Conclusie
Inleiding
Het eerste middel
deelklacht 1);
deelklacht 2);
deelklacht 3) en
nadattot afgifte van de (opties tot) erfpachtrechten is overgegaan, zodat deze niet kunnen bijdragen aan de bewezenverklaring van oplichting (
deelklacht 4).
deelklacht 5) en
deelklacht 6).
1. Oplichting
indrukhebben gewekt dat zij,
[medeverdachte 2] ,zelf als eigenaar van [betrokkene 5] en [betrokkene 6] een project op de genoemde percelen wilde en ging ontwikkelen en
,zoals omschreven in het destijds geldende beleid, zoals omschreven in de brochure “optie ten behoeve van projecten voor commerciële, toeristische en industriële doeleinden” die daarvoor door de DIP was opgesteld en
heeftontwikkeld en verdachte en [medeverdachte 3] nimmer hebben gecontroleerd en/of onderzocht of aan de genoemde voorwaarden werd voldaan, en
personen en/of
aan die personen gelieerde rechtspersonen, namelijk:
voor deaanleg/bouw van een
gym,een toegangshek en
eenandere verbouwing aan zijn woning (de tuin) aan de [a-straat 1] ,
was/konzijn bij het nemen van beslissingen in relatie tot voormelde (rechts)personen als in het geval dat hij die giften, niet had aangenomen;
Bewijsoverwegingen
omdat zij de persoon was die de contacten had met de minister.Daarnaast blijkt ook uit de Sale and Purchase agreement (SPA) tussen [medeverdachte 2] en de koper van de aandelen in [betrokkene 5] dat zij zijn overeengekomen dat [medeverdachte 2] zich – ná de verkoop van de aandelen –
via haar contacten met de overheid en/of de ministerzal inspannen om te assisteren en mee te werken aan het verkrijgen van de benodigde vergunningen en, indien nodig, een verlenging van het optierecht.
bewogen tot afgiftevan enig goed. Of daarvan sprake is, hangt af – zo blijkt uit het overzichtsarrest van de Hoge Raad over oplichting – van enerzijds de mate waarin de in het algemeen in het maatschappelijk verkeer vereiste omzichtigheid het beoogde slachtoffer aanleiding had moeten geven de onjuiste voorstelling van zaken te onderkennen of zich daardoor niet te laten bedriegen, en anderzijds de persoonlijkheid van het slachtoffer, waarbij onder meer de leeftijd en de verstandelijke vermogens van het slachtoffer een rol kunnen spelen. Oplichting is niet aan de orde als het slachtoffer “– gelet op alle omstandigheden van het geval, waaronder de eigen gedragingen en kennis van zaken – de in een bepaalde gedraging van de verdachte besloten liggende onjuiste voorstelling van zaken had moeten doorzien.” [2]
het land Arubaheeft opgelicht en heeft in zijn bewijsoverwegingen geconcludeerd dat de verdachte en [medeverdachte 2] , “in nauwe en bewuste samenwerking, een werkwijze hebben opgezet waarbij aan het Land een valse voorstelling van zaken werd gegeven, waardoor het Land is bewogen tot de afgifte van een tweetal optie- en later erfpachtrechten aan partijen die, anders dan werd voorgespiegeld, niet uit waren op ontwikkeling van de desbetreffende percelen, maar slechts op het te gelde maken van de te verkrijgen optierechten, dit met het doel om er zelf beter van te worden”. Het Hof heeft kennelijk en niet onbegrijpelijk gemeend dat andere personen die voor het Land Aruba werken, te weten medewerkers van DIP, door de verdachte en [medeverdachte 2] zijn bewogen tot afgifte van de optie- en erfpachtrechten en dat
daarmeede publiekrechtelijke rechtspersoon Land Aruba is bewogen tot afgifte. Deze benadering sluit aan bij de rechtspraak van de Hoge Raad, nu daaruit lijkt te volgen dat hoewel een rechtspersoon kan worden bewogen tot afgifte, hiervoor is vereist dat de natuurlijke personen die als organen van de rechtspersoon handelden daadwerkelijk tot afgifte zijn gedwongen. Ook het overzichtsarrest over oplichting wijst in die richting, nu de Hoge Raad daarin refereert aan de persoonlijkheid, leeftijd en verstandelijke vermogens van het slachtoffer, welke een rechtspersoon niet bezit. [4]
i)de oplichtingshandelingen van zijn medeverdachte(n) en
ii)de omstandigheid dat door [medeverdachte 3] en/of DIP niet werd onderzocht of de aanvragen voldeden aan de voorwaarden die daarvoor golden.
1.6Geschrift, zijnde een ‘share purchase agreement’ van 22 januari 2014, overdracht aandelen in [betrokkene 6] aan verdachte [medeverdachte 2] :
(het Hof begrijpt: de minister ROII, [verdachte] )[verdachte]
.
het Hof begrijpt: handtekening van de minister van ROII, dhr. [verdachte]) [verdachte] op datum 27 januari 2015
(het Hof begrijpt: [verdachte] )op 27 januari 2015.
het Hof begrijpt: minister van ROII, [verdachte] ”) en datum 14 augustus 2015
(Het Hof begrijpt: [medeverdachte 3] , mede gelet op de vermelding in de brief van MT/FFA)[medeverdachte 3] .
het Hof begrijpt minister van ROII: [verdachte] )[verdachte] met datum 30 oktober 2015.
het Hof begrijpt: minister van ROII, [verdachte] ”) [verdachte] .
het Hof begrijpt: minister van ROII, verdachte [verdachte] ”) [verdachte] .
4.Verklaringen getuigen
(het Hof begrijpt: als directeur van de DIP)een aanvrager gesproken heb, ik diegene doorverwijs naar de minister. Zodat diegene daar zijn aanvraagbrief inlevert. Wat ze er ook mee bedoelen is dat de minister mijn advies vraagt. De aanvraag wordt ook bij de DIP geregistreerd. Dat is de reguliere procedure. Bij de vorige minister
(het Hof begrijpt: [verdachte] )werd er direct een akkoord gegeven. Dat is wat ik gezien heb op brieven. Er werd geen advies gevraagd. Dat kan niet. Tenminste, niet als je als minister werkt volgens de deugdelijkheidsbeginselen, de beginselen van behoorlijk bestuur.
5.Verklaringen van (mede)verdachten
(Het Hof begrijpt: Het aanvraagformulier bij de DIP van [betrokkene 21] d.d. 10 december 2014),dan wordt de aanvraag gewoon in behandeling genomen. Na de optie dient de aanvrager namelijk ook al aan al deze voorwaarden te voldoen, dus dan komt dat gewoon later. Deze vereisten staan hier alleen op om alleen serieuze aanvragen te ontvangen.
Het Hof begrijpt: de brief van 22 januari 2015)opgemaakt. Dat kunt u zien aan achter het veld Team/Unit mijn initialen staan. Dus MT/FFA. Ik heb eentje ondertekend en de andere voorzien van mijn paraaf. Het advies met mijn handtekening wordt naar de minister verzonden.
Het Hof begrijpt: de brief van 22 januari 2015)wordt geplaatst.
(Het Hof begrijpt: van [betrokkene 6] )voor een commercieel terrein aan de [b-straat] nummer […] d.d. 15 maart 2014.
Het Hof begrijpt: de brief van 14 januari 2015)opgesteld en ondertekend. Ik heb deze brief met een bijlage gestuurd en die bijlage moet voorzien zijn van een akkoord van de minister.
carwashte ontwikkelen op het terrein waarop de optie ziet (bewijsmiddelen 1.26 en 1.27). Op 24 maart 2016 komt bij de verdachte een brief binnen die is ondertekend door [medeverdachte 3] en waarin staat dat er geen bezwaren bestaan tegen het verlenen van het recht van erfpacht op de percelen met als bestemming het optrekken, hebben en exploiteren van
een appartementengebouw annex winkelsen dat [betrokkene 5] voldaan heeft aan de voorwaarden (bewijsmiddel 1.28). [getuige 1] heeft hierover verklaard dat de discrepantie in beoogde bestemming had moeten leiden tot afwijzing van de aanvraag (bewijsmiddel 4.24). Op 1 april 2016 is echter de erfpachtovereenkomst, die als bestemming het exploiteren van een appartementengebouw annex winkels vermeldt, ondertekend door de minister en de werkneemster van [medeverdachte 2] , [betrokkene 14] (bewijsmiddel 1.29).
i)de verdachte wetenschap heeft gehad van de oplichtingshandelingen van zijn medeverdachte(n) en
ii)de omstandigheid dat door [medeverdachte 3] en/of DIP niet werd onderzocht of de aanvragen voldeden aan de voorwaarden die daarvoor golden.
voorde afgifte van de beschikkingen, heeft gewekt, namelijk dat zij de percelen zelf ging ontwikkelen. De bij de aanvragen aangekondigde gedetailleerde businessplannen met een schetsontwerp zijn nooit voorafgaand aan de optieverlening opgesteld en dus ook niet ingediend. De bewezenverklaring is op dit punt niet onvoldoende met redenen omkleed noch onbegrijpelijk.
kunnenzijn voor een bewezenverklaring in cassatie wordt ingegrepen. [11] Dat is in deze zaak niet het geval. Hoewel [getuige 1] in april 2014 en dus nog voordat de eerste van de in de bewezenverklaring genoemde aanvragen bij de DIP waren binnengekomen, is vertrokken, meen ik dat de verklaring van [getuige 1] wel degelijk redengevend zijn voor de bewezenverklaring. Hieruit blijkt immers dat het toetsen van aanvragen onder het ministerschap van de verdachte in sommige gevallen niet meer mocht plaatsvinden en dat hij, nu hij weigerde om op deze wijze te werken, aan de kant is gezet en dat [medeverdachte 3] wel de adviezen opstelde die [getuige 1] niet had willen opstellen. Ook blijkt uit de verklaringen van [getuige 1] dat een hechte relatie bestond tussen de verdachte en [medeverdachte 3] en dat [medeverdachte 3] het voor het zeggen had bij de DIP. Bovendien is aan [getuige 1] ook gevraagd naar de gang van zaken rondom de verlening van de beschikking aan [betrokkene 5] . Kennelijk zijn aan hem de ministeriële beschikking en de stukken die [betrokkene 5] ter onderbouwing van zijn aanvraag heeft ingediend, voorgelegd en is hem gevraagd naar zijn oordeel over de gang van zaken. Zijn antwoord dat de beschikking noemt dat de aanvraag ziet op een appartementencomplex, terwijl de stukken die zijn ingediend door de architect zien op een carwash en dat dit niet zou moeten worden goedgekeurd (zie bewijsmiddel 4.24), is redengevend voor de bewezenverklaring.
1.4Geschrift, zijnde een aanvraagbrief voor een erfpachtrecht d.d. 8 februari 2013 namens [M] :
(het Hof begrijpt: de minister ROII, [verdachte] )[verdachte]
.
10.Proces-verbaal 1ste verhoor verdachte [medeverdachte 1] :
Het tweede middel
gym, terwijl ten laste is gelegd dat deze betaling is gedaan voor de aanleg/bouw van een
sportschool. Daarnaast kan uit de bewijsmiddelen slechts volgen dat is betaald voor de koop en levering van een apparaat, hetgeen niet onder de beschrijving
bouw van een gymkan worden geschaard.
12.Proces-verbaal relaas zaaksdossier [medeverdachte 1] :
14.Proces-verbaal 10e verhoor [verdachte] :
Het derde middel
Verduistering
eengeldbedrag, toebehorende aan de stichting [Q] , welk geldbedrag verdachte als (feitelijk) beleidsbepaler/beheerder,
en(uiteindelijk) belanghebbende van die Stichting, onder zich heeft, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend,
namelijk:
22.Geschrift, zijnde een notariële akte “oprichting stichting [Q] ” d.d. 17 maart 2009:
23.Proces-verbaal relaas zaaksdossier [Q] :
(het Hof begrijpt: stichting [Q]bleek dat er op 9 juni 2015 een cheque ad Awg. 11.375,50 is uitgeschreven ten behoeve van [P] (hierna: [P] ).
24.Proces-verbaal 8ste verhoor verdachte [betrokkene 9] :
25.Proces-verbaal verhoor verdachte [betrokkene 28] :
10.3 Feit 5 (verduistering) inzake zaaksdossier [Q]
Slotsom