Conclusie
1.Inleiding
2.Waar het in cassatie om gaat
3.Het middel
als verklaring van [slachtoffer]:
als verklaring van [slachtoffer]:
als verklaring van [getuige 1]:
Noodweer
Overweging met betrekking tot het bewijs
NJ2016/316 m.nt. Rozemond het volgende vooropgesteld (met weglating van de voetnoten):
Noodweerexces
NJ2022/178 m.nt. Machielse houdt onder meer het volgende in:
PHvK– aangevoerd dat het hof de nadruk lijkt te leggen op de vuistslag als oorzaak van de heftige emotie van de verdachte en daarmee miskent dat de angst en paniek daarvoor ontstonden toen de aangever de tafel in de richting van verdachte en diens partner “gooide (en waardoor zij hard in de maag en de ribben verder geraakt)” en de daaropvolgende klap in het gezicht die de paniek versterkte. Volgens de steller van het middel ervoer de verdachte doodsangst, nam paniek de regie van hem over en is hij kort daarop als gevolg van die emotionele toestand in elkaar gezakt en moest de ambulance voor hem worden gebeld. Verder lijkt het hof volgens de steller van het middel niet te kiezen of het in deze zaak gaat om een situatie waarin de verdachte verder is gegaan dan was geboden of van een situatie waarin de verdachte is doorgegaan met zijn reactie op het geweld terwijl geen sprake meer was van een noodweersituatie. Onder verwijzing naar jurisprudentie Hoge Raad betoogt de steller van het middel tot slot dat indien de rechter de feitelijke toedracht niet aannemelijk geworden acht, het beroep op noodweerexces verwerpt. Door te overwegen dat aannemelijk is geworden dat de verdachte emotioneel is geworden en vervolgens het beroep te verwerpen op de grond dat het niet aannemelijk is geworden dat sprake was van een zodanige gemoedsbeweging dat verdachte daarom de klap met de stoel heeft gegeven, zou sprake zijn van een onbegrijpelijke motivering.
volstrekt niettoereikend [is] om te kunnen spreken van een dusdanig hevige gemoedsbeweging” (cursivering
PHvK).