden zijn te herleiden. Hetzelfde geldt voor de e-mails die de verdediging heeft overgelegd: ook daaruit blijkt volgens het hof niet concreet welke werkzaamheden [B] voor de vennootschappen van de verdachte zou hebben verricht en hoe die met de facturen corresponderen.
2.1
Dat het hof uit hetgeen de verdediging in hoger beroep naar voren heeft gebracht geen concrete werkzaamheden heeft kunnen afleiden die [B] zou hebben verricht (en die de facturen zouden kunnen verklaren) acht ik niet onbegrijpelijk. In dit verband wijs ik er ook op dat het hof omtrent het “voorbereidende onderzoek” dat [B] zou hebben gedaan naar de vastgoedmarkt in Marokko voor het project “Marktonderzoek en advies project [plaats] ” heeft overwogen dat [medeverdachte 1] desgevraagd heeft aangegeven geen idee te hebben of hij bij dat project betrokken is geweest, niet weet wat het project inhoudt en ook niet weet of hij voor dat project heeft gewerkt, terwijl er een betaling van € 18.150 tegenover de werkzaamheden stond.
2.11
Daar komt bij dat hof aan het oordeel dat de tenlastegelegde facturen vals zijn, voorts ten grondslag heeft gelegd dat de vader van [medeverdachte 1] heeft verklaard dat zijn zoon nooit voor de verdachte heeft gewerkt en zich zelfs afvraagt wat zijn zoon dan voor de verdachte zou moeten doen (terwijl het toch om substantiële werkzaamheden zou moeten gaan), dat de beweerdelijke betalingsafspraak (lump sum) zich niet verhoudt met de wijze waarop is gefactureerd en dat twee van de facturen met een afwijkende datering bij [B] zijn aangetroffen.
2.12
Gelet op deze feiten en omstandigheden acht ik het oordeel van het hof dat de in de facturen a t/m d omschreven werkzaamheden niet door [B] zijn verricht en dat die facturen dus valselijk zijn opgemaakt, niet onbegrijpelijk en bovendien toereikend gemotiveerd.
Facturen van [A] (e t/m j)
2.13
Ten aanzien van de facturen van [A] (e t/m j) heeft het hof overwogen dat in de administratie van [A] en [C] geen bestanden of berichten zijn aangetroffen die duiden op door [A] verrichte werkzaamheden ten behoeve van de aan de verdachte gelieerde rechtspersonen, terwijl de werkzaamheden van dien aard zouden moeten zijn dat die betalingen van in totaal € 158.510,- zouden moeten rechtvaardigen. De omschrijvingen op de facturen zijn zodanig vaag dat daaruit geen concrete werkzaamheden zijn te herleiden. Ten aanzien van de verschillende e-mails die de verdediging heeft overgelegd en die te linken zouden moeten zijn aan de werkzaamheden die [A] voor de vennootschapen van de verdachte zou hebben bericht, heeft het hof overwogen dat daaruit niet concreet blijkt welke werkzaamheden zijn verricht en hoe die met de facturen zouden corresponderen.
2.14
Verder heeft het hof overwogen dat de verdachte en [medeverdachte 2] in eerste instantie “volstrekt tegenstrijdige” verklaringen hebben afgelegd over de locatie waar [medeverdachte 2] zijn werkzaamheden zou hebben verricht (volgens [medeverdachte 2] in het kantoor in de woning van de verdachte, volgens de verdachte juist in de eigen omgeving van [medeverdachte 2] ) en op wiens laptop er werd gewerkt (volgens [medeverdachte 2] op de computer van de verdachte, volgens de verdachte juist op de laptop van [medeverdachte 2] ). Ten aanzien van de later afgelegde verklaringen dat [medeverdachte 2] (via TeamViewer) op zijn eigen werkplek toch op de computer van de verdachte kon werken, heeft het hof overwogen dat dit “volstrekt ongeloofwaardig” is en deze verklaringen duidelijk op elkaar lijken te zijn afgestemd om een gat in de (eerdere) verklaringen te dichten.
2.15
Het hof heeft zijn oordeel dat de gefactureerde werkzaamheden niet zijn verricht, gebaseerd op het “gebrek aan enige onderbouwing” en de “volledig tegengestelde verklaring van [medeverdachte 2] en de verdachte over waar de werkzaamheden zijn verricht”. Nu er geen prestatie van [A] tegenover heeft gestaan, zijn de door [A] verstrekte facturen (e t/m j) volgens het hof valselijk opgemaakt. Dat oordeel acht ik, gelet op het voorgaande, niet onbegrijpelijk.
2.16
Het hiervoor onder 2.4 weergegeven betoog van de verdediging in hoger beroep dat wel degelijk werkzaamheden zijn verricht waar de betalingen op zien, maakt dat niet anders. Het hof is op het aangevoerde ingegaan door uiteen te zetten waarom de verklaringen van de verdachte en [medeverdachte 2] omtrent de beweerdelijke werkzaamheden als ongeloofwaardig terzijde worden geschoven en daarnaast te overwegen dat ook uit de door de verdediging ingebrachte stukken niet concreet blijkt welke werkzaamheden zijn verricht en hoe die met de facturen zouden corresponderen.
2.17
De eerste deelklacht faalt.
De tweede deelklacht
2.18
De tweede deelklacht houdt in dat het hof onvoldoende heeft gemotiveerd dat de verdachte feitelijke leiding heeft gegeven aan het
opzettelijkvoorhanden hebben van de in de bewezenverklaring omschreven valselijk opgemaakte facturen door [C] BV en [D] BV.
2.19
In hoger beroep is door de raadsvrouw van de verdachte betwist dat de verdachte opzet heeft gehad op de valsheid van de tenlastegelegde facturen. Daartoe is aangevoerd i) dat als er door de medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] al minder werkzaamheden zijn verricht, de verdachte daarvan niet op de hoogte was en ii) dat de verdachte slordigheden in de facturen over het hoofd heeft gezien. De verdachte ging er in ieder geval van uit dat de werkzaamheden waren verricht en had dus geen opzet op de valsheid van de facturen.
2.2
Het hof heeft bewezenverklaard dat de verdachte feitelijke leiding heeft gegeven aan het opzettelijk voorhanden hebben van de valselijk opgemaakte facturen. Daarbij is het hof niet expliciet ingegaan op het standpunt van de verdediging dat de verdachte geen opzet had op de valsheid van de facturen en de redenen die hebben geleid tot weerlegging van dit standpunt. In dit geval bevat de bewijsvoering echter reeds voldoende gegevens, waaruit blijkt waarom van dit standpunt is afgeweken. [2]
2.21
Zoals uit de bespreking van de eerste deelklacht al bleek, heeft het hof (niet onbegrijpelijk) geoordeeld dat de beweerdelijke werkzaamheden waarop de tenlastegelegde facturen betrekking zouden moeten hebben, in het geheel niet zijn verricht. In dat oordeel ligt besloten dat het verweer van de verdediging ter zake van het ontbreken van het opzet op de valsheid van de facturen wordt verworpen, aangezien dit verweer blijkens de argumentatie uitgaat van het scenario dat er wel degelijk (enige) werkzaamheden zouden zijn verricht. Een en ander blijkt ook uit de bespreking van de verklaringen van de verdachte over de beweerdelijke werkzaamheden, die door het hof als “volstrekt ongeloofwaardig” terzijde zijn geschoven. Hieruit vloeit logischerwijs voort dat de verdachte wist dat de verstrekte facturen valselijk zijn opgemaakt.
2.22
Het in de overwegingen van het hof besloten liggende oordeel dat de verdachte in de bewezenverklaarde periode opzettelijk valselijk opgemaakte facturen voorhanden heeft gehad, acht ik niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd.
2.23
De tweede deelklacht faalt.
De derde deelklacht
2.24
De derde deelklacht houdt in dat het hof ten aanzien van redengevende feiten en omstandigheden heeft nagelaten te verwijzen naar de wettige bewijsmiddelen waaraan het die feiten en omstandigheden heeft ontleend. De klacht heeft betrekking op de bewijsoverwegingen ten aanzien van de facturen van [A] (e t/m j), in het bijzonder de overwegingen met betrekking tot de verklaringen van de verdachte en [medeverdachte 2] ten aanzien van de gefactureerde werkzaamheden.
2.25
Voor de leesbaarheid herhaal ik de in de klacht bedoelde onderdelen van de bewijsoverwegingen:
“ [medeverdachte 2] heeft bij de politie in zijn eerste verhoor verklaard dat hij in opdracht van [verdachte] heeft gewerkt voor klanten van [F] . Hij maakte de opzet voor de administratie en adviezen over de boekhouding van klanten. [medeverdachte 2] werkte in het kantoor dat zich in de woning van [verdachte] op de eerste verdieping bevond en hij werkte op de computer van [verdachte] . Alle afspraken werden mondeling gemaakt. [medeverdachte 2] hoefde niet aan [verdachte] te rapporteren, omdat ze samen werkten op hetzelfde adres.
In een latere verklaring heeft [medeverdachte 2] geschreven dat hij een vaste prijs, een zogenoemde lump sum vergoeding, ontving om zich beschikbaar te houden voor het geval [verdachte] werk aan hem wilde uitbesteden.
[verdachte] heeft bij de politie verklaard dat [medeverdachte 2] hem hielp bij de administratie en bij het zoeken van nieuwe opdrachtgevers. [verdachte] heeft hem een lump sum betaald voor zijn activiteiten. Alle afspraken verliepen mondeling. Dat was een vertrouwenskwestie. [medeverdachte 2] werkte op zijn eigen computer in zijn eigen omgeving. Voor afstemming over de werkzaamheden ging [verdachte] naar het kantoor van de verdachte in [plaats] .
Op 1 september 2020 heeft [verdachte] bij de rechter-commissaris en ook op zitting in hoger beroep verklaard dat [medeverdachte 2] hem hielp bij zijn werkzaamheden voor ABN-AMRO. Dat gebeurde volledig online. [verdachte] had op zijn laptop toegang tot de systemen van ABN-AMRO. Hij gaf [medeverdachte 2] vervolgens via Team Viewer op afstand toegang tot zijn laptop, zodat [medeverdachte 2] de werkzaamheden kon verrichten. [medeverdachte 2] heeft op de zitting in eerste aanleg verklaard dat, door het op afstand toegang krijgen tot de laptop van [verdachte] , het voor hem leek alsof hij en [verdachte] ‘fysiek naast elkaar’ zaten.
[medeverdachte 2] en [verdachte] hebben bij de politie in eerste instantie volstrekt tegenstrijdige verklaringen afgelegd over de locatie waar [medeverdachte 2] zijn werkzaamheden zou hebben verricht en op wiens laptop er werd gewerkt. Dat lijkt achteraf door [medeverdachte 2] en [verdachte] te zijn onderkend. De later afgelegde verklaringen dat [medeverdachte 2] en [verdachte] gebruik maakten van Team Viewer zodat [medeverdachte 2] op zijn eigen werkplek toch op de computer van [verdachte] kon werken, vindt het hof volstrekt ongeloofwaardig en lijken duidelijk op elkaar te zijn afgestemd en bedoeld om een gat in hun verklaringen te dichten.”
2.26
In de bewijsvoering is zoals opgemerkt gebruikgemaakt van de zogenoemde Promis-werkwijze. Die werkwijze komt erop neer dat de beslissing dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, steunt op een bewijsredenering waarin de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen zakelijk is samengevat en waarin voor de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewijsbeslissing steunt, wordt verwezen naar de bewijsmiddelen waaraan deze feiten en omstandigheden zijn ontleend. In zo’n geval behoort de verwijzing naar de wettige bewijsmiddelen waaraan de redengevende feiten en omstandigheden zijn ontleend, zo nauwkeurig te zijn dat kan worden beoordeeld of de bewezenverklaring in toereikende mate steunt op de inhoud van wettige bewijsmiddelen en of de samenvatting geen ongeoorloofde conclusies of niet redengevende onderdelen inhoudt dan wel of het bewijsmiddel niet is gedenatureerd. [3]
2.27
De stellers van het middel merken terecht op dat het hof in zijn bewijsoverwegingen ten aanzien van de verklaringen die de verdachte en [medeverdachte 2] hebben afgelegd, geen voetnoten met verwijzingen heeft opgenomen. Het hof heeft daarentegen wel vermeld dat het gaat om de verklaringen die de verdachte “bij de politie”, “op 1 september 2020 bij de rechter-commissaris” en “op zitting in hoger beroep” heeft afgelegd. Ter zake [medeverdachte 2] heeft het hof verwezen naar diens eerste verhoor bij de politie en “een latere verklaring”. Daarmee heeft het hof in mijn ogen voldoende duidelijk gemaakt om welke verklaringen het gaat. Daar komt bij dat uit de overwegingen van het hof blijkt dat de desbetreffende verklaringen vanwege de initiële tegenstrijdigheden naar het oordeel van het hof als ongeloofwaardig hebben te gelden en dat de verklaringen als zodanig bij de bewijsvoering zijn betrokken, maar niet dat de verklaringen ook als bewijsmiddelen zijn gebruikt. [4] Geen rechtsregel verzet zich ertegen dat de rechter in zijn bewijsmotivering feiten of omstandigheden – hier: de inhoud van de verklaringen van de verdachte en [medeverdachte 2] – weergeeft, teneinde vervolgens tot uitdrukking te brengen dat en waarom daaraan moet worden voorbijgegaan. [5]
2.28
De derde deelklacht faalt.
2.29
Het middel faalt.

3.Het tweede middel

3.1
Het tweede middel heeft betrekking op het onder 3 bewezenverklaarde en bestaat uit vier deelklachten. De vier deelklachten houden in dat:
1) het oordeel dat uit de wijze waarop en de omstandigheden waaronder geldbedragen zijn betaald, kan worden afgeleid dat die geldbedragen van misdrijf afkomstig zijn, getuigt van een onjuiste rechtsopvatting ten aanzien van het bestanddeel ‘afkomstig uit enig misdrijf’, althans dat dit oordeel niet begrijpelijk is;
2) sprake is van grondslagverlating voor zover het hof heeft geoordeeld dat de betaalde geldbedragen moeten worden gezien als resultaat – door een eventuele verrekening – van voorwerpen met een criminele herkomst;
3) het oordeel dat de verdachte geen concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring heeft gegeven dat de geldbedragen niet van misdrijf afkomstig zijn, niet begrijpelijk is; en
4) de bewijsvoering de bewezenverklaring dat het bedrag van € 62.500,- dat [C] BV van [O] heeft ontvangen (feit 3, laatste gedachtestreepje) van misdrijf afkomstig is, niet kan dragen.
3.2
Ten laste van de verdachte heeft het hof onder feit 3 bewezenverklaard dat:
“hij in de periode van 1 januari 2014 tot en met 29 augustus 2017 in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers heeft/hebben hij verdachte en/of zijn mededaders, toen en daar, op tijdstippen in voornoemde periode van een aantal voorwerpen, te weten:
(betaalde geldbedragen)
- een geldbedrag van 18.150,- zijnde een betaling ten behoeve van [B] BV betaald op 27 januari 2014;
- een geldbedrag van 2420,- zijnde een betaling ten behoeve van [B] BV betaald op 27 januari 2014;
- een geldbedrag van 27.830,- zijnde een betaling ten behoeve van [B] BV betaald op 24 maart 2014;
- een geldbedrag van 6050,- zijnde een betaling ten behoeve van [B] BV betaald op 8 september 2014;
- een geldbedrag van 18.150,- zijnde een betaling ten behoeve van [B] BV betaald op 29 september 2014;
- een geldbedrag van 8470,- zijnde een betaling ten behoeve van [B] BV betaald op 5 januari 2015;
- een geldbedrag van 13.310,- zijnde een betaling ten behoeve van [B] BV betaald op 12 januari 2015;
- een geldbedrag van 6050,- zijnde een betaling ten behoeve van [A] BV betaald op 25 mei 2015;
- een geldbedrag van 18.150,- zijnde een betaling ten behoeve van [A] BV betaald op 20 oktober 2015;
- een geldbedrag van 43.560,- zijnde een betaling ten behoeve van [A] BV betaald op 11 november 2015;
- een geldbedrag van 40.500,- zijnde een betaling ten behoeve van [A] BV betaald op 22 februari 2016;
- een geldbedrag van 20.000,- zijnde een betaling ten behoeve van [A] BV betaald op 22 februari 2016;
- een geldbedrag van 36.300,- zijnde een betaling ten behoeve van [A] BV betaald op 4 augustus 2016;
- een geldbedrag van 24.200,- zijnde een betaling ten behoeve van [A] BV betaald op 13 september 2016;
- een geldbedrag van 30.250,- zijnde een betaling ten behoeve van [A] BV betaald op 28 november 2016; en
- een geldbedrag van 24.200,- zijnde een betaling ten behoeve van [A] BV betaald op 29 augustus 2017;
(in ontvangst genomen geldbedragen)
- een geldbedrag van 62.500,- zijnde een betaling ten behoeve van [C] BV en betaald op 28 november 2016, afkomstig van [O] BV
de werkelijke aard en/of de herkomst verborgen en/of verhuld en/ die voorwerpen overgedragen en/of omgezet, terwijl hij en zijn mededaders wisten, dat deze voorwerpen onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf.”
3.3
Het arrest bevat voor zover voor het onderhavige cassatiemiddel relevant de volgende overwegingen (met weglating van de voetnoten):

Redengevende feiten en omstandigheden
[…]
[medeverdachte 1] is bestuurder en enig aandeelhouder van [G] B.V. (hierna: [G] ) vanaf de oprichting op 9 oktober 2012. Onder [G] hing [B] B.V. (hierna: [B] ). [medeverdachte 1] was directeur van [B] . [medeverdachte 1] heeft verklaard dat er geen andere mensen waren die betalingen konden doen voor [B] en dat hij alleen kon beschikken over de identifier waarmee bankbetalingen werden gedaan.
[medeverdachte 2] is sinds de oprichting op 5 juni 2014 enig bestuurder van de vennootschap [A] B.V. (hierna: [A] ). Enig aandeelhouder is vanaf 12 maart 2015 [H] . [medeverdachte 2] is de bestuurder van deze stichting sinds 1 januari 2017.
[verdachte] is registeraccountant. [verdachte] is bestuurder en enig aandeelhouder van [C] B.V. (hierna: [C] ) sinds 8 maart 1999. Een handelsnaam van [C] is [F] .
[C] is enig aandeelhouder van [D] B.V. (hierna: [D] ) sinds 8 maart 1999. [verdachte] is hiervan bestuurder sinds 31 oktober 2014. [D] heeft meerdere handelsnamen, waaronder [I] en [E] .
[vader medeverdachte 1] is bestuurder en enig aandeelhouder van [O] B.V. (hierna: [O] ) sinds 1 april 2015.
[…]
Uit het bankrekeningoverzicht van [B] blijkt dat in de periode van 1 januari 2014 tot en met 30 september 2015 betalingen hebben plaatsgevonden door [F] ( [C] ) (in totaal € 64.789,45) en [D] (in totaal € 30.250,-). op een totaalbedrag aan bijschrijvingen van € 253.194.- (inclusief contante stortingen).
[…]
In een map met administratie van [O] werd een geprinte e-mail met onderwerp "Re: factuur in concept" aangetroffen van 3 april 2015 van [verdachte] aan [medeverdachte 1] . [verdachte] schrijft in deze e-mail:
" [medeverdachte 1] , we beginnen met 62.5k incl btw. Papa en ik elk voor evenveel. Omschrijving: business advisory 2015 (..)."Die e-mail is een antwoord op de e-mail van [medeverdachte 1] aan [verdachte] van 3 april 2015, waarin [medeverdachte 1] schrijft:
"Hierbij de factuur in concept. Wil je dit nakijken of dit zo klopt en mij even laten weten?"De bijlage bij de e-mail van [medeverdachte 1] is een factuur van [O] gericht aan [C] van 31 maart 2015 voor € 62.500.- inclusief BTW met als omschrijving "Business advisory 2015".
[…]
Op 17 april 2015 sturen [betrokkene 2] en [betrokkene 3] elkaar de volgende Ennetcom-berichten:
[betrokkene 2] :
Container is betaald voor [bijnaam 1] door die [bijnaam 2] dan weet je dat
[betrokkene 3] :
Haha hij geeft er niet om die [bijnaam 2] . En die belasting problemen? Of andere bv?
[betrokkene 2] :
Nieuwe BV broer (...) Hebben op die spullen van die mexicanen 350K verdient 150K weg aan [bijnaam 1] (...).
[betrokkene 3] :
Haha. Bewaak [bijnaam 1] voor ongecontroleerde uitgaven want meneer houd nog al van luxe leventje. Kan die lease niet over gezet worden naar andere bv? Bmw. Dan hebben we alleen kosten.
[betrokkene 2] :
BV blijft schoon broer en [bijnaam 1] zijn admin hou ik elke dag in de gaten hij kan geen kant op laatste kans en anders wordt ie afgeknald
[betrokkene 3] :
En wat is nou de bedoeling van die investering van die [bijnaam 2] ?
[betrokkene 2] :
Dat [bijnaam 1] is geholpen en dat hij [bijnaam 2] kan helpen met autos en andere dingen.
[…]
In de periode van 25 mei 2015 tot en met 29 augustus 2017 is door [F] een bedrag van in totaal € 243.210,- bijgeschreven op de rekening van [A] .
[…]
Op 3 augustus 2015 sturen [betrokkene 2] en [betrokkene 3] elkaar de volgende Ennetcom-berichten:
[betrokkene 2] :
Broer ik heb [bijnaam 1] gesproken op zijn rekening storten zelf gaat niet omdat hij nog niet zoveel winst heeft gemaakt en ook op de balans komt dat bedrag niet voor het kan wel via andere mensen van hem die ik ook net heb gezien die vragen 10 procent tot aan 100K en 8 procent vanaf 100K dan maken ze het legaal en betalen ze belasting erover
[betrokkene 3] :
Hmm dus het kan
[betrokkene 2] :
Ja broer het kan wel dan maken zij het wit en storten het door met facturen en al naar [bijnaam 1] en dan regelt hij het weer met OM tot aan 100K 10 procent en vanaf 100K 8 procent
[betrokkene 3] :
Hoelang duurt hun procedure?
[betrokkene 2] :
Max 2 keer 5 werkdagen vanaf het moment van storten hoe hoger het bedrag hoe langer het duurt zei die man maar dat bedrag tot 30K is al misschien in 3 werkdagen gedaan
[…]
In totaal is door [A] een bedrag van € 158.510,- gefactureerd aan de rechtspersonen gelieerd aan [verdachte] . In het bankrekeningoverzicht van [A] zijn betalingen door [F] terug te vinden die verband houden met de ten laste gelegde facturen a tot en met f. In de omschrijving van deze betalingen is het betreffende factuurnummer opgenomen en de hoogte van de betalingen correspondeert met de hoogte van de bedragen vermeld op de facturen. De betalingen zijn veelal kort na de factuurdatum gedaan.
Op de onder [verdachte] inbeslaggenomen laptops, waarop hij zijn financiële administratie bijhield, en telefoon zijn geen bestanden of berichten aangetroffen die er op wijzen dat [A] werkzaamheden heeft verricht voor de rechtspersonen gelieerd aan [verdachte] . Op de laptop van [medeverdachte 2] is niets aangetroffen wat duidt op werkzaamheden die [A] ten behoeve van de aan [verdachte] gelieerde rechtspersonen zou hebben verricht.
Op 15 oktober 2015 sturen [betrokkene 2] en [betrokkene 1] elkaar de volgende Ennetcom-berichten:
[betrokkene 1] :
Ee broo vraagje kan je iemand die 15 kop kan storten naar advo kantoor dan geef ik hem contacnt
[betrokkene 2] :
Ja broer dat moet wel lukken! Ze vragen wel 10 procent witwas kosten! Zijn hindoestanen[betrokkene 1] :
Oke afff haal het van me buitje af van V gekkk!!!
[betrokkene 2] :
Okidoki bro! Ik stuur later precies wat er is uitgegeven en wat er ligt bro! Heb je advocaat naam en rekeningnummer voor mij?
[betrokkene 1] :
W8 ff ik stuur je zo broo. Maar 10% is wel veel bro of niet? Die 15 is gewoon in tata he broo niet naar over kant!!
[betrokkene 2] :
Nee broer snap ik! Ja broer ik ga even met die Hindoestanen praten om te drukken naar 5 procent zij moeten facturen maken etc. om het wit te maken! Komt goed bro!
Op 19 oktober 2015 sturen [betrokkene 2] en [medeverdachte 2] elkaar de volgende iMessage-berichten: [betrokkene 2] :
[P] BV [rekeningnummer 1]
[medeverdachte 2] :
Die van advocaat is morgen betaald en de rest mag je brengen wanneer je kan. Gaat wel even tot volgende week duren denk ik voor betaald kan worden
Op 20 oktober 2015 sturen [betrokkene 2] en [medeverdachte 2] elkaar de volgende iMessage-berichten: [betrokkene 2] :
Broertje hoelaat maak jij het over?
[medeverdachte 2] :
Ik denk om 16 uur want ik wacht op geld hij heeft Rabobank. Wat is betalingskenmerk van advocaat
[betrokkene 2] :
Geen. Zij moet uren verekenen
[medeverdachte 2] :
Dan doe ik zonder kenemerk
[betrokkene 2] :
Komt later met een factuur naar jou toe (...)
[medeverdachte 2] :
Betaalt broer
[betrokkene 2] : Vanaf welke rekening nummer is het overgemaakt? Dan geef ik door dat wij dat zijn! [medeverdachte 2] :
[rekeningnummer 2] [A] Bv
Op het rekeningoverzicht van de bankrekening van [A] is te zien dat op 20 oktober 2015 zonder omschrijving een betaling van € 15.000,- is gedaan aan [P] . Diezelfde dag maakt [F] een bedrag van € 18.500,- over op de rekening van [A] .
Op 23 oktober 2015 stuurt [betrokkene 2] aan [medeverdachte 2] het volgende iMessage-bericht:
[betrokkene 2] :
Bhau! Bij de betaling van Maandag moet dit dossier nummer worden vermeld! Dossier nummer F20.0414.15
Op het rekeningoverzicht van de bankrekening van [A] is te zien dat op 26 oktober 2015 een betaling van € 15.000.- is gedaan aan [P] met de omschrijving 'inzake dossiernummer://F 20.0414.15’. Diezelfde dag maakt [medeverdachte 2] een bedrag van € 15.000,- over op de rekening van [A] .
Op 31 oktober 2015 sturen [betrokkene 2] en [medeverdachte 2] elkaar de volgende iMessage-berichten: [betrokkene 2] :
Bhau! Staat er geld op jouw rekening?
[medeverdachte 2] :
Hoeveel heb jr nodig babu
[betrokkene 2] :
250 moet via iDeal een ticket betaald worden! Hebben we een klant in UK?
[medeverdachte 2] :
Oke geen probleem
[betrokkene 2] :
Dan kan jij hem indienen als kosten? (...)
[medeverdachte 2] :
Nee tenzij jij een hebt
[betrokkene 2] :
Ja ik denk het wel!
[medeverdachte 2] heeft verklaard dat [betrokkene 2] hem "Bhau" noemt en dat hij [betrokkene 2] "Babu" noemt.
[…]
Op de harde schijf van [medeverdachte 1] is een e-mail aangetroffen van 23 november 2016 van [vader medeverdachte 1] aan [verdachte] . [vader medeverdachte 1] schrijft daarin:
" [verdachte] , […] , kun jij de factuur richten aan [O] B.V. Met de omschrijving: Overname verplichting [O] BV door [vader medeverdachte 1] / 10-04-2015.(..). Graag zsm want het geld heb ik al op mijn rekening maar boek ik dan via de [O] BV rekening over naar jou.”De bijlage bij die e-mail bevat een factuur van [C] gericht aan [O] van 15 november 2016 voor € 62.500,- inclusief BTW met de omschrijving
"Overname verplichting [O] BV/ [vader medeverdachte 1] dd 10/4/15". Uit het bankrekeningoverzicht van [C] blijkt dat [O] dit bedrag op 28 november 2016 heeft betaald met de omschrijving
'overname lening’.
Op 26 juni 2018 verklaart de vader van [medeverdachte 1] , [vader medeverdachte 1] , dat zijn zoon [medeverdachte 1] nooit voor [verdachte] heeft gewerkt. Hij vraagt zich af wat zijn zoon voor [verdachte] zou moeten doen. [vader medeverdachte 1] verklaart in hetzelfde verhoor met beide personen, ook in privé om te gaan.
Op 29 augustus 2018 heeft een doorzoeking plaatsgevonden in het kantoor van [verdachte] . De onder
a tot en met jten laste gelegde facturen zijn aangetroffen in de inbeslaggenomen administratie. De facturen
a tot en met dzijn afkomstig van [B] . De facturen
e tot en met jzijn afkomstig van [A] B.V.
Bewijsoverwegingen
Algemeen
[…]
Na de klachten over [medeverdachte 1] gaat in ieder geval [betrokkene 2] in de zomer van 2015 – en blijkens berichten van 15 oktober 2015 ook [betrokkene 1] ter zake van een betaling aan zijn advocaat – over op witwassen via [medeverdachte 2] en zijn bedrijven. Dit volgt uit de hiervoor opgenomen iMessage-berichten die [betrokkene 2] en [medeverdachte 2] elkaar hebben gestuurd. Op 22 september 2015 legt [betrokkene 2] aan [medeverdachte 2] uit dat de commissie voortaan pas komt "als het is gedaan", "sinds slechte ervaring met [medeverdachte 1] ".
Het hof is van oordeel dat uit het voorgaande volgt dat in de Ennetcom-berichten, die zijn verzonden van 6 februari 2015 tot en met april 2015 tussen [betrokkene 2] en [betrokkene 3] , met " [bijnaam 1] " alleen [medeverdachte 1] kan zijn bedoeld.
Vanaf 2 augustus 2015 wordt met " [bijnaam 1] " [medeverdachte 2] bedoeld in de Ennetcom-berichten
Uit de Ennetcom-berichten van maart en april 2015 tussen [betrokkene 2] en [betrokkene 3] volgt dat zij [medeverdachte 1] niet langer kunnen en willen gebruiken om wit te wassen door de problemen met betalingen en doordat [medeverdachte 1] bekend is geworden als ‘facilitator’ en zijn administratie onderzocht zal worden. Onder andere [betrokkene 2] en [betrokkene 3] hebben, zo blijkt uit de hiervoor opgenomen Ennetcom-berichten, ook na april nog behoefte aan mogelijkheden om wit te wassen.
Vanaf 25 mei 2015 wordt de eerste betaling van Business Intelligence ontvangen op de rekening van [A] , een vennootschap van [medeverdachte 2] , en op 10 juni 2015 wordt de eerste contante storting gedaan op deze rekening. In een Ennetcom-bericht van 2 augustus 2015 meldt [betrokkene 3] dat hij de Golf gaat zekerstellen en uit de hiervoor opgenomen bewijsmiddelen volgt dat [medeverdachte 2] heeft geholpen om de betaling hiervan in september 2015 te regelen. Uit een Ennetcom-bericht van 3 augustus 2015 blijkt dat " [bijnaam 1] " nog niet zo veel winst heeft gemaakt en worden de tarieven besproken voor witwassen. Uit de inhoud van dit bericht kan worden afgeleid dat degene die voor [betrokkene 2] en [betrokkene 3] gaat witwassen nog onvoldoende financiële middelen heeft om onopgemerkt geldstromen te kunnen creëren die nodig zijn om wit te wassen. Gelet op de eerste betalingen en contante stortingen die vanaf 25 mei 2015 zijn gedaan (tot augustus ruim € 13.000) is aannemelijk dat dit onvoldoende is voor de betaling van de Golf en dat dit duidt op ’winst' van [A] . Het hof leidt uit het voorgaande af dat in de Ennetcom-berichten vanaf 2 augustus 2015 met " [bijnaam 1] " [medeverdachte 2] wordt bedoeld.
Feit 1 factuur [O] B.V.
Het hof is van oordeel dat uit de bewijsmiddelen blijkt dat de door de verdachte opgemaakte factuur van [O] BV van 15 november 2016 vals is, omdat in werkelijkheid geen sprake was van een 'overname verplichting’.
Uit de Ennetcom-berichten van 17 april 2015 tussen [betrokkene 2] en [betrokkene 3] leidt het hof af dat de container die de [O] B.V. heeft aangeschaft is betaald door [bijnaam 2] ’, de politie vermoedt dat hiermee [betrokkene 1] wordt bedoeld. De reden waarom ‘ [bijnaam 2] ’ de container heeft betaald, staat in de berichten vermeld: Dat [bijnaam 1] is geholpen en dat hij [bijnaam 2] kan helpen met auto's en andere dingen. Het hof leidt hieruit af dat met ‘ [bijnaam 2] ’ [betrokkene 1] of een andere bekende uit het criminele circuit waar [betrokkene 2] en [betrokkene 3] mee bekend waren, wordt bedoeld. Deze ' [bijnaam 2] ’ heeft via [vader medeverdachte 1] en [verdachte] veilig gesteld dat hij in de toekomst zijn criminele opbrengsten kon (blijven) gebruiken voor auto’s en andere bestedingen zonder dat dit vragen zou oproepen bij de autoriteiten.
Het hof hecht dan ook geen geloof aan de (wisselende) verklaringen van [verdachte] en [vader medeverdachte 1] dat het bedrag van € 62.500,- een investering/lening/voorschotfactuur van [verdachte] was voor activiteiten van [O] B.V. Dat betekent dat het hof van oordeel is dat de facturen van [C] van 31 maart 2015 voor € 62.500,- inclusief BTW met als omschrijving "Business advisory 2015’' (C28. p. 1586) en de tenlastegelegde factuur van 15 november 2016 voor € 62.500,- inclusief BTW met de omschrijving "Overname verplichting [O] BV/ [vader medeverdachte 1] dd 10/4/l5” valselijk zijn opgesteld.
De beide facturen zijn gebruikt om de schijn te wekken dat betalingen zijn gedaan voor verleende diensten terwijl dit in werkelijkheid niet het geval is. De facturen zijn bedoeld om te verhullen dat crimineel geld, afkomstig van ‘ [bijnaam 2] ’, is gebruikt om financiële problemen van [medeverdachte 1] op te lossen zodat deze ‘ [bijnaam 2] ’ kon blijven helpen. Het hof is van oordeel dat het bedrag van € 62.500,- daarom ook door de verdachte is witgewassen (feit 3).
[…]
Feit 3 Witwassen
Voor een bewezenverklaring van het in art. 420bis, eerste lid, onder b, Sr opgenomen onderdeel "afkomstig uit enig misdrijf" is, gelet op doel en strekking van deze wetsbepaling en mede in het licht van de wetsgeschiedenis, niet vereist dat uit de bewijsmiddelen moet kunnen worden afgeleid dat het desbetreffende voorwerp afkomstig is uit een nauwkeurig aangeduid misdrijf. Dit betekent dus dat uit de bewijsmiddelen niet behoeft te kunnen worden afgeleid door wie, wanneer en waar dit misdrijf concreet is begaan. Wel is voor een veroordeling ter zake van art. 420bis Sr vereist dat vaststaat dat het voorwerp afkomstig is uit enig misdrijf.
Dat een voorwerp "afkomstig is uit enig misdrijf", kan, als op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen met een bepaald misdrijf, niettemin bewezen worden geacht als het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. Het is aan het openbaar ministerie bewijs aan te dragen van dergelijke feilen en omstandigheden.
Als de door het openbaar ministerie aangedragen feiten en omstandigheden een vermoeden rechtvaardigen dat het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is, mag van de verdachte worden verlangd dat hij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is. De omstandigheid dat deze verklaring van de verdachte mag worden verlangd, houdt niet in dat het aan de verdachte is om aannemelijk te maken dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is.
Als de verdachte zo’n verklaring geeft, ligt het op de weg van het openbaar ministerie nader onderzoek te doen naar die verklaring. De rechter zal dan mede op basis van de resultaten van dat onderzoek moeten beoordelen of ondanks de verklaring van de verdachte het witwassen bewezen kan worden op de grond dat het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. Bij de beoordeling van deze verklaring spelen de omstandigheden waaronder het moment en de wijze waarop deze tot stand is gekomen een rol. Zo kan het van belang zijn of de verdachte van meet af aan een tegenwicht tegen de verdenking heeft geboden of dat hij eerst in een laat stadium van het onderzoek is gaan verklaren op een wijze die aan de hiervoor genoemde vereisten voldoet.
Als zo'n verklaring uitblijft, mag de rechter die omstandigheid betrekken in zijn overwegingen over het bewijs.
Facturen [B] en [A]
[C] en [D] hebben in 2014 en 2015 betalingen aan [B] gedaan van in totaal € 95.039,45. Het hof heeft hiervoor al vastgesteld dat de onder feit 2 ten laste gelegde facturen (a) tot en met (d) vals zijn en dat in de administratie van [B] geen aanwijzingen zijn gevonden voor werkzaamheden van [B] ten behoeve van de aan [verdachte] gelieerde bedrijven.
[F] heeft in 2015, 2016 en 2017 betalingen aan [A] gedaan van in totaal € 243.210. Het hof heeft hiervoor al vastgesteld dat de onder feit 2 ten laste gelegde facturen (e) tot en met (j) vals zijn omdat daar geen prestatie van [A] tegenover heeft gestaan ten behoeve van aan [verdachte] gelieerde rechtspersonen.
Het hof stelt vast dat uit de als bewijsmiddelen uitgewerkte Ennetcom-berichten tussen [betrokkene 2] en [betrokkene 3] , [betrokkene 2] en [betrokkene 1] , en de Imessage berichten tussen [betrokkene 2] en [medeverdachte 2] – in samenhang met het onherroepelijk veroordelend vonnis van 7 december 2018 in de zaak tegen [betrokkene 2] – volgt dat [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] zich gedurende langere tijd hebben beziggehouden met witwassen ten behoeve van in ieder geval [betrokkene 2] , [betrokkene 3] en [betrokkene 1] . De door hen in de periode vanaf augustus 2015 en de iMessage-berichten tussen [medeverdachte 2] en [betrokkene 2] geven een helder beeld van hun witwasmethoden en de gehanteerde tarieven.
De verdachte verrichtte in genoemde periode betalingen na ontvangst van facturen van aan [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] gerelateerde rechtspersonen waar in werkelijkheid geen werkzaamheden tegenover stonden. Hij deed dat op onregelmatige momenten, telkens vrijwel direct nadat de rechtspersonen een factuur stuurden.
Uit de betaling van de factuur van [P] op 20 oktober 2015 blijkt dat bij de betaling van € 15.000,- door [medeverdachte 2] is gewacht totdat hij het geld op een rekening heeft staan. In een iMessage-bericht van 20 oktober 2015 bericht [medeverdachte 2] aan [betrokkene 2] dat hij voor de betaling wacht op geld, ‘hij heeft Rabobank'. [medeverdachte 2] heeft desgevraagd ter zitting in hoger beroep verklaard dat hij wachtte op geld van [verdachte] . Op 20 oktober 2015 maakt [F] een bedrag van € 18.500,- over op de rekening van [A] . Op het rekeningoverzicht van de bankrekening van [A] is te zien dat op 20 oktober 2015 zonder omschrijving een betaling van € 15.000,- is gedaan aan [P] . Van de ‘investering’ in [O] door [verdachte] heeft het hof hiervoor al vastgesteld dat het geld afkomstig is van ‘ [bijnaam 2] ’, een crimineel contact van [betrokkene 2] , en dat het witwassen hierdoor kon verder gaan.
In de onderhavige strafzaak wordt niet verlangd dat wordt vastgesteld hoe en op welke wijze de verdachte voor de betalingen van de valse facturen is gecompenseerd. Voor zover betalingen (gedeeltelijk) zijn te herleiden tot legale inkomsten van vennootschappen van [verdachte] sluit dit verrekening door overhandiging van criminele contante gelden of door overboekingen op rekeningen van vennootschappen waarvan de achterliggende gerechtigden zijn afgeschermd niet uit.
De verdachte heeft op basis van valse facturen bedragen overgemaakt aan vennootschappen van [medeverdachte 1] en vervolgens die van [medeverdachte 2] . Deze valse facturen hadden slechts tot doel om, na betaling, te zorgen dat in [B] en [A] voldoende geld aanwezig was. Dit kon worden aangewend voor (schijnbaar legale) bestedingen voor auto’s, salarissen en woningen ten behoeve van criminelen.
Het hof is van oordeel dat de hierboven genoemde feiten en omstandigheden zonder meer een vermoeden rechtvaardigen dat het niet anders kan zijn dan dat de op facturen en aan [O] betaalde bedragen uit enig misdrijf afkomstig zijn. Van de verdachte mag daarom worden verlangd dat hij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is Dat heeft hij, gelet op het voorgaande, niet gedaan.
Hetgeen de verdachte over de facturen en de achtergrond van de betalingen heeft verklaard, is al besproken en weerlegd in de bewijsoverweging van de feiten 1 en 2.
Het hof komt dan ook tot het oordeel dat het niet anders kan zijn dan dat de door [C] en [D] aan [B] en [A] betaalde geldbedragen van misdrijf afkomstig zijn.
Gewoontewitwassen
Gelet op het grote aantal witwashandelingen en de lange periode, komt het hof tot het oordeel dat sprake is van gewoontewitwassen.
Medeplegen
De verdachte heeft samen met (de vennootschappen van) [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] de ten laste gelegde bedragen witgewassen. De gedragingen van de verdachte zijn voldoende om tot het oordeel te komen dat sprake is geweest van nauwe en bewuste samenwerking. Het medeplegen kan daarom worden bewezen.
Voorwaardelijk verzoek
De raadsvrouw heeft nog verzocht dat indien het hof meent dat de activiteiten van de verdachte in Suriname tot een vermoeden van witwassen zou leiden, de zaak aan te houden, zodat de verdediging de kans krijgt een onderbouwde verklaring te geven ten aanzien van de geldstromen van cliënt in Suriname. Nu aan deze voorwaarde niet is voldaan, komt het hof niet toe aan de beoordeling van het verzoek.”
De eerste deelklacht
3.4
De eerste deelklacht houdt in dat het oordeel van het hof dat uit de wijze waarop en de omstandigheden waaronder geldbedragen zijn betaald kan worden afgeleid dat die geldbedragen van misdrijf afkomstig zijn, getuigt van een onjuiste rechtsopvatting ten aanzien van het bestanddeel ‘afkomstig uit enig misdrijf’, althans dat dit oordeel niet begrijpelijk is. Daartoe wordt aangevoerd dat de door het hof redengevend geachte omstandigheden voor het vermoeden van witwassen geen betrekking hebben op de
herkomstvan de betaalde geldbedragen.
3.5
Ik begrijp de overwegingen van het hof zo dat er weliswaar geen rechtstreeks verband valt te leggen met een bepaald misdrijf, maar dat het naar het oordeel van het hof op grond van de door het openbaar ministerie aangedragen feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat de tenlastegelegde geldbedragen die naar aanleiding van diverse valse facturen door vennootschappen van de verdachte zijn betaald, uit enig misdrijf afkomstig zijn en dat de facturen slechts zijn opgesteld om dat te verhullen. Het hof heeft in dit verband overwogen dat de aan de verdachte gelieerde rechtspersonen betalingen aan [B] (in totaal € 95.039,45) en aan [A] (in totaal € 243.210,-) hebben gedaan, terwijl daar in werkelijkheid geen werkzaamheden tegenover stonden. Daarnaast heeft het hof vastgesteld dat medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] zich gedurende langere tijd hebben beziggehouden met witwassen ten behoeve van in ieder geval [betrokkene 2] , [betrokkene 3] en [betrokkene 1] . Die vaststelling volgt uit de voor het bewijs gebezigde Ennetcom-berichten tussen [betrokkene 3] en [betrokkene 2] , die termen bevatten als witwassen, legaal maken, wit maken en ‘witwaskosten’, en verwijzen naar een investering “voor [bijnaam 1] door die [bijnaam 2] ”, waarvan de bedoeling was “dat [bijnaam 1] is geholpen en dat hij [bijnaam 2] kan helpen met autos en andere dingen”, in samenhang met de onherroepelijke veroordeling van [betrokkene 2] wegens deelname aan een criminele organisatie die zich bezighield met de invoer van harddrugs.
3.6
Het oordeel van het hof dat bovengenoemde feiten en omstandigheden – die overigens ook zien op de herkomst van de gelden – een voldoende witwasvermoeden funderen, getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting. Gelet op de onder 3.3 weergegeven berichten, in combinatie met de vaststelling van het hof dat tussen 6 februari 2015 tot en met april 2015 met ‘ [bijnaam 1] ’ [medeverdachte 1] en vanaf 2 augustus 2015 [medeverdachte 2] werd aangeduid en de vaststelling dat de facturen valselijk zijn opgemaakt en dat de aan de verdachte gelieerde rechtspersonen op basis van die valse facturen – vrijwel direct nadat de rechtspersonen een factuur stuurden – aanzienlijke bedragen hebben overgemaakt aan de vennootschappen van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] , acht ik dat oordeel ook niet onbegrijpelijk.
3.7
Voor zover het cassatiemiddel meent dat het hof daarbij ook vaststellingen had moeten doen over de wijze waarop de verdachte voor de gedane betalingen is gecompenseerd, stelt het een eis die de wet niet kent.
3.8
De eerste deelklacht faalt.
De tweede deelklacht
3.9
De tweede deelklacht houdt in dat sprake is van grondslagverlating voor zover het hof heeft geoordeeld dat de betaalde geldbedragen moeten worden gezien als resultaat – door een eventuele verrekening – van voorwerpen met een criminele herkomst, omdat het hof in dat geval iets anders bewezenverklaard heeft verklaard dan ten laste is gelegd. Voor zover het hof heeft geoordeeld dat voor zover de betaalde geldbedragen te herleiden zijn tot legale inkomsten, dit verrekening met gelden die van enig misdrijf afkomstig zijn niet uitsluit, getuigt het oordeel van het hof dat de betaalde geldbedragen daarmee van misdrijf afkomstig zijn volgens de stellers van het middel van een onjuiste rechtsopvatting, althans is dit oordeel onbegrijpelijk. Dit laatste is het geval, zo begrijp ik de deelklacht, omdat de enkele omstandigheid dat betaalde geldbedragen in een bepaald stadium kennelijk zullen worden verrekend met geld dat van misdrijf afkomstig is, niet met zich brengt dat geldbedragen die te herleiden zijn tot legale inkomsten kunnen worden aangemerkt als voorwerpen van enig misdrijf afkomstig.
3.1
Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 12, 15 en 19 december 2023 en 12 januari 2024 blijkt dat de raadsvrouw van de verdachte op 19 december 2023 het woord heeft gevoerd aan de hand van overgelegde pleitaantekeningen. Deze pleitaantekeningen houden voor zover relevant voor de onderhavige deelklacht het volgende in:
“99. De overkoepelende gedachtegang bij het OM lijkt te zijn: cliënt heeft grote bedragen onverschuldigd betaald, dus het moet wel zo zijn dat hij daarvoor op een bepaalde manier is gecompenseerd. Met deze redenering lijkt het OM de eerder besproken causaliteit jurisprudentie te willen omzeilen. Indien sprake is van valse facturen is in algemene zin immers vaak sprake van onverschuldigde betalingen. Kun je in al deze gevallen dan concluderen dat de geldbedragen weliswaar niet afkomstig zijn uit valsheid in geschrift (want geen causaliteit), maar dat het feit dat deze bedragen onverschuldigd zijn betaald een vermoeden van witwassen rechtvaardigt? Dat lijkt me niet.
100. Dat is natuurlijk anders indien duidelijk is dat onverklaarbare geldstromen de vennootschap ingaan. Ik benadruk nog maar eens dat dit in casu nergens uit blijkt. De aan [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] betaalde bedragen zijn afkomstig van de legale inkomsten van de vennootschappen van cliënt. Nog los van de vraag of het vermoeden dat cliënt op een andere wijze is gecompenseerd zou maken dat de tenlastegelegde uitgaande geldstromen van misdrijf afkomstig zijn, geldt dat het dossier geen enkele concrete aanwijzing - laat staan bewijs - biedt dat cliënt op welke manier dan ook contante geldbedragen heeft ontvangen of anderszins is gecompenseerd.”
3.11
Kennelijk in reactie daarop heeft het hof ten aanzien van feit 3
onder meeroverwogen dat in de onderhavige strafzaak niet wordt verlangd “dat wordt vastgesteld hoe en op welke wijze de verdachte voor de betalingen van de valse facturen is gecompenseerd” en voorts dat voor zover de betalingen (gedeeltelijk) zijn te herleiden tot legale inkomsten van de vennootschappen van de verdachte, dit verrekening door overhandiging van criminele contante gelden of door overboekingen op rekeningen van vennootschappen waarvan de achterliggende gerechtigden zijn afgeschermd, niet uitsluit.
3.12
Ik kan de stellers van het middel niet volgen in hun betoog dat uit de onder 3.11 genoemde overwegingen zou blijken dat sprake is van grondslagverlating. Het hof heeft bewezenverklaard dat de geldbedragen die op basis van de valse facturen zijn betaald, onmiddellijk
of middellijkafkomstig waren uit enig misdrijf. De in de bewezenverklaring genoemde bedragen betreffen dezelfde geldbedragen als die in de tenlastelegging zijn opgenomen. Van grondslagverlating is aldus geen sprake.
3.13
Daarmee resteert de klacht dat het oordeel van het hof dat de geldbedragen van enig misdrijf afkomstig zijn, getuigt van een onjuiste rechtsopvatting, althans onbegrijpelijk is, omdat de enkele omstandigheid dat niet kan worden uitgesloten dat de betaalde geldbedragen zijn (of zullen worden) verrekend met criminele gelden, niet met zich brengt dat geldbedragen die te herleiden zijn tot legale inkomsten, kunnen worden aangemerkt als voorwerpen van enig misdrijf afkomstig.
3.14
Anders dan de stellers van het middel leid ik uit deze overweging niet af dat het hof van oordeel is dat de betaalde geldbedragen (voor zover deze (gedeeltelijk) zijn te herleiden tot legale inkomsten) van enig misdrijf afkomstig zijn
omdatniet kan worden uitgesloten dat sprake is van verrekening met criminele gelden. Het hof heeft expliciet geoordeeld dat het niet anders kan zijn dan dat de door de vennootschappen van de verdachte betaalde geldbedragen van misdrijf afkomstig zijn. Het hof heeft die conclusie gebaseerd op een veelheid van in de bewijsoverwegingen geduide feiten en omstandigheden die blijken uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen, waaronder de omstandigheid dat er geen werkzaamheden tegenover de betalingen stonden en de omstandigheid dat de geldbedragen werden betaald aan (de vennootschappen van) [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] , die zich gedurende langere tijd hebben beziggehouden met witwassen. Het hof heeft daarbij slechts ten overvloede opgemerkt dat voor zover de betalingen (gedeeltelijk) zouden zijn te herleiden tot legale inkomsten van de vennootschappen van de verdachte, dat aan die conclusie niet in de weg staat, net zo min als daaraan in de weg staat dat niet kan worden vastgesteld hoe de verdachte voor deze betalingen is gecompenseerd.
3.15
Dat oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk.
3.16
De tweede deelklacht faalt.
De derde deelklacht
3.17
De derde deelklacht houdt in dat het oordeel van het hof dat de verdachte geen concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring heeft gegeven dat de geldbedragen niet van misdrijf afkomstig zijn, niet begrijpelijk is.
3.18
Uit het bij de eerste deelklacht besproken oordeel dat de feiten en omstandigheden het vermoeden rechtvaardigen dat de op basis van valse facturen overgemaakte bedragen uit enig misdrijf afkomstig zijn, vloeit voort dat van de verdachte mocht worden verlangd dat hij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat de geldbedragen niet van misdrijf afkomstig zijn. Het hof heeft overwogen dat de verdachte dat niet heeft gedaan. Daarbij heeft het hof overwogen dat “hetgeen de verdachte over de facturen en de achtergrond van de betalingen heeft verklaard, […] al [is] besproken en weerlegd in de bewijsoverweging van de feiten 1 en 2.”
3.19
Het hof heeft in de bewijsoverweging van de feiten 1 en 2 omtrent de verklaringen van de verdachte – kort gezegd – overwogen dat hetgeen de verdachte heeft verklaard omtrent de door hem gestelde werkzaamheden die medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] zouden hebben verricht “niet geloofwaardig” is. Daarbij heeft het hof, zoals ik onder 2.14 reeds heb opgemerkt, onder meer gewezen op de tegenstrijdigheden met de initiële verklaring van [medeverdachte 2] over die werkzaamheden.
3.2
Ik begrijp de overwegingen van het hof zo dat de verdachte in relatie tot feit 1 en 2 geen aannemelijke verklaring heeft gegeven voor de gedane betalingen en voorts geen concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring heeft gegeven dat de in de bewezenverklaring opgenomen geldbedragen niet van misdrijf afkomstig zijn. Dat acht ik, mede tegen de achtergrond van de door het hof gebruikte bewijsmiddelen (Ennetcom-berichten), niet onbegrijpelijk. Daarbij neem ik in aanmerking dat het overgrote deel van de in feit 3 genoemde geldbedragen betalingen betreffen op basis van facturen van [B] en [A] , waarvoor de verdachte geen aannemelijke verklaring heeft kunnen geven, terwijl het hof daarnaast heeft gereageerd op de stelling van de verdediging dat de gelden afkomstig zouden zijn uit de legale inkomsten van de vennootschappen van de verdachte; zie daartoe de tweede deelklacht. Op basis van de door de verdachte gegeven verklaring(en) omtrent het waarom van de betaalde gelden, althans het uitblijven van een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring omtrent de niet-criminele herkomst daarvan, kon het hof oordelen dat het niet anders kan zijn dat de in de bewezenverklaring opgenomen geldbedragen van misdrijf afkomstig zijn.
3.21
De derde deelklacht faalt.
De vierde deelklacht
3.22
De vierde deelklacht houdt in dat de bewijsvoering de bewezenverklaring dat het bedrag van € 62.500,- dat [C] BV van [O] heeft ontvangen (feit 3, laatste gedachtestreepje) van misdrijf afkomstig is, niet kan dragen. Daartoe wordt aangevoerd dat de bewezenverklaring inhoudt dat het door [C] BV
ontvangenbedrag van misdrijf afkomstig is, terwijl uit de bewijsoverwegingen slechts summier blijkt waarom het hof van oordeel is dat het door de verdachte
betaaldebedrag van misdrijf afkomstig is.
3.23
Ik maak uit de bewijsvoering het volgende op. Het in de bewezenverklaring genoemde geldbedrag van € 62.500 is op 28 november 2016 door [O] overgemaakt naar de rekening van [C] met de omschrijving “overname lening”. Op 23 november 2016 heeft [vader medeverdachte 1] een e-mail gestuurd aan de verdachte, met in de bijlage een factuur van [C] gericht aan [O] van 15 november 2016 voor € 62.500,- inclusief BTW met de omschrijving “Overname verplichting [O] BV/ [vader medeverdachte 1] dd 10/4/15”. In de mail zelf verzoekt [vader medeverdachte 1] blijkens de bewijsvoering van het hof om enige spoed bij het opmaken van de factuur, nu het geld al op zijn rekening staat, “Graag zsm want het geld heb ik al op mijn rekening maar boek ik dan via de [O] BV rekening over naar jou.” Dat dit een valselijk opgemaakte factuur betreft omdat in werkelijkheid geen sprake was van een “overname verplichting”, zoals het hof ten aanzien van feit 1 heeft overwogen, wordt in cassatie niet bestreden.
3.24
Uit de Ennetcom-berichten van 17 april 2015 tussen [betrokkene 2] en [betrokkene 3] , waarin onder meer wordt vermeld dat een “container is betaald voor [bijnaam 1] door die [bijnaam 2] ” en dat “de bedoeling van die investering van die [bijnaam 2] ” is dat “ [bijnaam 1] is geholpen en dat hij [bijnaam 2] kan helpen met autos en andere dingen”, leidt het hof af dat het in deze berichten gaat om een container die [O] B.V. heeft aangeschaft en dat deze ‘ [bijnaam 2] ’ via [vader medeverdachte 1] en [verdachte] veiliggesteld heeft dat hij in de toekomst zijn criminele opbrengsten kon (blijven) gebruiken voor auto’s en andere bestedingen zonder dat dit vragen zou oproepen bij de autoriteiten. Ook dit wordt in cassatie niet bestreden.
3.25
Zowel de factuur van 15 november 2016 als een eerdere factuur van 31 maart 2015 voor eenzelfde bedrag zijn volgens het hof gebruikt om de schijn te wekken dat betalingen zijn gedaan voor verleende diensten, terwijl dit in werkelijkheid niet het geval is; de betalingen waren bedoeld om te verhullen dat crimineel geld, afkomstig van ‘ [bijnaam 2] ’ is gebruikt om financiële problemen van [medeverdachte 1] op te lossen zodat deze ‘ [bijnaam 2] ’ kon blijven helpen. In relatie tot feit 1 wordt door het hof opgemerkt dat het hof van oordeel is “dat het bedrag van EUR 62.500 daarom ook door de verdachte is witgewassen (feit 3).”
3.26
Het hof heeft in de bewijsoverwegingen in relatie tot feit 3 inderdaad niet met zoveel woorden overwogen dat uit een en ander kan worden afgeleid dat het bedrag dat op 28 november 2016 aan [C] werd betaald, uit misdrijf afkomstig is. Een en ander volgt echter genoegzaam uit het voorgaande. Daarbij neem ik in het bijzonder in aanmerking dat het hof heeft vastgesteld dat i) het bewezenverklaarde bedrag op basis van een valselijk opgemaakte factuur is betaald, ii) hetgeen de verdachte heeft verklaard over de betaling door het hof als ongeloofwaardig terzijde is geschoven, iii) ongeveer anderhalf jaar voorafgaand aan het tenlastegelegde, door [C] ontvangen bedrag hetzelfde bedrag (€ 62.500,-) door de verdachte aan [O] op basis van een eveneens valselijk opgemaakte factuur is betaald, en iv) dat de facturen bedoeld waren om te verhullen dat crimineel geld, afkomstig van “ [bijnaam 2] ”, is gebruikt om de financiële problemen van [medeverdachte 1] (kennelijk via [vader medeverdachte 1] en de verdachte) op te lossen. Hieruit heeft het hof kunnen afleiden dat het bedrag dat [C] van [O] B.V. heeft ontvangen, uit misdrijf afkomstig is.
3.27
Dat het hof in relatie tot het derde feit – kennelijk per abuis – verwijst naar “aan [O] betaalde bedragen”, kan daaraan niets afdoen. De overwegingen op basis waarvan het hof tot de conclusie komt dat het door [verdachte] op 28 november 2016 van [O] ontvangen bedrag is witgewassen en die staan weergegeven bij de bewijsoverwegingen van feit 1, dragen dat oordeel zelfstandig. Dat oordeel is voorts niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd.
3.28
De vierde deelklacht faalt.
3.29
Het middel faalt.

4.Slotsom

4.1
De middelen falen. Het eerste middel kan worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 RO Pro ontleende motivering. Aangezien het tweede middel klaagt over de bewezenverklaring van een feit waarvan de verdachte in eerste aanleg is vrijgesproken, ligt afdoening op de voet van art. 81 lid 1 RO Pro niet voor de hand. [6]
4.2
Ambtshalve merk ik op dat de Hoge Raad uitspraak zal doen nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro is overschreden, hetgeen tot vermindering van de door het hof opgelegde gevangenisstraf dient te leiden. [7]
4.3
Overige gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.
4.4
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de hoogte van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan aan de hand van de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Zie Rb. Amsterdam 7 december 2018, ECLI:NL:RBAMS:2018:8713. Dit vonnis is door het hof in de onderhavige zaak als bewijsmiddel gebruikt.
2.HR 11 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9310,
3.HR 15 mei 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA0424,
4.Vgl. HR 20 december 2022, ECLI:NL:HR:2022:1864,
5.Vgl. HR 18 november 2008, ECLI:NL:HR:2008:BF1182; HR 12 november 2013, ECLI:NL:HR:2013:1159.
6.HR 24 januari 2023, ECLI:NL:HR:2023:40,
7.Vgl. HR 26 maart 2024, ECLI:NL:HR:2024:492.