Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:PHR:2026:478

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
12 mei 2026
Publicatiedatum
8 mei 2026
Zaaknummer
25/02892
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Deels toewijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 420bis SrArt. 420ter SrArt. 26 Wet wapens en munitieArt. 225 SrArt. 6 lid 2 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Gedeeltelijke vernietiging bewezenverklaring gewoontewitwassen wegens schending onschuldpresumptie en onvoldoende motivering medeplegen horloges

De verdachte werd door het hof Amsterdam veroordeeld voor gewoontewitwassen, medeplegen witwassen van horloges, wapenbezit, valsheid in geschrifte en het niet tijdig verstrekken van gegevens. Het hof sprak de verdachte vrij van witwassen van een Mercedes en vijf horloges uit de erfenis van een overleden persoon, omdat het hof oordeelde dat de onschuldpresumptie van die overleden persoon in de weg stond aan het vaststellen van de criminele herkomst van die goederen.

De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad concludeert dat het hof een onjuiste rechtsopvatting heeft gehanteerd door de onschuldpresumptie van de overleden persoon te betrekken bij de beoordeling van de criminele herkomst van de Mercedes. Tevens is de bewezenverklaring omtrent het medeplegen van witwassen van twee Rolex-horloges onvoldoende gemotiveerd. De verklaringen van de verdachte over de herkomst van contante stortingen en betalingen zijn grotendeels niet verifieerbaar en hoogst onwaarschijnlijk, waardoor het hof terecht een vermoeden van witwassen aannam.

De conclusie van de Procureur-Generaal strekt tot gedeeltelijke vernietiging van de bewezenverklaring en de strafoplegging voor het feit van gewoontewitwassen, en tot terugwijzing van de zaak naar het hof Amsterdam voor hernieuwde berechting. De overige middelen worden verworpen. De zaak wordt terugverwezen om opnieuw te worden beoordeeld met inachtneming van de juiste rechtsopvatting omtrent de onschuldpresumptie en de motivering van het medeplegen van witwassen van horloges.

Uitkomst: Gedeeltelijke vernietiging van de bewezenverklaring en strafoplegging wegens onjuiste toepassing onschuldpresumptie en onvoldoende motivering medeplegen, met terugwijzing voor hernieuwde berechting.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer25/02892
Zitting12 mei 2026
CONCLUSIE
M.E. van Wees
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1986,
hierna: de verdachte.

1.Inleiding

1.1
Het gerechtshof Amsterdam heeft de verdachte bij arrest van 21 augustus 2025 (parketnummer: 23-000914-20) [1] wegens,
- in zaak A feit 1: “van het plegen van witwassen een gewoonte maken” en “medeplegen van witwassen”;
- in zaak A feit 2: “handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III”;
- in zaak B: “in strijd met een hem bij of krachtens wettelijk voorschrift opgelegde verplichting opzettelijk nalaten tijdig de benodigde gegevens te verstrekken, terwijl het feit kan strekken tot bevoordeling van zichzelf of een ander, en terwijl hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat de gegevens van belang zijn voor de vaststelling van zijn of eens anders recht op die verstrekking of tegemoetkoming dan wel voor de hoogte of de duur van een dergelijke verstrekking of tegemoetkoming, meermalen gepleegd” en
- in zaak C: “opzettelijk gebruik maken van een vals geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst” en “opzettelijk gebruik maken van een vervalst geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst”,
veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van veertien maanden, waarvan drie maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren, met aftrek van voorarrest. Daarnaast heeft het hof beslissingen genomen over inbeslaggenomen voorwerpen op de wijze zoals nader in het arrest bepaald.
1.2
Er bestaat samenhang met de zaak 24/01863. In deze zaak zal ik vandaag ook concluderen.
1.3
Het cassatieberoep is ingesteld namens zowel de verdachte als het openbaar ministerie (OM). Namens de verdachte heeft L.E.H. van der Hut, advocaat in Den Haag, twee middelen van cassatie voorgesteld. Namens het OM heeft [naam 2] , advocaat-generaal bij het ressortsparket Den Haag, één middel van cassatie voorgesteld. Alle middelen hebben betrekking op het bij zaak A als feit 1 tenlastegelegde en deels bewezenverklaarde gewoontewitwassen. De verdachte keert zich tegen de bewezenverklaring door het hof in zijn geheel en het witwassen van twee horloges in het bijzonder. Het openbaar ministerie klaagt over de gedeeltelijke vrijspraak van tenlastegelegde witwassen van een auto van het merk Mercedes. Ik begin mijn bespreking met dit laatste.

2.Het door het openbaar ministerie voorgestelde middel

2.1
Het middel klaagt dat het hof blijk geeft van een verkeerde rechtsopvatting met zijn oordeel dat de onschuldpresumptie neergelegd in art. 6 lid 2 EVRM Pro, dat wil zeggen het beginsel dat iedereen voor onschuldig wordt gehouden totdat diens schuld overeenkomstig de wet is vastgesteld, in de weg staat aan een bewezenverklaring. Daarnaast zou het hof het toepasselijke beoordelingskader voor witwassen met een onbekend grondmisdrijf hebben miskend.
Tenlastelegging, bewezenverklaring/vrijspraak en overwegingen van het hof
2.2
Aan de verdachte is als zaak A feit 1 tenlastegelegd dat:
“hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2016 tot en met heden te Amsterdam en/of Amstelveen en/of Ibiza en/of Marbella en/of Malaga, althans in Nederland en/of Spanje, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft/hebben gemaakt, immers heeft/hebben hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) (telkens) (van) een of meer voorwerp(en) en/of een of meer geldbedrag(en), te weten (onder meer):
- een Mercedes Benz E63 AMG S4Matic Limousine, met chassisnummer [0001] met tijdelijk (export)kenteken [kenteken 1] en/of
- vijf, althans een of meer kostbare horloges (uit de erfenis van [naam 1] , te weten onder meer van het merk Rolex (een GMT en/of een Skydweller en/of Daytona) en/of Audemars Piquet) en/of
- een of meer contante storting(en) voor een totaalbedrag van (ongeveer) 73.060,- euro op ING betaalrekening met nummer [rekeningnummer 1] op naam van, verdachte, [verdachte] (AMB-055) en/of
- een of meer contante storting(en) voor een totaalbedrag van (ongeveer) 34.977,- euro op Rabobank rekening [rekeningnummer 2] op naam van, verdachte, [verdachte] (AMB-055) en/of
- een of meer contante betaling(en) voor een totaalbedrag van (ongeveer) 19.150,- euro in verband met de aanschaf van een KJA Sportage met kenteken [kenteken 2] (AMB-043, DOC-007 en DOC-008) en/of
- een of meer contante betaling(en) voor een totaalbedrag van (ongeveer) 18.500,- euro in verband met de aanschaf van een Audi A6 met kenteken [kenteken 3] (DOC-010, DOC-058 t/m DOC-060) en/of
- een horloge Rolex Oyster Perpetual, type Day-Date met serienummer [0002] (DOC-037 en DOC-088 en AMB-015a) en/of
- een horloge Rolex Oyster Perpetual, type Datejust met serienummer [0003] (DOC-041 en AMB-015) en/of
- een of meer contante betaling(en) voor een totaalbedrag van 3.115,- euro in verband met een buik liposuctie (DOC-013) en/of
- een of meer contante betalingen voor een totaalbedrag 2.199,- euro voor de aanschaf van meubels bij Seats and Sofas (DOC-053) en/of een of meer geldbedrag(en) en/of een of meer andere (luxe) goed(eren),
de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing verborgen en/of verhuld en/of heeft/hebben verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende(n) op voornoemde voorwerp(en) is/zijn en/of wie voornoemde voorwerp(en) voorhanden heeft/hebben en/of verworven en/of voorhanden gehad en/of overgedragen en/of omgezet en/of gebruik gemaakt, terwijl hij en/of zijn mededader(s) wist(en) dat dat/die voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - geheel of gedeeltelijk (mede) afkomstig was/waren uit enig misdrijf”
2.3
Daarvan heeft het hof ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat:
“hij in de periode van 1 januari 2016 tot en met 6 november 2017 in Nederland van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers heeft hij, verdachte, telkens voorwerpen en geldbedragen, te weten onder meer:
- contante stortingen voor een totaalbedrag van 73.060,- euro op ING betaalrekening met nummer [rekeningnummer 3] op naam van, verdachte, [verdachte] en
- contante stortingen voor een totaalbedrag van 34.977,- euro op Rabobank rekening [rekeningnummer 4] op naam van, verdachte, [verdachte] en
- contante betalingen voor een totaalbedrag van 19.150,- euro in verband met de aanschaf van een KIA Sportage met kenteken [kenteken 2] en
- contante betalingen voor een totaalbedrag van 18.500,- euro in verband met de aanschaf van een Audi A6 met kenteken [kenteken 3] en
- contante betalingen voor een totaalbedrag van 3.115,- euro in verband met een buik liposuctie en
- contante betalingen voor een totaalbedrag van 2.199,- euro voor de aanschaf van meubels bij Seats and Sofas en/of een of meer geldbedrag(en) en
- andere luxe goederen,
verworven, voorhanden gehad, omgezet en gebruik gemaakt, terwijl hij wist dat die voorwerpen - onmiddellijk of middellijk - geheel of gedeeltelijk mede afkomstig waren uit enig misdrijf;
en
hij in de periode van 24 april 2017 tot en met 29 december 2017 in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, van voorwerpen, te weten:
- een horloge Rolex Oyster Perpetual, type Day-Date met serienummer [0002] en
- een horloge Rolex Oyster Perpetual, type Datejust met serienummer [0003]
de herkomst en wie de rechthebbende op voornoemde voorwerpen is hebben verhuld en voornoemde voorwerpen hebben verworven en voorhanden gehad, terwijl hij en zijn mededaders wisten dat die voorwerpen - onmiddellijk of middellijk - mede afkomstig waren uit enig misdrijf”
2.4
Het hof heeft daarmee vrijgesproken van de eerste twee gedachtestreepjes, te weten de Mercedes en de vijf horloges uit de erfenis van [naam 1] . Over de vrijspraak van het witwassen van de Mercedes heeft het hof het volgende overwogen:

Beoordeling van het hof ten aanzien van zaak A feit 1
Mont du Chat I
[…]
Ten aanzien van de Mercedes Benz uit de erfenis van [naam 1]Het hof is van oordeel dat op grond van het dossier niet mag en daarmee niet kan worden vastgesteld dat de Mercedes uit de erfenis van [naam 1] van misdrijf afkomstig is. Daartoe overweegt het hof als volgt.
Vast staat dat de Mercedes aan [naam 1] toebehoorde en er zijn aanwijzingen dat de verdachte na het overlijden van [naam 1] al dan niet in de vorm van medeplegen handelingen heeft verricht ten aanzien van de Mercedes. Ook is het hof met de advocaat-generaal van oordeel dat het dossier wel aanwijzingen bevat dat het vermogen van [naam 1] van misdrijf afkomstig is. Een bewijsvermoeden is echter op zichzelf onvoldoende om vast te stellen dat de Mercedes van misdrijf afkomstig is. [naam 1] is nimmer voor witwassen of onderliggende gronddelicten vervolgd, laat staan onherroepelijk veroordeeld. De verdediging heeft onder verwijzing naar jurisprudentie van het Europees hof voor de rechten van de mens (EHRM, Vulakh and others v. Russia, ECHR
10 januari 2012, 33468/03) kort gezegd aangevoerd dat de onschuldpresumptie van artikel 6, tweede lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) eraan in de weg staat dat postuum de schuld van [naam 1] aan enig strafbaar feit wordt vastgesteld. Het hof onderschrijft de uitleg van de verdediging inzake deze inmiddels bestendige jurisprudentie van het Europees hof. De vraag ligt dan voor of met de vaststelling - als daartoe gekomen zou kunnen worden - dat de Mercedes al dan niet gedeeltelijk uit enig misdrijf afkomstig is en waarbij de mogelijkheid dat dit een door [naam 1] gepleegd strafbaar feit is zeker niet denkbeeldig is, ook sprake zou zijn van het postuum vaststellen van schuld van [naam 1] aan enig strafbaar feit - een vaststelling waartegen [naam 1] zich niet meer kan verdedigen. Die vraag kan naar het oordeel van het hof niet anders dan bevestigend worden beantwoord. Dat brengt mee dat het hof indachtig de onschuldpresumptie verder geen oordeel kan en zal geven aangaande de al dan niet criminele herkomst van het vermogen van [naam 1] en de hier in geding zijnde Mercedes.
Het hof begrijpt dat een en ander in voorkomende gevallen tot het maatschappelijk onwenselijke gevolg kan leiden dat crimineel vermogen door het overlijden van de oorspronkelijke - nog niet onherroepelijk veroordeelde - eigenaar via derden in de legale economie terecht kan komen. Het hof acht deze uitkomst echter op basis van de huidige wetgeving onontkoombaar.
Naar het oordeel van het hof is aldus niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de Mercedes uit de erfenis van [naam 1] heeft witgewassen, zodat de verdachte van dit onderdeel van de tenlastelegging behoort te worden vrijgesproken. Hetgeen de verdediging overigens ten aanzien van de Mercedes als verweer heeft aangevoerd, behoeft geen verdere bespreking.”
2.5
In de kern komt dit erop neer dat het volgens het hof op geen enkele manier mogelijk is de criminele herkomst van de Mercedes vast te stellen zonder de voor [naam 1] geldende onschuldpresumptie te schenden. Dat is reden voor het hof om deze herkomst niet eens te onderzoeken.
2.6
Het openbaar ministerie stelt in de toelichting op het middel voorop dat inderdaad de onschuldpresumptie wordt geschonden als een rechterlijke beslissing inhoudt dat iemand schuldig is zonder dat die persoon schuldig is bevonden volgens de wet. Daarbij komt het volgens het OM echter aan op de gebruikte bewoordingen en moet een onderscheid worden gemaakt tussen de verklaring dat de betrokkenen ervan wordt verdacht een misdrijf te hebben gepleegd en een duidelijke rechterlijke uitspraak, bij afwezigheid van een onherroepelijke veroordeling, dat die persoon dit misdrijf heeft gepleegd. Het openbaar ministerie werkt dit vervolgens verder uit door te stellen dat het bij witwassen gaat om het vaststellen van de criminele herkomst van een voorwerp en niet om vraag wie welke misdrijf met dit voorwerp heeft begaan. Door aan de hand van het beoordelingskader voor witwassen met een onbekend grondmisdrijf de criminele herkomst vast te stellen, doet het geen uitspraak over het plegen van een misdrijf. Het hof heeft dan ook verzuimd de stappen van dit beoordelingskader te doorlopen, aldus het OM.
2.7
Hieronder zal ik bespreken in hoeverre art. 6 lid 2 EVRM Pro eraan in de weg staat dat een rechter zich in een strafzaak uitlaat over feiten die ook relevant zijn voor de vervolging van een andere verdachte. In het oordeel van het hof ligt echter ook besloten dat art. 6 lid 2 EVRM Pro in het onderhavige geval van toepassing is en dat de verdachte daarop in deze zaak een beroep kan doen. In cassatie wordt over deze oordelen niet geklaagd. Vanwege het enigszins principiële karakter van het arrest van het hof zie ik toch aanleiding daarover enkele opmerkingen te maken.
Belang
2.8
Art. 6 lid 2 EVRM Pro luidt in de Nederlandse vertaling:
“Een ieder tegen wie een vervolging is ingesteld, wordt voor onschuldig gehouden totdat zijn schuld in rechte is komen vast te staan.”
2.9
Volgens vaste rechtspraak van het Europees Hof voor de rechten van de mens (EHRM) is deze onschuldpresumptie een element van het recht op een eerlijk proces dat wordt vereist door art. art. 6 lid 1 EVRM Pro. [2] Ten eerste stelt de onschuldpresumptie eisen aan het strafproces als het gaat om de bewijslastverdeling, om te hanteren vermoedens en om het recht om niet mee te werken aan de eigen veroordeling. Ook verbiedt art. 6 lid 2 EVRM Pro voortijdige uitlatingen over de schuld van de verdachte, hetzij door de rechter die in de vervolging is betrokken, hetzij door andere autoriteiten. [3] Wat deze andere autoriteiten betreft, gaat het erom dat geen uitlatingen mogen worden gedaan die het publiek ertoe aanzetten te geloven dat de verdachte schuldig is en die vooruitlopen op het oordeel van de rechter. [4] Pas nadat het volgens de wet voorgeschreven strafproces is doorlopen en dit heeft geleid tot een veroordeling door de rechter, mag van strafrechtelijke aansprakelijkheid van de vervolgde worden uitgegaan. Ten tweede beschermt de onschuldpresumptie ook personen die zijn vrijgesproken van een misdrijf of waarvan de vervolging is beëindigd. Zij mogen niet door de autoriteiten worden behandeld alsof zij wel schuldig zijn aan dat misdrijf. [5]
2.1
Dit zijn allemaal waarborgen voor degene wiens onschuldpresumptie is (of dreigt te worden) geschonden. De vraag kan worden gesteld in hoeverre ook anderen een beroep kunnen doen op deze waarborgen.
2.11
Het uitgangspunt in de rechtspraak van de Hoge Raad is dat indien het niet de verdachte is die door de niet-naleving van een voorschrift is getroffen in het belang dat de overtreden norm boogt te beschermen, in de te berechten zaak als regel geen rechtsgevolg zal behoeven te worden verbonden aan dit verzuim. [6] Dit geldt ook als het gaat om normen die verband houden met het recht op een eerlijk proces. Ik wijs op rechtspraak over de schending van het recht van een verdachte om voor zijn eerste verhoor een advocaat te raadplegen. Ook dit recht maakt deel uit van de eis van een eerlijk proces. De regel is dat een verklaring van een (aangehouden) verdachte moet worden uitgesloten van het bewijs, als die verklaring is afgelegd zonder dat deze verdachte binnen redelijke grenzen de gelegenheid is geboden een raadsman te spreken. Dit gevolg is echter beperkt tot de eigen strafzaak van deze verdachte en strekt zich niet uit tot de strafzaak van medeverdachten. [7]
2.12
Hieruit volgt dat de verdachte in de onderhavige zaak in beginsel geen beroep kan doen op een eventuele schending van de onschuldpresumptie in een vervolging van [naam 1] , ook niet als die schending plaatsvindt door een uitspraak van de rechter in de zaak van de verdachte. Het gaat immers om het effect dat die uitspraak heeft op de vervolging van [naam 1] . Diens eerlijk proces is in het geding.
2.13
De rechtspraak van het EHRM biedt geen aanknopingspunten om hier anders over te denken. Ook daarin staat voorop dat de onschuldpresumptie vervolgde personen beschermt tegen het oordeel dat zij schuldig zijn, voordat deze schuld conform de wet is vastgesteld. Daaraan wordt alleen in zoverre een uitbreiding gegeven dat degenen die in een nauwe familierelatie staan tot een overleden vervolgde persoon als
victimvoor het EHRM een beroep kunnen doen op het art. 6 lid 2 EVRM Pro, als zij daarbij een materieel of immaterieel belang hebben, zoals een recht op schadevergoeding respectievelijk de bescherming van de reputatie van de overledene of van henzelf. [8]
2.14
Uit de stukken kan ik niet afleiden dat de verdachte een ander belang heeft dan te voorkomen dat de rechter in zijn zaak de strafbaarheid van zijn handelen onderzoekt, meer specifiek de al dan niet criminele herkomst van de Mercedes. Dat is geen in rechte te respecteren belang.
De toepasselijkheid van art. 6 lid 2 EVRM Pro
2.15
Volgens de tekst van het verdrag geldt de waarborg van de onschuldpresumptie voor “[e]en ieder tegen wie een vervolging is ingesteld”. Dat betekent dat deze norm niet geldt als van een vervolging geen sprake is of is geweest. [9] Dat is in beginsel ook zo bij uitlatingen over de schuld aan een strafbaar feit vóórdat een vervolging is aangevangen. Dit is alleen anders als de betreffende uitlating van betekenis blijkt te zijn voor de alsnog begonnen vervolging. [10]
2.16 ‘
‘Vervolging’, in het Engels ‘charged with a ciminal offence’, is een verdragsautonoom begrip dat dus niet wordt ingevuld door de nationale, in dit geval Nederlandse, wetgeving. [11] Van een begonnen vervolging is volgens het EHRM in ieder geval sprake bij een formele kennisgeving door de bevoegde autoriteiten aan de verdachte dat deze wordt beschuldigd van het plegen van een strafbaar feit. Daarvan is echter ook sprake als de autoriteiten als gevolg van een verdenking jegens de verdachte een handeling verrichten die een substantieel effect heeft op diens situatie. [12] In het kader van de beoordeling van de redelijke termijn waarbinnen een strafzaak dient te zijn afgerond, heeft de Hoge Raad dit beginpunt samengevat als “het moment dat vanwege de Nederlandse Staat jegens de betrokkene een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem ter zake van een bepaald strafbaar feit door het openbaar ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld.” [13]
2.17
Om te kunnen toetsen aan art. 6 lid 2 EVRM Pro zal de rechter dus eerst moeten vaststellen dat sprake is (geweest) van een vervolging in deze zin. [14] Uit de stukken kan ik niet afleiden dat het hof heeft vastgesteld dat [naam 1] voor een relevant feit is vervolgd. Integendeel, het hof overweegt: “ [naam 1] is nimmer voor witwassen of onderliggende gronddelicten vervolgd, laat staan onherroepelijk veroordeeld.” Onduidelijk is of het hof hiermee doelt op een ‘vervolging’ in de zin van het Nederlands recht dan wel het EVRM. Hoe dan ook ondersteunt dit bepaald niet het oordeel dat art. 6 lid 2 EVRM Pro van toepassing is. [15]
2.18
Aanvullend merk ik op dat als art 6 lid 2 EVRM Pro niet van toepassing is, een uitlating van de autoriteiten dat een persoon zich schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit, kan worden getoetst op verenigbaarheid met art. 8 EVRM Pro, dat de persoonlijke levenssfeer beschermt. [16] Van onverenigbaarheid zal echter geen sprake zijn als de schade aan de reputatie van de betrokkene het voorzienbare gevolg is van diens eigen handelen, zoals het plegen van een strafbaar feit. [17]
Gebruikte bewoordingen
2.19
Dan kom ik nu bij de bespreking van de klacht van het openbaar ministerie. Die komt erop neer dat het hof heeft miskend dat het de relevante vaststellingen had kunnen doen in zulke bewoordingen dat de onschuldpresumptie niet wordt geschonden.
2.2
De standaardoverweging van het EHRM waarop het OM doelt, luidt:
“The Court further reiterates that a fundamental distinction must be made between a statement that someone is merely suspected of having committed a crime and a clear declaration, in the absence of a final conviction, that an individual has committed the crime in question. In this connection the Court has emphasised the importance of the choice of words by public officials in their statements before a person has been tried and found guilty of a particular criminal offence (…). While the use of language is of critical importance in this respect, the Court has further pointed out that whether a statement of a public official is in breach of the principle of the presumption of innocence must be determined in the context of the particular circumstances in which the impugned statement was made (…). When regard is had to the nature and context of the particular proceedings, even the use of some unfortunate language may not be decisive. The Court’s case-law provides some examples of instances where no violation of Article 6 § 2 has been found even though the language used by domestic authorities and courts was criticised (…).” [18]
2.21
Hieruit volgt dat een schending van art. 6 lid 2 EVRM Pro met name aan de orde is bij een duidelijke verklaring dat de vervolgde persoon een bepaald strafbaar feit heeft gepleegd. Of een uitlating als zodanig kan worden aangemerkt, zal moeten worden bezien in de context van de omstandigheden, zoals de procedure, waarin de uitlating is gedaan. Als de uitlating neerkomt op het formuleren van slechts een verdenking, dan zal niet snel sprake zijn van de schending van de onschuldpresumptie.
2.22
Bij de veroordeling van een verdachte kan de rechter echter niet altijd vermijden in te gaan op de strafrechtelijke aansprakelijkheid van een andere, afzonderlijk vervolgde persoon. De mate van zekerheid waarop een veroordeling moet berusten, kan dan meebrengen dat de rechter niet kan volstaan met het uitspreken van vermoedens over de rol van die ander. Het EHRM formuleert dit als volgt:
“59. The Court reiterates that the principle of the presumption of innocence may in theory also be infringed on account of premature expressions of a suspect’s guilt made within the scope of a judgment against separately prosecuted co-suspects (…).
60. The Court has previously accepted that in complex criminal proceedings involving several persons who cannot be tried together, references by the trial court to the participation of third persons, who may later be tried separately, may be indispensable for the assessment of the guilt of those who are on trial. Criminal courts are bound to establish the facts of the case relevant for the assessment of the legal responsibility of the accused as accurately and precisely as possible, and they cannot present established facts as mere allegations or suspicions. This also applies to facts related to the involvement of third persons. However, if such facts have to be introduced, courts should avoid giving more information than necessary for the assessment of the legal responsibility of those persons who are accused in the trial before it(…).” [19]
2.23
De rechtspraak van het EHRM overziend, kan een aantal voorwaarden worden onderscheiden waaronder de rechter een uitlating mag doen over de schuld van een vervolgde persoon als hij vonnis wijst in de zaak van een andere verdachte. Daarbij gaat het typisch om het geval van twee personen die betrokken zijn bij hetzelfde stafbare feit. Ik zie echter geen reden waarom een ander kader zou gelden in een geval als in de onderhavige zaak, waarin het eventuele strafbare handelen van de andere vervolgde persoon ( [naam 1] ) voorwaarde is voor de strafbaarheid van het handelen (witwassen) van de beoordeelde verdachte.
2.24
Alle voorwaarden zijn uitvloeisel van de overkoepelende norm dat de rechter zoveel als mogelijk voorkomt de indruk te geven al te hebben geoordeeld over de schuld van de afzonderlijk vervolgde persoon, te weten: [20]
(i) aan de beslissing om de verdachten afzonderlijk te berechten moet een zorgvuldige afweging ten grondslag liggen (randnrs. 2.25 en 2.26);
(ii) het moet onvermijdelijk zijn dat de rechter zich uitlaat over de schuld van de andere vervolgde persoon (randnr. 2.27);
(iii) de rechter moet daarbij niet meer informatie geven dan nodig is voor het oordeel in de thans berechte zaak (randnr. 2.28);
(iv) het moet duidelijk zijn dat de uitlating van de rechter geen gevolgen heeft voor de vaststelling van de schuld van de afzonderlijke vervolgde persoon (randnrs. 2.29 en 2.30).
2.25
Wat de eerste voorwaarde betreft het volgende. De ideale wijze om voortijdige uitspraken over de schuld van een ander te voorkomen is de gezamenlijke berechting van alle verdachten zodat de rechter in één keer een eindoordeel kan geven over hun schuld. Het EHRM zegt daarover het volgende:
“If the nature of the charges makes it unavoidable for the involvement of third parties to be established in one set of proceedings and those findings would be consequential on the assessment of the legal responsibility of the third parties tried separately, this should be considered as a serious obstacle for disjoining the cases. Any decision to examine cases with such strong factual ties in separate criminal proceedings must be based on a careful assessment of all countervailing interests, and the co-accused must be given an opportunity to object to the cases being separated.” [21]
2.26
Het EHRM heeft dus een sterke voorkeur voor gelijktijdige berechting en eist dat de rechter een zorgvuldige afweging maakt en de medeverdachten hoort voordat hij overgaat tot splitsing van zaken. Een rechtvaardiging voor afzonderlijke berechting kan bijvoorbeeld gelegen zijn in het feit dat de ene zaak al klaar is voor inhoudelijke behandeling en de andere nog niet en dat de afzonderlijk vervolgde persoon niet alleen medeverdachte maar ook slachtoffer is van de verdachte. [22] De Hoge Raad heeft als goede grond voor afzonderlijke behandeling aanvaard dat de afzonderlijk berechte persoon zelf heeft gekozen voor verblijf in het buitenland. [23]
2.27
Als tweede moet het onvermijdelijk zijn dat de rechter zich in het vonnis over de verdachte uitlaat over de rol die de afzonderlijk vervolgde persoon heeft gespeeld. Van een dergelijk noodzaak kan bijvoorbeeld sprake zijn als de rechter moet vaststellen of de verdachte moorden heeft gepleegd in opdracht van de afzonderlijk vervolgde persoon, [24] of sprake is van medeplegen en medeplichtigheid [25] en of de verdachte alleen handelde dan wel, in een nader vast te stellen mate, onderdeel uitmaakte van een criminele organisatie. [26]
2.28
Daarmee nauw verbonden, maar daar naar mijn idee toch van te onderscheiden, is de derde voorwaarde dat de rechter niet meer informatie geeft dan nodig is voor dit oordeel. [27] Aan deze voorwaarde is bijvoorbeeld voldaan als de rechter wel een aantal eisen voor strafrechtelijke aansprakelijkheid van de afzonderlijk vervolgde persoon beoordeelt, maar zich niet onnodig uitlaat over de resterende eisen of over een strafuitsluitingsgrond. [28]
2.29
Ten slotte dient als vierde duidelijk te zijn dat de uitlating van de rechter geen gevolg heeft voor de vaststelling van de strafrechtelijke aansprakelijkheid van de afzonderlijk vervolgde persoon. Daarin zijn twee aspecten te onderscheiden. Het eerste is dat uit het recht kan voortvloeien dat deze gevolgen niet zijn toegestaan. Gedacht kan worden de expliciete wettelijke bepaling dat een oordeel alleen de verdachte zelf aangaat [29] of dat het oordeel alleen is gebaseerd op de terechtzitting in de zaak van de berechte verdachte zelf. [30]
2.3
Het tweede aspect is dat de rechter in zijn bewoordingen duidelijk moet maken dat geen vroegtijdig oordeel is geveld over de strafrechtelijke aansprakelijkheid van de afzonderlijk vervolgde persoon. Dat was bijvoorbeeld niet het geval in de door het hof aangehaalde EHRM-zaak
Vulakh t. Rusland, waarin het overigens niet ging om de situatie van afzonderlijk vervolging van medeverdachten. In deze zaak hadden twee rechters zonder kanttekening of voorbehoud uiteengezet dat Vulakh de leider was een criminele organisatie die strafbare feiten had gecoördineerd en gefinancierd, waaronder (poging tot) moord. [31] De bedoelde duidelijkheid was bijvoorbeeld wel gegeven met het consequente gebruik van de aanduiding ‘afzonderlijk vervolgde persoon’, [32] maar ook met de overweging van de rechter dat tegen de andere persoon een afzonderlijk vooronderzoek was gestart en dat alleen een dergelijk onderzoek kan leiden tot de vaststelling van de strafrechtelijke aansprakelijkheid van die persoon. [33]
2.31
Wat de Nederlandse rechtspraak betreft, wijs ik op HR 7 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:839, waarin het bovenstaande kader wordt toegepast, met dien verstande dat in de overwegingen de eerste, tweede en derde door mij geïdentificeerde voorwaarden herkenbaar zijn.
2.32
Gelet op het voorgaande en op het ontbreken van enige nadere overweging over de geformuleerde voorwaarden, geeft het oordeel van het hof, inhoudende dat het op geen enkele manier mogelijk is de criminele herkomst van de Mercedes vast te stellen zonder de voor [naam 1] geldende onschuldpresumptie te schenden, blijk van een onjuiste rechtsopvatting.
2.33
Het middel slaagt op deze grond.

3.Het eerste door de verdachte voorgestelde middel

3.1
Het middel klaagt over de motivering van de bewezenverklaring in zaak A feit 1, waarbij de klachten zich specifiek richten tegen de in die bewezenverklaring vermelde horloges.
3.2
Met betrekking tot de bewijsvoering houdt het bestreden arrest – met inbegrip van de voetnoten – het volgende in:

Vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank.
(…)
Bewijsoverwegingen
Het standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat de verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan het tenlastegelegde conform de rechtbank heeft beslist.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft op verschillende gronden aangevoerd dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het witwassen van de Mercedes uit de erfenis van [naam 1] , voor zover nodig worden die hierna weergegeven en besproken. Met betrekking tot de contante betalingen en geldstortingen heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat geen sprake is van witwassen omdat de verdachte een concrete en verifieerbare verklaring heeft gegeven dat de gelden een legale herkomst hebben. Ten aanzien van de overige ten laste gelegde feiten heeft de verdediging geen bewijs verweren gevoerd.
Beoordeling van het hof ten aanzien van zaak A feit 1
Mont du Chat I
Ten aanzien van de vijf horloges uit de erfenis van [naam 1]
Evenals de rechtbank en met de advocaat-generaal en de verdediging, acht het hof het witwassen van deze horloges niet wettig en overtuigend bewezen, zodat de verdachte hiervan moet worden vrijgesproken.
Ten aanzien van de Mercedes Benz uit de erfenis van [naam 1]
[…]
Mont du Chat II
Vaststellingen
Het hof stelt, in lijn met het vonnis van de rechtbank, het volgende vast ten aanzien van de contante stortingen en de betalingen voor luxe goederen.
Er is onderzoek gedaan naar de vermogenspositie van de verdachte. Uit een iCOV-bevraging is gebleken dat de verdachte een uitkering ontving van de gemeente Amsterdam. In 2016 was zijn netto-inkomen € 11.693,00 en ontving hij zorgtoeslag. [betrokkene 1] , de partner van de verdachte, had in 2016 een netto-inkomen van € 13.118,00. Daarnaast ontving zij een kindgebonden budget en zorgtoeslag. Verder had zij per 10 augustus 2016 een Audi A6 met kenteken [kenteken 3] en per 24 april 2017 een KIA Sportage met kenteken [kenteken 2] op haar naam staan.[1]
Vervolgens is onderzoek gedaan naar de bankrekeningen van de verdachte. In de periode van 3 februari 2016 tot en met 23 februari 2017 heeft de verdachte gebruik gemaakt van een Rabobank-rekening met nummer [rekeningnummer 4] . Van 22 januari 2017 tot en met 12 oktober 2017 heeft de verdachte gebruik gemaakt van een ING-rekening met nummer [rekeningnummer 3] .[2] Op de Rabobank-rekening zijn tussen 5 januari 2016 en 16 januari 2017 21 contante stortingen gedaan, onder meer in coupures van € 200,00. Het totaalbedrag dat op deze rekening is gestort bedraagt € 34.977,00. Op de ING-rekening zijn 14 contante storingen gedaan in de periode van 7 februari 2017 tot en met 30 oktober 2017. In totaal is er € 73.060,00 op deze rekening gestort.[3]
Op 6 november 2017 is de woning gelegen aan de [a-straat 1] te [plaats] doorzocht. De verdachte verblijft samen met zijn partner op dat adres. Bij deze doorzoeking zijn verschillende facturen aangetroffen[4], waaronder een factuur van [bedrijf 2] B.V. van 7 februari 2017, gericht aan “ [verdachte] ” met adres [a-straat 1] te [plaats] . De factuur heeft betrekking op de aankoop van een KIA Sportage, waarbij als aanbetaling € 5.000,00 contant is betaald.[5] Ook is een factuur aangetroffen van hetzelfde autobedrijf van 24 april 2017, wederom gericht aan “ [verdachte] ”. Die factuur heeft betrekking op dezelfde aankoop van de KIA Sportage met kenteken [kenteken 2] voor een totaalbedrag van € 19.150,00. Op die factuur is aangegeven: contant voldaan.[6] De verdachte heeft bij de politie verklaard dat hij voomoemde KIA Sportage inderdaad contant heeft betaald.[7]
Verder is een factuur aangetroffen van [bedrijf 1] te [plaats] van 9 augustus 2016, gericht aan [betrokkene 1] met adres [a-straat 1] te [plaats] . Deze factuur heeft betrekking op de aankoop van een Audi A6 met kenteken [kenteken 3] voor een bedrag van € 18.500,00.[8] De eigenaar van [bedrijf 1] is op 20 december 2017 als getuige gehoord. Hij verklaarde dat hij een man en vrouw heeft ontmoet en gesproken over de aankoop van de Audi A6. De man was groot en breed en had een donkere huidskleur. De auto is op naam van de vrouw', [betrokkene 1] , gezet. Aan de getuige was gevraagd hoeveel er contant kon worden betaald.[9] De getuige is akkoord gegaan met een betaling via de bank van € 12.500,00. De man heeft bij het ophalen van de auto € 6.000,00 contant betaald. De verdachte is verder op verschillende momenten geobserveerd door het onderzoeksteam. Op verschillende data (24 en 27 juli 2017 en 27 en 31 oktober 2017) is gezien dat de verdachte in de Audi A6 reed.[10]
Bij de doorzoeking werd ook een betalingsbewijs van Clinique [...] van 21 mei 2017 aangetroffen, dat is gericht aan [verdachte] en betrekking heeft op een liposuctie aan de buik ter waarde van € 3.115,00. Dat bedrag is contant voldaan.[11]
De verdachte stond indertijd ingeschreven op het adres [b-straat 1] te [plaats] . Op dat adres heeft eveneens een doorzoeking plaatsgevonden. Daarbij is een factuur aangetroffen.[12] Het betreft een factuur van Seats en Sofas B.V. van 31 mei 2017 van € 2.199,00 die betrekking heeft op de aanschaf van onder meer meubels en kussens. De factuur is gericht aan [verdachte] met adres [b-straat 1] te [plaats] . Op 7 april 2017 is een aanbetaling van € 500,00 gedaan. Op 31 mei 2017 is het restant van € 1.699,00 contant voldaan.[13]
Verder is bij de aanhouding van de verdachte op 6 november 2017 een horloge aangetroffen. Het gaat om een Rolex Oyster Perpetual van het type Datejust met serienummer [0003] .[14] Er is onderzoek gedaan naar de echtheid van dat horloge. Gebleken is dat het horloge echt was en tussen de € 7.100,00 en € 10.500,00 waard is.[15] Ten slotte zijn onder de verdachte nog andere geldbedragen en luxe goederen inbeslaggenomen, deze staan op de beslaglijst, die als bijlage I aan dit arrest is gehecht.
Beoordeling
Het hof stelt vast dat op grond van het procesdossier en het onderzoek ter terechtzitting niet kan worden vastgesteld uit welk(e) gronddelict(en) bovengenoemde geldbedragen afkomstig zijn. Daarmee is naar bestendige jurisprudentie ter zake van witwassen het zogenoemde zes-stappenplan van toepassing.
Naar vaste rechtspraak van de Hoge Raad kan, indien op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen met een bepaald misdrijf, niettemin bewezen worden geacht dat een voorwerp “afkomstig is uit enig misdrijf” als het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. Het is daarbij aan het openbaar ministerie bewijs aan te dragen van dergelijke feiten en omstandigheden. Indien de door het openbaar ministerie aangedragen feiten en omstandigheden een vermoeden rechtvaardigen dat het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is, mag van de verdachte worden verlangd dat hij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is. De omstandigheid dat deze verklaring van de verdachte mag worden verlangd, houdt niet in dat het aan de verdachte is om aannemelijk te maken dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is. Als de verdachte zo’n verklaring geeft, ligt het op de weg van het openbaar ministerie nader onderzoek te doen naar die verklaring. De rechter zal dan mede op basis van de resultaten van dat onderzoek moeten beoordelen of ondanks de verklaring van de verdachte het witwassen bewezen kan worden op de grond dat (het niet anders kan zijn dan dat) het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. Indien een dergelijke verklaring uitblijft, mag de rechter die omstandigheid betrekken in zijn overwegingen omtrent het bewijs (Vgl. ECLI:NL:HR:2018:2352 en ECLI:NL:HR:2024:1153).
De tweede stap van het stappenplan ziet op de vraag of op grond van de feiten en omstandigheden uit het dossier sprake is van een gerechtvaardigd vermoeden van witwassen.
Uit het dossier blijkt dat de verdachte beschikt over onverklaarbaar vermogen. De verdachte en zijn vriendin hebben een inkomen op uitkeringsniveau en beschikken over bankrekeningen met een nihil of negatief saldo.[16] Desondanks is er, nog los van de contante betalingen, in de periode van 5 januari 2016 tot en met 30 oktober 2017 een bedrag van in totaal € 108.037,00 contant geld op de twee rekeningen van de verdachte gestort.[17] Gelet hierop is er naar het oordeel van het hof sprake van een gerechtvaardigd vermoeden van witwassen en ligt het op de weg van de verdachte om een concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring te geven voor de herkomst van deze geldbedragen.
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat niet bewezen kan worden dat de op de bankrekening van de verdachte gestorte contante geldbedragen van misdrijf afkomstig zijn. Het geld was deels afkomstig van de verkoop van onroerend goed in Suriname en deels afkomstig van de (biologische) vader van de verdachte. Ook heeft de verdachte € 12.500,00 geleend van zijn schoonzus en € 30.000,00 in contanten geleend van [medeverdachte] . Het hof overweegt ten aanzien van deze verklaringen als volgt.
Verkoop van een perceel in Suriname
De verdachte heeft allereerst in een in december 2017 opgestelde schriftelijke verklaring gesteld dat hij een bedrag ter grootte van € 87.600,00 heeft ontvangen van [betrokkene 2] , in verband met de verkoop van het huis van zijn stiefvader in Suriname. Daarbij heeft hij het geld in ontvangst genomen voor zijn stiefvader ( [betrokkene 3] ) vanwege diens gezondheidsproblemen. Hij heeft het geld zonder diens medeweten uitgegeven. Tevens heeft de verdachte een schriftelijke verklaring van [betrokkene 2] , gedateerd 18 december 2017, overgelegd die zijn verklaring ondersteunt. Het merendeel van de vragen van de politie aangaande deze verklaringen heeft de verdachte echter niet beantwoord. Ter zitting in eerste aanleg heeft de verdachte desgevraagd verklaard dat hij niet wil zeggen hoe het geld bij hem terecht kwam, niet wil verklaren over het verschil tussen het bedrag dat hij heeft ontvangen en het bedrag waarvoor het stuk grond is verkocht en alleen wil bevestigen dat hij het geld contant in delen heeft ontvangen en heeft gestort op zijn rekening. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte desgevraagd verklaard dat [betrokkene 2] het geld contant in delen vanuit Suriname aan kennissen heeft meegegeven. De verdachte heeft geen identiteitsgegevens willen geven van de kennissen die het geld van Suriname naar Nederland zouden hebben overgebracht. De verdachte heeft ook niet willen verklaren hoe lang het heeft geduurd voordat hij het volledige bedrag had ontvangen, hoeveel betalingen er zijn geweest en met welke regelmaat, of hoe groot de bedragen waren die hij ontving. Hij heeft alleen bevestigd dat deze bedragen steeds onder de aangiftegrens voor liquide middelen bleven.
De verdachte heeft aldus grotendeels geweigerd om concrete antwoorden te geven op vragen die handvatten zouden bieden voor nader onderzoek. Dit brengt mee dat de verdachte elke verifieerbaarheid aan zijn verklaring omtrent de herkomst van dit geldbedrag heeft onthouden. Het hof merkt voorts op dat [betrokkene 3] zelf de verklaring van de verdachte voor zover op dit punt afgelegd, niet heeft ondersteund.
Daar komt nog bij dat de verdachte door de rechtbank tot een langdurige gevangenisstraf is veroordeeld en dat de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep heeft verklaard dat een dergelijke straf grote consequenties heeft voor zijn gezinsleden. Onder die omstandigheden is het onbegrijpelijk dat de verdachte niet meer openheid van zaken heeft willen geven omtrent transacties die naar zijn zeggen legaal zijn. Deze onwil legt het hof in het nadeel van de verdachte uit.
De verklaring van de verdachte kan op voornoemde gronden niet worden aangemerkt als een verklaring die het vermoeden van witwassen opzij zet, hetgeen overigens nog naar voren is gebracht doet daar niet aan af.
Op het voorwaardelijk verzoek van de raadsman om (alsnog) handschriftvergelijkend onderzoek te laten verrichten met betrekking tot de handtekening van [betrokkene 3] op de volmacht (DOC-078) hoeft niet te worden beslist, nu het hof niet tot het bewijs gebruikt dat [betrokkene 3] die volmacht niet zelf zou hebben getekend.
Financiële steun van (biologische) vader
De verdachte heeft in zijn schriftelijke verklaring gesteld dat zijn vader een succesvolle Afrikaanse zakenman is die hem financieel ondersteunt. Tevens heeft de verdachte een verklaring overgelegd van [getuige 1] , gedateerd 30 november 2017, waarin wordt bevestigd dat de verdachte zijn zoon is en vanuit Nigeria financiële ondersteuning van hem ontving. Op vragen van de politie aangaande deze verklaringen heeft de verdachte geen antwoord gegeven. Ter terechtzitting in eerste aanleg heeft de verdachte desgevraagd verklaard dat het klopt dat hij geld van zijn vader kreeg en dat hij dat contant kreeg. Voor de rest wilde hij er niets over zeggen. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte verklaard dat de financiële ondersteuning bestond uit bedragen van steeds rond de € 5.000,00 die in de periode van 2015 tot eind 2023 maandelijks via Hawala-bankieren aan hem werden uitbetaald. De verdachte haalde dit geld op bij verschillende belwinkels in Zuidoost. Meer informatie over deze belwinkels heeft de verdachte niet kunnen of willen geven.
Het hof is van oordeel dat - hoewel uiteindelijk wel in enigermate concreet - ook deze geschetste gang van zaken onvoldoende verifieerbaar is. De verdachte heeft ter onderbouwing van zijn verklaring geen andere stukken aangeleverd dan de verklaringen van hemzelf of zijn vader. Het verzoek tot het horen van [getuige 1] is toegewezen, maar de raadsheer-commissaris heeft deze getuige niet kunnen horen en uiteindelijk geoordeeld dat de getuige niet binnen aanvaardbare termijn gehoord kon worden. Het had op de weg van de verdachte gelegen om zijn vader - met wie hij naar eigen zeggen een goede band heeft - er op te attenderen dat er een rechtshulpverzoek was gedaan om hem te horen, dan wel tijdens één van de bezoeken die zijn vader in de afgelopen jaren aan Nederland zou hebben gebracht, te bevorderen dat deze getuige bij die gelegenheid kon worden gehoord. Ook de aard van Hawala-bankieren, ook bekend als ondergronds bankieren, maakt dat de gestelde maandelijkse transacties niet verifieerbaar zijn, helemaal niet nu de verdachte geen informatie over de betrokken belwinkels heeft verstrekt.
Ter terechtzitting kon de verdachte geen enkele foto laten zien waarop hij met zijn vader staat afgebeeld en de website van het bedrijf van de vader bleek niet te werken. Eerst ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte verklaard over de hoogte en de duur van de financiële ondersteuning en de wijze waarop die aan hem werd verstrekt. Ook strookt de door de verdachte opgegeven duur van de financiële ondersteuning, van 2015 tot eind 2023, niet met de voorafgaand aan de terechtzitting gemailde verklaring van [getuige 1] die verklaart dat hij de verdachte van 2015 tot 2017 financieel heeft ondersteund. Op grond van deze constateringen acht het hof de verklaring van de verdachte, naast niet verifieerbaar, ook hoogst onwaarschijnlijk.
Voor zover de verdachte stelt dat hij zich bepaalde zaken niet meer kan herinneren, omdat deze al langer geleden zijn gebeurd, merkt het hof op dat de onderhavige strafzaak al sinds eind 2017 loopt, toen naar mag worden aangenomen deze gebeurtenissen wel nog vers in de herinnering van de verdachte lagen. Destijds heeft de verdachte echter geen gebruik gemaakt van de gelegenheid om een verklaring af te leggen. Dientengevolge is ook deze witwasverdenking niet ontzenuwd.
Lening schoonzus voor de aanschaf van een KIA Sportage
Ten aanzien van de verklaring van de verdachte dat zijn partner een geldbedrag van haar zus heeft geleend voor de aanschaf van de KIA Sportage, overweegt het hof als volgt. In het dossier zit inderdaad een leningsovereenkomst van € 12.500,00 tussen [betrokkene 1] en haar zus [betrokkene 4] . Uit onderzoek naar de bankrekening van [betrokkene 4] blijkt echter ook dat er daarna in drie delen een bedrag van € 12.100,00 in contanten wordt gestort op haar rekening. De contante stortingen worden gedaan tussen 9 september 2016 en 9 november 2016 vanuit verschillende betaalautomaten in Amsterdam. In die periode dat de contante stortingen plaatsvinden staat [betrokkene 4] ingeschreven op een adres in Dublin. Voorgaande wekt de verdenking dat de verdachte en/of zijn partner verantwoordelijk zijn voor de contante stortingen op de bankrekening op naam van [betrokkene 4] . De verdachte weigert echter een verklaring af te leggen ten aanzien van de contante stortingen op de bankrekening van [betrokkene 4] .
Ter terechtzitting heeft de raadsman aangevoerd dat de lening is afbetaald met legale inkomsten uit de voornoemde verkoop van onroerend goed in Suriname dan wel financiële steun van de vader van de verdachte. Nu het hof deze verklaringen zoals hiervoor overwogen als niet voldoende concreet, niet verifieerbaar en hoogst onwaarschijnlijk terzijde schuift, is ook de witwasverdenking ten aanzien van deze contante betalingen niet voldoende ontzenuwd.
Lening van € 30.000,00 van [medeverdachte]
De verdachte heeft verklaard dat hij € 30.000,00 heeft geleend van [medeverdachte] , die het bedrag in één keer contant aan de verdachte heeft gegeven. In het dossier ziet het hof aanwijzingen dat de verdachte inderdaad geld van [medeverdachte] heeft geleend. Daarom geldt deze verklaring als een concrete, verifieerbare en niet hoogst onwaarschijnlijke verklaring. Dit bedrag aan legaal geld is in verhouding echter dusdanig gering, dat het mogelijk legale karakter daarvan door vermenging met het overige vermogen en de daarmee gedane uitgaven met dubieuze herkomst teniet wordt gedaan.
Ten aanzien van de overige onder zaak A feit 1 tenlastegelegde onderdelen heeft de raadsman geen bewijsverweer gevoerd, anders dan dat deze betalingen zouden zijn gedaan met het legaal geld afkomstig van financiële ondersteuning van de vader van de verdachte en de verkoop van het onroerend goed in Suriname. Hetgeen daarover eerder is overwogen geldt ook ten aanzien van deze onderdelen.
Conclusie
Gelet op het voorgaande kunnen de verklaringen van de verdachte - behalve ten aanzien van de lening van [medeverdachte] welke verklaring om een andere reden de verdachte geen soelaas kan bieden - niet worden aangemerkt als verklaringen die de vereiste maatstaf halen. Nu er sprake is van een vermoeden van witwassen en de verdachte geen concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring heeft gegeven voor de herkomst van deze gelden, is het hof van oordeel het niet anders kan zijn dan dat de contante stortingen op de bankrekeningen van de verdachte en de door hem gedane contante betalingen afkomstig zijn van enig misdrijf.
Het witwassen heeft een zodanige omvang en continuïteit gehad dat het hof bewezen acht dat de verdachte hiervan een gewoonte heeft gemaakt. Ten aanzien van de twee Rolex horloges is er sprake van een nauwe en bewuste samenwerking met medeverdachte [medeverdachte] , zodat het hof medeplegen ten aanzien van deze voorwerpen eveneens bewezen acht.
Voetnoten:
[1] AMB-001 van Mont du Chat II.
[2] AMB-007 van Mont du Chat II.
[3] AMB-055 van Mont du Chat II.
[4] AMB-043 van Mont du Chat II.
[5] DOC-007 van Mont du Chat II.
[6] DOC-008 van Mont du Chat II.
[7] V004-10 van Mont du Chat I.
[8] DOC-OIO van Mont du Chat II.
[9] AMB-048 van Mont du Chat II.
[10] AMB-048 van Mont du Chat II.
[11] DOC-013 van Mont du Chat II.
[12] AMB-043 van Mont du Chat II.
[13] DOC-053 van Mont du Chat II.
[14] AMB-015 van Mont du Chat II.
[15] MB-033 van Mont du Chat II.
[16] DOC-011 van Mont du Chat III.
[17] AMB-055van Mont Du Chat II.”
3.3
Aan het arrest is als bijlage een ‘Lijst van inbeslaggenomen voorwerpen’ gehecht. Daarop staan nog andere ‘luxe goederen’ vermeld dan horloges. Van deze horloges vermeldt de lijst verder niet de serienummers, dus ook niet het nummer [0002] .
3.4
De toelichting op het middel houdt in dat uit de bewijsvoering niet kan volgen dat de verdachte met de in de bewezenverklaring vermelde horloges de bewezenverklaarde witwashandelingen (verhullen herkomst en rechthebbende alsmede verwerven en voorhanden hebben) heeft medegepleegd. De klachten richten zich daarbij, zo begrijp ik, zowel tegen deze witwashandelingen als tegen het medeplegen.
3.5
Het middel slaagt. Het hof heeft kennelijk voor ogen gehad een PROMIS-arrest te wijzen, gelet op (onder meer) de wijze waarop het in een terstond uitgewerkt arrest de redengevende feiten en omstandigheden heeft vermeld waarop de bewezenverklaring steunt, met in de voetnoten een verwijzing naar de wettige bewijsmiddelen waaraan die feiten en omstandigheden zijn ontleend. [34] Afgezien van de vaststellingen dat i) het Rolex-horloge met serienummer [0003] bij de aanhouding van de verdachte is aangetroffen, echt is en tussen de € 7.100,00 en € 10.500,00 waard is, dat ii) bij de verdachte “nog andere (…) luxe goederen” inbeslaggenomen zijn, die op de aan het arrest gehechte beslaglijst staan vermeld, dat iii) voor (onder andere) de horloges geen bewijsverweer is gevoerd behalve de door het hof al verworpen stellingen over de legale herkomst van het geld waarover de verdachte kennelijk kon beschikken en dat iv) “ten aanzien van de twee Rolex horloges sprake [is] van en nauwe en bewuste samenwerking met medeverdachte [medeverdachte] ”, is de bewezenverklaring ten aanzien van deze horloges echter niet van enige motivering voorzien. Dat zou wellicht voldoende kunnen zijn voor de bewezenverklaring van het zelfstandig verrichten van de witwashandelingen verwerven en voorhanden hebben van het horloge met serienummer [0003] , maar niet voor het horloge met serienummer [0002] en voor de overige elementen van de bewezenverklaring met betrekking tot beide horloges. ’s Hofs motivering van dat onderdeel van de bewezenverklaring schiet dan ook tekort.

4.Het tweede door de verdachte voorgestelde middel

4.1
Omdat het eerste middel slaagt, behoeft het tweede middel, dat eveneens klaagt over de bewijsvoering van het in zaak A feit 1 bewezenverklaarde, geen bespreking.
4.2
Daarbij betrek ik dat het slagen van dit middel en van het door het OM voorgestelde middel al moet leiden tot vernietiging van de gehele bewezenverklaring van zaak A feit 1. Het hof heeft de tenlastelegging van dit feit immers niet zo begrepen dat daarin het afzonderlijk witwassen van de verschillende voorwerpen wordt tenlastegelegd, maar gewoontewitwassen bestaande uit de reeks van de vermelde voorwerpen. Dit volgt uit het oordeel van het hof dat het hoger beroep van de verdachte, ondanks art. 404 lid 5 Sv Pro, ook ontvankelijk is voor zover het is gericht tegen de vrijspraak door de rechtbank van het witwassen van de vijf horloges uit de erfenis van [naam 1] . Aan deze uitleg door het hof doet niet af dat het hof uiteindelijk het witwassen van de twee Rolex-horloges van de verdachte, naast het gewoontewitwassen, afzonderlijk bewezen heeft verklaard.

5.Afronding

5.1
Het door het OM voorgestelde middel en het eerste door de verdachte voorgestelde middel slagen. Het tweede door de verdachte voorgestelde middel kan buiten bespreking blijven. Indien de Hoge Raad anders oordeelt, ben ik graag bereid over dit tweede middel aanvullend te concluderen.
5.2
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
5.3
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de beslissingen ter zake van het in zaak A feit 1 tenlastegelegde en de strafoplegging, tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Amsterdam teneinde in zoverre op het bestaande beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

2.EHRM 17 september 2024, ECLI:CE:ECHR:2024:0917JUD001667822, (
3.EHRM (grote kamer) 12 juli 2013, ECLI:CE:ECHR:2013:0712JUD002542409 (
6.HR 30 maart 2004, ECLI:NL:HR:2004:AM2533, rov. 3.5.
7.HR 7 juni 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP2740, rov. 3.3.
8.EHRM 10 januari 2012, ECLI:CE:ECHR:2012:0110JUD003346803 (
9.EHRM 27 november 2003, ECLI:CE:ECHR:2003:1127DEC006290200 (
10.EHRM 8 oktober 2013, ECLI:CE:ECHR:2013:1008JUD002986403 (
11.EHRM 26 maart 1982, ECLI:CE:ECHR:1982:0326JUD000826978 (
12.EHRM 13 september 2016, ECLI:CE:ECHR:2016:0913JUD005054108 (
13.HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, rov. 3.12.1.
14.Vgl. HR 5 september 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU6712, rov. 7.2. In deze zin ook AG Aben in zijn conclusie van 21 februari 2023, randnrs. 22-43, die ook uitgebreid verwijst naar J.H.B. Bemelmans,
15.De rechtbank vermeldt op p. 2 van het vonnis dat voor de dood van [naam 1] een strafrechtelijk onderzoek naar hem was gestart, omdat hij ervan werd verdacht zich schuldig te maken aan witwassen. Dat jegens [naam 1] een handeling is verricht die als een daad van vervolging moet worden aangemerkt, blijkt daaruit echter niet.
20.EHRM 27 februari 2014, ECLI:CE:ECHR:2014:0227JUD001710310 (
21.EHRM 23 februari 2016, ECLI:CE:ECHR:2016:0223JUD004663213 (
22.EHRM 31 oktober 2017, ECLI:CE:ECHR:2017:1031JUD005679513 (
23.HR 7 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:839, rov. 2.4.
34.Zie HR 15 mei 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA0424.