Conclusie
1.Inleiding
2.De feiten en het geding in feitelijke instanties
De feiten
3.Het geding in cassatie
4.Art. 3.92 Wet IB 2001: totstandkoming, uitgangspunten en rechtspraak
Inleiding
5.De zinsnede ‘rechtens dan wel in feite, direct of indirect’
Inleiding
die belastingplichtigedat deel van het parkeerterrein ter beschikking heeft gesteld aan het bouwbedrijf.
6.Beoordeling van het middel
Subsidiairberiep de Inspecteur zich op art. 3.92(1)(b) Wet IB 2001,
meer subsidiairop art. 3.92(3) Wet IB 2001 en
nog meer subsidiairberiep hij zich weer op art. 3.92(1)(a) Wet IB 2001, met de stelling dat aan Catering BV een exclusief gebruiksrecht van de onroerende zaak is toegekend en dat dit een feitelijke terbeschikkingstelling van de onroerende zaak inhoudt. Belanghebbende heeft bij het Hof – in meer algemene zin – gesteld dat de door hem en zijn partner opgezette structuur in de praktijk gebruikelijk is, inclusief de gekozen zeggenschapsverhoudingen via de STAK en het aanhouden van de onroerende zaak in privé met het oog op bedrijfsopvolging. Hieronder ga ik uitgebreider in op het subsidiaire en het meer subsidiaire standpunt van de Inspecteur. Het nog meer subsidiaire standpunt heb ik in wezen al inhoudelijk besproken in 6.3 tot en met 6.6 van deze conclusie. Ik ben het eens met dat standpunt, maar omdat het vervolg van deze conclusie nu juist is geschreven voor het geval de Hoge Raad daar anders over denkt, ga ik hierna niet nader daarop in.
subsidiairestandpunt [62] van de Inspecteur houdt in dat de onroerende zaak rechtens dan wel in feite, direct of indirect ter beschikking is gesteld aan een samenwerkingsverband waarvan de ab-vennootschap (Catering BV) van de belastingplichtige (belanghebbende) of een met hem verbonden persoon deel uitmaakt (3.92(1)(b) Wet IB 2001). Volgens de Inspecteur betreft dit een samenwerkingsverband tussen Catering BV en Café-Restaurant BV. De Inspecteur stelt dat er een zeer sterke verwevenheid is tussen deze vennootschappen, omdat zij één gemeenschappelijke prestatie naar buiten toe leveren en er ook intern als gezamenlijke partij wordt geopereerd. Voorts stelt de Inspecteur, onder verwijzing naar de parlementaire geschiedenis, [63] dat het begrip samenwerkingsverband niet beperkt wordt uitgelegd; ook als de mate van participatie in het samenwerkingsverband zeer gering is, staat dit niet in de weg aan de constatering van een terbeschikkingstelling, aldus de Inspecteur. Belanghebbende is in repliek ingegaan op dit subsidiaire standpunt van de Inspecteur en betoogt dat dit standpunt verworpen moet worden.
feitelijksamenwerkingsverband tussen Catering BV en Café-Restaurant BV.
verbandals bedoeld in lid 1(b). Nu vast staat dat een fiscaal transparant samenwerkingsverband (zoals een maatschap, vennootschap onder firma of een andere personenvennootschap) in de voorliggende zaak ontbreekt, kan geen terbeschikkingstelling op grond van art. 3.92(1)(b) Wet IB 2001 worden vastgesteld. De door de Inspecteur aangehaalde wetsgeschiedenis (6.13) kan hem niet baten. Daarin wordt benoemd dat (thans) lid 1(b) geen grens stelt aan de mate waarin de vennootschap moet participeren in het samenwerkingsverband. In lijn met bovenvermeld arrest, meen ik dat deze uitlating ziet op participaties in fiscaal transparante samenwerkingsverbanden. Zoals genoemd, ontbreekt hier zo’n samenwerkingsverband, waardoor de uitlating relevantie mist. Het subsidiaire standpunt van de Inspecteur moet daarom worden verworpen. Een nader feitenonderzoek is daarvoor niet nodig.
meer subsidiairestandpunt [68] van de Inspecteur houdt in dat de onroerende zaak aan Café-Restaurant BV op ongebruikelijke wijze ter beschikking is gesteld in de zin van art. 3.92(3) Wet IB 2001. De Inspecteur stelt ten eerste dat belanghebbende de onroerende zaak niet onder dezelfde voorwaarden aan een willekeurige derde had kunnen verhuren. Een derde zou volgens de Inspecteur niet akkoord zijn gegaan met het exclusieve cateringrecht voor Catering BV, temeer nu de vormgeving van de verhuur heeft geleid tot structurele negatieve resultaten bij Catering BV. Ten tweede stelt de Inspecteur dat de door [E] Holding B.V. afgegeven instandhoudingsverklaring aan Café-Restaurant BV (2.6) niet aan een willekeurige derde zou zijn afgegeven. Ten derde betoogt de Inspecteur dat de door Catering BV gehanteerde facturatie niet zou plaatsvinden tussen derden, omdat Catering BV hierdoor meedeelt in alle opbrengsten van Café-Restaurant BV. Ook dit meer subsidiaire standpunt van de Inspecteur is door belanghebbende in de conclusie van repliek bestreden.