Conclusie
1.Inleiding
- In de zaak met parketnummer 01-167213-21:
1. “overtreding van artikel 5a van de Wegenverkeerswet 1994”
2. “overtreding van artikel 7, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994”
- In de zaak met parketnummer 01-224370-21:
1. “overtreding van artikel 163, zesde lid, van de Wegenverkeerswet 1994”
2. “opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod”
veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie maanden, en
3. “handelen in strijd met een in artikel 3 van Pro de Opiumwet gegeven verbod”
4. “overtreding van artikel 2:44 van Pro de Algemene plaatselijke verordening [plaats] 2016”,
5. overtreding van artikel 107, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994”
“overtreding van artikel 107, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994”
2.Bewezenverklaring en bewijsvoering
- de verlichting van zijn, verdachtes, voertuig te doven,
- meermalen met een snelheid van ongeveer (tenminste) 80 en 90 en 120 km/h, althans met een (aanzienlijk) hogere snelheid dan de ter plaatse voor dat voertuig toegestane maximumsnelheid van 30 of 50 km/h, in elk geval met een (aanzienlijk) hogere snelheid dan die voor een veilig verkeer ter plaatse geboden was, te rijden,
- meermalen rakelings langs geparkeerde voertuigen en een boom en een schutting te rijden,
- met een snelheid van ongeveer (tenminste) 40 km/h, in elk geval met een (aanzienlijk) hogere snelheid dan die voor een veilig verkeer ter plaatse geboden was, over een voetpad te rijden,
- niet te remmen bij kruispunten waar hij, verdachte, onvoldoende zicht had op het overige verkeer,
- met een snelheid van ongeveer (tenminste) 50 km/h, in elk geval met een (aanzienlijk) hogere snelheid dan die voor een veilig verkeer ter plaatse geboden was, tegen een trottoirpaal aan te rijden,
- met een snelheid van ongeveer (tenminste) 50 km/h, in elk geval met een (aanzienlijk) hogere snelheid dan die voor een veilig verkeer ter plaatse geboden was, door een park te rijden waar zich voetgangers bevonden, en/of
- met een snelheid van ongeveer (tenminste) 50 km/h, in elk geval met een (aanzienlijk) hogere snelheid dan die voor een veilig verkeer ter plaatse geboden was, tegen een appartementencomplex te rijden
door welke verkeersgedragingen van verdachte levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor (een) ander(en) te duchten was.”
1. Het proces-verbaal van bevindingen met proces-verbaalnummer 2021011953-3 d.d. 17 januari 2021 met bijlage (pagina’s 6-10), voor zover inhoudende als relaas van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] :
[straatnaam]inrijden. Aan het einde van [straatnaam] straat zagen wij hem rechtsaf [straatnaam] inrijden. Wij zagen dat [straatnaam] een smalle straat betrof waar zowel aan de linker als aan de rechterzijde voertuigen stonden geparkeerd. Wij zagen dat hij rakelings langs de geparkeerde voertuigen reed.
Beoordeling van de verkeersovertredingen aan de hand van de maatstaf van artikel 5a Wegenverkeerswet 1994.
3.Het middel
concreetgevaar te duchten moet zijn, en wat daartoe moet blijken uit de bewijsvoering van het hof.
Juridisch kader
“1. Het is een ieder verboden opzettelijk zich zodanig in het verkeer te gedragen dat de verkeersregels in ernstige mate worden geschonden, indien daarvan levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is. Als zodanige verkeersgedragingen kunnen de volgende gedragingen worden aangemerkt:
Stb.2019, 413). [3] Met de invoering van art. 5a WVW 1994 beoogde de wetgever het ‘strafgat’ tussen art. 5 WVW Pro 1994 (gevaarlijk rijgedrag zonder ernstige gevolgen) en art. 6 WVW Pro 1994 (gevaarlijk rijgedrag met ernstige gevolgen, mits sprake van schuld) te dichten, middels een bepaling die
zeergevaarlijk rijgedrag
zonder(ernstige) gevolgen als misdrijf bestraft. [4]
in de regelgeen sprake zal zijn indien zich
doorgaansgeen personen in de nabijheid van de plaats van dat handelen bevinden. Ik wijs in dit verband op het gebruik van de woorden «in de regel» en «doorgaans»; hieruit komt de casuïstische beoordeling naar voren die deze gevallen vergen. Of het gevaar naar algemene ervaringsregels in het concrete geval voorzienbaar is geweest, vergt een beoordeling van feiten en omstandigheden die is voorbehouden aan de rechter die over de feiten oordeelt. Als
in de regeleen bepaalde omstandigheid niet voldoende is om strafbaarheid aan te nemen, kunnen bijzondere omstandigheden van het geval dit anders maken. Het gaat erom dat de rechter dergelijke omstandigheden in ogenschouw neemt, benoemt, afweegt en motiveert waarom hij in het desbetreffende geval tot zijn oordeel komt. Met betrekking tot het voorbeeld van een dronken vrachtwagenchauffeur die op enig moment veel te hard rijdt, terwijl hij tijdens de rit niemand tegenkomt, zal het oordeel of sprake was van te duchten gevaar onder meer afhangen van de vraag waar en op welk tijdstip hij dit deed. Rijdt de dronken chauffeur overdag veel te hard door een woonwijk, langs een winkelcentrum of een school waar ook nog waarschuwingsborden zijn geplaatst voor overstekende kinderen, dan is voorstelbaar dat de rechter eerder tot het oordeel komt dat sprake was van te duchten gevaar in de zin van artikel 5a dan wanneer dit gedrag ’s nachts ver buiten de bebouwde kom plaatsvindt.
Vastgesteld behoeft niet zozeer te worden of zich daadwerkelijk personen in de nabijheid van het handelen hebben bevonden, maar of de chauffeur volgens algemene ervaringsregels kon voorzien dat zijn zeer gevaarlijke rijgedrag een reëel risico op de dood of zwaar lichamelijk letsel voor anderen inhield. Het aannemen van gevaar is niet in de eerste plaats afhankelijk van wat is gebleken of gevolgd, maar van wat men kon en moest voorzien op het moment van handelen, namelijk dat er een sterke mogelijkheid was op de verwezenlijking van datgene waarvoor het gevaar ontstaat (dood of letsel).” [7]