Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
3.Beoordeling van het eerste en het derde cassatiemiddel
4.Beslissing
7 juni 2022.
Hoge Raad
De zaak betreft het cassatieberoep van een verdachte die wordt verdacht van het uitlokken van de moord op een Curaçaose politicus in 2013. Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie had de verdachte veroordeeld en daarbij ook overwegingen gemaakt over de rol van een mededader die niet gelijktijdig werd berecht. De verdediging stelde dat hierdoor de onschuldpresumptie was geschonden, mede door een persbericht dat het vonnis van de mededader begeleidde.
De Hoge Raad overweegt dat het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) heeft vastgesteld dat in complexe strafzaken met meerdere verdachten die niet gelijktijdig worden berecht, verwijzingen naar de rol van derden noodzakelijk kunnen zijn voor de beoordeling van de schuld van de verdachte. Daarbij mag niet meer worden gezegd dan nodig is en moet de onschuldpresumptie worden gerespecteerd.
Het Hof had toegelicht dat het vonnis en het persbericht slechts feiten vaststelden die relevant waren voor de beoordeling van de verdachte zelf, en dat gelijktijdige berechting niet mogelijk was omdat de verdachte in Venezuela verbleef. De Hoge Raad acht dit oordeel niet onbegrijpelijk en verwerpt het beroep. Ook het beroep op EU-richtlijn 2016/343 faalt omdat deze niet van toepassing is op Curaçao.
De Hoge Raad bevestigt daarmee dat het vonnis en het persbericht geen ongeoorloofde inbreuk maken op de onschuldpresumptie en dat het cassatieberoep faalt.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het vonnis van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie blijft in stand.