Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:PHR:2026:451

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
1 mei 2026
Publicatiedatum
30 april 2026
Zaaknummer
25/03752
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:253a BWArt. 1:255 lid 1 BWArt. 1:265a BWArt. 1:265b lid 1 BWArt. 827 lid 1 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling verzoek tot terugplaatsing kinderen na machtiging uithuisplaatsing en zorgregeling

In deze zaak zijn de minderjarige kinderen onder toezicht gesteld en op grond van een machtiging tot uithuisplaatsing bij de moeder geplaatst. De gecertificeerde instelling verzocht verlenging van de ondertoezichtstelling, zonder verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing. De vader verzocht zelfstandig om terugplaatsing van de kinderen bij hem, maar werd door de rechtbank niet-ontvankelijk verklaard. Het hof bekrachtigde deze beslissing en oordeelde dat de hoofdverblijfplaats in de procedure tot ontbinding van het geregistreerd partnerschap moet worden beslist.

De vader stelde in cassatie dat het hof ten onrechte zijn verzoek niet in behandeling nam en dat de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing noodzakelijk is om het verblijf bij de moeder te waarborgen. De Hoge Raad oordeelt dat het hof het verzoek van de vader niet als een hoofdverblijfplaatsverzoek heeft opgevat en dat de zorgregeling die het zwaartepunt van de zorg bij de moeder legt, een zelfstandige titel vormt voor het verblijf van de kinderen bij de moeder.

De Hoge Raad benadrukt dat het verstrijken van de machtiging tot uithuisplaatsing niet automatisch leidt tot terugplaatsing bij de vader indien een zorgregeling bestaat. De klachten van de vader falen omdat het hof het verzoek inhoudelijk heeft beoordeeld en terecht heeft geoordeeld dat de hoofdverblijfplaats in de ontbindingsprocedure wordt vastgesteld. Het cassatieberoep wordt verworpen.

Uitkomst: Het cassatieberoep van de vader wordt verworpen en het verzoek tot terugplaatsing van de kinderen bij hem wordt niet toegewezen.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer25/03752
Zitting1 mei 2026
CONCLUSIE
L.M. Coenraad
In de zaak
[de vader] , hierna: de vader,
verzoeker tot cassatie,
advocaat: mr. R.K. van der Brugge,
tegen
1. Stichting Jeugdbescherming west Zuid-Holland, hierna: de gecertificeerde instelling of de GI;
2. [de moeder] , hierna: de moeder,
verweersters in cassatie.

1.Inleiding en samenvatting

1.1
In deze zaak zijn de minderjarige kinderen van de vader en de moeder onder toezicht gesteld en enige tijd op grond van een machtiging tot uithuisplaatsing uit huis geplaatst geweest bij de moeder. In de onderhavige procedure heeft de gecertificeerde instelling de kinderrechter verzocht de ondertoezichtstelling te verlengen. Tussen de vader en de moeder speelt daarnaast ook een procedure inzake de ontbinding van hun geregistreerd partnerschap, waarin onder meer de kwestie van de hoofdverblijfplaats van de kinderen voorligt.
1.2
Het verzoek van de gecertificeerde instelling in de onderhavige procedure tot verlenging van de ondertoezichtstelling is niet gepaard gegaan met een verzoek tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing. Bij wege van zelfstandig verzoek heeft de vader in eerste aanleg, gelet op de aflopende termijn van de machtiging tot uithuisplaatsing bij de moeder, verzocht te gelasten dat de kinderen teruggaan naar hem. De kinderrechter heeft de vader in dat verzoek niet-ontvankelijk verklaard. Daartoe heeft de kinderrechter onder meer overwogen dat door de rechtbank een zorgregeling is vastgesteld, waarbij de kinderen bij de moeder wonen en eens per veertien dagen van vrijdag tot zondag bij de vader verblijven.
1.3
De vader is in hoger beroep gekomen van de beschikking van de kinderrechter. Het hof heeft geoordeeld dat het verzoek van de vader om te bepalen dat de kinderen bij hem worden teruggeplaatst, niet wordt toegewezen en het heeft de beschikking van de kinderrechter bekrachtigd.
1.4
De vader komt in cassatie op tegen het oordeel van het hof ten aanzien van zijn zelfstandig verzoek. Mijns inziens kunnen de klachten van de vader niet tot cassatie leiden. Na het verstrijken van de termijn van de machtiging tot uithuisplaatsing, is de zorgregeling – krachtens welke het zwaartepunt van de zorg bij de moeder ligt – de titel voor het verblijf van de minderjarigen bij de moeder. Het hof heeft het zelfstandig verzoek van de vader klaarblijkelijk niet opgevat en heeft het ook niet hoeven opvatten als een verzoek met betrekking tot de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen.

2.Feiten en procesverloop

Feiten [1]
2.1
De vader en de moeder zijn op 26 oktober 2020 een geregistreerd partnerschap met elkaar aangegaan.
2.2
Ten tijde van het geregistreerd partnerschap tussen de vader en de moeder zijn geboren:
- [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] 2021 te [plaats] , België; en
- [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] 2022 te [plaats] ,
hierna: de minderjarigen.
2.3
De vader en de moeder zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over de minderjarigen.
2.4
De minderjarigen wonen bij de moeder.
2.5
Bij beschikking van 18 januari 2024 [2] heeft de kinderrechter in de rechtbank Midden-Nederland de minderjarigen onder toezicht gesteld met ingang van 18 januari 2024 tot 18 januari 2025. Bij dezelfde beschikking heeft de kinderrechter de machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarigen voor verblijf elders, te weten een moederkindhuis, verlengd voor de duur van zes maanden, met ingang van 19 januari 2024 tot 19 juli 2024. [3]
2.6
Bij beschikking van 16 juli 2024 [4] heeft de kinderrechter in de rechtbank Midden-Nederland de machtiging om de minderjarigen gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen bij de moeder verlengd tot 18 januari 2025. Bij deze beschikking heeft de kinderrechter tevens de gecertificeerde instelling De Jeugd- & Gezinsbeschermers vervangen door de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming west.
2.7
Bij beschikking van 18 april 2025 [5] in de procedure die betrekking heeft op de ontbinding van het geregistreerd partnerschap heeft de rechtbank Midden-Nederland de voorlopige zorgregeling, zoals vastgesteld bij beschikking van 8 januari 2025, gehandhaafd en is het verzoek van de vader tot onmiddellijke terugplaatsing van de minderjarigen bij hem afgewezen.
Procesverloop [6]
2.8
Bij inleidend verzoekschrift, ingekomen bij de kinderrechter in de rechtbank Den Haag (hierna: de rechtbank) op 2 december 2024, heeft de GI de rechtbank verzocht de ondertoezichtstelling van de minderjarigen voor de duur van een jaar te verlengen en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
2.9
De vader heeft verweer gevoerd en heeft bij wege van zelfstandig verzoek de rechtbank verzocht te gelasten dat de minderjarigen per datum van de beschikking teruggaan naar de vader.
2.1
De moeder heeft geen verweer gevoerd tegen het verzoek van de GI en geen uitdrukkelijk verweer tegen het zelfstandig verzoek van de vader.
2.11
De mondelinge behandeling bij de rechtbank heeft plaatsgevonden op 9 januari 2025. Daarbij waren aanwezig een vertegenwoordiger van de GI, de vader met zijn advocaat en de advocaat van de moeder. Van de mondelinge behandeling is proces-verbaal opgemaakt.
2.12
Bij uitvoerbaar bij voorraad verklaarde beschikking van 9 januari 2025 [7] heeft de rechtbank de ondertoezichtstelling van de minderjarigen verlengd tot 18 januari 2026 en de vader niet-ontvankelijk verklaard in zijn zelfstandig verzoek.
2.13
Met betrekking tot het zelfstandig verzoek van de vader heeft de rechtbank in r.o. 5.4 overwogen:
“Ten aanzien van het zelfstandig verzoek van de vader overweegt de kinderrechter als volgt. Tijdens de zitting is gebleken dat de rechtbank in Utrecht op 12 december 2024 een zorgregeling heeft vastgesteld, waarbij de kinderen bij de moeder wonen en eens per veertien dagen van de vrijdag tot de zondag bij de vader verblijven. Gelet op het feit dat zowel de vader als de moeder het ouderlijk gezag over de kinderen uitoefenen, en het feit dat uit de zorgregeling blijkt dat het zwaartepunt van de zorgverdeling bij de moeder ligt, is een machtiging tot uithuisplaatsing bij de moeder niet noodzakelijk om dit verblijf te waarborgen. De kinderrechter zal de vader daarom niet-ontvankelijk verklaren in dit verzoek.”
2.14
De vader is van deze beschikking van de rechtbank in hoger beroep gekomen bij het hof Den Haag (hierna: het hof). De vader heeft daarbij het hof verzocht de beschikking van de rechtbank betreffende de verlenging van de ondertoezichtstelling te vernietigen en, opnieuw beschikkende, te bepalen dat de minderjarigen worden teruggeplaatst bij hem. [8]
2.15
De moeder en de GI hebben in hoger beroep verweer gevoerd.
2.16
De mondelinge behandeling bij het hof heeft op 2 mei 2025 plaatsgevonden. Daarbij zijn verschenen de vader, bijgestaan door zijn advocaat, de advocaat van de moeder en twee vertegenwoordigers van de GI. De advocaat van de vader heeft ter zitting een pleitnota overgelegd. Van de mondelinge behandeling is proces-verbaal opgemaakt.
2.17
Bij beschikking van 16 juli 2025 [9] heeft het hof de beschikking van de rechtbank van 9 januari 2025 bekrachtigd.
Met betrekking tot het verzoek van de vader om te bepalen dat de minderjarigen bij hem worden teruggeplaatst heeft het hof in r.o. 5.1 van zijn beschikking het volgende overwogen:
“5.1 Gelet op de overgelegde stukken en het verhandelde ter terechtzitting verenigt het hof zich met het oordeel van de rechtbank en de gronden waarop dat berust.
Ten aanzien van het verzoek van de vader om te bepalen dat de minderjarigen worden (terug)geplaatst bij de vader, is het hof van oordeel dat de beslissing over het hoofdverblijf van de minderjarigen genomen moet worden in de lopende procedure van partijen inzake de ontbinding van het geregistreerd partnerschap. Verder onderschrijft het hof het oordeel van de rechtbank dat een verlenging van de verleende machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarigen bij de moeder niet noodzakelijk is om het verblijf van de minderjarigen bij de moeder te waarborgen. Bij beschikking van de rechtbank Midden-Nederland van 8 januari 2025 is de voorlopige zorgregeling tussen de man en de minderjarigen – zoals vastgesteld in de beschikking van 2 juli 2024 – gewijzigd en bepaald dat de vader de minderjarigen één keer per twee weken vanaf vrijdagochtend tot zondagavond bij zich heeft. De rechtbank Midden-Nederland heeft in haar beschikking van 18 april 2025 deze voorlopige zorgregeling gehandhaafd. Hieruit volgt dat de feitelijke hoofdverblijfplaats van de minderjarigen bij de moeder is komen te liggen. Gelet op de overweging van de rechtbank, waarbij de rechtbank mede in aanmerking heeft genomen dat beide ouders het ouderlijk gezag uitoefenen en het zwaartepunt van de zorgregeling bij de moeder ligt, passeert het hof de stelling van de vader dat de beslissing om de uithuisplaatsing niet te verlengen onvoldoende gemotiveerd is. Dat de vader zich niet kan vinden in die beslissing doet aan het vorenstaande niet af. Het verzoek van de vader om de minderjarigen bij hem te plaatsen wordt gelet op dat wat hiervoor is overwogen, dan ook niet toegewezen.”
2.18
De vader heeft tijdig cassatieberoep ingesteld tegen de beschikking van het hof van 16 juli 2025 (hierna: de bestreden beschikking). De moeder en de GI hebben geen verweerschrift ingediend.

3.Bespreking van het cassatiemiddel

3.1
Het cassatiemiddel komt op tegen r.o. 5.1 en het dictum van de bestreden beschikking en klaagt erover dat het hof de beschikking van de rechtbank tot niet-ontvankelijkverklaring van de vader in zijn zelfstandige verzoek heeft bekrachtigd. Het middel bevat drie klachten.
3.2
De
eerste klacht(procesinleiding onder 1) gaat ervan uit dat zowel de rechtbank als het hof heeft overwogen en beslist dat de vader niet-ontvankelijk is in zijn verzoek om te bepalen dat de minderjarigen bij hem moeten worden teruggeplaatst, omdat in deze procedure over de verlenging van de ondertoezichtstelling geen beslissing door de rechter kan worden genomen over de hoofdverblijfplaats. Het hof en de rechtbank zijn ten onrechte van oordeel dat een beslissing over deze hoofdverblijfplaats alleen kan worden genomen in de lopende procedure tussen de vader en de moeder over de ontbinding van het geregistreerd partnerschap, aldus de eerste klacht.
3.3
In de
tweede klacht(procesinleiding onder 2) wordt geklaagd dat de overwegingen en beslissing van het hof tot niet-ontvankelijkverklaring van de vader in zijn zelfstandige verzoek tot terugplaatsing van de kinderen bij hem rechtens onjuist zijn en dat het hof dit verzoek ten onrechte niet in behandeling heeft genomen. Daartoe wordt aangevoerd dat in de procedure die gaat over de verlenging van de ondertoezichtstelling, terwijl geen verlenging van de eerder verleende machtiging tot uithuisplaatsing is verzocht, een gezaghebbende ouder wel ontvankelijk is in een verzoek tot terugplaatsing van de uithuisgeplaatste kinderen, welk verzoek daarom inhoudelijk moet worden beoordeeld en beslist door de rechter. Althans, aldus de klacht, een ouder is ontvankelijk in een dergelijk verzoek mits de andere gezaghebbende ouder in de procedure is opgeroepen als belanghebbende en daarom in de gelegenheid was om tegen een dergelijk verzoek verweer te voeren, zoals in deze zaak het geval is.
3.4
Wanneer de overwegingen en beslissingen van rechtbank en hof zo moeten worden begrepen dat het verzoek tot terugplaatsing van de kinderen bij de vader niet kan worden toegewezen omdat, kort gezegd, de bestaande voorlopige zorgregeling met zich brengt dat de feitelijke hoofdverblijfplaats van de kinderen en het zwaartepunt van de zorgregeling bij de gezaghebbende moeder zijn komen te liggen, zijn deze rechtens onjuist, dan wel onbegrijpelijk, aldus de
derde klacht(procesinleiding onder 3).
Deze klacht gaat er, net als de eerste klacht, van uit dat aan het hof een verzoek over de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen op grond van artikel 1:253a lid 1 en lid 2, aanhef en onder b, BW voorlag. Geklaagd wordt dat het hof ten onrechte niet aan de uit deze bepaling voortvloeiende maatstaf van het belang van het kind heeft getoetst, althans dat het hof een onbegrijpelijke beslissing heeft genomen gelet op de stellingen van de vader over het belang van de minderjarigen.
3.5
Bij de bespreking van de klachten stel ik het volgende voorop.
Uithuisplaatsing
3.6
Op grond van artikel 1:255 lid 1 BW Pro kan een minderjarige door de kinderrechter onder toezicht worden gesteld van een gecertificeerde instelling indien een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd en voorts aan de in die bepaling onder a en b vermelde gronden voor ondertoezichtstelling is voldaan.
3.7
In het kader van de uitvoering van een ondertoezichtstelling kan de maatregel van uithuisplaatsing aan de orde zijn. Indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid, kan de kinderrechter de gecertificeerde instelling die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen (art. 1:265b lid 1 BW). Artikel 1:265a BW spreekt van plaatsing “buiten het gezin”.
3.8
Als een minderjarige uit huis is geplaatst, bepaalt de gecertificeerde instelling – binnen de grenzen van de rechterlijke machtiging – de verblijfplaats van de minderjarige. [10] Dat kan bijvoorbeeld zijn bij een pleegouder of in een gezinshuis.
3.9
Uithuisplaatsing moet primair zijn gericht op hereniging van het kind met de ouders. Uitgangspunt is dan ook dat het kind zodra dat mogelijk is weer thuis geplaatst moet worden. Dat vloeit onder meer voort uit artikel 7 en Pro 9 IVRK en artikel 8 EVRM Pro, in het bijzonder het noodzakelijkheidscriterium. [11]
3.1
De machtiging tot uithuisplaatsing vormt de titel voor plaatsing van de minderjarige buiten het gezin. Dat brengt met zich dat als de machtiging door verstrijken van de geldigheidsduur eindigt, de minderjarige teruggeplaatst moet worden.
3.11
Als de ouders uit elkaar zijn, kan een minderjarige met een daartoe strekkende machtiging ook uit huis worden geplaatst bij de met het gezag belaste ouder bij wie de minderjarige niet zijn hoofdverblijf heeft. Dit volgt uit een uitspraak van de Hoge Raad – onder de voorloper van artikel 1:265b BW – uit 2011. [12] Ook onder het huidige recht wordt van de mogelijkheid tot uithuisplaatsing bij de andere ouder nog gebruik gemaakt, zo illustreert ook deze zaak. [13]
3.12
In het geval van uithuisplaatsing bij de andere ouder, verschaft de machtiging tot uithuisplaatsing de titel voor verblijf bij die ouder.
Zorgregeling en hoofdverblijfplaats
3.13
In een echtscheidingsbeschikking of de beschikking waarin een geregistreerd partnerschap wordt ontbonden, kan de rechter als nevenvoorziening onder meer voorzieningen treffen betreffende de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken over of de omgang met minderjarige kinderen van de echtgenoten en de vaststelling van de hoofdverblijfplaats van deze kinderen (zie art. 827 lid Pro 1, aanhef en onder c, BW voor het huwelijk, in verbinding met art. 828 Rv Pro waar het een geregistreerd partnerschap betreft).
3.14
Buiten de echtscheidingsprocedure respectievelijk de procedure tot ontbinding van het geregistreerd partnerschap kunnen ouders op grond van artikel 1:253a lid 1 BW een geschil omtrent de gezamenlijke uitoefening van het gezag voorleggen aan de rechtbank. De rechtbank kan ook een regeling vaststellen inzake de uitoefening van het ouderlijk gezag, die mede kan omvatten een toedeling aan ieder van de ouders van de zorg- en opvoedingstaken en een beslissing bij welke ouder het kind zijn hoofdverblijfplaats heeft (art. 1:253a lid 2, aanhef en onder a en b, BW). [14]
3.15
Als tijdens de uithuisplaatsing van een minderjarige bij een van de ouders een zorgregeling tot stand komt op grond waarvan het zwaartepunt van de zorg bij diezelfde ouder ligt, dan is er, naast de machtiging tot uithuisplaatsing, ook een andere titel op grond waarvan het kind, het merendeel van de tijd, bij die ouder verblijft. In dat geval brengt het eindigen van de machtiging tot uithuisplaatsing dus niet zonder meer met zich dat de minderjarige moet worden teruggeplaatst bij de ouder bij wie deze vóór de uithuisplaatsing woonde. [15]
Beoordeling zelfstandig verzoek van de vader door de rechtbank
3.16
Deze procedure is ingeleid met het verzoek van de GI strekkende tot verlenging van de ondertoezichtstelling. De vader heeft in deze procedure bij wijze van zelfstandig verzoek verzocht te gelasten dat de minderjarigen per datum beschikking teruggaan naar de vader.
3.17
De rechtbank heeft in haar beschikking van 9 januari 2025 hetgeen de vader in eerste aanleg aan dit verzoek ten grondslag heeft gelegd als volgt weergegeven:
“4.2. (…) De kinderen zijn door de uithuisplaatsing uit hun vertrouwde omgeving gehaald. Hierdoor heeft de vader zijn kinderen het afgelopen jaar weinig kunnen zien. Bovendien is het voor de vader lastig om met de kinderen te communiceren. De moeder spreekt alleen Russisch met de kinderen, waardoor zij geen Nederlands meer spreken. De moeder investeert dus niet in een langdurig verblijf in Nederland. De vader is bezorgd dat de moeder zich met de kinderen in Letland wil vestigen en stelt dat zij meerdere ontvoeringspogingen heeft gedaan. De vader stelt dat de kinderen meerdere keren hebben aangegeven dat zij bij de vader willen wonen. Het is in het belang van de kinderen om terug te keren naar de vertrouwde omgeving waarin zij zijn opgegroeid. Gelet op de aflopende termijn van de huidige machtiging tot uithuisplaatsing en het gebrek aan een verzoek tot verlenging van die machtiging zullen de kinderen op 18 januari 2025 terug naar de vader moeten.”
3.18
Uit de wijze waarop de rechtbank in r.o. 5.4 het zelfstandig verzoek van de vader heeft beoordeeld (zie hiervoor onder 2.13), valt af te leiden dat de rechtbank dit verzoek zo heeft begrepen dat de minderjarigen volgens de vader bij hem moeten worden teruggeplaatst om de enkele reden dat geen machtiging tot uithuisplaatsing meer geldt. Terugplaatsing dus als het logisch gevolg van het verstrijken van de termijn waarvoor de machtiging tot uithuisplaatsing is verleend (vgl. hiervoor onder 3.10).
3.19
De rechtbank heeft in r.o. 5.4, kort weergegeven, overwogen dat een zorgregeling is vastgesteld waarbij de kinderen bij de moeder wonen en eens per veertien dagen van de vrijdag tot de zondag bij de vader verblijven en dat een machtiging tot uithuisplaatsing bij de moeder dus niet noodzakelijk is om dit verblijf – bij de moeder [16] – te waarborgen. Mijns inziens is helder wat de rechtbank hier heeft bedoeld: nu er inmiddels een andere titel is voor het verblijf van de minderjarigen bij de moeder (een zorgregeling krachtens welke het zwaartepunt van de zorg bij de moeder ligt), is de machtiging tot uithuisplaatsing niet meer noodzakelijk als titel voor dat verblijf. En dus leidt het verstrijken van de duur van de machtiging tot uithuisplaatsing bij de moeder niet tot de door de vader gewenste conclusie dat de minderjarigen bij hem moeten worden teruggeplaatst (vgl. hiervoor onder 3.15).
3.2
Gelet op de motivering die de rechtbank aldus aan haar oordeel ten grondslag heeft gelegd, betreft het mijns inziens een afwijzing van het zelfstandig verzoek van de vader op materiële gronden. Hiermee strookt dan niet de niet-ontvankelijkverklaring van de vader in zijn zelfstandig verzoek waartoe de rechtbank in dit geval beslist. Voor die beslissing is immers slechts plaats in gevallen waarin de rechter op processuele gronden aan een inhoudelijke behandeling van de zaak niet toekomt. [17]
3.21
In de beschikking van de rechtbank zijn geen aanknopingspunten te vinden dat de rechtbank het verzoek van de vader tevens heeft opgevat als een verzoek op grond van artikel 1:253a lid 1 of lid 2, aanhef en onder b, BW om te beslissen dat de minderjarigen bij hem hun hoofdverblijfplaats hebben.
Beoordeling zelfstandig verzoek van de vader door het hof
3.22
De vader heeft in hoger beroep een grief gericht tegen het oordeel van de rechtbank met betrekking tot zijn zelfstandige verzoek en heeft andermaal verzocht te bepalen dat de minderjarigen bij hem worden teruggeplaatst. De vader heeft daarbij niet betoogd dat de rechtbank zijn verzoek te beperkt heeft opgevat.
3.23
Het hof heeft in de bestreden beschikking als volgt weergegeven wat de vader met betrekking tot zijn zelfstandig verzoek in hoger beroep naar voren heeft gebracht
“4.3 (…) Door de uithuisplaatsing zijn de minderjarigen uit hun vertrouwde omgeving gehaald. De vader ziet de minderjarigen, mede vanwege het stilleggen van de hulpverlening door de gecertificeerde instelling, vrijwel niet. Bij de rechtbank Midden-Nederland loopt momenteel een ontbindingsprocedure van het geregistreerd partnerschap, met als onderwerp van geschil onder meer de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen, de zorgregeling en de partner- en kinderalimentatie. De rechtbank heeft de zaak aangehouden, waardoor het feitelijk hoofdverblijf van de minderjarigen bij de moeder is komen te liggen. De vader benadrukt dat de hoofdverblijfplaats niet officieel is bekendgemaakt of vastgelegd in een beschikking. Ten aanzien van het hoofdverblijf is dus geen sprake van een bindende beslissing. Juridisch gezien is de overweging van de rechtbank onjuist dat het feitelijk verblijf van de minderjarigen bij de moeder met zich brengt dat een verlenging van de uithuisplaatsing bij de moeder niet nodig is. De gecertificeerde instelling schiet tekort in het naleven van de juiste juridische procedures. De machtiging tot uithuisplaatsing moet door de rechtbank formeel worden verlengd of opgeheven.
De vader betwist de stelling van de gecertificeerde instelling dat de zorgregeling in december 2024 is uitgebreid. Vanaf 16 juli 2024 tot heden is er niet gewerkt aan herstel van de omgang. De klacht van de vader ten aanzien van de onttrekking aan het ouderlijk gezag is gegrond verklaard. De vader wordt in het veiligheidsplan neergezet als een mogelijke bedreiging terwijl de moeder volledig buiten beeld blijft. De vader voelt zich gediscrimineerd. Hoor en wederhoor is essentieel en de door de gecertificeerde instelling getroffen maatregelen, zoals het beperken van de zorgregeling kunnen leiden tot ouderverstoting. De ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing zijn onterecht gebruikt om de moeder met de minderjarigen te laten verhuizen. Aan de vader, die mede het gezag over de minderjarigen heeft, is geen toestemming gevraagd voor de verhuizing. Bovendien voldoet de moeder niet aan de verplichting om de omgang tussen de minderjarigen en de vader te bevorderen. Niet gemotiveerd is waarom een terugkeer van de minderjarigen naar de vader geen mogelijkheid is. De vader is bang dat de moeder met de minderjarigen naar Letland wil vluchten. De minderjarigen hebben meermaals aangegeven niet bij de moeder te willen wonen. Dat de vader niet-ontvankelijk is verklaard in zijn zelfstandig verzoek kan hij niet volgen. Vóór de uithuisplaatsing verbleven de minderjarigen bij de vader. Aangezien er nu geen machtiging uithuisplaatsing meer is moeten de minderjarigen onmiddellijk terug naar de vader.”
3.24
Het hof heeft de advocaat van de vader ter zitting bevraagd over de grondslag van het verzoek. Daarop is door de advocaat geantwoord. Ik citeer de desbetreffende passages uit het proces-verbaal van de mondelinge behandeling: [18]
“De voorzitter: (…)
Mr. Woesthoff, u heeft verzocht om de kinderen terug te laten gaan naar de vader. Er is gezamenlijk gezag. Bij de rechtbank is niet het hoofdverblijf van de kinderen bepaald. Wat is de juridische grondslag voor uw verzoek dat de kinderen bij de vader geplaatst moeten worden ?
Mr. Woesthoff: Er is sinds de beschikking van 16 juli 2024 niets gedaan met betrekking tot terugplaatsing van de kinderen naar de vader. Er zijn geen gesprekken gevoerd. Er was geen vaste jeugdbeschermer dus de tijdelijke jeugdbeschermer was niet bevoegd om te beslissen dat de kinderen bij de moeder blijven. De mevrouw die bij de rechtbank verscheen was geen jeugdbeschermer.”
3.25
Uit het verweerschrift van de moeder in hoger beroep maak ik op dat zij het verzoek van de vader niet heeft opgevat als een verzoek op grond van artikel 1:253a BW tot bepaling van de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen bij hem.
3.26
Voor de GI ligt dat overigens mogelijk anders. De GI heeft immers in haar verweerschrift in hoger beroep onder meer naar voren gebracht dat de vader “(…) niet via de weg van beroep tegen de verlenging van de ondertoezichtstelling, kan vragen om wijziging van de hoofdverblijfplaats”. [19]
3.27
Het hof stelt bij zijn beoordeling voorop dat het zich heeft verenigd met het oordeel van de rechtbank en de gronden waarop dat berust. Ten aanzien van het zelfstandig verzoek van de vader tot terugplaatsing van de minderjarige bij hem heeft het hof de door de rechtbank gegeven motivering in zijn overweging overgenomen, in iets andere bewoordingen en op enkele punten aangevuld en geactualiseerd (r.o. 5.1).
3.28
Volgens mij heeft het hof daarbij wel onder ogen gezien dat die motivering afwijzing op een materiële grond behelst (anders dan de rechtbank, zie hiervoor onder 3.20). Het hof rept immers niet over de ontvankelijkheid van de vader in zijn verzoek, en komt aan het slot van r.o. 5.1 tot de slotsom dat het verzoek van de vader om de minderjarigen bij hem te plaatsen “niet [wordt] toegewezen”. Opgemerkt moet worden dat het hof in het dictum wel de beschikking van de rechtbank – waarin de rechtbank de vader niet-ontvankelijk heeft verklaard – heeft bekrachtigd, maar dat dictum moet worden gelezen in het licht van de overwegingen die daaraan ten grondslag zijn gelegd. [20]
3.29
In aanvulling op de door de rechtbank gegeven en door het hof overgenomen motivering heeft het hof verder in r.o. 5.1 van de bestreden beschikking overwogen “dat de beslissing over het hoofdverblijf van de minderjarigen genomen moet worden in de lopende procedure van partijen inzake de ontbinding van het geregistreerd partnerschap”. Ik begrijp deze overweging van het hof aldus dat, nu in die ontbindingsprocedure de kwestie van de hoofdverblijfplaats voorligt, [21] aldaar daarover moet worden beslist. Uit laatstgenoemde overweging laat zich mijns inziens dan ook niet afleiden dat het hof heeft aangenomen dat in onderhavige procedure een verzoek – op grond van artikel 1:253a lid 1 of lid 2, aanhef en onder b, BW – met betrekking tot de hoofdverblijfplaats voorligt. Ik ga er dan ook van uit dat het hof het zelfstandig verzoek van de vader niet heeft opgevat als een verzoek met betrekking tot de hoofdverblijfplaats op grond van artikel 1:253a BW. Deze uitleg door het hof van het zelfstandig verzoek van de vader is aan het hof als feitenrechter voorbehouden en is mijns inziens gelet op het voorgaande (onder 3.21-3.25) niet onbegrijpelijk.
Bespreking van de klachten
3.3
Ik keer terug naar de bespreking van de klachten. Deze stuiten mijns inziens alle af op het voorgaande.
3.31
Waar de
eerste klachtervan uitgaat dat het hof heeft geoordeeld dat in de onderhavige procedure over de verlenging van de ondertoezichtstelling van de minderjarigen, geen beslissing door de rechter kan worden genomen over de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen, faalt deze mijns inziens bij gebrek aan feitelijke grondslag. Een zodanig oordeel valt in de bestreden beschikking niet te lezen. Nu er geen reden is om aan te nemen dat het hof ervan is uitgegaan dat in de onderhavige procedure een verzoek betreffende de hoofdverblijfplaats voorlag waarop het moest beslissen (zie hiervoor onder 3.29), kan in de bestreden beschikking ook niet worden gelezen dat het hof van oordeel is dat in deze procedure geen beslissing door de rechter kan worden genomen over de hoofdverblijfplaats en dat een beslissing daarover alleen kan worden genomen in de lopende procedure over de ontbinding van het geregistreerd partnerschap. De overweging van het hof dat de beslissing over het hoofdverblijf moet worden genomen in de lopende procedure inzake de ontbinding van het geregistreerd partnerschap, moet mijns inziens integendeel zo worden verstaan dat, nu in die ontbindingsprocedure de kwestie van de hoofdverblijfplaats voorligt, aldaar daarover moet worden beslist.
3.32
Ook de
tweede klachtfaalt bij gebrek aan feitelijke grondslag. De klacht betoogt dat in een procedure als de onderhavige een verzoek van een gezaghebbende ouder tot terugplaatsing van de uithuisgeplaatste kinderen inhoudelijk beoordeeld moet worden en klaagt dat het hof dit (net de rechtbank) zou hebben miskend. Het hof heeft echter wel degelijk het verzoek tot terugplaatsing inhoudelijk beoordeeld en daarop beslist. Dat het hof de beschikking van de rechtbank, waarin de rechtbank de vader niet-ontvankelijk heeft verklaard in zijn verzoek, heeft bekrachtigd, noopt niet tot een andere conclusie (zie hiervoor onder 3.28).
3.33
In de
derde klachtwordt geklaagd dat het hof niet kenbaar aan de uit artikel 1:253a BW voortvloeiende maatstaf van het belang van het kind heeft getoetst althans een onbegrijpelijke beslissing heeft genomen gelet op de stellingen van de vader over het belang van de minderjarigen. Deze klacht faalt. De klacht ziet er immers aan voorbij dat het hof het zelfstandig verzoek van de vader klaarblijkelijk niet heeft opgevat en ook niet heeft hoeven opvatten als een verzoek op grond van artikel 1:253a lid 1 en lid 2, aanhef en onder b, BW met betrekking tot de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen (zie hiervoor onder 3.29).
3.34
De slotsom is dat het middel faalt.

4.Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G

Voetnoten

1.De feiten zijn ontleend aan r.o. 3.2-3.8 van de beschikking van het hof Den Haag van 16 juli 2025, ECLI:NL:GHDHA:2025:2163, tenzij anders vermeld.
2.Processtuk 1 in het procesdossier. Deze beschikking is niet gepubliceerd op rechtspraak.nl. Ik veronderstel dat deze beschikking van 18 januari 2024 als bijlage is gevoegd bij het inleidende verzoekschrift van de GI, waarin immers is vermeld dat de actuele beschikkingen m.b.t. de ondertoezichtstelling van de minderjarigen zijn opgenomen als bijlage 1. In ieder geval is deze beschikking overgelegd bij het appelschrift van de vader (zie op p. 3).
3.Uit de beschikking van 18 januari 2024 (r.o. 1.3) is op te maken dat deze is gevolgd op een beschikking van 12 januari 2024 waarin de kinderrechter de minderjarigen met ingang van 12 januari 2024 voorlopig onder toezicht heeft gesteld voor de duur van een week en een machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen bij de moeder heeft verleend voor de duur van een week, met aanhouding van de verzoeken voor het overige.
4.Productie 9 bij het appelschrift van de vader. Deze beschikking is verbeterd bij herstelbeschikking van 16 augustus 2024; zie productie 2 bij het verweerschrift in hoger beroep van de moeder. De beschikking van 16 juli 2024, zoals verbeterd bij beschikking van 16 augustus 2024, is niet gepubliceerd op rechtspraak.nl.
5.Productie 1 bij het verweerschrift in hoger beroep van de GI. Deze productie bevond zich aanvankelijk niet in het in cassatie overgelegde procesdossier. Op mijn verzoek is deze alsnog overgelegd.
6.Het procesverloop is opgenomen voor zover in cassatie van belang. Zie voor het volledige procesverloop de beschikking van de rechtbank Den Haag van 9 januari 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:698, r.o. 1.1-1.2 en de beschikking van het hof Den Haag van 16 juli 2025, ECLI:NL:GHDHA:2025:2163, r.o. 2.1-2.9.
8.Zie aldus r.o. 4.2 van de beschikking van het hof Den Haag van 16 juli 2025, ECLI:NL:GHDHA:2025:2163.
10.Zie HR 19 december 2025, ECLI:NL:HR:2025:1948,
11.Vgl. HR 17 oktober 2025, ECLI:NL:HR:2025:1570,
12.HR 14 oktober 2011, ECLI:NL:HR:2011:BR5151,
13.Vgl. ook de conclusie van voormalig plv. P-G Langemeijer (onder 2.5) voor HR 28 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1797,
14.Voor een nadere beschouwing over het begrip hoofdverblijfplaats en over de verhouding van dat begrip tot de zorgregeling verwijs ik naar mijn conclusie (onder 3.7 en 3.9 e.v.) voor HR 13 december 2024, ECLI:NL:HR:2024:1872,
15.Een soortgelijke situatie deed zich voor in de zaken die hebben geleid tot de beschikkingen van de Hoge Raad van 24 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1958 en ECLI:NL:HR:2021:1972 (beide afdoening met art. 81 lid 1 RO Pro). Daar werd op de voet van artikel 1:253a BW de hoofdverblijfplaats bepaald bij de ouder bij wie de minderjarige tot dan toe op grond van een machtiging tot uithuisplaatsing verbleef.
16.Zie aldus ook uitdrukkelijk, en in zoverre in cassatie onbestreden, het hof in r.o. 5.1 van de bestreden beschikking.
17.Vgl. HR 9 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM2337,
18.Het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in hoger beroep, p. 4, negende en tiende tekstblok.
19.Zie het verweerschrift van de GI in hoger beroep, p. 6, vijfde tekstblok.
20.Zie ook HR 13 maart 2020, ECLI:NL:HR:2020:425,
21.Zoals de vader in appel heeft gesteld (zie het appelschrift onder 15, p. 7), en zie daarover ook de weergave van het standpunt van de vader door het hof in de bestreden beschikking, r.o. 4.3. Dat in de ontbindingsprocedure ook de hoofdverblijfplaats voorligt, vindt voorts bevestiging in de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland van 18 april 2025, r.o. 3.2 en 3.6, naar welke beschikking het hof ook in de bestreden overweging verwijst.