Conclusie
1.Inleiding
2.Het middel
schorst hierop het onderzoek tot de terechtzitting van 27 november 2023 te 10.10 uur, opdat de behandeling van de zaak dan voortgezet kan worden, en bepaalt dat voor de inhoudelijke behandeling van de zaak – tezamen met de inhoudelijke behandeling van de andere strafzaak tegen de verdachte met rolnummer 22-002707-22 – in totaal
30 minutendient te worden uitgetrokken;
bepaalde tijdwordt geschorst, wordt de verdachte indien die ter terechtzitting aanwezig is de nadere zittingsdatum aangezegd. Indien de verdachte niet ter terechtzitting aanwezig is, dient hij voor de nadere terechtzitting te worden opgeroepen. Dat laatste is niet altijd zo geweest. Tot 1963 ontving de niet aanwezige verdachte bij een schorsing voor bepaalde tijd geen oproeping. Alleen de niet aanwezige getuigen, deskundigen en tolken ontvingen officieel bericht omtrent de nadere behandeling. “De niet-aanwezige verdachte wordt verondersteld zich daarvan eigener beweging tijdig op de hoogte te stellen”, zo was de achterliggende gedachte. Dit werd niet langer wenselijk geacht, omdat het er “kennelijk vanuit (gaat) dat de afwezige verdachte altijd uit gebrek aan voldoende belangstelling voor zijn eigen strafzaak wegblijft en daarvan bij het verdere verloop dan ook maar de consequenties moet dragen.” Zijn afwezigheid kan echter niet in alle gevallen de verdachte worden verweten, zodat de ‘verdachte’ werd ingevoegd in art. 319 lid 2 Sv Pro. [2] Na een schorsing voor
onbepaalde tijddient de verdachte op grond van art. 320 lid 1 Sv Pro altijd te worden opgeroepen. Dus ook indien de verdachte aanwezig was op de eerdere zitting, omdat op dat moment de datum en tijd van de volgende terechtzitting nog niet bekend was. Ingevolge art. 320 lid 3 Sv Pro is art. 265 Sv Pro op die oproeping van de verdachte van overeenkomstige toepassing en geldt na schorsing voor onbepaalde tijd – en anders dan na schorsing voor bepaalde tijd – een minimale oproeptermijn. [3] Deze termijn is met betrekking tot de schorsing voor onbepaalde tijd blijkens de wetsgeschiedenis uitdrukkelijk als extra waarborg opgenomen, omdat over dat tijdstip, zeker bij de verdachte, geen onduidelijkheid mag bestaan. [4] Bij een schorsing voor bepaalde tijd kan navraag vlak na de terechtzitting daaromtrent reeds duidelijkheid verschaffen.