Conclusie
1.Inleiding en overzicht
De zaak
2.De feiten en het geding in feitelijke instanties
3.Het geding in cassatie
4.Rijnvarendenverdrag
5.De Rijnvarendenovereenkomst
6.Personele werkingssfeer Rijnvarendenovereenkomst; het begrip ‘Rijnvarende’
Relevante bepalingen Rijnvarendenovereenkomst
7.Beschouwing
Uitgangspunt in cassatie: samenloop van Rijnvaartactiviteiten en niet-Rijnvaartactiviteiten?
alshet onderhavige geval onder het toepassingsbereik van de Rijnvarendenovereenkomst zou vallen, art. 16 Basisverordening Pro een grondslag biedt om art. 13 Basisverordening Pro niet toe te passen. Wat volgens mij daarom in wezen de strekking van het middel is, is dat het onderhavige geval niet onder het toepassingsbereik van de Rijnvarendenovereenkomst valt. Dat vindt ook steun in de toelichting op het middel, waarin (p. 5-6) wordt betoogd dat de Rijnvarendenovereenkomst in een samenloopgeval als dit “geen juridische grondslag biedt om van artikel 13 van Pro de basisverordening af te wijken”.
enkelals Rijnvarenden onderworpen zijn aan de wetgeving van één of meer van de staten die partij zijn bij de Rijnvarendenovereenkomst. Die enge uitleg valt naar mijn mening binnen de marge van een interpretatie die op basis van de tekst mogelijk is.
buiten boordvan het Rijnschip voor
dezelfde werkgever(als waarvoor de Rijnvaartwerkzaamheden worden verricht). De twee door De Decker beschreven gevallen zijn daaronder te scharen. Een tweede gevalstype is dat de Rijnvarende de niet-Rijnvaartactiviteiten verricht
aan boordvan het Rijnschip voor
een andere werkgever. Dit is aan de orde in het onderhavige geval. Een derde gevalstype is dat de Rijnvarende de niet-Rijnvaartwerkzaamheden verricht
aan boordvan het Rijnschip voor
dezelfde werkgever. Dat zou in deze zaak aan de orde zijn geweest indien belanghebbende de niet-Rijnvaartactiviteiten had verricht voor de Luxemburgse SA1. Een vierde gevalstype is dat de Rijnvarende de niet-Rijnvaartwerkzaamheden verricht
buiten boordvan het Rijnschip voor
een andere werkgever. Dat er verschillende gevalstypen zijn te onderscheiden is niet onbelangrijk. Zo vraag ik me af of het in 6.26 vermelde beleid van de SVB dat de Rijnvarendenovereenkomst niet wordt toegepast “als de betrokkene zijn werkzaamheden als Rijnvarende afwisselt met andere werkzaamheden”, ook wordt gehanteerd door de SVB in het derde gevalstype. Als dat het wel het geval is, dan lijkt me dat wel erg op gespannen voet te staan met het eerdere, in 6.24 vermelde, beleid.
De considerans van de Rijnvarendenovereenkomst. De considerans vermeldt onder meer dat rekening is gehouden met het gezamenlijk verzoek van alle sociale partners dat de op hetzelfde schip als Rijnvarenden te werk gestelde personen onderworpen zouden moeten zijn aan dezelfde wetgeving (zie 5.3). Dit pleit naar mijn mening voor de uitleg van het Hof, omdat de uitleg van de Rechtbank kan meebrengen dat een Rijnvarende die tevens niet-Rijnvaartactiviteiten verricht, onderworpen is aan een andere wetgeving dan de andere Rijnvarenden op hetzelfde schip.
Historische tekst personele werkingssfeer. De tekstuele ruimte voor de opvatting van de Rechtbank dat een persoon die Rijnvarende is toch niet onder Rijnvarendenovereenkomst valt omdat deze ook niet-Rijnvaartactiviteiten verricht, is zoals gezien (7.27) gelegen in de passage “alle personen die
als Rijnvarenden(…) aan de wetgeving van één of meerdere opeenvolgende Ondertekenende Staten
onderworpen zijn” (onderstreping MP). De historische tekst van de bepaling inzake de personele werkingssfeer biedt daarentegen die tekstuele ruimte niet. De tekst van die bepaling in het Rijnvarendenverdrag 1950 luidt namelijk: “Dit Verdrag is van toepassing op
Historische context. De invoering van het Rijnvarendenverdrag heeft plaatsgevonden voor de invoering van de oorspronkelijke voorganger van de huidige Basisverordening, te weten Verordening 3 (zie 4.9). Destijds bestond dus nog geen communautaire coördinatieregeling waarop terug gevallen zou worden indien het Rijnvarendenverdrag niet van toepassing is. In die context ligt het niet voor de hand dat het Rijnvarendenverdrag zo uitgelegd zou worden dat het verdrag niet van toepassing is indien de Rijnvarende ook niet-Rijnvaartwerkzaamheden verricht. Die uitleg zou immers meebrengen dat een dergelijke Rijnvarende weer onderworpen zou kunnen zijn aan de socialezekerheidswetgeving van meerdere landen, met alle problemen van dien, waarvoor het Rijnvarendenverdrag juist een oplossing biedt. In het licht van de historische context ligt de uitleg van het Hof daarom meer voor de hand dan die van de Rechtbank.
Gevolgen van een opvatting.Uit HR BNB 2012/56 (zie 6.12) en HR BNB 2013/257 (zie 6.15) volgt dat de Hoge Raad bij de uitleg van een bestanddeel van het begrip Rijnvarende, dat bepalend is voor de personele werkingssfeer, in het kader van het Rijnvarendenverdrag ook in aanmerking neemt wat het gevolg van een bepaalde opvatting kan zijn en of dat gevolg spoort met wat het Rijnvarendenverdrag beoogt. Wat betreft de voorliggende kwestie kan het gevolg van de opvatting van de Rechtbank zijn dat een Rijnvarende die tevens niet-Rijnvaartactiviteiten verricht, onderworpen is aan een andere wetgeving dan de andere Rijnvarenden op hetzelfde schip. Dat strookt niet met wat de Rijnvarendenovereenkomst beoogt (zie ook hiervoor bij considerans). Ook kan het gevolg zijn dat een Rijnvarende afwisselend onder verschillende wetgevingen valt naar gelang hij wel of geen nevenwerkzaamheden verricht (zoals in deze zaak het geval zou zijn). Ook dat staat op gespannen voet met wat de Rijnvarendenovereenkomst beoogt (vgl. HR BNB 2012/56, aangehaald in 6.12).
Context: art. 16 Basisverordening Pro.De Rijnvarendenovereenkomst is een overeenkomst krachtens art. 16 Basisverordening Pro. Aan deze context valt naar mijn mening geen argument ten faveure van de uitleg van de Rechtbank te ontlenen, maar eerder ten faveure van de uitleg van het Hof. De enige voorwaarde die art. 16 Basisverordening Pro stelt (zie 4.20 voor de tekst), is dat lidstaten ‘in het belang van bepaalde personen of groepen personen’ in onderlinge overeenstemming uitzonderingen op de aanwijsregels in de Basisverordening vaststellen. [126] Hoewel niet uitgekristalliseerd is wat onder zo’n belang kan worden begrepen, wordt aangenomen dat zo’n belang gelegen kan zijn in de continuïteit in de toepasselijke socialezekerheidswetgeving. [127] Uit oogpunt van dat belang verdient de uitleg van het Hof de voorkeur, omdat die meebrengt dat wanneer een Rijnvarende nevenwerkzaamheden verricht, dat niet ertoe leidt dat de Rijnvarendenovereenkomst niet langer van toepassing is.
Ontbreken van een bepaling over samenloop.De Rijnvarendenovereenkomst kent – evenals het Rijnvarendenverdrag – geen bepaling betreffende het geval dat een Rijnvarende ook niet-Rijnvaartwerkzaamheden verricht. Anders dan de Staatssecretaris meen ik dat daaraan geen argument is te ontlenen voor de opvatting dat de Rijnvarendenovereenkomst niet van toepassing is in zo’n samenloopgeval. Hooguit valt daaraan een aanwijzing te ontlenen dat men bij de totstandkoming van de Rijnvarendenovereenkomst en eerder van het Rijnvarendenverdrag niet onder ogen heeft gezien dat een dergelijke samenloopgeval zich kan voordoen. Maar ook als men dat inderdaad niet onder ogen heeft gezien, betekent dat nog niet dat de Rijnvarendenovereenkomst niet van toepassing is in een samenloopgeval. Ik merk daarbij op dat naar mijn mening niet kan worden verondersteld dat de partijen bij de Rijnvarendenovereenkomst de toepasselijkheid van de overeenkomst in zo’n geval niet zouden hebben gewild. Dat zou te speculatief zijn. Het is geenszins denkbeeldig dat de partijen geen reden voor het maken van een uitzondering zouden hebben gezien, gelet op de betrokken belangen. Zo kan het nog steeds in het belang van de Rijnvarende (en dat van andere betrokkenen, zoals de werkgever) zijn dat op de Rijnvarende de aanwijsregels van de Rijnvarendenovereenkomst van toepassing zijn in een samenloopgeval.
Alshet HvJ bevoegd zou zijn om over die uitleg een uitspraak te doen bij prejudiciële beslissing, dan zou er naar mijn mening aanleiding zijn om prejudiciële vragen te stellen aan het HvJ. Gelet op de uiteenzetting in 7.26-7.34, meen ik namelijk dat het niet buiten redelijke twijfel is of de Rijnvarendenovereenkomst in een geval als dit van toepassing is. Ik ben evenwel van opvatting dat het HvJ niet bevoegd is, omdat een art. 16-overeenkomst (zoals de Rijnvarendenovereenkomst) geen handeling is als bedoeld in art. 267 VWEU Pro (vgl. 5.16). Dat komt ook overeen met de opvatting van de Europese Commissie en die van A-G Sir Gordon Slynn in de zaak Brusse betreffende een overeenkomst krachtens – destijds – art. 17 Verordening Pro 1408/71 (zie 5.19).