Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:PHR:2026:487

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
12 mei 2026
Publicatiedatum
11 mei 2026
Zaaknummer
24/03894
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 552ab SvArt. 552a SvArt. 552f lid 2 SvArt. 94 SvArt. 116 lid 2 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verwerpt beklag tegen transactievoorwaarde afstand auto en geldbedrag

De zaak betreft een cassatieberoep tegen de beslissing van de rechtbank Rotterdam die het beklag van klagers ongegrond verklaarde over de voorwaarde in een straftransactie waarbij afstand werd gedaan van een in beslag genomen personenauto en een geldbedrag. De auto en het geld waren in beslag genomen onder een derde, verdachte [betrokkene 1], die een transactie had geaccepteerd en voldaan.

De klagers stelden dat zij als rechthebbenden op de auto en het geld moesten worden beschouwd en vorderden teruggave. De rechtbank oordeelde echter dat onvoldoende aannemelijk was dat klager [klager 1] eigenaar was van de auto, mede omdat de auto op naam stond van zijn broer en geen bewijs van betaling of tenaamstelling was geleverd. Ook was niet vastgesteld dat [klaagster 2] GmbH rechthebbende was van het geldbedrag, omdat geen bewijs was dat het geld aan de verdachte was overhandigd en de herkomst niet was onderbouwd.

De Hoge Raad concludeert dat de rechtbank het juiste criterium heeft toegepast, namelijk of de klagers redelijkerwijs als rechthebbenden kunnen worden aangemerkt, en dat het oordeel van de rechtbank niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd is. De middelen van klagers falen en het beroep wordt verworpen.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het beklag tegen de transactievoorwaarde afstand auto en geldbedrag wordt ongegrond verklaard.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer24/03894 B
Zitting12 mei 2026
CONCLUSIE
M.E. van Wees
In de zaak
[klager 1] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1987,
en
[klaagster 2] GmbH,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
hierna: de klagers.

1.Inleiding

1.1
De rechtbank Rotterdam heeft bij beschikking van 8 mei 2024 (raadkamernr. RK 24/006528) het op grond van art. 552ab Sv ingediende klaagschrift van de klagers, strekkende tot teruggave van een in beslag genomen personenauto van het merk Skoda Kodiaq met het Duitse kenteken [kenteken] en een in beslag genomen geldbedrag ter hoogte van € 249.740,-, ongegrond verklaard.
1.2
Er bestaat samenhang met de zaak 24/03898. In deze zaak zal ik vandaag ook concluderen.
1.3
Het cassatieberoep is ingesteld namens de klagers. I.A. van Straalen, advocaat in 's‑Gravenhage, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld.

2.Het procesverloop en waar het in deze zaak om gaat

2.1
Het betreft hier een tweede cassatieronde. In de eerste ronde [1] vernietigde de Hoge Raad de beschikking van de rechtbank Rotterdam, omdat de rechtbank het klaagschrift dat strekt tot teruggave van de auto en het geldbedrag aan de klagers ten onrechte niet-ontvankelijk had verklaard omdat het klaagschrift te laat was ingediend, omdat de rechtbank dit klaagschrift ten onrechte had opgevat als een klaagschrift als bedoeld in artikel 552a Sv in plaats van artikel 552ab Sv. Dit terwijl de rechtbank in haar beschikking ervan was uitgegaan dat de auto en het geldbedrag “onderdeel zijn van een op de voet van artikel 74 Sr Pro tussen [betrokkene 1] en de officier van justitie afgesloten transactie om strafvervolging te komen”. De Hoge Raad overwoog dat artikel 552ab Sv ook in die gevallen van toepassing is en dat de rechtbank het klaagschrift ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard op de aan artikel 552a Sv ontleende grond. De rest van het middel werd wegens het slagen van deze klacht door de Hoge Raad niet verder besproken. In deze cassatieronde wordt namens beide klagers met elk één middel opgekomen tegen een ander punt, namelijk de ongegrondverklaring van het beklag. Deze middelen zal ik in samenhang bespreken.
2.2
Voordat ik aan de bespreking van deze middelen toekom, verwijs ik voor een goed begrip van de zaak naar wat voormalig AG Spronken in haar conclusie voorafgaand aan het arrest van de Hoge Raad in de eerste cassatieronde heeft uiteengezet over het procesverloop. In haar conclusie stelt zij op basis van de processtukken voorop dat [betrokkene 1] op 18 augustus 2021 is staande gehouden bij Dordrecht. In de auto waarin hij op dat moment reed, is een verborgen ruimte aangetroffen met daarin een doos gevuld met ongeveer € 250.000. Zowel het geldbedrag als de auto zijn op de voet van art. 94 Sv Pro onder [betrokkene 1] in beslag genomen wegens verdenking van witwassen. De beslagene heeft verklaard dat de auto van zijn ‘oom’ [klager 1] (een van de klagers in deze zaak) is. Op 23 augustus 2021 heeft [betrokkene 1] afstandsverklaringen ex art. 116 lid 2 Sv Pro getekend die zien op het in beslag genomen voertuig en het aangetroffen geld. Op 20 december van datzelfde jaar heeft [betrokkene 1] een op 3 december 2021 gedateerd transactievoorstel ex art. 74 Sr Pro getekend inhoudende dat hij akkoord gaat met de voorwaarde dat hij afstand doet van de voornoemde auto, het geldbedrag en van de mogelijkheid tot het verzoeken van schadevergoeding. Deze transactie bevat ook de voorwaarde dat hij een geldsom van € 15.000 ten behoeve van de Staat zal betalen. Als vervaldatum vermeldt de transactie 20 december 2021. De transactie is vervolgens op 10 januari 2022 door [betrokkene 1] voldaan. [2]
2.3
Het cassatieberoep in de samenhangende zaak heeft betrekking op de beslissing van de rechtbank van 8 mei 2024 op de vordering van de officier van justitie als bedoeld in artikel 552f lid 2 Sv tot onttrekking aan het verkeer van de in beslag genomen auto, waarin [klager 1] als belanghebbende is betrokken. Het onderhavige cassatieberoep ziet, zoals gezegd, op de beslissing van de rechtbank op het op grond van artikel 552ab Sv ingediende klaagschrift tegen de in de transactie opgenomen voorwaarde afstand te doen van de auto (Skoda) en het geldbedrag.
2.4
Over de verhouding tussen de beide procedures zou ik nog het volgende willen opmerken. Door het aangaan van de transactie heeft [betrokkene 1] verklaard dat de auto en het geld hem toebehoren. [3] Met de afstandsverklaring gaat het eigendom van deze voorwerpen in beginsel over op de Staat. Vervolgens kan het openbaar ministerie met beide handelen alsof zij zijn verbeurdverklaard of onttrokken aan het verkeer. [4] Met het klaagschrift in deze zaak hebben de beide klagers zich gekeerd tegen deze transactievoorwaarde. Als deze klachten slagen, dan verklaart de rechtbank deze voorwaarde vervallen (art. 552ab lid 4 Sv). Van een overgang van de eigendom is dan geen sprake meer. De situatie waarin de officier van justitie overeenkomstig art. 116 Sv Pro over het beslag kan beslissen herleeft dan. Evenals het recht om degene die de transactie is aangegaan, in dit geval [betrokkene 1], te vervolgen, aangezien niet meer aan de transactievoorwaarden is voldaan. De rechtbank in deze procedure kan niet zelf beslissen de voorwerpen terug te geven aan de beslagene of de kla(a)g(st)er. [5]
2.5
Met de afzonderlijke vordering van art. 36b lid 1 onder 4º Sr en art. 552f lid 2 Sv heeft het openbaar ministerie de rechter verzocht te beslissen de auto te onttrekken aan het verkeer. [6] De vraag die daarbij opkomt, is waarom deze vordering nodig is naast de afstandsverklaring van [betrokkene 1], die immers in beginsel tot gevolg heeft dat de officier van justitie al met de auto kan handelen alsof die is onttrokken aan het verkeer. Het antwoord volgt uit de door de officier van justitie ingediende vordering. Daarin staat dat het openbaar ministerie (inmiddels) het standpunt heeft dat de auto geen eigendom is van [betrokkene 1] maar van [betrokkene 2] , de broer van klager [klager 1] . Dit (gewijzigde) standpunt heeft echter niet zonder meer consequenties voor de beoordeling van het klaagschrift in de onderhavige zaak. Art. 552ab lid 1 Sv luidt immers:
“De belanghebbenden, anderen dan de verdachte, gewezen verdachte of veroordeelde, kunnen zich schriftelijk beklagen over het uitvaardigen van een strafbeschikking houdende aanwijzingen als bedoeld in artikel 257a, derde lid, onder a, b of c en over een schikking als bedoeld in artikel 511c op de grond dat deze betrekking hebben op hun toekomende voorwerpen en de officier van justitie die de aanwijzingen heeft gegeven, onderscheidenlijk de schikking is aangegaan, niet bereid is gebleken die voorwerpen terug te geven of de waarde die zij bij verkoop redelijkerwijs hadden moeten opbrengen te vergoeden.”
Hieruit volgt dat een betrokkene enkel kan klagen dat het betreffende voorwerp
hemzelftoekomt. [7]
2.6
De rechtbank heeft in haar beschikking van 8 mei 2024 het beklag ongegrond verklaard en daartoe het volgende overwogen:

Procedure
Op 2 augustus 2022 is op grond van artikel 552a Sv een klaagschrift ingediend. Bij beschikking van 30 november 2020 van deze rechtbank zijn de klagers niet-ontvankelijk verklaard. De klagers hebben tegen deze beschikking beroep in cassatie ingesteld. Op 27 februari 2024 heeft de Hoge Raad de beschikking van de rechtbank van 30 november 2020 vernietigd en terugverwezen naar de rechtbank Rotterdam om de zaak opnieuw te behandelen en af te doen.
Het beklag is op 8 mei 2024 de raadkamer in het openbaar behandeld. De [officier van justitie] en de raadsman zijn gehoord.
De klager [klager 1] is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.
Feiten
Op 18 augustus 2021 is onder een ander dan klagers, te weten onder [betrokkene 1], beslag gelegd op een personenauto van het merk Skoda met kenteken [kenteken] en een geldbedrag van € 249.740,=.
Het beslag is gelegd op grond van artikel 94 Sv Pro. Dit beslag is gelegd in het kader van de onder opgemeld parketnummer ingeschreven strafzaak tegen de beslagene. [betrokkene 1] werd verdacht van witwassen door middel van het vervoeren van dat geldbedrag van € 249.740,= in een verborgen ruimte in die Skoda.
De beslagene heeft bij zijn verhoor op 23 augustus 2021 afstand gedaan van de inbeslaggenomen Skoda en het daarin aangetroffen geld en heeft op 20 december 2021 een transactie ter zake van het witwassen van het in de Skoda verborgen geld geaccepteerd. Van die transactie maakte eveneens de afstand van de auto en het geld deel uit. Deze transactie heeft hij op 10 januari 2022 voldaan.
Standpunt klagers
Het klaagschrift, zoals in raadkamer nader toegelicht, strekt tot teruggave van de in beslag genomen personenauto en het geldbedrag aan de klagers.
Klagers zijn pas recentelijk op de hoogte gesteld van de vervolging en de beëindiging van de vervolging van de bestuurder van de auto, [betrokkene 1]. Inmiddels hebben klagers begrepen dat hij een transactie heeft geaccepteerd, afstand heeft gedaan van de inbeslaggenomen goederen en er dus niet tot teruggave aan [betrokkene 1] van die auto en dat geld zal worden overgegaan. Klagers hebben op deze teruggave aan [betrokkene 1] gewacht en daarom niet eerder zelfstandig actie ondernomen.
Inhoudelijk is aangevoerd dat klager [klager 1] de eigenaar is van de auto (en niet zijn broer [betrokkene 2] ). Klager had de auto van zijn broer gekocht, zij het dat de auto alleen nog niet op zijn naam stond. De verborgen ruimte die in de auto is aangetroffen werd puur voor de door klagers gedreven handel in sieraden gebruikt. Dat is ook gebruikelijk in de edelmetaalhandel.
Het geldbedrag is eigendom van [klaagster 2] GmbH en heeft een legale herkomst. Gelet op het voorgaande verzoeken de klagers om teruggave van de personenauto aan [klager 1] en het geldbedrag aan [klaagster 2] GmbH.
Standpunt officier van justitie
De officier van justitie heeft primair gesteld dat uit artikel 552a lid 2 van het Wetboek van Strafvordering volgt dat een klaagschrift of verzoek zo spoedig mogelijk na de inbeslagneming dient te worden ingediend. Dat hebben klagers niet gedaan en daarom moeten zij daarin niet ontvankelijk worden verklaard. Zij hebben immers van meet af aan geweten dat de betreffende auto in beslag was genomen, evenals de som geld die in die auto in de verborgen ruimte werd vervoerd.
De officier van justitie heeft subsidiair geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beklag. Daartoe is aangevoerd dat niet buiten redelijke twijfel vast is komen te staan dat klager [klager 1] de eigenaar van de auto is. Indien wel zou moeten worden aangenomen dat hij de rechthebbende is, zorgt de aanwezigheid van de verborgen ruimte er al voor dat de auto onttrokken moet worden aan het verkeer en kan hij ook om die reden niet aan de klager worden teruggegeven.
Ten aanzien van het inbeslaggenomen geldbedrag kan niet worden vastgesteld dat [klaagster 2] GmbH rechthebbende van dat geldbedrag is en bovendien is niet gebleken dat het geld een legale herkomst heeft.
Beoordeling klacht
De ontvankelijkheid van de klachten
Ten aanzien van de ontvankelijkheid van de klachten stelt de rechtbank vast dat de aan de verdachte [betrokkene 1] aangeboden transactie door de betaling op 10 januari 2022 is voldaan en dat daarmee de strafzaak in het kader waarvan de auto en het contante geld inbeslaggenomen zijn tot een einde is gekomen.
Van die transactie noch het tijdstip waarop deze zou zijn voldaan zijn de klagers echter op de hoogte gesteld. Daarom kan niet uitgesloten worden dat de klagers, hoewel zij wel van de inbeslagneming op zich zullen hebben geweten, pas recent op de hoogte zijn gekomen van het einde van de strafzaak en het feit dat de inbeslaggenomen goederen niet meer (aan de beslagene [betrokkene 1]) zouden worden teruggegeven.
De rechtbank acht de klagers dan ook ontvankelijk in het beklag.
De goederen
In geval van een beklag tegen een op grond van artikel 94 Sv Pro gelegd beslag, dient de rechter eerst te beoordelen of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert. De rechtbank stelt vast dat [betrokkene 1] als onderdeel van de transactie afstand heeft gedaan van de onder hem inbeslaggenomen goederen en de strafzaak is afgerond. In zoverre ligt daarin niet langer een strafvorderlijk belang.
De klagers hebben gesteld dat zij redelijkerwijs als rechthebbenden op de inbeslaggenomen goederen moeten worden beschouwd. [klager 1] stelt de eigenaar van de auto te zijn en [klaagster 2] GmbH van het inbeslaggenomen geld.
De inbeslaggenomen Skoda met kenteken [kenteken]
Ten aanzien van de inbeslaggenomen personenauto overweegt de rechtbank het volgende. Namens [klager 1] is aangevoerd is dat hij als rechthebbende op de auto moet worden beschouwd, omdat hij deze auto voor een bedrag van € 26.000,-- van zijn broer [betrokkene 2] zou hebben gekocht. Daartoe heeft hij een onderhandse akte overgelegd, gedateerd 26 juni 2021.
De rechtbank stelt vast dat ten tijde van de inbeslagname op 18 augustus 2021 de Skoda in gebruik was bij [betrokkene 1] en dat de auto op naam stond van [betrokkene 2] , wonende te [betrokkene 1], [a-straat 1] in de Bondsrepubliek Duitsland. De auto was ten tijde van de inbeslagname ook voorzien van een Duits kenteken. Hieruit kan dan ook niet worden afgeleid dat [klager 1] redelijkerwijs als eigenaar van de betreffende auto moet worden aangemerkt. Ook in de akte waarin de voortzetting van de vennootschap door verzoeker [klager 1] is neergelegd, wordt van de betrokkenheid c.q. overdracht van een auto aan verzoeker geen melding gemaakt, terwijl evenmin aannemelijk is gemaakt dat die auto op enig moment op naam van het bedrijf zou hebben gestaan.
Dat verzoeker redelijkerwijs als rechthebbende op de auto moet worden aangemerkt kan ook niet worden afgeleid uit de overgelegde koopovereenkomst. Zo is niet onderbouwd dat aan die overeenkomst ooit uitvoering is gegeven. Zo is van enig bewijs van betaling van de koopsom van die auto aan [betrokkene 2] niet gebleken, noch is gebleken dat er in Duitsland een overdracht op naam van de nieuwe eigenaar bij het kentekenkantoor is aangevraagd, hetgeen al direct had moeten plaatsvinden. Uit het dossier blijkt zelfs dat er tot op heden ook nog geen wijziging tenaamstelling heeft plaatsgevonden, noch dat de klager de auto - overeenkomstig de Belgische regels - in België heeft ingevoerd zodat hij de auto daar op zijn naam zou kunnen inschrijven. Nu klager ook niet de feitelijk gebruiker is geweest van die auto acht de rechtbank dan ook onvoldoende aannemelijk geworden dat klager redelijkerwijs als eigenaar van de inbeslaggenomen Skoda kan worden aangemerkt.
Het klaagschrift zal ook op dit punt ongegrond worden verklaard.
Het geld
Onder [betrokkene 1] is een groot contant geldbedrag in beslag genomen. Nu dit contante geld in een verborgen ruimte is aangetroffen in een door [betrokkene 1] bestuurde auto volgt daaruit niet zonder meer dat dit geld in eigendom toebehoort aan verzoekster [klaagster 2] GmBH. Voor zover verzoekster stelt dat zij dit aan [betrokkene 1] zou hebben meegegeven in het kader van de door verzoekster gedreven goudhandel zodat hij daarmee in Amsterdam goud kon gaan aankopen is dat onvoldoende onderbouwd.
Vooropgesteld wordt dat zich in het dossier geen stukken bevinden waaruit afgeleid kan worden dat het inbeslaggenomen contante geldbedrag door verzoekster feitelijk aan [betrokkene 1] is overhandigd. [betrokkene 1] reed verder op de A16 in de richting van België en verklaarde dat hij onderweg was naar een oom in [plaats], België. Van enige (mislukte) gouddeal in Amsterdam op verzoek van verzoekster, waarover verzoekster spreekt, is door hem geen melding gemaakt.
Het feit dat hij vervolgens zelf een transactie ter zake van witwassen van dat geld accepteert wijst evenmin op een situatie waaruit de legitieme overdracht van dat geld door verzoekster aan [betrokkene 1] kan worden afgeleid.
Voor zover het inbeslaggenomen geld al vereenzelvigd had kunnen worden met contant geld van verzoekster volgt dat evenmin zonder meer uit de door verzoekster overgelegde stukken.
Na een periode waarin de vennootschap ontbonden is geweest, heeft [klager 1] op 6 mei 2021 het bedrijf voortgezet. Hij heeft hiervoor een bedrag van € 30.000,= aan zijn broer voldaan. Het kassaldo bedroeg toen slechts € 25.931,99.
Op 5 juni 2021 zou verzoekster blijkens een daartoe strekkende leningsovereenkomst van [betrokkene 3], wonende te [b-straat 1] te [plaats], België een bedrag van € 150.000,= hebben geleend. Echter, op welke wijze deze overeenkomst feitelijk is uitgevoerd is onduidelijk gebleven. Zo blijkt niet op welke wijze die [betrokkene 3] een dergelijk bedrag aan de vennootschap ter beschikking zou hebben gesteld, waarbij wordt aangetekend dat in het huidige zakelijke betalingsverkeer geenszins gebruikelijk is om een dergelijke grote lening in contanten te verstrekken.
Op 21 juni 2021 zou blijkens een leningsovereenkomst van 21 juni 2021 ook [klager 1] zelf een bedrag van € 100.000,= aan verzoekster hebben uitgeleend. Ook van die overeenkomst is geen onderbouwing van de feitelijke uitvoering gegeven. Evenmin is duidelijk of het contanten zou hebben betroffen en, zo ja, waar die contanten dan vandaan gekomen zouden zijn.
Het enkele feit dat de fiscalist van de vennootschap die leningen vervolgen heeft ingeboekt, hetgeen al geschiedt op basis van de mededeling van de opdrachtgever, biedt bij gebreke van voldoende onderliggende stukken onvoldoende onderbouwing voor de contante overdracht van de gelden aan de vennootschap en vervolgens de overdracht daarvan aan [betrokkene 1]. De rechtbank is van oordeel dat daarbij niet buiten redelijk twijfel kan worden vastgesteld dat klager [klaagster 2] GmbH rechthebbende is van het geldbedrag dat onder [betrokkene 1] in beslag is genomen. Om die reden zal de rechtbank het klaagschrift ongegrond verklaren.
Beslissing
De rechtbank:
Verklaart het beklag ongegrond.”

3.Het eerste en het tweede middel

3.1
Met het eerste middel wordt namens klaagster [klaagster 2] GmbH opgekomen “tegen de ongegrondverklaring van het beklag wegens niet-teruggave van het geldbedrag van 249.740 euro.” Het tweede middel richt namens klager [klager 1] eveneens zijn pijlen tegen de ongegrondverklaring van het beklag, maar dan “wegens niet teruggave van de Skoda Kodiaq met kenteken [kenteken].” In de kern komen de middelen namens beide klagers op tegen het oordeel van de rechtbank dat de specifieke klager niet redelijkerwijs als rechthebbende op het in beslag genomen voorwerp kan worden aangemerkt. Volgens de steller van het middel zijn de overwegingen van de rechtbank voor wat betreft klaagster [klaagster 2] GmbH “deels feitelijk onjuist en ook overigens niet zonder meer begrijpelijk”, tegen de achtergrond van hetgeen in raadkamer naar voren is gebracht onvoldoende gemotiveerd en heeft de rechtbank bij de ongegrondverklaring van het beklag toepassing gegeven aan “een onjuist dan wel te streng uitgelegd criterium”. In de tweede plaats wordt namens klager [klager 1] aangevoerd dat voornoemd oordeel blijk geeft “van een onjuiste rechtsopvatting omtrent het begrip eigendom, dan wel in elk geval dat het beklag ten onrechte ongegrond is verklaard, en/of op gronden die deze beslissing niet kunnen dragen en/of op gronden die niet zonder meer begrijpelijk zijn.”
3.2
Voor de beoordeling van de middelen stel ik het volgende voorop. De auto en het geldbedrag zijn op grond van artikel 94 Sv Pro onder een derde, [betrokkene 1], in beslag genomen. In HR 29 maart 2022, ECLI:NL:HR:2022:457, heeft de Hoge Raad onder verwijzing naar rechtsoverweging 2.11 over artikel 552a Sv van HR 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2823, overwogen dat een rechter in een dergelijk geval bij de beoordeling van een klaagschrift als bedoeld in artikel 552ab Sv van een belanghebbende die stelt dat het inbeslaggenomen voorwerp hem of haar toekomt, moet beoordelen of die belanghebbende redelijkerwijs als rechthebbende ten aanzien van dat voorwerp kan worden aangemerkt.
Bespreking van het eerste middel voorgesteld namens klaagster [klaagster 2] GmbH
3.3
Ik begin met de bespreking van het middel voor zover namens [klaagster 2] GmbH wordt geklaagd dat de rechtbank “het klaagschrift met toepassing van een onjuist criterium heeft beoordeeld en ongegrond bevonden”. De steller van het middel voert daartoe aan dat de rechtbank “door te overwegen dat ‘niet zonder meer uit de door verzoekster overgelegde stukken volgt dat het inbeslaggenomen geld
“vereenzelvigd kan worden”met contant geld van verzoekster’”, een veel strengere maatstaf heeft aangelegd dan de volgens de steller van het middel vereiste maatstaf dat “buiten redelijke twijfel kan worden vastgesteld dat [klaagster 2] GmbH de eigenaar c.q. rechthebbende is op het geld”. De steller van het middel merkt daarbij op dat de rechtbank ook “dát criterium benoemt (MvW: kort gezegd het criterium ‘buiten redelijke twijfel’)”, maar dat uit de daaropvolgende overwegingen blijkt dat “de rechtbank dat (…) criterium heeft uitgelegd in het licht van de beoordeling of het inbeslaggenomen geld “vereenzelvigd” kan worden met contant geld van verzoekster”.
3.4
De steller van het middel heeft een punt dat de rechtbank niet consequent dezelfde bewoordingen gebruikt voor de door haar aan te leggen toets. De rechtbank stelt voorop dat zij dient na te gaan of de klagers redelijkerwijs als rechthebbende kunnen worden beschouwd, maar eindigt met de conclusie dat niet “buiten redelijke twijfel kan worden vastgesteld” dat de klagers de rechthebbenden zijn.
3.5
Anders dan de steller van het middel, lees ik echter geen (derde) aan te leggen criterium in de zin: “Voor zover het inbeslaggenomen geld al vereenzelvigd had kunnen worden met contant geld van verzoekster volgt dat evenmin zonder meer uit de door verzoekster overgelegde stukken”. De rechtbank gaat ter beantwoording van de vraag of het geld toekomst aan klaagster [klaagster 2] GmbH na of aannemelijk is dat het geld door deze klaagster aan [betrokkene 1] is overhandigd. Daartoe heeft de rechtbank twee deelvragen gesteld. Ten eerste of er aanwijzingen zijn voor een overhandiging van het geld voor de aankoop van goed in Amsterdam en ten tweede of er aanwijzingen zijn dat [klaagster 2] GmbH over een dergelijk bedrag kon beschikken. Met de zin over de vereenzelviging is kennelijk bedoeld om beide deelvragen van elkaar te onderscheiden en duidelijk te maken dat een negatief antwoord op de tweede deelvraag de verwerping van de klacht zelfstandig kan dragen.
3.6
Wat het gebruik van de woorden “buiten redelijke twijfel” betreft, geldt dat dit wordt gezien als een andere maatstaf dan de toets of de kla(a)g(st)er redelijkerwijs als rechthebbende is aan te merken. [8] Uit het geheel van de beslissing maak ik echter op dat de rechtbank niet heeft beoogd een dergelijke andere maatstaf aan te leggen. De rechtbank stelt immers in de beslissing het juiste criterium voorop. Hetgeen zij ter onderbouwing van haar beslissing overweegt, past bovendien bij deze maatstaf. De stellers van het middel hebben over het verschil tussen beide maatstaven ook geen klacht geformuleerd.
3.7
De overige cassatieklachten in het eerste middel komen in de kern neer op een herhaling van het bij de rechtbank gevoerde betoog in de vorm van een begrijpelijkheidsklacht.
3.8
De rechtbank heeft aan haar beslissing dat [klaagster 2] niet redelijkerwijs als rechthebbende ten aanzien van het geld kan worden aangemerkt ten grondslag gelegd dat het niet aannemelijk acht dat [klaagster 2] GmbH dit bedrag aan [betrokkene 1] heeft overhandigd voor de aankoop van goud in Amsterdam en dat bovendien niet blijkt dat [klaagster 2] GmbH überhaupt beschikking had over/in het bezit was van een dergelijk geldbedrag. Aan dit oordeel heeft de rechtbank ten grondslag gelegd dat (i) zich geen stukken in het dossier bevinden waaruit kan worden afgeleid dat dit bedrag feitelijk aan [betrokkene 1] is overhandigd, (ii) dat [betrokkene 1] niet sprak over een gouddeal, maar van een bezoek aan zijn oom in [plaats], hetgeen werd ondersteund door zijn rijroute en (iii) dat [betrokkene 1] een transactie voor witwassen heeft geaccepteerd. Verder heeft de rechtbank (iv) geen waarde gehecht aan de overgelegde geldleningsovereenkomsten omdat geen onderbouwing is gegeven van de wijze waarop feitelijk uitvoering is gegeven aan deze overeenkomsten. Ten slotte (v) hecht de rechtbank geen waarde aan de overgelegde administratie omdat deze al kan worden gedaan op basis van een enkele mededeling.
3.9
Dat oordeel acht ik niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. Voor het overige leent het zich niet voor verdere toetsing in cassatie, verweven als het is met waarderingen van feitelijke aard.
Bespreking van het tweede middel voorgesteld namens klager [klager 1]
3.1
In de onderhavige zaak heeft de rechtbank geoordeeld dat niet aannemelijk is geworden dat klager redelijkerwijs als rechthebbende van de auto kan worden aangemerkt. In de kern genomen acht de rechtbank daartoe de enkele stelling van de klager dat hij “deze auto voor een bedrag van € 26.000,-- van zijn broer [betrokkene 2] zou hebben gekocht” onvoldoende. Dat oordeel getuigt in het licht van het voorafgaande niet van een onjuiste rechtsopvatting en is evenmin onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. [9]
3.11
Daartoe acht ik van belang dat de rechtbank heeft vastgesteld dat: (i) de auto ten tijde van de inbeslagname in gebruik was bij een derde, [betrokkene 1], en klager op dat moment dus niet de feitelijk gebruiker van de auto was (ii), de auto op naam stond van [betrokkene 2] , de broer van klager die woonachtig is in Duitsland, (iii), de auto was voorzien van een Duits kenteken, (iv) de akte waarin de voortzetting van de vennootschap door klager is neergelegd geen melding maakt van een overdracht van een auto aan klager en evenmin aannemelijk maakt dat die auto op naam van het bedrijf heeft gestaan, (v) niet is onderbouwd dat aan de koopovereenkomst van de auto uitvoering is gegeven, (vi) geen bewijs is geleverd van betaling van de koopsom van de auto door klager aan zijn broer, (vii) niet is gebleken dat er in Duitsland bij het “kentekenkantoor” een overdracht van de auto op naam van klager heeft plaatsgevonden, (viii) het dossier er geen blijk van geeft dat tot op heden (MvW: de openbare behandeling van de raadkamer d.d. 8 mei 2024) een wijziging tenaamstelling heeft plaatsgevonden, noch dat klager de auto in België heeft ingevoerd om hem daar op zijn naam in te schrijven.
3.12
Anders dan de steller van het middel meent, doet mijns inziens aan de begrijpelijkheid van het oordeel niet af dat de door de verdediging overgelegde door klager en zijn broer ondertekende "Kaufvertrag für den privaten Kauf eines gebrauchten Fahrzeugs" inhoudt dat klager de overeengekomen koopsom van de auto van 26.000 euro contant aan zijn broer heeft voldaan en de eigendomsoverdracht al uit deze overeenkomst volgt. Het oordeel van de rechtbank komt er immers op neer dat het op grond van de hiervoor genoemde omstandigheden niet aannemelijk acht dat daadwerkelijk sprake is geweest van (de uitvoering van) een koopovereenkomst.

4.Afronding

4.1
Beide middelen falen en kunnen worden afgedaan met de aan art. 81 RO Pro ontleende motivering
4.2
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
4.3
Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Zie HR 27 februari 2024, ECLI:NL:HR:2024:268.
2.Zie voor nadere overwegingen over het voldoen van de transactie door [betrokkene 1] na de ‘vervaldatum’ randnummer 3.2 en 3.3 in de conclusie van AG Spronken van 16 januari 2024, ECLI:NL:PHR:2024:53.
3.J. Wöretshofer, ‘Art. 552ab Sv’ in, Melai/Groenhuijsen e.a.,
4.A.J. Machielse, ‘Art. 74 Sr Pro”, in Noyon/Langemeijer/Remmelink,
5.J. Wöretshofer, a.w. (aant. 10).
6.In deze procedure kan evenmin de teruggave van de auto aan de beslagene of een ander worden bevolen, HR 2 december 2025, ECLI:NL:HR:2025:1717.
7.Het begrip ‘toekomen’ is overigens ruimer dan ‘toebehoren’, zie J. Wöretshofer, a.w., (aant. 5.4).
8.Vgl HR 17 maart 2020, ECLI:NL:HR:2020:432.
9.Vgl. eveneens het reeds vooropgestelde HR 29 maart 2022, ECLI:NL:HR:2022:457.