ECLI:NL:PHR:2026:606

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
30 juni 2026
Publicatiedatum
17 juni 2026
Zaaknummer
24/01442
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 11 OpiumwetArt. 11a OpiumwetArt. 6 lid 1 EVRMArt. 6:162 BWArt. 359 lid 2 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt afwijzing beroep tegen vrijspraak medeplegen verkoop hennepmaterialen

De verdachte werd door het hof Arnhem-Leeuwarden veroordeeld wegens medeplegen van het te koop aanbieden en voorhanden hebben van voorwerpen bestemd voor illegale hennepteelt, met een voorwaardelijke gevangenisstraf en taakstraf. In eerste aanleg was hij vrijgesproken. De zaak betreft twee bestuurlijke controles bij het bedrijf [A] in november 2018 en juni 2019, waarbij politieambtenaren als 'sterke arm' aanwezig waren.

De verdediging stelde dat na de eerste controle al een redelijk vermoeden van schuld bestond en dat de politie misbruik maakte van bevoegdheden door bij de tweede controle op te treden, wat zou leiden tot bewijsuitsluiting en vrijspraak. Het hof oordeelde echter dat op en na de eerste controle geen redelijk vermoeden van schuld bestond en dat de politie bij de tweede controle slechts ter ondersteuning aanwezig was, zonder strafrechtelijk optreden.

De Hoge Raad bevestigt dat het hof voldoende en begrijpelijk heeft gemotiveerd waarom het redelijk vermoeden van schuld ontbrak na de eerste controle, ondanks de aanwezigheid van hennepmaterialen. Ook is geen sprake van onrechtmatig politieoptreden of bewijsuitsluiting. Het cassatieberoep faalt en de vrijspraak van de politierechter wordt vernietigd ten gunste van het hofvonnis.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het hof Arnhem-Leeuwarden blijft in stand.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer24/01442
Zitting30 juni 2026
CONCLUSIE
P.H.P.H.M.C. van Kempen
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1972,
hierna: de verdachte

1.Inleiding

1.1
De verdachte is door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden bij arrest van 2 april 2024 (parketnr. 21-005270-21) veroordeeld wegens “medeplegen van voorwerpen te koop aanbieden en voorhanden hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van een van de in artikel 11, derde en vijfde lid, van de Opiumwet strafbaar gestelde feiten”. Het hof heeft de verdachte veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 1 maand, met een proeftijd van 2 jaren en tot een taakstraf voor de duur van 80 uren, subsidiair 40 dagen hechtenis. In eerste aanleg is de verdachte door de politierechter vrijgesproken.
1.2
Er bestaat samenhang met de zaken 24/01441 en 24/01443. In deze zaken concludeer ik vandaag ook.
1.3
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. J. Zevenboom, advocaat in Amsterdam, heeft één middel van cassatie voorgesteld.

2.Waar het in cassatie om gaat

2.1
Op 14 november 2018 en op 6 juni 2019 vindt een tweetal bestuurlijke controles (“integrale controles”) plaats bij het bedrijf [A] (hierna: [A] ). Bij de eerste controle zijn meerdere verbalisanten aanwezig “ter ondersteuning en veiligheid” en bij de tweede controle één verbalisant “als sterke arm”. Door de verdediging is onder meer betoogd dat na de eerste controle een redelijk vermoeden van schuld is ontstaan en dat de politie misbruik heeft gemaakt van bevoegdheden (détournement de pouvoir) door bij de tweede controle “als sterke arm” mee te gaan. In cassatie wordt opgekomen tegen het oordeel van het hof dat in afwijking van het standpunt van de verdediging op basis van het dossier niet kan worden vastgesteld dat tijdens of na de eerste controle op 14 november 2018 reeds sprake was van een redelijk vermoeden van schuld, waardoor ook bij de tweede bestuurlijke controle op 6 juni 2019 nog geen sprake was van verdenking van een strafbaar feit en het betreden van de bedrijfsruimte op die laatstgenoemde datum evenmin als strafrechtelijk optreden kan worden aangemerkt.
2.2
Deze conclusie houdt in dat het middel faalt.

3.Het middel

3.1
Het middel bevat de klacht dat het hof onvoldoende gemotiveerd is afgeweken van het door de raadsman van de verdachte ingenomen uitdrukkelijk onderbouwde standpunt strekkende tot vrijspraak, althans dat het oordeel van het hof over het niet bestaan van een redelijk vermoeden van schuld op en na 14 november 2018 zonder een nadere motivering onbegrijpelijk is.
3.2
Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 19 maart 2024 heeft de raadsman van de verdachte het woord tot verdediging gevoerd overeenkomstig zijn op schrift gestelde en aan dat proces-verbaal gehechte pleitnota. Deze pleitnota houdt voor zover van belang het volgende in:

Bepleit: Bevestiging van het vonnis in eerste aanleg, subsidiair met verbetering van gronden het bewijs uitsluiten van de bewijsvoering wegens schending van het beginsel van Détournement de pouvoir en het vertrouwensbeginsel, hetgeen dient te leiden tot vrijspraak.
1. De politierechter heeft in eerste aanleg wat mij betreft de feiten kort en bondig, maar juist,
vastgesteld. Er was in ieder geval tijdens de controle van 2018 een redelijke vermoeden van schuld ontstaan. Zo dat redelijke vermoeden in feite al niet eerder bestond. [verbalisant 1] , taakaccenthouder hennep, toen overigens ook mee als slechts “sterke arm” tijdens een controle van het interventie team van de gemeente, stelde vast dat in het pand aanwezig waren een groot aantal artikelen die bij de hennepteelt gebruikt kunnen worden. Over het doel die dag laat [verbalisant 3] geen onduidelijkheid bestaan: getracht is aan te tonen dat [A] BV een growshop was waar bewust materialen werden verkocht ten behoeve van de illegale hennepteelt.
2. Er is na de eerste controle niet ingegrepen, noch overgegaan tot strafrechtelijke vervolging. Het opsporingsonderzoek is voortgezet en opsporingshandelingen zijn verricht. Uit het onderzoek dat volgt, het kenteken-onderzoek, volgt vervolgens informatie dat thans als bewijsmiddel wordt gepresenteerd.
3. [verbalisant 1] schrijft in zijn aanvullende proces-verbaal dat hij tijdens de controle in 2019 dezelfde of soortgelijke goederen/ artikelen zag staan als tijdens de eerdere controle in 2018.
4. Vast staat dat er sprake was van een redelijke vermoeden van schuld en dat er sprake was van een lopend onderzoek. […].
[…]”
3.3
In aanvulling op de pleitnota is door de raadsman nog het volgende aangevoerd:
“Ik wil u verzoeken hetgeen ik in eerste aanleg naar voren heb gebracht, hier als herhaald en ingelast te beschouwen. Uit het aanvullende proces-verbaal van 11 november 2021 leid ik af dat er een redelijk vermoeden van schuld bestond. Verder wil ik het hof wijzen op pagina 41 van het dossier. Daaruit volgt dat het doel van die dag was aan te tonen dat er bewust materialen zijn verkocht ten behoeve van de illegale hennepteelt. De opsporingshandelingen zijn voortgezet en verricht.”
3.4
Het bestreden arrest houdt voor zover van belang het volgende in (met behoud van de originele voetnoot):

Overweging met betrekking tot het bewijs
[…]
Verweer verdediging: onherstelbare vormverzuimen
Door de verdediging van verdachte is naar voren gebracht dat sprake is van twee vormverzuimen.
[…]
In de tweede plaats heeft de politie misbruik gemaakt van bevoegdheden (détournement de pouvoir). Na de bestuurlijke controle van 14 november 2018 was er volgens de verdediging sprake van een redelijk vermoeden van schuld. De politie heeft dan ook de Algemene wet bestuursrecht misbruikt door op 6 juni 2019 “als sterke arm” mee te gaan bij de tweede bestuurlijke controle.
Beide vormverzuimen zijn onherstelbaar en leveren een schending van artikel 6 en Pro artikel 8 EVRM Pro op.
Dit dient in de visie van de verdediging te leiden tot bewijsuitsluiting en vrijspraak van het tenlastegelegde.
Vaststelling van de feiten
Op 14 november 2018 heeft het interventie team van de gemeente [plaats] een bestuurlijke controle gehouden op het bedrijventerrein [B] in [plaats] . Ook de Belastingdienst was betrokken bij deze controle. Hierbij is onder andere het bedrijf [A] bezocht.
De administratie werd door medewerkers van de Belastingdienst bekeken en de medewerkers van het interventieteam van de gemeente controleerden de bedrijfsvoering, de aanwezige personen en de aanwezige middelen/ artikelen in het pand. Voornoemde personen hebben zich laten vergezellen door de politie “ter ondersteuning en veiligheid”. In de loods werd een groot aantal kweekartikelen aangetroffen welke door de verbalisanten herkend werden als artikelen die bij de (illegale) hennepteelt gebruikt worden, onder meer een grote hoeveelheid kweekaarde, groeimiddelen, pompen, ventilatoren, slangen en koppelstukken. [1]
Op 6 juni 2019 heeft opnieuw een bestuurlijke controle plaatsgevonden bij het bedrijf [A] op het adres [a-straat 1] te [plaats] . Een verbalisant was opnieuw mee “als sterke arm”. Verdachten [verdachte] en [medeverdachte] waren aanwezig in het pand en verklaarden werkzaam te zijn voor het bedrijf [A] .
Op het moment dat de aanwezige verbalisant overal goederen zag staan die hem deden denken aan hennepkwekerijen, heeft hij contact opgenomen met een collega die werkzaam was voor het hennepteam van basisteam [plaats] . Laatstgenoemde verbalisant zag meerdere goederen waarvan hij wist dat ze gebruikt worden voor hennepteelt. Na toestemming van de officier van justitie werden alle goederen die gebruikt konden worden voor hennepteelt, in beslag genomen.
Oordeel van het hof
Het hof stelt voorop dat niet in debat is dat de gemeenteambtenaren van de gemeente [plaats] bevoegd waren tot het controleren van [A] op 14 november 2018 en op 6 juni 2019. Het hof beperkt zich dan ook tot het bespreken van de verweren zoals deze zien op de aanwezigheid van de politieambtenaren bij deze controles.
Het hof is, anders dan de verdediging, van oordeel dat op basis van het dossier niet vastgesteld kan worden dat op 14 november 2018, tijdens of na de controle, reeds sprake was van een redelijk vermoeden van schuld. Het proces-verbaal omvat weinig informatie over deze controle, maar de in het proces-verbaal genoemde aangetroffen goederen zijn niet zodanig dat op grond daarvan reeds evident sprake is van overtreding van artikel 11a van de Opiumwet. Ook overigens blijkt uit het procesdossier niet dat er door de politie handelingen zijn verricht die wijzen op het verrichten van een strafrechtelijk onderzoek op of na 14 november 2018.
Dat op 9 november 2018 (dus voorafgaand aan de eerste controle) negen kentekens zijn genoteerd van voertuigen die bij het bedrijfspand te zien waren, maakt dit niet anders. Het noteren van kentekens past bij het verzamelen van informatie over een bepaalde locatie en is geen handeling die in deze context aangemerkt dient te worden als een opsporingshandeling.
[…]
Nu op en na 14 november 2018 geen sprake was van een redelijk vermoeden van schuld, kan de tweede bestuurlijke controle niet worden aangemerkt als strafrechtelijk optreden.
Ook op het moment dat de toezichthouder de bedrijfsruimte betrad op 6 juni 2019, was er nog geen sprake van een verdenking van een strafbaar feit.
Niet aannemelijk is geworden dat de politie op 6 juni 2019 een ander doel voor ogen had dan het op dat moment vergezellen van de gemeentelijke ambtenaren “als sterke arm”.
Het hof kan zich voorstellen dat er bij de aanpak van ondermijnende drugscriminaliteit snel sprake kan zijn van een beschermingsbehoefte voor de toezichthouder, in dit geval de gemeentelijke ambtenaren. Het dossier bevat op dit punt echter geen onderbouwing. Deze motivering was, gelet op de naar het lijkt soepel verlopen eerste controle, in deze specifieke situatie wel gewenst.
Nu niet is geverbaliseerd of anderszins is gebleken dat op het moment van binnentreden door de gemeentelijk toezichthouder de assistentie van de politie bijvoorbeeld uit het oogpunt van personele veiligheid van die toezichthouder en/of andere gemeentemedewerkers gewenst was, moet het er op basis van de inhoud van het dossier voor worden gehouden dat de politiefunctionaris op dat moment zonder gegronde reden mee naar binnen is gegaan.
Gelet op het navolgende acht het hof het echter niet opportuun om de behandeling van de zaak aan te houden voor het laten opmaken van een aanvullend proces-verbaal op dit punt.
De constatering dat de politiefunctionaris zonder gegronde reden mee naar binnen is gegaan is van belang, nu de politie eigen wettelijke bevoegdheden heeft die strafrechtelijk zijn genormeerd en waarmee dus prudent moet worden omgegaan. In zoverre is er sprake van een vormfout. Uit het arrest van de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2020:1889, rechtsoverweging 2.4.4.) kan worden afgeleid dat een rechtsgevolg aan een verzuim als dit op zijn plaats kan zijn indien het vormverzuim of de onrechtmatige handeling van bepalende invloed is geweest op het verloop van het opsporingsonderzoek naar en/of de (verdere) vervolging van de verdachte ter zake van het tenlastegelegde feit.
Het hof oordeelt dat het door de binnentredende politiefunctionaris begane verzuim in deze zaak geen invloed heeft gehad op het verloop van het opsporingsonderzoek of de vervolging van verdachte. De gemeentelijke toezichthouders zijn de bedrijfsruimte rechtmatig binnen gegaan en zouden zonder de aanwezigheid van de politie anders – afgaande op de aangetroffen soort artikelen en de hoeveelheid daarvan in de bedrijfsruimte van [A] – zelf een constatering hebben gedaan die leidde tot het vermoeden van een strafbaar feit. Zij waren immers alert in het waarnemen tijdens de controle en zouden de 1 aanwezigheid van de goederen die te linken waren aan de professionele teelt van hennep hebben opgemerkt. Als de politiefunctionaris niet mee naar binnen was gegaan maar buiten was blijven wachten, was deze slechts enkele momenten later op de hoogte geraakt van de bevindingen van de toezichthouders. Het resultaat was in die situatie hetzelfde geweest. Ook de ernst van het verzuim acht het hof gering. De toezichthouder betrad rechtmatig een niet-afgesloten bedrijfsruimte. De politiefunctionaris die de toezichthouder vergezelde, is verder niet actief opgetreden en heeft op het moment van en direct na zijn binnentreden geen opsporings- of onderzoekshandelingen verricht.
Het hof ziet gelet op het voorgaande geen aanleiding om enig gevolg aan het verzuim te verbinden. Volstaan kan worden met de enkele constatering van het verzuim. Om die reden dient het vonnis van de politierechter te worden vernietigd, nu deze ten onrechte tot bewijsuitsluiting is overgegaan.”
3.5
Het in voetnoot 1 van het arrest van het hof genoemde Aanvullend proces-verbaal van bevindingen [2] houdt voor zover van belang het volgende in:
“Wij, verbalisanten, [verbalisant 1] en [verbalisant 2] verklaren het volgende:
Op woensdag 14 november 2018 waren wij, verbalisten [verbalisant 2] en [verbalisant 1] , mee als ‘sterke arm’ voor het interventie team van de gemeente [plaats] . Die dag vond er een bestuurlijke controle / onderzoek plaats op zeker twee plaatsen op bedrijventerrein [B] in [plaats] . Het gemeentelijk interventieteam voerde samen met de belastingdienst een integraal onderzoek uit naar bedrijven die mogelijk een faciliterende rol vervulden met betrekking tot het opzetten en onderhouden van hennepkwekerijen. Wij waren enkel aanwezig ter ondersteuning en veiligheid. Bij voornoemde controle waren drie medewerkers van de belastingdienst, een veiligheidsadviseur van de politie en drie medewerkers van het interventieteam van de gemeente [plaats] betrokken.
De controles vonden plaats bij het bedrijf […] [A] aan [a-straat 1] te [plaats] .
[…]
Bij de controle van het pand van voornoemde [A] werd de administratie door medewerkers van de Belastingdienst bekeken.
De medewerkers van het interventieteam van de gemeente controleerden de bedrijfsvoering, de aanwezige personen en de aanwezige middelen / artikelen in het pand. Het pand is niet doorzocht, van een doorzoeking was geen sprake.
In het pand zagen wij een verkoopbalie en een grote loods. In deze loods zagen wij een groot aantal kweekartikelen die wij herkenden als artikelen die bij de (illegale) hennepteelt gebruikt worden. Wij zagen onder meer een grote hoeveelheid kweekaarde, groeimiddelen, pompen, ventilatoren, slangen en koppelstukken.
Of er vanuit de politie mededelingen gedaan zijn ten aanzien van de hennep gerelateerde goederen richting de aanwezige personen kunnen wij ons niet meer herinneren.
De medewerkers van het interventieteam van de gemeente [plaats] hebben van beide voornoemde controles een rapport opgemaakt.
Omdat er in het bedrijfspand van [A] een grote hoeveelheid kweekmaterialen aanwezig was, heb ik, [verbalisant 1] , binnen het basisteam waar bedrijventerrein [B] onder valt, een verzoek uitgezet onder collega’s om kentekens te noteren van voertuigen die hij het bedrijfspand te zien waren.
In verband met drukte is er maar op een (1) dag opvolging gegeven aan dit verzoek, namelijk 9 november 2018. Hierbij werden negen kentekens genoteerd die voor het bedrijfspand of in de directe nabijheid werden gezien. Uit de politiesystemen kwam uit onderzoek geen informatie naar voren dat een (1) van deze kentekens iets met illegale hennepteelt te maken had.”
3.6
De door de raadsman genoemde pagina 41, die onderdeel uitmaakt van het proces-verbaal van bevindingen opgemaakt door [verbalisant 3] [3] , houdt voor zover van belang het volgende in:
“14 november 2018. […]
Tijdens bestuursrechtelijke controle van de gemeente is getracht aan te tonen dat [A] B.V. een growshop is waar bewust materialen worden verkocht ten behoeve van de illegale hennepteelt. In het pand stonden diverse goederen ten behoeve van de illegale hennepteelt.”
3.7
Het hof heeft in de bewijsoverweging onder meer vastgesteld dat er “op en na 14 november 2018 geen sprake was van een redelijk vermoeden van schuld” en overwogen dat de tweede bestuurlijke controle (op 6 juni 2019) om die reden niet kan worden aangemerkt als strafrechtelijk optreden, dat ook op het moment dat de toezichthouder op 6 juni 2019 de bedrijfsruimte betrad er nog geen sprake was van een verdenking van een strafbaar feit en dat niet aannemelijk is geworden dat de politie op 6 juni 2019 een ander doel voor ogen had dan het op dat moment vergezellen van de gemeentelijke ambtenaren “als sterke arm”. Volgens de steller van het middel is “deze vaststelling” door het hof – over het op of na 14 november 2018 niet bestaan van een redelijk vermoeden van schuld,
PHvK– onbegrijpelijk, omdat het hof ten onrechte niet (p. 41 van) het proces-verbaal van [verbalisant 3] waarop de verdediging een beroep heeft gedaan in zijn overweging heeft betrokken.
3.8
Voor zover wordt geklaagd dat de motivering van het hof niet voldoet aan het in art. 359 lid 2 tweede Pro volzin Sv gegeven motiveringsvoorschrift voor uitdrukkelijk onderbouwde standpunten, stuit het af op de omstandigheid dat het hier een verweer betreft als bedoeld in art. 359a lid 1 Sv. [4]
3.9
Vanwege het navolgende faalt het middel ook voor het overige.
3.1
Het hof heeft in afwijking van het standpunt van de verdediging [5] overwogen waarom het op basis van het dossier van oordeel is dat niet vaststaat dat op 14 november 2018, tijdens of na de controle, reeds sprake was van een redelijk vermoeden van schuld. Volgens het hof omvat “het proces-verbaal” (het onder 3.5 genoemde Aanvullend proces-verbaal van 11 november 2021,
PHvK) te weinig informatie over deze controle en zijn de in het proces-verbaal genoemde aangetroffen goederen niet zodanig dat op grond daarvan reeds evident sprake is van overtreding van art. 11a Opiumwet. Deze oordelen worden in cassatie niet betwist en dat geldt ook voor het oordeel van het hof dat het voorafgaand aan de eerste controle op 9 november 2018 (door de politie) noteren van kentekens van voertuigen die bij het bedrijfspand te zien waren evenmin als opsporingshandeling kan worden aangemerkt. Verder overweegt het hof dat “ook overigens” niet “uit het procesdossier” blijkt dat er door de politie handelingen zijn verricht die wijzen op het verrichten van een strafrechtelijk onderzoek op of na 14 november 2018. In dit oordeel ligt mijns inziens in voldoende mate besloten waarom het beroep van de raadsman op de onder 3.6 weergegeven dossierpagina 41 uit het door [verbalisant 3] opgemaakte proces-verbaal van bevindingen niet opgaat. De enkele omstandigheid dat uit de informatie daarin blijkt dat het doel van de bestuursrechtelijke controle op 14 november 2018 – kort gezegd – was om aan te tonen dat [A] een growshop is waar bewust materialen ten behoeve van de illegale hennepteelt worden verkocht, maakt het oordeel van het hof dat niet vaststaat dat op 14 november 2018, tijdens of na de controle, reeds sprake was van een redelijk vermoeden van schuld aan art. 11a Opiumwet niet onbegrijpelijk. De informatie maakt immers niet concreet duidelijk op grond waarvan men ertoe wilde overgaan om aan te tonen dat [A] B.V. een zodanige growshop is. Zelfs blijkt uit die informatie niet of de reden voor de controle is gevonden in feiten of omstandigheden die een verdenking kunnen gronden dan wel hooguit in weinig concrete aanwijzingen. Daarnaast kan uit de woorden dat “is getracht” om aan te tonen dat het om een growshop ging, worden afgeleid dat dit aantonen toen niet is gelukt. Het hof heeft dit kennelijk zo begrepen, en ook kunnen begrijpen, dat er ook bij of na de controle nog onvoldoende was om een redelijk vermoeden op te baseren.
3.11
Ten overvloede merk ik op dat het middel kennelijk is gebaseerd op de veronderstelling dat wanneer sprake is van een redelijk vermoeden, de toepassing van controlebevoegdheden niet langer mogelijk is. Die opvatting kan geen stand houden. Zelfs wanneer een redelijk vermoeden bestaat dat iemand zich heeft schuldig gemaakt aan een strafbaar feit, staat dit op zichzelf nog niet in de weg aan het uitoefenen van controlebevoegdheden (mits bij aanwending van die bevoegdheden tegenover een verdachte de aan deze als zodanig toekomende waarborgen in acht worden genomen). Van onrechtmatigheid kan onder meer sprake zijn als de controlebevoegdheden niet ten minste mede zijn uitgeoefend om zich te vergewissen van de naleving van de wetgeving in het kader waarvan de controlebevoegdheid is gegeven. De enkele omstandigheid dat een controlebevoegdheid is aangewend naar aanleiding van informatie die zou kunnen wijzen op betrokkenheid bij enig strafbaar feit maakt de uitoefening van die bevoegdheid niet onrechtmatig. [6] Onder omstandigheden kan dit anders zijn, bijvoorbeeld wanneer de toepassing van de bevoegdheden op een discriminatoire grond berust of indien die bevoegdheidsuitoefening in de concrete omstandigheden van het geval uitsluitend kan worden aangemerkt als opsporing in de zin van artikel 132a Sv. [7] Het middel houdt echter niet in dat en waarom van een dergelijke uitzondering sprake zou zijn, terwijl – zoals reeds mede volgt uit de uiteenzetting onder 3.10 – van zodanige omstandigheden ook niet blijkt in cassatie. Van belang daartoe is ook dat het hof heeft vastgesteld dat “niet in debat is dat de gemeenteambtenaren van de gemeente [plaats] bevoegd waren tot het controleren van [A] op 14 november 2018 en op 6 juni 2019” en dat “uit het procesdossier niet [blijkt] dat er door de politie handelingen zijn verricht die wijzen op het verrichten van een strafrechtelijk onderzoek op of na 14 november 2018.”

4.Afronding

4.1
Het middel faalt. Gezien de vrijspraak door de politierechter ligt het niet in de rede om het middel af te doen met toepassing van art. 81 lid 1 RO Pro.
4.2
Ambtshalve merk ik op dat de Hoge Raad uitspraak zal doen nadat meer dan twee jaren zijn vestreken na het instellen van het cassatieberoep op 12 april 2024. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM Pro in de cassatiefase is overschreden. Gelet op de aan de verdachte opgelegde straffen kan de Hoge Raad volstaan met de enkele vaststelling dat inbreuk is gemaakt op art. 6 lid 1 EVRM Pro. [8]
4.3
Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Aanvullend proces-verbaal van bevindingen p. 1.
2.Proces-verbaal van bevindingen PL0900-2019166-006-15, opgemaakt en afgesloten door [verbalisant 1] en [verbalisant 2] op 11 november 2021.
3.Proces-verbaal van bevindingen PLO900-2019166006-7 van 9 oktober 2019.
4.Vgl. HR 17 januari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BT2052,
5.Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 19 maart 2024 houdt niet in dat het hof heeft ingestemd met het verzoek van de raadsman om hetgeen hij in eerste aanleg naar voren heeft gebracht als herhaald en ingelast te beschouwen; vgl. bijv. HR 7 april 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH2687,
6.Vgl. HR 21 november 2006, ECLI:NL:HR:2006:AY9670,
7.Zie HR 9 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1872,
8.HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578,