Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
4.Beslissing
12 mei 2026.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag over de vraag of bij schorsing van het onderzoek ter terechtzitting voor bepaalde tijd een oproepingstermijn van ten minste tien dagen in acht moet worden genomen.
Het onderzoek in hoger beroep werd op 8 november 2023 aangevangen en vervolgens geschorst tot 27 november 2023. De verdachte was op geen van beide terechtzittingen aanwezig. De verdediging stelde dat de oproeping voor de nadere terechtzitting niet voldeed aan de wettelijke termijn van tien dagen.
De Hoge Raad analyseerde de relevante wetsartikelen uit het Wetboek van Strafvordering en concludeerde dat de wet geen verplichting bevat om bij schorsing voor bepaalde tijd een oproepingstermijn van tien dagen in acht te nemen. Het cassatiemiddel faalde daarom.
Daarnaast oordeelde de Hoge Raad ambtshalve dat de redelijke termijn was overschreden, maar dat dit gezien de korte opgelegde gevangenisstraf van één maand geen aanleiding gaf tot een ander rechtsgevolg.
De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde daarmee het arrest van het gerechtshof.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde dat bij schorsing van het onderzoek voor bepaalde tijd geen oproepingstermijn van tien dagen geldt.