Uitspraak
1.Procesverloop
2.Uitgangspunten en feiten
Hoofdverblijfplaats [de minderjarige]
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
13 december 2024.
Hoge Raad
De zaak betreft een geschil tussen de vader en moeder over de zorgregeling en hoofdverblijfplaats van hun minderjarige kind, geboren in 2011. De ouders oefenden gezamenlijk gezag uit, maar de minderjarige had haar hoofdverblijfplaats bij de moeder. De vader verzocht om wijziging van de zorgregeling en om de hoofdverblijfplaats bij hem vast te stellen, inclusief inschrijving van het kind in de basisregistratie personen (BRP) op zijn woonadres.
De rechtbank wees het verzoek van de vader af. Het hof vernietigde de zorgregeling van de rechtbank en stelde een beperkte zorgregeling vast waarbij de minderjarige deels bij de moeder verbleef, maar wees het verzoek tot wijziging van de hoofdverblijfplaats af. Het hof motiveerde dat een wijziging onwenselijk was vanwege mogelijke gevolgen voor kinderbijslag en alimentatie, en omdat het de relatie tussen moeder en kind recht zou doen.
De vader stelde cassatie in tegen het oordeel over de hoofdverblijfplaats en de BRP-inschrijving. De Hoge Raad oordeelde dat het hof onvoldoende had gemotiveerd waarom het verzoek tot inschrijving in de BRP op het woonadres van de vader werd afgewezen, terwijl de zorgregeling impliceert dat de minderjarige de meeste nachten bij de vader verblijft. Daarom vernietigde de Hoge Raad het arrest en verwees de zaak terug naar het hof voor nadere behandeling en beslissing.
De overige klachten van de vader werden niet ontvankelijk verklaard omdat zij niet van belang zijn voor de rechtsontwikkeling. De uitspraak werd gedaan door de civiele kamer van de Hoge Raad op 13 december 2024.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en verwijst de zaak terug voor nadere behandeling over de hoofdverblijfplaats en BRP-inschrijving van de minderjarige.