ECLI:NL:PHR:2026:619

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
23 juni 2026
Publicatiedatum
21 juni 2026
Zaaknummer
24/01299
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2B OpiumwetArt. 2C OpiumwetArt. 10a OpiumwetArt. 6 lid 1 EVRMArt. 81 lid 1 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt afwijzing aanhoudingsverzoek wegens onvoldoende onderbouwing en vermindert straf

De verdachte werd door het gerechtshof Den Haag veroordeeld tot twaalf maanden gevangenisstraf voor medeplegen van het bewerken, verwerken en aanwezig hebben van heroïne en voorbereidingshandelingen volgens de Opiumwet. In hoger beroep was de verdachte niet aanwezig, waarop zijn raadsvrouw een verzoek tot aanhouding van de behandeling indiende vanwege een afspraak over de verdeling van de erfenis van zijn overleden opa.

Het hof wees dit verzoek af omdat de dagvaarding rechtsgeldig was betekend en de omstandigheid van verhindering niet aannemelijk was gemaakt. De Hoge Raad bevestigt dit oordeel en overweegt dat de omstandigheid van een geplande afspraak over de erfenis geen onverwachte situatie is die rechtvaardigt dat de verdachte of zijn raadsman nader bewijs mochten overleggen.

De Hoge Raad benadrukt het beoordelingskader voor aanhoudingsverzoeken, waarbij in het algemeen een concrete onderbouwing vereist is, tenzij sprake is van een onverwachte omstandigheid zoals ziekte. Omdat hier geen onverwachte omstandigheid was, mocht het hof het verzoek afwijzen zonder nadere onderbouwing te vragen.

Daarnaast constateert de Hoge Raad een overschrijding van de redelijke termijn van berechting, wat leidt tot ambtshalve vermindering van de straf. Het cassatieberoep wordt voor het overige verworpen. De uitspraak bevestigt de noodzaak van voldoende onderbouwing bij aanhoudingsverzoeken en verduidelijkt de toepassing van het beoordelingskader bij onverwachte omstandigheden.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de gevangenisstraf wordt ambtshalve verminderd wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer24/01299
Zitting23 juni 2026
CONCLUSIE
P.T.C. van Kampen
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1998,
hierna: de verdachte

1.Het cassatieberoep

1.1
De verdachte is bij arrest van 25 maart 2024 door het gerechtshof Den Haag (rolnr. 22-002614-22) wegens – kort gezegd – het medeplegen van het opzettelijk bewerken en verwerken en aanwezig hebben van een hoeveelheid heroïne (feit 1) en medeplegen van voorbereidingshandelingen als bedoeld in art. 10a Opiumwet (feit 2) veroordeeld tot een gevangenisstraf van twaalf maanden, met aftrek van voorarrest. [1]
1.2
Deze zaak hangt samen met de zaak tegen [medeverdachte] (24/01260), waarin ik vandaag ook zal concluderen.
1.3
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. De advocaten J.S. Nan en S.A.H. Vromen hebben één middel van cassatie voorgesteld.

2.Het middel

2.1
Het middel bevat de klacht dat het hof het verzoek van de raadsvrouw tot aanhouding van de behandeling van de zaak heeft afgewezen op gronden die de afwijzing niet kunnen dragen.
2.2
Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 11 maart 2024 houdt onder meer in dat de verdachte niet ter terechtzitting is verschenen. De raadsvrouw van de verdachte, wel aanwezig op de terechtzitting, heeft blijkens het proces-verbaal vervolgens het volgende aangevoerd:
“Ik verwacht mijn cliënt vandaag niet en ga uw hof verzoeken de behandeling van de zaak aan te houden. Mijn cliënt wil graag aanwezig zijn om vragen te beantwoorden maar hij was tot voor kort niet op de hoogte van de zitting. De dagvaarding is aan zijn zus uitgereikt, maar zij heeft hem daarvan toen niet op de hoogte gebracht. De opa van mijn cliënt is overleden en hij moet daarom vandaag ergens anders aanwezig zijn in verband met de verdeling van de erfenis. Ik kan dit niet onderbouwen want de stukken daarover zijn allemaal in de Arabische taal. Ik kan achter deze stukken aangaan en deze later toesturen. In eerste aanleg is 18 maanden gevangenisstraf geëist dus in die zin hangt hem veel boven het hoofd. Hij wil graag gebruik maken van zijn aanwezigheidsrecht. Ik weet niet of hij nu in Marokko is.”
2.3
De advocaat-generaal heeft zich blijkens het proces-verbaal van de zitting van 11 maart 2024 op het standpunt gesteld dat de dagvaarding op de juiste wijze betekend is (uitgereikt aan de zus van de verdachte op het adres waar hij ingeschreven stond) en het aanhoudingsverzoek onvoldoende is onderbouwd.
2.4
Het hof heeft op de terechtzitting van 11 maart 2026 als volgt beslist op het verzoek tot aanhouding:
“Het hof wijst het verzoek tot aanhouding van behandeling van de zaak af. Er is sprake van een rechtsgeldige betekening en uit de opmerkingen van de raadsvrouw kan worden opgemaakt dat de verdachte op de hoogte is van de zitting van heden. Dat de verdachte er niet bij kan zijn wegens verplichtingen elders is niet onderbouwd.”
2.5
Voor zover de stellers van het middel betogen dat het hof hiermee niet heeft geoordeeld dat de aan het verzoek ten grondslag liggende omstandigheid niet aannemelijk is geworden, faalt het middel naar mijn oordeel. In de hiervoor geciteerde overweging ligt als oordeel van het hof besloten dat het hof – bij gebrek aan onderbouwing – niet aannemelijk heeft geacht dat de verdachte er niet bij kon zijn “wegens verplichtingen elders”.
2.6
De vraag is vervolgens of dat oordeel ook voldoende begrijpelijk is. De stellers van het middel voeren in dat verband aan dat uit de jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat voor het oordeel dat de aan een verzoek ten grondslag gelegde omstandigheid niet aannemelijk is, niet steeds de vaststelling volstaat dat die omstandigheid onvoldoende is onderbouwd. Het gaat hier volgens hen immers om een zich onverwacht aandienende omstandigheid (te weten: het overlijden van de opa van de verdachte) en de raadsvrouw van de verdachte is – ondanks haar aanbod daartoe – niet in de gelegenheid gesteld om die omstandigheid nader te onderbouwen met stukken.
2.7
Het beoordelingskader van de Hoge Raad houdt op het specifieke punt van de door de rechter te beoordelen aannemelijkheid van de aan een aanhoudingsverzoek ten grondslag gelegde omstandigheid het volgende in:
“De verdachte of zijn raadsman moet concreet de omstandigheid aanvoeren die aan het aanhoudingsverzoek ten grondslag ligt. Als zo’n omstandigheid niet wordt aangevoerd, mag de rechter het verzoek om die reden afwijzen.
In de regel mag van de verdachte of zijn raadsman worden gevergd dat hij (alsnog) de gegevens verstrekt die de rechter met het oog op de te nemen beslissing noodzakelijk acht. Als de rechter de omstandigheid die aan het verzoek ten grondslag is gelegd, niet zonder meer aannemelijk acht, kan hij gevolgen verbinden aan de omstandigheid dat het verzoek onvoldoende met bewijsstukken is onderbouwd en/of niet (voldoende) aan de door hem gevraagde aanvulling is voldaan.
Voor het oordeel dat de omstandigheid die aan het verzoek ten grondslag is gelegd, niet aannemelijk is, volstaat echter niet steeds de vaststelling dat die omstandigheid onvoldoende is onderbouwd. Het is immers mede afhankelijk van de aard van de aangevoerde reden – in het bijzonder of het gaat om een omstandigheid die zich onverwacht aandient, bijvoorbeeld in verband met ziekte van de verdachte – of, voordat wordt beslist op het verzoek, gelegenheid moet worden geboden het verzoek nader toe te lichten en/of op een later moment (alsnog) bewijsstukken over te leggen. De rechter kan echter het bieden van die gelegenheid en het nemen van een beslissing over de aannemelijkheid van de omstandigheid die aan het verzoek ten grondslag is gelegd, achterwege laten op grond van zijn oordeel dat wat is aangevoerd – als dat juist zou zijn – in de hierna weer te geven belangenafweging niet tot toewijzing van het verzoek leidt.
Nadat in voorkomende gevallen gelegenheid is geboden voor een nadere toelichting of het overleggen van bewijsstukken, kan de rechter het verzoek al – dat wil zeggen: zonder tot die belangenafweging over te gaan – afwijzen op de grond dat de omstandigheid die aan het verzoek ten grondslag is gelegd, niet aannemelijk is.” [2]
2.8
Van de verdachte of zijn raadsman mag in beginsel een onderbouwing worden gevergd van de omstandigheid die aan het aanhoudingsverzoek ten grondslag is gelegd. Afhankelijk van de aard van de aangevoerde reden voor aanhouding kan de rechter gehouden zijn om de verdachte eerst de gelegenheid te geven het verzoek nader toe te lichten of op een later moment (alsnog) stukken te overleggen. [3]
2.9
Bij de ‘aard van de aangevoerde reden’ noemt de Hoge Raad in het bijzonder de situatie dat een omstandigheid zich onverwacht heeft aangediend. In dat onverwachte ligt dan de reden waarom – in afwijking van de hiervoor genoemde hoofdregel dat van de verdachte of zijn raadsman een onderbouwing mag worden gevergd – (toch) de gelegenheid moet worden geboden tot een nadere onderbouwing, alvorens op het verzoek om aanhouding van de behandeling van de zaak door de rechter wordt beslist. Omgekeerd geldt wat mij betreft dan ook dat de rechter – indien geen sprake is van zo’n onverwachte omstandigheid – mag afgaan op hetgeen reeds aan het aanhoudingsverzoek ten grondslag is gelegd en daarbij niet is gehouden om gelegenheid tot nadere onderbouwing te bieden.
2.1
In HR 29 januari 2019, ECLI:NL:HR:2019:131 had de verdachte bijvoorbeeld een verzoek gedaan tot uitstel van de behandeling van zijn zaak, omdat hij voor zijn werk in Antwerpen was. Het hof overwoog: “Verdachte heeft het aanhoudingsverzoek niet onderbouwd met enig stuk en om die reden is het verzoek onvoldoende onderbouwd.” Volgens de Hoge Raad lag in dit oordeel besloten dat de aan het verzoek ten grondslag gelegde omstandigheid, inhoudende dat de verdachte vanwege zijn werkzaamheden niet ter terechtzitting aanwezig kan zijn, gelet op wat aan het verzoek ten grondslag is gelegd en het ontbreken van bewijsstukken, niet aannemelijk is. [4] Dat oordeel vond de Hoge Raad niet onbegrijpelijk. Mijn interpretatie van dit arrest is – gelet op hetgeen ik hiervoor al opmerkte – dat hier van de verdachte reeds op voorhand al een nadere onderbouwing mocht worden gevergd, omdat nergens uit kon worden afgeleid dat er sprake was van een onverwachte omstandigheid.
2.11
Een goed voorbeeld van een omstandigheid die zich wel onverwacht kan aandienen, is de omstandigheid dat de verdachte op de dag van de terechtzitting ziek is. In een zaak van 8 oktober 2024 werd een aanhoudingsverzoek gedaan omdat de verdachte wegens ziekte was verhinderd. Het hof achtte niet aannemelijk dat de verdachte ziek was en overwoog daarbij dat er geen nadere medische stukken waren overlegd ter onderbouwing. Dat oordeel hield geen stand in cassatie. De Hoge Raad overwoog daarbij onder meer dat het hof geen gelegenheid had geboden om op een later moment (alsnog) een dergelijk bewijsstuk over te leggen. [5] Iets soortgelijks deed zich voor in HR 13 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:567. De verdachte was tijdig in het gerechtsgebouw aanwezig voor zijn zaak, was even naar buiten gegaan voor wat frisse lucht en had vervolgens tegen zijn raadsman gezegd dat “het echt niet meer ging”. Het hof wees het daaropvolgende aanhoudingsverzoek af omdat het niet aannemelijk achtte dat de verdachte niet ter terechtzitting kon verschijnen, maar dat oordeel vond de Hoge Raad niet zonder meer begrijpelijk. [6] Daarbij werd in aanmerking genomen dat het kennelijk een omstandigheid betrof die zich onverwacht aandiende en dat het hof niet de gelegenheid had geboden het verzoek nader te onderbouwen.
2.12
Ik keer terug naar de onderhavige zaak.
2.13
De stellers van het middel wijzen in de toelichting op het middel op het overlijden van de opa van de verdachte als de zich onverwacht aandienende omstandigheid die ertoe heeft geleid dat de verdachte niet ter terechtzitting in hoger beroep aanwezig kon zijn. Op zichzelf zou het overlijden van een naast familielid naar mijn oordeel inderdaad kunnen worden aangemerkt als zo’n onverwachte omstandigheid. Dat is echter niet de omstandigheid die door de raadsvrouw in het onderhavige geval ter terechtzitting van het hof aan het aanhoudingsverzoek ten grondslag is gelegd. Blijkens het proces-verbaal heeft de raadsvrouw immers aangevoerd dat de verdachte “vandaag ergens anders aanwezig [moet] zijn in verband met de verdeling van de erfenis.” Dus niet het overlijden van de opa zelf, maar – kennelijk – een afspraak over de verdeling van de erfenis maakt dat de verdachte er niet is.
2.14
Ik meen dat die omstandigheid niet kan worden aangemerkt als een zich onverwacht aandienende omstandigheid. Een afspraak veronderstelt enige mate van planning, zeker als die afspraak ziet op een onderwerp als de verdeling van een erfenis. Bovendien – en belangrijker – is in hoger beroep niet aangevoerd dat er sprake was van een omstandigheid die zich onverwacht aandiende. Nu niet is gebleken dat sprake was van een zich onverwacht aandienende omstandigheid, was het hof mijns inziens niet gehouden om de raadsvrouw de gelegenheid te bieden om het verzoek alsnog nader te onderbouwen. [7] Voor zover het middel daarover klaagt, faalt het.
2.15
In dit geval gaat dus de hoofdregel op dat van de verdachte of zijn raadsvrouw mocht worden gevergd dat bij het doen van het aanhoudingsverzoek reeds de gegevens worden verstrekt die de rechter met het oog op de te nemen beslissing noodzakelijk acht. Met de overweging dat niet is onderbouwd dat de verdachte er niet bij kan zijn vanwege verplichtingen elders, heeft het hof – zoals de Hoge Raad het noemt – gevolgen verbonden aan de omstandigheid dat het verzoek onvoldoende met bewijsstukken is onderbouwd. Op grond hiervan heeft het hof kennelijk geoordeeld dat de aan het verzoek ten grondslag gelegde omstandigheid niet aannemelijk is. Dat oordeel is gelet op het voorgaande niet onbegrijpelijk.
2.16
Overigens was het hof bij deze stand van zaken niet gehouden tot een belangenafweging. Zo’n belangenafweging komt immers pas aan de orde als zich niet het geval voordoet dat de aan het verzoek ten grondslag gelegde omstandigheid niet aannemelijk is geoordeeld. Ook in zoverre faalt het middel.

3.Slotsom

3.1
Het middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 RO Pro ontleende motivering. [8]
3.2
Ambtshalve merk ik op dat de Hoge Raad uitspraak zal doen meer dan 24 maanden nadat cassatie is ingesteld. Dat betekent dat inbreuk is gemaakt op het in art. 6 lid 1 EVRM Pro neergelegde recht om binnen een redelijke termijn te worden berecht. Dat moet leiden tot strafvermindering.
3.3
Verder heb ik ambtshalve geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
3.4
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan naar de gebruikelijke maatstaf, en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.De precieze kwalificatie van deze feiten luidt onder 1: “medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder Pro B van de Opiumwet gegeven verbod en medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod” en onder 2 “medeplegen van om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van Pro de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, stoffen voorhanden hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit”.
2.Zie meest recent HR 19 november 2024, ECLI:NL:HR:2024:1644, rov. 2.3. Zie eerder in iets andere bewoordingen het overzichtsarrest over aanhoudingsverzoeken HR 16 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1934,
3.In zijn noot onder 6 bij HR 16 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1934,
4.HR 29 januari 2019, ECLI:NL:HR:2019:131, rov. 2.4.
5.HR 8 oktober 2024, ECLI:NL:HR:2024:1387, rov. 2.4.
6.HR 13 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:567, rov. 2.4.
7.Vgl. bijvoorbeeld de conclusie van toenmalig AG Bleichrodt, ECLI:NL:PHR:2019:746, onder 12, voorafgaand aan HR 1 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1453. Daarin had de verdachte een aanhoudingsverzoek gedaan vanwege zijn opname en behandeling in een kliniek. Bij de vraag of de verdachte de gelegenheid had moeten krijgen om zijn verzoek alsnog van een nadere toelichting te voorzien, betrok de AG dat de bijgevoegde medische informatie van de kliniek dateerde van 4 oktober 2017, terwijl de zitting plaatsvond op 18 oktober 2017. Daarom was volgens hem geen sprake van een zich onverwacht aandienende omstandigheid.
8.Weliswaar is de verdachte in hoger beroep veroordeeld voor twee feiten waarvan hij in eerste aanleg is vrijgesproken, maar nu in cassatie niet wordt geklaagd over de bewijsvoering is HR 24 januari 2023, ECLI:NL:HR:2023:40,