Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:2026:559

Hoge Raad

Datum uitspraak
7 april 2026
Publicatiedatum
3 april 2026
Zaaknummer
23/04884
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 lid 1 Wet op de rechterlijke organisatieArt. 6 lid 1 EVRMArt. 10a.1.3 OpiumwetArt. 10.4 Opiumwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vermindering gevangenisstraf wegens overschrijding redelijke termijn in zaak productie GHB

De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden inzake de voorhanden hebben van 937 liter GBL als voorbereidingshandeling voor de productie van GHB, strafbaar gesteld in de Opiumwet.

De verdachte werd veroordeeld, maar stelde cassatieberoep in tegen het oordeel van het hof, met name over het opzet en het bewijs van het voorhanden hebben van GBL. De advocaat-generaal concludeerde tot vernietiging van het arrest alleen voor de strafmaat, met vermindering van de gevangenisstraf.

De Hoge Raad oordeelde dat de klachten over het bewijs en het opzet niet tot vernietiging leiden en dat het hof terecht heeft geoordeeld. Wel werd vastgesteld dat de redelijke termijn van berechting was overschreden, waardoor de strafduur verminderd moest worden.

De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof uitsluitend voor de strafduur en vermindert de gevangenisstraf tot elf maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar. Het beroep wordt voor het overige verworpen.

Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd tot elf maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer23/04884
Datum7 april 2026
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 12 december 2023, nummer 21-004840-22, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1988,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben de advocaten N. van Schaik en H. Brentjes bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar alleen wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2.Beoordeling van de cassatiemiddelen

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof

De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van twaalf maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;
- vermindert deze in die zin dat deze elf maanden en drie weken, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren beloopt;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren M. Kuijer en C. Caminada, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
7 april 2026.