Conclusie
Nummer23/00486 E
Inleiding
“overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 3, eerste lid, van de Ontgrondingenwet, opzettelijk begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd”, feit 2
“valsheid in geschrift, begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd”, feit 3
“opzettelijk gebruik maken van een vals geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst, begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd”, feit 4
“valsheid in geschrift, begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd”en feit 5
“opzettelijk gebruik maken van een vals geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst, begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd”. Het hof heeft de gronden van het vonnis aangevuld met overwegingen over de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie (OM) en over het bewijs. Het hof heeft de strafoplegging vernietigd en bepaald dat ter zake van feit 1 geen straf op maatregel wordt opgelegd en de verdachte voor de overige feiten veroordeeld tot een voorwaardelijke geldboete van € 50.000,-, met een proeftijd van drie jaren.
Ambtshalve opmerkingen over de verjaring van feit 1
zij, op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2011 tot en met 31 december 2013, in de gemeente Terschelling en/of in de gemeente Vlieland, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, opzettelijk, zonder vergunning heeft ontgrond, immers heeft zij, verdachte en/of haar mededader(s),
zij op meer tijdstippen in de periode van 15 maart 2011 tot en met 31 december 2013 in Nederland opzettelijk zonder vergunning heeft ontgrond, immers heeft zij, verdachte,
“Oplegging van straf en/of maatregel”onder meer het volgende overwogen:
Het hof heeft geconstateerd dat de onder 1 tenlastegelegde feiten zo lang geleden zijn gepleegd dat het al gedeeltelijk is verjaard - voor zover het de periode van 1 januari 2011 tot en met 14 maart 2011 betreft - en op korte termijn in zijn geheel zal verjaren in verband met de absolute verjaringstermijn als bedoeld in artikel 72, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht. Het hof voorziet dat de aankomende verjaring reeds reden voor cassatie zou kunnen zijn. Om verdere procedures te voorkomen, en omdat het karakter en de verjaringstermijn van het onder 1 ten laste gelegde delict verschillen van die van de overige tenlastegelegde feiten, zal het hof de verdachte voor het onder feit 1 tenlastegelegde geen straf of maatregel opleggen.”
Het eerste middel
De overwegingen van rechtbank en hof
De rechtbank stelt voorop dat in artikel 167, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) aan het openbaar ministerie de bevoegdheid is toegekend zelfstandig te beslissen of naar aanleiding van een ingesteld opsporingsonderzoek al dan niet strafvervolging moet plaatsvinden. Dit wordt ook wel aangeduid als het opportuniteitsbeginsel. De beslissing van het openbaar ministerie om tot vervolging over te gaan leent zich slechts in zeer beperkte mate voor een inhoudelijke rechterlijke toetsing en wel in die zin dat slechts in uitzonderlijke gevallen plaats is voor een niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging op de grond dat het instellen of voortzetten van die vervolging onverenigbaar is met beginselen van een goede procesorde.
Ter terechtzitting in hoger beroep is namens de verdachte aangevoerd dat er zowel binnen het bestuursrecht als het civiele recht voldoende middelen bestonden om corrigerend op te treden, zodat er geen plaats is voor een strafrechtelijke vervolging. Daarnaast is er volgens de verdediging gehandeld in strijd met het gelijkheidsbeginsel, omdat verdachte en haar bestuurder [betrokkene 1] zijn vervolgd en de Staat als privaatrechtelijke partij en tevens toezichthouder, niet. Ten slotte is aangevoerd dat sprake is van een schending van het vertrouwensbeginsel in combinatie met een overschrijding van de redelijke termijn, aangezien de Staat het in eerste instantie heeft nagelaten om handhavend op te treden terwijl de controlerende instanties op de hoogte waren van de winlocaties van verdachte, en de daadwerkelijke strafvervolging vervolgens veel te lang heeft geduurd. Alles samen maakt volgens de verdediging dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de ingestelde strafvordering.
De bespreking van het eerste middel
Het tweede middel
De overwegingen van de rechtbank en het hof
“4.4.2 Bewijsoverwegingen ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde
De bespreking van het tweede middel
zo een vervoerder de aan zijn vergunning verbonden voorwaarden niet nakomt, aangenomen moet worden dat hij op het ogenblik of gedurende het tijdvak dat zulks plaats vindt niet vervoert met vergunning en derhalve in overtreding is”. [5] Ik wijst daarbij ook op een arrest van 23 februari 1993, waarin sprake was van het lozen van andere stoffen dan op grond van de vergunning was toegestaan. [6]
niettot het gebied waarin het winnen van schelpen op grond van de vergunning is toegestaan. Gelet daarop heeft het hof geoordeeld dat de reikwijdte van de aan de verdachte verleende ontgrondingsvergunning in geografische zin wordt beperkt door voorschrift 1.1 en dat het winnen van schelpen in de Noordzeekustzone door deze beperking buiten de reikwijdte van de verleende vergunning valt. Dat oordeel getuigt, gelet op het voorgaande, niet van een onjuiste rechtsopvatting en is ook niet onbegrijpelijk.
Het derde en het vierde middel
Bewezenverklaring en bewijsvoering
2. zij op meer tijdstippen in de période van 1 januari 2011 tot en met 31 januari 2014 in Nederland zeven elektronische opgaven, te weten
4.4.1 De bewijsmiddelen ten aanzien van het onder 1, 2, 3, 4 en 5 tenlastegelegde
De bespreking van het derde en vierde middel
“inclusief aangrenzende buitendelta’s in de Noordzeekustzone”;
“Vergunning voor het winnen van schelpen in de Waddenzee en aangrenzende buitendelta's in de Noordzeekustzone voor de periode van 1 januari 2011 tot en met 31 december 2013”;
“(ten minste) bewust de aanmerkelijke kans (…) heeft aanvaard”– waarmee de mogelijkheid lijkt te worden opengehouden dat de verdachte vol opzet had op de bewezen verklaarde feiten – kan uit deze vaststelling van het hof en de overige bewijsoverwegingen worden opgemaakt dat het hof niet heeft geoordeeld dat (het niet anders kan dan dat) de verdachte
wistdat de gewonnen schelpen niet in de Noordzee waren gewonnen, maar dat hij ‘slechts’ de aanmerkelijke kans daarop bewust heeft aanvaard.
bewustheeft
aanvaard. Deze bewuste aanvaarding heeft het hof gebaseerd op de redenering dat de verdachte, op grond van diverse omstandigheden, oplettend had moeten zijn en nauwkeurig had moeten controleren in welk gebied zij schelpen mocht winnen. Door dit onvoldoende te controleren is zij ernstig tekortgeschoten in haar onderzoekplicht. Deze omstandigheden waren: