ECLI:NL:PHR:2026:146

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
3 februari 2026
Publicatiedatum
2 februari 2026
Zaaknummer
25/00080
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 326 SrArt. 2:305 SrAArt. 25a LUEArt. 25c LUE
Verwijzingen
16 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling minister voor medeplegen oplichting, passieve ambtelijke omkoping, misbruik functie en verduistering in Caribische zaak

De verdachte, voormalig minister van Ruimtelijke Ontwikkeling, Integratie en Infrastructuur van Aruba, is door het Gemeenschappelijk Hof van Justitie veroordeeld tot 48 maanden gevangenisstraf, waarvan 12 voorwaardelijk, wegens medeplegen van oplichting, passieve ambtelijke omkoping, misbruik van functie en verduistering. Het Hof stelde vast dat de verdachte samen met medeverdachte 2 en anderen een werkwijze hanteerde waarbij het Land Aruba werd misleid om opties en erfpachtrechten te verlenen aan vennootschappen die geen intentie hadden tot ontwikkeling, maar enkel tot doorverkoop.

De werkwijze bestond uit het snel en zonder toetsing verlenen van optierechten door de minister, waarbij aanvragen rechtstreeks bij hem werden ingediend en met zijn handtekening en de notitie "akkoord conform" werden goedgekeurd. Medeverdachte 2 gebruikte lege vennootschappen om de optierechten te verkrijgen en verkocht deze met aanzienlijke winst aan derden. De verdachte ontving giften in ruil voor voorkeursbehandelingen. Daarnaast verduisterde hij een geldbedrag van een stichting bestemd voor zijn verkiezingscampagne.

De verdediging voerde onder meer aan dat de verdachte niet als pleger en slachtoffer tegelijk kon worden aangemerkt, dat het aangaan van erfpachtovereenkomsten geen afgifte van goed was, en dat de verdachte geen wetenschap had van de oplichtingshandelingen. Deze verweren werden door het Hof verworpen. Het Hof oordeelde dat het Land als professionele partij niet de onjuiste voorstelling van zaken hoefde te doorzien en dat de verdachte en medeverdachte 2 het Land hebben opgelicht.

De Hoge Raad concludeert dat de middelen van cassatie falen en adviseert het cassatieberoep te verwerpen.

Uitkomst: De verdachte is veroordeeld tot 48 maanden gevangenisstraf, waarvan 12 voorwaardelijk, en ontzetting uit ambt en verkiesbaarheid voor zes jaar.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer25/00080 C
Zitting3 februari 2026
CONCLUSIE
D.J.M.W. Paridaens
In de zaak
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1965,
hierna: de verdachte.
1.
Inleiding
1.1 De verdachte is bij vonnis van 12 juli 2024 door het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba [1] (hierna: het Hof) wegens
- onder 1 “medeplegen van oplichting, meermalen gepleegd”,
- onder 3 “als ambtenaar een gift aannemen wetende of redelijkerwijs vermoedende dat deze hem of een ander gedaan, verleend of aangeboden wordt teneinde hem te bewegen om, in strijd met zijn plicht, in zijn bediening iets te doen of na te laten, meermalen gepleegd, en als ambtenaar een gift aannemen wetende of redelijkerwijs vermoedende dat deze hem of een ander gedaan, verleend of aangeboden wordt naar aanleiding van hetgeen door hem, in strijd met zijn plicht, in zijn huidige bediening is gedaan, meermalen gepleegd”.
- onder 4 “als ambtenaar opzettelijk met misbruik van zijn functie of positie iets doen of nalaten iets te doen ten einde enig voordeel voor hem of een ander te verkrijgen, meermalen gepleegd”,
- onder 5 “verduistering”
veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 48 maanden, waarvan 12 voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren, met aftrek van voorarrest. Verder heeft het Hof de verdachte ontzet van het recht om het ambt van ambtenaar te bekleden en van het recht om verkozen te worden als lid van de algemeen vertegenwoordigde organen, telkens voor de duur van zes jaren.
1.2 Er bestaat samenhang met de zaken 24/02922 C en 25/00078 C. In deze zaken zal ik vandaag ook concluderen.
1.3 Namens de verdachte hebben R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo, beiden advocaat in Rotterdam, drie middelen van cassatie voorgesteld.
2.
Het eerste middel
2.1 Het eerste middel komt op tegen de bewezenverklaring onder 1, 3 en 4.
2.2 Ten aanzien van de onder 1 bewezenverklaarde oplichting wordt geklaagd dat:
- uit het vonnis volgt dat het Hof van oordeel is geweest dat de verdachte als vertegenwoordiger van het land Aruba degene is die door oplichting tot afgifte is bewogen, zodat onjuist, althans onbegrijpelijk is dat het Hof verder heeft geoordeeld dat de verdachte samen met anderen de oplichting heeft gepleegd (
deelklacht 1);
- het aangaan van een overeenkomst tot vestiging van erfpacht niet kan worden beschouwd als afgifte van enig goed (
deelklacht 2);
- uit de bewijsvoering niet kan blijken dat de verdachte wetenschap heeft gehad van de oplichtingshandelingen van zijn medeverdachten en deze heeft medegepleegd (
deelklacht 3) en
- de in de bewezenverklaring genoemde handelingen van de verdachte mede hebben bestaan uit gedragingen die zijn verricht
nadattot afgifte van de (opties tot) erfpachtrechten is overgegaan, zodat deze niet kunnen bijdragen aan de bewezenverklaring van oplichting (
deelklacht 4).
2.3 Daarnaast wordt ten aanzien van het onder 1, 3 en 4 bewezenverklaarde nog geklaagd dat:
- het Hof een aantal verklaringen van [getuige 1] voor het bewijs heeft gebezigd, terwijl deze getuige slechts werkzaam is geweest bij de Dienst Infrastructurele Projecten (hierna: DIP) tot april 2014; zijn verklaringen kunnen dus niet redengevend zijn voor de rest van de bewezenverklaarde periode (
deelklacht 5) en
vi) het Hof, naast de verklaring van [getuige 1] , ook andere bewijsmiddelen heeft gebezigd die niet redengevend kunnen zijn voor de bewezenverklaring, omdat zij omstandigheden behelzen die (ruim) voor de bewezenverklaarde periode hebben plaatsgevonden (
deelklacht 6).
2.4 Ten laste van de verdachte is onder 1, 3 en 4 bewezenverklaard:

1. Oplichting
hij op meer tijdstippen in de periode van 15 februari 2014 tot en met maart 2017 te Aruba tezamen en in vereniging met een of meer anderen, meermalen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, het land Aruba, heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, te weten:
(zaaksdossier [betrokkene 5] )
- de afgifte van een Ministeriële Beschikking waarbij een optierecht op twee percelen domeingrond gelegen te [locatie 1] , kadastraal bekend als T- […] en T- […] , wordt verleend en/of
- het aangaan van een overeenkomst met [betrokkene 5] tot vestiging van erfpacht op de percelen gelegen te [locatie 1] , kadastraal bekend als T- […] en T- […] ,
(zaaksdossier [betrokkene 6] )
- de afgifte van een Ministeriële Beschikking waarbij een optierecht op het perceel, kadastraal bekend als K- […] te [locatie 2] , wordt verleend en/of
- het aangaan van een overeenkomst met [betrokkene 6] tot vestiging van erfpacht op het perceel, kadastraal bekend als K- […] te [locatie 2] ,
hebbende hij, verdachte en/of zijn medeverdachte(n), (telkens) met bovenomschreven oogmerk, zakelijk weergegeven, valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid als volgt gehandeld:
- namens [betrokkene 5] en [betrokkene 6] zijn aanvragen voor het verkrijgen van een erfpacht op genoemde percelen ingediend en
- namens [betrokkene 5] en [betrokkene 6] stukken ingediend ter onderbouwing van deze aanvragen waarmee zij valselijk de
indrukhebben gewekt dat zij,
[medeverdachte 2] ,zelf als eigenaar van [betrokkene 5] en [betrokkene 6] een project op de genoemde percelen wilde en ging ontwikkelen en
- verdachte heeft geld ontvangen van [medeverdachte 2] en
- door [medeverdachte 3] en/of de Directie infrastructuur & Planning (DIP) werd niet onderzocht of deze aanvragen voldeden aan de voorwaarden
,zoals omschreven in het destijds geldende beleid, zoals omschreven in de brochure “optie ten behoeve van projecten voor commerciële, toeristische en industriële doeleinden” die daarvoor door de DIP was opgesteld en
- door verdachte werd niet onderzocht of getoetst of deze aanvragen voldeden aan genoemde voorwaarden voor de optieverlening en/of erfpachtvestiging en werden deze aanvragen op dezelfde dag althans zeer korte tijd na binnenkomst van de aanvragen geaccordeerd door verdachte en ter verdere afhandeling naar [medeverdachte 3] gestuurd en
- door [medeverdachte 3] werd vervolgens medewerking verleend aan het akkoord geven door verdachte op genoemde aanvragen en een Ministeriële Beschikking voor een optierecht en/of een overeenkomst tot vestiging van erfpacht opgesteld met betrekking tot genoemde percelen en ter accordering en ondertekening aan verdachte voorgelegd, en
- door verdachte werd een Ministeriële Beschikking voor een optierecht verleend aan en namens het land Aruba een overeenkomst tot vestiging erfpacht aangegaan met [betrokkene 5] en [betrokkene 6] met betrekking tot genoemde percelen,
waardoor de aandelen in en de waarde van de bedrijven [betrokkene 5] en [betrokkene 6] van [medeverdachte 2] aanzienlijk stegen en/of [medeverdachte 2] aanzienlijk werd verrijkt terwijl [medeverdachte 2] nimmer de intentie had de projecten zelf uit te voeren en de percelen zelf te ontwikkelen en de percelen ook nimmer zelf
heeftontwikkeld en verdachte en [medeverdachte 3] nimmer hebben gecontroleerd en/of onderzocht of aan de genoemde voorwaarden werd voldaan, en
aldus doende heeft verdachte zich voorgedaan als een betrouwbare en integere Minister van Ruimtelijke Ontwikkeling, Integratie en Infrastructuur, waardoor het land Aruba werd bewogen tot de afgifte van bovengenoemde goederen.
3. Passieve omkoping
hij op meer tijdstippen in de periode van 15 februari 2014 tot en met 19 oktober 2019 te Aruba in zijn hoedanigheid van Minister van Infrastructuur, Integratie en Ruimtelijke Ordening van
personen en/of
aan die personen gelieerde rechtspersonen, namelijk:
Zaaksdossier [betrokkene 5]
[medeverdachte 2] en
Zaaksdossier [medeverdachte 1]
en/of [A] NV
een of meer giften, namelijk,
een geldbedrag en betalingen
voor deaanleg/bouw van een
gym,een toegangshek en
eenandere verbouwing aan zijn woning (de tuin) aan de [a-straat 1] ,
heeft aangenomen
terwijl hij telkens wist, althans redelijkerwijs moest vermoeden dat deze giften, hem werden gedaan, teneinde hem te bewegen om, in strijd met zijn plicht, in zijn bediening iets te doen en ten gevolge of naar aanleiding van hetgeen door hem in strijd met zijn plicht, in zijn huidige bediening is gedaan
namelijk (telkens)
(a)
het verstrekken dan wel wijzigen van opties op (commerciële) erfpachtrechten en/of het uitvaardingen van Ministeriele beschikking waarbij een optie voor een erfpacht wordt verstrekt en/of het aangaan van een overeenkomst tot vestiging van een erfpacht door verdachte als Minister van Infrastructuur, Integratie en Ruimtelijke Ordening, althans het Land Aruba,
en/of
(b)
het (anders dan om zakelijke redenen) begunstigen en/of het geven van een voorkeursbehandeling aan voormelde (rechts)personen en/of het laten ontstaan, in stand houden, onderhouden en/of verbeteren van een relatie tussen hem en voormelde (rechts)personen waarin hij niet meer zo vrij, onbeïnvloed, onafhankelijk en/of objectief
was/konzijn bij het nemen van beslissingen in relatie tot voormelde (rechts)personen als in het geval dat hij die giften, niet had aangenomen;
4. Misbruik van functie
hij in de periode van 15 februari 2014 tot en met 1 september 2017 te Aruba, in zijn hoedanigheid van Minister van Ruimtelijke Ontwikkeling, Integratie en Infrastructuur, opzettelijk met misbruik van zijn functie iets heeft gedaan en/of heeft nagelaten te doen teneinde enig voordeel voor hem en/of een ander te verkrijgen, namelijk:
- giften aangenomen van [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 1] en/of [A] NV die hem werden gegeven met de bedoeling een voorkeursbehandeling te krijgen bij het verlenen en/of wijzigen van optierechten en/of erfpachtrechten
en/of
- een voorkeursbehandeling gegeven door een aanvraagbrief en/of een Ministeriele Beschikking voor het verlenen en/of wijzigen van een optierecht van erfpacht op de aangevraagde percelen zonder (enige) controle en/of (enig) onderzoek te (laten) verrichten om te controleren of deze aanvragen voldeden aan de in de (pre)optiefase gestelde voorwaarden geaccordeerd en/of ondertekend ten gunste van en/of
- een overeenkomst tot vestiging en/of wijziging van een erfpacht op de verzochte percelen aangegaan met
Zaaksdossier [betrokkene 5]
en/of [medeverdachte 2]
Zaaksdossier [betrokkene 6]
en/of [medeverdachte 2]
Zaaksdossier [medeverdachte 1]
en/of [betrokkene 7] en/of [A] NV en/of [C] NV en/of [E] en/of [B] en/of [D] N.V
waardoor aan genoemde perso(o)n(en) en/of bedrij(f)(ven) telkens een of meer optierecht(en) werd(en) verleend en/of gewijzigd en/of een erfpachtrecht werd(en) verstrekt en/of waardoor deze perso(o)n(en) en/of bedrijven onrechtvaardig en/of aanzienlijk werd(en) verrijkt.”
2.5 Het Hof heeft ten aanzien van het onder 1, 3 en 4 bewezenverklaarde overwogen (met weglating van een voetnoot):
“11.
Bewijsoverwegingen
11.1 Feit 1 (medeplegen van oplichting), 3 partieel (passieve omkoping) en 4 partieel (misbruik van functie) inzake zaaksdossiers [betrokkene 6] en [betrokkene 5]
De verdenking zoals weergegeven in de tenlastelegging, gelezen tegen de achtergrond van het dossier, is dat hij tezamen en in vereniging met de aan de AVP gelieerde en hem goed bekende [medeverdachte 2] (en de vennootschappen [betrokkene 6] en [betrokkene 5] , waarvan [medeverdachte 2] de aandelen hield) het Land Aruba heeft opgelicht, in die zin dat in onderlinge afstemming, volgens een zelfde werkwijze waaraan zij ieder hun bijdrage leverden, als volgt is gehandeld. [verdachte] heeft (tegen een wettelijk vastgesteld, relatief zeer laag tarief) op aanvraag van de (lege) vennootschappen van [medeverdachte 2] opties op de uitgifte van zogeheten commerciële percelen verleend. Daarbij werd niet onderzocht of aan de daarvoor gestelde voorwaarden werd voldaan. Ook werden daarbij stukken ingediend waarmee door [medeverdachte 2] /haar vennootschappen de indruk werd gewekt zij de intentie hadden om zelf projecten op de desbetreffende percelen te ontwikkelen, terwijl het eigenlijke doel was om, zodra de opties waren verleend, de aandelen van de vennootschappen te verkopen.
Op die manier zou het Land zijn bewogen tot afgifte van de optie en later het recht van erfpacht, en zou – zoals bij de verkoop van de aandelen van de vennootschappen aan derden op basis van de werkelijke marktwaarde van de desbetreffende opties bleek - de waarde van die aandelen aanzienlijk zijn gestegen, waardoor [medeverdachte 2] aanzienlijk is verrijkt, van welke verrijking ook [verdachte] heeft geprofiteerd. Het resultaat van deze werkwijze, waarbij genoemde vennootschappen – als lege huls - tussen de minister als optieverlener en de feitelijke ontwikkelaars van de percelen werden gepositioneerd, is dat de werkelijke ontwikkelaars een aanzienlijk hoger bedrag voor de optie/erfpachtrechten hebben moeten betalen dan het geval was geweest zonder de tussenkomst van deze vennootschappen, gelden die niet aan de te ontwikkelen projecten zelf hebben kunnen worden besteed, maar in de zak van [medeverdachte 2] en [verdachte] zelf zijn gevloeid.
Uitgifteproces opties
Alvorens in te gaan op de concrete gang van zaken in de desbetreffende zaaksdossiers acht het Hof het dienstig om het uitgifteproces van optie-/erfpachtrechten tijdens het bewind van [verdachte] als minister weer te geven.
Burgers en ondernemers die in aanmerking wensten te komen voor een erfpachtrecht op domeingrond moesten zich volgens artikel 4 Landsverordening Pro uitgifte eigendommen (LUE), met een verzoekschrift wenden tot de minister van Publieke Werken en Volksgezondheid. Ingevolge artikel 25a jo. 25c LUE werd een optie op een erfpachtrecht verleend onder de voorwaarden door de minister van Publieke Werken en Volksgezondheid in elk afzonderlijk geval te stellen. Het optierecht gaf de optiehouder het recht van eerste keuze om een erfpachtovereenkomst met het Land te sluiten voor een bepaald perceel. De betreffende minister, [verdachte] (na een herverdeling van portefeuilles), was op grond van de LUE eindverantwoordelijk en bevoegd om (commerciële) opties/erfpachtrechten op domeingrond uit te geven.
In 2006 is de Landsverordening Ruimtelijke Ontwikkeling (LRO) in werking getreden met als doel het gebruik van de grond en ruimte in Aruba beter te kunnen sturen. In deze Landsverordening werd de mogelijkheid geboden om een Ruimtelijk Ontwikkelingsplan (ROP) in te voeren, waarin de overheid de gewenste ontwikkeling voor de komende 10 jaar aan kon geven. In 2009 is het eerste ROP vastgesteld.
Het Hof stelt vast dat noch in de LUE, noch in de LRO, noch in het ROP 2009 wordt voorgeschreven aan welke eisen moest worden voldaan om in aanmerking te komen voor een optie-/erfpachtrecht.
In de ambtsperiode van [verdachte] was de Directie Infrastructuur en Planning (hierna: DIP) als ambtelijke organisatie belast met het in behandeling nemen en het begeleiden van het proces rondom de uitgifte van opties/erfpachtrechten. In de brochure van de DIP staat dat aanvragers hun verzoek moeten richten aan de minister van Onderwijs, Sociale Zaken en Infrastructuur, [verdachte] (na wederom een herverdeling van portefeuilles), door tussenkomst van de directeur van de DIP. Verder wordt in deze brochure weergegeven dat in het verzoek tot het verlenen van een optie de volgende punten moeten worden geadresseerd:
1. een beschrijving van het project (op twee A4-tjes);
2. type project;
3. de grootte van het benodigde terrein;
4. locatie voorkeur;
5. gemoeide investering;
6. wijze van financiering;
7. eventuele schetstekeningen.
Deze voorwaarden stonden ook vermeld op het formulier optie/erfpacht van de DIP. Na verlening van de optie dienden volgens deze brochure binnen de eerste optietermijn van zes maanden de volgende documenten ter goedkeuring aan de Minister te worden overgelegd:
a. een situatie-indeling (‘lay-out’) van het project;
b. de gedetailleerde bouwtekeningen;
c. een haalbaarheidsstudie;
d. een specificatie van de investering die met het project gemoeid is;
e. een omschrijving van de wijze waarop de financiering van het project zal geschieden en authentieke bewijsstukken dat deze financiering gegarandeerd is;
f. een bouwtijdschema;
g. een Milieu Effecten Rapport;
h. een Social Economic Impact Assessment.
[getuige 1] , vanaf 2010 tot april 2014 als team coördinator Instellingen, Commercie, Toerisme, Recreatie en ‘Niet-verleenbaar’ (verder: ICTRN) bij de DIP belast met commerciële terreinen, heeft verklaard dat dit beleid is opgesteld om grondspeculatie te voorkomen. [getuige 1] heeft bij de rechter-commissaris over de pre-optiefase, dus de fase voorafgaand aan de optieverlening, verklaard dat de DIP in die fase nog niet heel streng is, maar dat dit wel een belangrijke fase is waarin serieuze en niet-serieuze aanvragers worden gefilterd.
Getuige [getuige 2] , van 2005 tot en met 2010 directeur van de DIP, heeft over deze brochure verklaard: “Het is eigenlijk een standaard beleid dat al jaren ingevoerd is, al in 2008. Het probleem is niet dat er geen beleid is, het probleem is dat men zich niet aan het beleid houdt.”
Het Hof concludeert dat er weliswaar beleid bestond met betrekking tot de punten die in de aanvraag van een optie moesten worden geadresseerd en de voorwaarden waaraan binnen de eerste optiefase moest worden voldaan, maar dat noch de LUE, noch de LRO, noch het ROP, noch het beleid terzake optie/erfpacht aanvragen regels bevatten over de wijze waarop bij de verlening van opties op de uitgifte van gronden in erfpacht de keuze wordt gemaakt tussen verschillende in aanmerking komende aanvragers.
Dat dit, zoals door [verdachte] is betoogd, en ook in genoemde brochure staat vermeld, zonder aanzien des persoons gebeurde op basis van een systeem van ‘first in, first out’, in die zin dat de eerste in aanmerking komende optie-aanvraag voor een bepaald terrein werd toegewezen indien aan de optievoorwaarden werd voldaan, is in het geheel niet aannemelijk geworden. Buiten het feit dat zich geen enkel document of andere verklaring in het dossier bevindt waaruit dat zou kunnen worden afgeleid, wordt dit weersproken door de hierna te bespreken verklaringen van [getuige 1] , [medeverdachte 3] en [betrokkene 8] , waaruit volgt dat de minister in feite een discretionaire bevoegdheid had – en benutte - om tot optieverlening over te gaan aan de aanvrager van zijn keuze.
Dit blijkt ook uit een e-mailbericht van [betrokkene 9] , de Chief of Staff van [verdachte] , aan [medeverdachte 2] van 18 september 2014: “ [medeverdachte 2] , de terreinen die beschikbaar zijn: nummers 143, 144, 145 en 156. Volgens mij is elk ongeveer 5.000m2. Ik heb tegen [verdachte] en [medeverdachte 3] (Het Hof begrijpt: [verdachte] en [medeverdachte 3] ) gezegd om nummer […] voor jou te houden. Laat me weten of dat goed is en begin je brief op te stellen en doe een officiële aanvraag bij DIP.” Het Hof leidt hieruit af dat [verdachte] , [medeverdachte 3] en [betrokkene 9] samenwerkten bij het reserveren van specifieke percelen voor specifieke personen en dat deze niet op basis van first in, first out op eerlijke wijze aan aanvragers werden toebedeeld.
In de praktijk bestonden er twee routes voor de indiening van optie/erfpachtaanvragen:
 route 1: burgers/ondernemers vulden bij het kantoor van de DIP een aanvraagformulier voor een erfpachtrecht in;
 route 2: burgers/ondernemers wendden zich met een aanvraagbrief direct tot (het kantoor van) de minister, die een notitie op de brief zette, deze ondertekende en de verzoekbrief vervolgens doorstuurde naar de DIP.
Volgens getuige [betrokkene 8] , directeur van de DIP sinds 2018, wordt in de brochure over het indienen van verzoeken om een erfpachtrecht aan de minister bedoeld met “tussenkomst van de directeur van de DIP” dat een aanvraag die bij de directeur van de DIP binnenkomt wordt doorverwezen naar de minister en dat de minister bij een aanvraag die bij hem het advies van de directeur van de DIP vraagt.
In het geval de DIP op een aanvraag positief adviseerde, werd een concept van de ministeriële beschikking (hierna: MB) opgesteld waarin de optie aan de aanvrager werd verleend, waarna deze door de DIP met een begeleidende brief ter ondertekening naar de minister werd gestuurd. Hoewel het volgens [medeverdachte 3] niet gebruikelijk was om deze stukken met spoed naar (het bureau van) de minister te versturen, kon dat alleen op instructie van de minister.
Indien de minister de MB ondertekende, en daarmee de optie aan de aanvrager werd verleend, werd pas door de DIP aan de aanvrager een kopie van de MB verstrekt nadat de aanvrager de kosten van de optie had voldaan en het betalingsbewijs bij de DIP had ingediend. De MB werd dan voorzien van de nodige leges en zegels.
Het akkoord conform van de minister
In beide onderhavige zaken was sprake van rechtstreeks bij [verdachte] binnengekomen optie aanvragen, waarop [verdachte] de handgeschreven aantekening: “Dir DIP, akkoord […] , gaarne uw medewerking” respectievelijk “akkoord […] , gaarne uw medewerking” plaatste of liet plaatsen.
[verdachte] heeft verklaard dat hij de aanvraagbrieven altijd doornam voordat hij deze ondertekende. [betrokkene 9] heeft dat ook verklaard: “Je gaat niets zo blindelings ondertekenen. Zeker hij niet.” [betrokkene 9] heeft voorts verklaard dat hij alles met [verdachte] besprak voordat hij iets uitvoerde. Hij handelt alleen op instructie van [verdachte] en geeft ook instructies van [verdachte] door aan [medeverdachte 3] , de directeur van de DIP. Ook [betrokkene 13] , de secretaresse van [verdachte] , heeft verklaard dat [betrokkene 9] alleen in opdracht van [verdachte] kon handelen als het over het aanvragen van terreinen ging. Tot slot wordt dit ook bevestigd door [medeverdachte 3] , die heeft verklaard dat hij alleen instructies opvolgt van de minister.
[getuige 1] was van 2010 tot april 2014 belast met de commerciële terreinen. Hij heeft verklaard dat hij met minister [verdachte] het gevoel had dat hij niet voor het volk werkte, maar voor een groep mensen. [getuige 1] : “Door de jaren heen zag ik telkens dat we alleen zijn mensen moesten helpen. Ik begon vragen te stellen waarom we weer precies deze mensen moesten helpen. Ik heb aangegeven dat ik niet kon werken op de manier die [medeverdachte 3] wilde. Toen kreeg ik geen projecten meer en werd in de hoek gezet. Het grote struikelblok was de financiering. Bij commerciële erfpacht moesten wij zeker weten dat de optiehouder wel een financiering kon krijgen.
[getuige 1] heeft voorts verklaard dat het normaal gesproken lang duurde om het akkoord van de minister te krijgen, soms wel jaren. [getuige 1] : “Als je wilde dat jouw zaak snel zou gaan, moest je regelen dat je snel een handtekening en akkoord van de minister kon krijgen. Mensen probeerden daarvoor afspraken met de minister te krijgen, maar je hebt niet zomaar een afspraak met de minister.”
Over de manier waarop de minister bepaalde wie wel en wie niet in aanmerking kwam voor een optie verklaart [getuige 1] : “Als de minister aan de DIP schreef: gaarne advies, dan wisten wij dat de minister advies wilde en dat wij moesten kijken of het overeenkwam met het ROP en dergelijke. Stond er echter al dat de minister akkoord gaf, dan wilde hij geen advies. De instructie “akkoord conform” geeft ons geen ruimte om te toetsen aan het beleid. De accordering van de minister maakte het verschil in uitkomst. Voor mij betekende het een instructie. Ik kon wel toetsen, maar dat was heel moeilijk. Ik zou een contra advies kunnen uitbrengen, maar dat was eigenlijk onbegonnen werk.”
[medeverdachte 3] had wekelijks contact met de minister over commerciële erfpachtterreinen. Hij heeft evenals [getuige 1] over de rol van [verdachte] verklaard dat als de minister “Dir DIP akoord […] , gaarne uw medewerking” op de aanvraagbrief schreef, dit voor hem een duidelijke instructie was: “De accordering geeft aan dat de minister geen problemen heeft met deze aanvraag en hij zegt hiermee dat wij hiermee aan de gang moeten gaan. De minister zegt hiermee: ‘geef ze een optie’.” De aanvraag werd dan ook niet meer – zo blijkt uit de verklaring van [medeverdachte 3] – getoetst aan de voorwaarden van de DIP in de pre-optiefase. [medeverdachte 3] heeft voorts verklaard dat er veel aanvragen voor commerciële terreinen op de plank lagen en dat er een achterstand was bij de erfpachtuitgifte van commerciële terreinen. Op de vraag hoe het kwam dat [medeverdachte 2] zo snel aan een terrein kwam terwijl het op Aruba algemeen bekend is dat het jaren duurde om een terrein te krijgen, antwoordt [medeverdachte 3] : “Het is meer dan duidelijk. Als je naar al de stukken kijkt, de accordering/instructie van de minister, kan je een conclusie trekken.”
Alleen [medeverdachte 3] en [getuige 1] konden een positief advies opstellen. Uit de verklaring van [getuige 1] blijkt dat hij op een gegeven moment aan de kant werd gezet, omdat [getuige 1] geen positief advies wilde geven als niet alle stukken aanwezig waren. [medeverdachte 3] heeft daarover verklaard dat [getuige 1] de opdrachten van de minister niet wilde uitvoeren, waarmee hij de aanvraagbrieven bedoelt waarop de accordering van de minister stond. Volgens [getuige 1] stelde [medeverdachte 3] in dat geval het positieve advies op, wat ook door [medeverdachte 3] is bevestigd.
[betrokkene 8] heeft verklaard dat hij bij zijn aantreden als directeur van de DIP in 2018 een lijst ontving van gevallen waarin men bezig was om terreinen in te trekken, omdat deze niet op de juiste wijze aan personen waren gegeven. Er werd met deze terreinen gespeculeerd. Men wilde deze hebben om door te verkopen. Hij kreeg bij DIP te horen dat men in het verleden “plat” was en dat de terreinen werden gegeven aan mensen aan wie men ze wilden geven. Het ging allemaal om geld, aldus [betrokkene 8] . Het viel hem op dat daarbij steeds bepaalde namen terugkwamen, waaronder de familie [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] . Je kon een briefje sturen naar de minister. Op dezelfde dag was die brief bij de DIP en op dezelfde dag kreeg diegene een optie, een akkoord. Er werd niet aan de optievoorwaaarden voldaan en werd de grond doorverkocht. Ook kreeg men oneigenlijke verlengingen. Het kan niet dat – zoals bij de vorige minister (het Hof begrijpt: [verdachte] ) gebeurde, dat direct akkoord werd gegeven en er geen advies werd gevraagd. Tenminste niet als je als minister werkt volgens de deugdelijkheidsbeginselen, de beginselen van behoorlijk bestuur. De minister weet niet of alles is ingeleverd, want hij krijgt alleen het aanvraagformulier. Normaal zou je zeggen: gaarne advies, want je weet nog niet of alles klopt. De minister kon niet akkoord geven want hij wist de details niet. Er had moeten staan: ‘gaarne advies’.”
Het Hof leidt uit de verklaringen van deze getuigen af dat de minister door middel van zijn geschreven “akkoord conform” op de aanvraagbrieven die rechtstreeks bij hem inkwamen, bepaalde welke aanvrager wel en welke niet in aanmerking kwam voor verlening van een optie, in welk geval niet of nauwelijks werd getoetst of de desbetreffende aanvragen al dan niet voldeden aan de volgens het beleid geldende voorwaarden. Ook leidt het Hof uit deze verklaringen af dat het, vanwege de achterstand in de behandeling van optie-aanvragen, uitzonderlijk was dat deze snel werden behandeld.
Illustratief is in dit verband ook de verklaring van getuige [betrokkene 16] die een aanvraag voor een erfpachtrecht indiende bij de minister, welke aanvraag niet tot een optie heeft geleid:
“Bij mij staat alleen "gaarne uw medewerking", dat is bedrog in verkiezingstijd. “Gaarne uw medewerking is een truc, dat zegt niks”. Ik was hiermee naar de DIP gegaan en die jongen achter de balie zei: "Weet je hoeveel we van die hebben gezien." Ze lachten me ongeveer uit. Hij legde mij uit dat dit alleen wil zeggen dat zij moeten kijken of ze me kunnen helpen met de aanvraag. Op de aanvraag namens [betrokkene 5] staat "akkoord […] , gaarne uw medewerking", dat woordje akkoord maakt het verschil.”
[verdachte] heeft steeds ontkend dat hij aan bepaalde personen een voorkeursbehandeling gaf. Naar eigen zeggen gaf hij op alle aanvragen/verzoeken die bij hem binnenkwamen akkoord en had bij hem iedereen een gelijke kans om een optie/erfpachtrecht te verkrijgen. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft de verdediging een lijst overgelegd met de verzoeken die in de periode 2009-2017 langs de minister zijn gegaan.
Het Hof acht deze verklaring van [verdachte] niet aannemelijk geworden en in strijd met de hierboven weergegeven bewijsmiddelen. Het Hof constateert aan de hand van de lijst dat de minister slechts op enkele initiële aanvraagbrieven voor opties, die rechtstreeks bij hem binnenkwamen, “akkoord conform” noteerde en voorzag van zijn handtekening. Zo werd blijkens die lijst in de periode 2009-2017 slechts op 6 van de in totaal 205 initiële optie-aanvragen de ministeriële mededeling “akkoord […] ” geplaatst en in 5 gevallen: “akkoord […] tekening”. Op een aantal aanvraagbrieven vroeg de minister de DIP om advies en op de meeste aanvraagbrieven schreef hij: “dezerzijds geen bezwaar”. Het Hof laat hierbij de akkoorden op andere dan initiële optie-aanvragen buiten beschouwing, aangezien het in die gevallen blijkens de lijst veelal ging om kwesties waarin de DIP, anders dan bij de initiële optie aanvragen in de onderhavige gevallen, de minister na toetsing aan het vigerende beleid, vooraf positief had geadviseerd.
Het Gerecht in eerste aanleg heeft uit het feit dat op de aanvraagbrief van 8 april 2014 van [betrokkene 10] namens [H] N.V. eveneens de aantekening: ”akkoord […] , gaarne uw medewerking” werd geplaatst, terwijl deze aanvraag niet heeft geleid tot verlening van een optierecht aan [H] , moet worden geconcludeerd dat aan die aantekening, in weerwil van hetgeen [getuige 1] , [medeverdachte 3] en [betrokkene 8] hebben verklaard, niet zonder meer de betekenis kan worden ontleend dat [verdachte] opdracht gaf aan de DIP om een optierecht uit te geven. Het Hof ziet dit anders, omdat dat akkoord volledig kan worden verklaard door het feit dat de aanvraag van [betrokkene 10] plaatsvond in het kader van een door [medeverdachte 2] – als medepleger van de ten laste gelegde oplichting, ondernomen traject tot aanvragen van een optierecht op het terrein, en deze aanvraag voorts, blijkens het ontbreken van een verzenddatum alsook de stempels van de BID en/of DIP, door [verdachte] in het geheel niet is doorgestuurd naar de DIP en daardoor niet tot optieverlening kon leiden, zodat de conclusie gerechtvaardigd is dat het in dit geval de bedoeling was dat de vennootschap van [medeverdachte 2] het optierecht op het perceel zou krijgen in plaats van de vennootschap van [betrokkene 10] . Dit geldt temeer nu niet valt in te zien waarom [verdachte] – die naar eigen zeggen volgens het ‘first in, first out’ principe handelde – eerst de aanvraagbrief van [betrokkene 10] heeft ondertekend met akkoord conform, terwijl hij ongeveer vier weken later de vrijwel identieke aanvraagbrief van [betrokkene 6] voor hetzelfde perceel eveneens ondertekent met akkoord conform.
Ter beoordeling staat of de concrete gang van zaken bij de aanvragen van het optie/erfpachtrecht in de zaaksdossiers [betrokkene 6] en [betrokkene 5] , gekwalificeerd kan worden als oplichting van het Land. Het Hof overweegt hierover als volgt.
Zaaksdossiers [betrokkene 6] en [betrokkene 5]
[verdachte] en [medeverdachte 2] kennen elkaar al heel lang. [verdachte] is lid van de AVP en [medeverdachte 2] werd betaald om in haar radioprogramma de bevolking te overtuigen om voor de AVP te stemmen. Zij zijn in 2010 en 2013 ook samen met hun families op vakantie gegaan en zijn [medeverdachte 2] en de vrouw van [verdachte] een paar keer bij elkaar thuis geweest.
Dat [medeverdachte 2] goede contacten had met de minister en deze inzette om aan optierechten te komen blijkt ook uit de verklaring van [betrokkene 11] , de oprichter van [betrokkene 6] , inhoudend dat hij de eerste aanvraagbrief van [betrokkene 6] op verzoek van [medeverdachte 2] heeft ondertekend en dat [medeverdachte 2] ook de aanvraagbrief zou indienen
omdat zij de persoon was die de contacten had met de minister.Daarnaast blijkt ook uit de Sale and Purchase agreement (SPA) tussen [medeverdachte 2] en de koper van de aandelen in [betrokkene 5] dat zij zijn overeengekomen dat [medeverdachte 2] zich – ná de verkoop van de aandelen –
via haar contacten met de overheid en/of de ministerzal inspannen om te assisteren en mee te werken aan het verkrijgen van de benodigde vergunningen en, indien nodig, een verlenging van het optierecht.
[verdachte] wist ook dat [medeverdachte 2] achter [betrokkene 6] en [betrokkene 5] zat. [betrokkene 9] , die de aanvragen van [medeverdachte 2] altijd met [verdachte] besprak, heeft dit met zoveel woorden verklaard. [betrokkene 9] heeft voorts verklaard dat er zowel aanhangers als andere personen bij hem op kantoor kwamen om te klagen over het feit dat er alweer terreinen aan de familie [medeverdachte 2] werden afgegeven, terwijl zij ook aanvragen hadden gedaan op bepaalde terreinen. Deze klachten heeft hij altijd doorgegeven aan de minister. Verder heeft [betrokkene 9] verklaard dat [verdachte] over de aanvraagbrief van [betrokkene 6] , vertegenwoordigd door de dochter van [medeverdachte 2] , zei: “Nu zet zij haar dochter”, terwijl [verdachte] ook heeft verklaard dat hij weet dat [dochter medeverdachte 2] de dochter is van [medeverdachte 2] .
[betrokkene 6]
De rechtspersoon [betrokkene 6] is op 2 mei 2013 opgericht door [betrokkene 11] . Hij was bij de oprichting enig aandeelhouder en directeur van die rechtspersoon. Nog vóór de oprichting van [betrokkene 6] , wordt [betrokkene 11] door [medeverdachte 2] benaderd om als directeur namens [betrokkene 6] een eerste aanvraagbrief te ondertekenen voor een terrein aan de Sazakiweg (met perceelnummer […] ) met als bestemming ‘horeca activiteiten’. Op 22 januari 2014 heeft [medeverdachte 2] alle aandelen in [betrokkene 6] van [betrokkene 11] gekocht voor – volgens de ‘share purchase agreement’ – AWG 10.000,-. Volgens [betrokkene 11] had [betrokkene 6] niets, geen enkele bezitting.
Nadat [medeverdachte 2] de enig aandeelhouder van [betrokkene 6] is geworden, komt op 10 maart 2014 de eerste aanvraagbrief van [betrokkene 6] rechtstreeks bij de minister binnen. Diezelfde dag wordt de aanvraagbrief door de minister ondertekend met de notitie: “Dir DIP, akkoord […] , gaarne uw medewerking”. De originele brief, met handtekening van [verdachte] , maar zonder volgnummer en stempels, is aangetroffen bij een huiszoeking in de woning van [medeverdachte 2] . Daarnaast is (een kopie van) de brief niet in het beslag van de DIP aangetroffen. Het Hof leidt hieruit af dat deze brief niet naar de DIP is verzonden, en dus vanuit (het bureau van) de minister bij [medeverdachte 2] terecht is gekomen.
Een paar dagen later, op 15 maart 2014, wordt een tweede aanvraagbrief namens [betrokkene 6] opgemaakt, dit keer vertegenwoordigd door [dochter medeverdachte 2] , de toen 19-jarige dochter van [medeverdachte 2] . Deze aanvraagbrief is vrijwel identiek aan de eerste aanvraagbrief, behalve dan dat hetzelfde perceel dit keer wordt aangevraagd voor het verkrijgen van een ‘commercieel terrein’ in plaats van ‘horeca activiteiten’.
In diezelfde periode, op 8 april 2014, wordt namens [H] , vertegenwoordigd door [betrokkene 10] , een aanvraagbrief opgemaakt voor hetzelfde perceel als de aanvragen van [betrokkene 6] . [betrokkene 10] heeft verklaard dat hij mensen helpt bij het zoeken naar een terrein om op te bouwen. Hij heeft het bedrijf [H] opgericht voor een groep uit Curaçao. Zij waren bezig om een terrein van [medeverdachte 2] te kopen om daarop een winkelcentrum te ontwikkelen. [betrokkene 10] denkt dat de aanvraagbrief door de advocaat van [medeverdachte 2] is opgemaakt. Dit wordt ook ondersteund door de inhoud en de opmaak van de aanvraagbrief die vrijwel identiek is aan de aanvraagbrieven van [betrokkene 6] . Het Hof leidt hieruit af dat [medeverdachte 2] niet alleen bezig was met het verkrijgen van een optie op het terrein middels [betrokkene 6] , maar ook middels [H] .
Hoewel de aanvraagbrief van [betrokkene 6] voor het perceel aan de [b-straat] nog niet bij de minister was ingekomen en [betrokkene 6] dus nog niet over een optie kon beschikken, wist [medeverdachte 2] op 7 oktober 2014 al dat [betrokkene 6] – en dus niet [H] – de optie op het perceel aan de [b-straat] zou krijgen. Op die datum wordt er namelijk een ‘non-disclosure agreement’ (hierna: NDA) tussen [betrokkene 6] en [H] door [betrokkene 10] , [dochter medeverdachte 2] en [medeverdachte 2] ondertekend. Uit de inhoud van deze overeenkomst blijkt dat het de bedoeling was van [medeverdachte 2] om de aandelen in [betrokkene 6] , dat over het optierecht op het perceel aan de [b-straat] zou beschikken, te verkopen aan [H] ( [betrokkene 10] ), zodat [H] de optie op het perceel in handen zou krijgen. [medeverdachte 2] kon de zekerheid dat [betrokkene 6] – niettegenstaande de gebruikelijke zeer lange wachttijden - op korte termijn zou beschikken over het optierecht alleen ontlenen aan de persoonlijke inmenging van de minister, die zijn akkoord gaf aan iedere aanvraag van de kant van [medeverdachte 2] terzake het perceel in kwestie.
Ook al vóór het sluiten van de NDA tussen [betrokkene 6] en [H] was [medeverdachte 2] in onderhandelingen met derden over de overdracht van aandelen in [betrokkene 6] . Op 25 september 2014 wordt namelijk een ‘Finder Fee Agreement’ (hierna: FFA) opgemaakt. Uit de inhoud van de FFA volgt dat het de bedoeling was dat [medeverdachte 2] haar aandelen in [betrokkene 6] , dat over het optierecht aan de [b-straat] zou beschikken, wilde verkopen aan een derde.
Op 11 november 2014 komt de tweede aanvraagbrief van [betrokkene 6] rechtstreeks bij de minister binnen. Deze brief wordt door de minister ondertekend en is voorzien van de notitie: “Dir DIP, akkoord […] , gaarne uw medewerking”. Net als de eerste aanvraagbrief van [betrokkene 6] wordt ook deze aanvraagbrief – in tegenstelling tot de normale gang van zaken – niet ingeboekt en naar de DIP verstuurd.
Een paar dagen later, op 15 november 2014, wordt een derde aanvraagbrief namens [betrokkene 6] , vertegenwoordigd door [dochter medeverdachte 2] , opgemaakt. Deze aanvraagbrief is vrijwel identiek aan de eerste en tweede aanvraagbrief van [betrokkene 6] , behalve dan dat het perceel dit keer wordt aangevraagd voor ‘commerciële doeleinden gecombineerd met luxe appartementen’.
Kort daarna komt [betrokkene 12] , de uiteindelijke koper van de aandelen in [betrokkene 6] , in beeld. Zij was op zoek naar een commercieel terrein om daar een kledingwinkel op te bouwen. Via [getuige 4] komt zij terecht bij [betrokkene 6] , dat over een optie op het terrein zou beschikken. [betrokkene 12] heeft verklaard dat de onderhandelingen in december 2014 zijn begonnen en dat [betrokkene 6] haar bij de overdracht van de aandelen geen enkele beschrijving heeft gegeven van het project dat [betrokkene 6] van plan zou zijn geweest te ontwikkelen, het type project, de gemoeide investering, de wijze van financiering of eventuele schetstekeningen. Zij zegt letterlijk: “Nee, niks had dit bedrijf.” De [getuige 4] heeft eveneens verklaard dat [medeverdachte 2] helemaal niets heeft gedaan om het (perceel) te ontwikkelen. “Dit is gewoon onzin”, aldus [getuige 4] .
Aan het einde van die maand, namelijk op 29 december 2014, komt de derde aanvraagbrief van [betrokkene 6] rechtstreeks binnen bij de minister. De minister heeft ook deze brief nog op dezelfde dag ondertekend en voorzien van de notitie: “Akkoord […] , gaarne uw medewerking”. In tegenstelling tot de eerste en twee aanvraagbrief van [betrokkene 6] , die niet waren gevolgd door een concreet zicht op daadwerkelijke verkoop, wordt deze aanvraagbrief wel nog dezelfde dag door het bureau van de minister ingeboekt en naar de DIP verstuurd. Hieruit volgt dat de minister persoonlijk heeft beslist om eerst nadat [medeverdachte 2] een koper had gevonden, niet alleen zijn akkoord te geven, maar de aanvraag ook door te (laten) sturen naar DIP, zodat de optie zou worden verleend. Anders dan het beleid eiste, werden in de brief niet de zeven in het beleid genoemde punten voor de pre-optiefase geadresseerd, welke fase volgens [getuige 1] belangrijk was om de serieuze van de niet serieuze aanvragers te onderscheiden. Nu deze punten niet werden geadresseerd, is ook de conclusie gerechtvaardigd dat [verdachte] zijn akkoord gaf, zonder enig onderzoek naar deze uit het beleid voortvloeiende voorwaarden.
Ongeveer twee weken later, op 14 januari 2015, stuurt [betrokkene 9] een wijzigingsbrief aan [medeverdachte 3] , inhoudende dat [medeverdachte 3] het akkoord van de minister op de (derde) aanvraagbrief van [betrokkene 6] als ingetrokken moet beschouwen en uitvoering moet geven aan de nieuwe brief en het akkoord van de minister van 14 januari 2015. Uit de verklaring van [betrokkene 9] blijkt dat hij aan [verdachte] de wensen van [betrokkene 6] tot wijziging van perceelnummer […] in […] had voorgelegd en dat [verdachte] de verzoekbrief daartoe had geaccordeerd, die als bijlage bij de wijzigingsbrief was gevoegd.
Door [medeverdachte 3] wordt vervolgens binnen een paar dagen, op 22 januari 2015, een brief opgesteld, waarin [medeverdachte 3] aan de minister schrijft dat de minister hem heeft geïnstrueerd om [betrokkene 6] de mogelijkheid te bieden tot het realiseren van haar plannen op het terrein aan de [b-straat] met perceelnummer […] . [medeverdachte 3] biedt middels die brief de concept MB ten name van [betrokkene 6] aan de minister aan, waarin het optierecht op dat perceelnummer aan [betrokkene 6] wordt verleend. Voorts wordt in de brief vermeld dat het verzoek van [betrokkene 6] tot het bouwen van luxe appartementen op het bewuste perceel niet is overgenomen. Het Hof stelt vast dat de (concept) MB daarmee in overeenstemming is gebracht met de wensen van de koper van de aandelen in [betrokkene 6] , nu de koper alleen een commercieel terrein wilde hebben en niet een terrein om ook luxe appartementen te ontwikkelen. Verder wordt op de brief een spoedstempel geplaatst die alleen op instructie van de minister daarop kan worden gezet. De brief en de bijgevoegde concept MB zijn een dag later verstuurd en bij het bureau van de minister ingekomen. De minister heeft de brief en de concept MB op 27 januari 2015 ondertekend.
Art. I.3 van de MB vermeldt als te betalen optievergoeding het bedrag van Afl. 3.946,-, op grond van art. 25c van de LUE berekend naar 3% van de grondwaarde van Afl. 50,- per vierkante meter.
Drie dagen nadat de minister de MB heeft getekend, op 30 januari 2015, heeft [medeverdachte 2] middels een ‘share purchase agreement’ (hierna: SPA) al haar aandelen in [betrokkene 6] verkocht aan [betrokkene 12] voor een bedrag van Afl. 555.000,-. [betrokkene 12] zegt dat ze dat bedrag nooit zou hebben betaald als [betrokkene 6] niet de optie had gehad, maar dat “de hele familie van [medeverdachte 2] samen [werkte] met [verdachte] toen hij als minister fungeerde. Je wordt kwaad hierover omdat ik ook het recht heb om een terrein van de overheid te krijgen.” Als bijlage bij de SPA was een kopie van de MB gevoegd, terwijl [betrokkene 6] op dat moment nog niet aan de betalingsplicht had voldaan en een kopie van de MB dus ook nog niet door de DIP was verstrekt. Het Hof leidt uit de verklaringen van [betrokkene 13] en [betrokkene 9] af dat het niet anders kan zijn dan dat [medeverdachte 2] deze kopie heeft gekregen van [verdachte] , dan wel [betrokkene 9] in opdracht van [verdachte] . Het bedrag van Afl. 555.000,- is conform de afspraken in de SPA betaald aan [medeverdachte 2] en [I] (de bemiddelaar).
[dochter medeverdachte 2] is op 30 januari 2015 ontslagen als directeur van [betrokkene 6] . [betrokkene 12] werd op die datum directeur van [betrokkene 6] .
[betrokkene 12] heeft vervolgens in de optieperiode namens [betrokkene 6] stukken ingediend, waaronder verzoeken tot verlenging van de optieperiode. Deze verzoeken zijn door [verdachte] steeds geaccordeerd.
De overeenkomst tot erfpacht is door [verdachte] en [betrokkene 12] ondertekend.
Het project is uiteindelijk volledig uitgevoerd en betaald door [betrokkene 12] . Ook de kosten voor het verkrijgen van de optie en het erfpachtrecht zijn door [betrokkene 12] voldaan.
Zaaksdossier [betrokkene 5]
De rechtspersoon [J] is op 30 september 2015 opgericht door [medeverdachte 2] . Zij was bij de oprichting enig aandeelhouder en heeft haar werkneemster [betrokkene 14] aangesteld als directeur van [betrokkene 5] . Zij heeft verklaard dat [medeverdachte 2] haar had gevraagd om directeur voor haar te zijn, en had gezegd dat het niet moeilijk was en dat zij alleen mee moest naar de notaris om te tekenen. [medeverdachte 3] meent zich te herinneren dat [betrokkene 14] een werkster is en hij herinnert zich aan [verdachte] te hebben gevraagd hoe het mogelijk was dat zij om een terrein kon vragen. Nog vóór de oprichting van [betrokkene 5] wordt namens [betrokkene 5] een aanvraag opgemaakt en ingediend voor een erfpachtrecht op een terrein te [locatie 1] .
Deze brief is op 7 augustus 2015 rechtstreeks bij de minister ingekomen en op 14 augustus 2015 door de minister ondertekend met de notitie: “Dir DIP, akkoord […] , gaarne uw medewerking”.
Het Hof leidt uit deze gang van zaken af dat voorafgaand aan dit akkoord in ieder geval niet is onderzocht of de aanvragende partij wel bestond. Deze brief behelsde voorts slechts een verzoek om medewerking tot het verkrijgen van een commercieel terrein in de buurt van de airport tegenover de [K] , bestemd voor commerciële doeleinden, en de aankondiging dat te zijner tijd een gedetailleerd businessplan met schetsontwerp zal worden ingediend. Anders dan het beleid eiste, werden ook in dit geval niet de zeven in het beleid genoemde punten voor de pre-optiefase geadresseerd, welke fase volgens [getuige 1] belangrijk was om de serieuze van de niet serieuze aanvragers te onderscheiden. Nu deze punten niet werden geadresseerd, is ook de conclusie gerechtvaardigd dat [verdachte] zijn akkoord gaf, zonder enig onderzoek naar deze uit het beleid voortvloeiende voorwaarden.
Door [medeverdachte 3] wordt op 30 oktober 2015 de concept MB ten behoeve van [betrokkene 5] naar de minister gestuurd. In de begeleidende brief schrijft [medeverdachte 3] dat [betrokkene 14] in een gesprek heeft aangegeven dat het zal gaan om een complex appartementen en winkelruimten. Hoewel er namens [betrokkene 5] geen stukken zijn ingediend waaruit enigszins de omvang van het project kan worden afgeleid, heeft [medeverdachte 3] in de brief geschreven dat er op instructie van de minister twee percelen in optie worden toegekend. De brief en de bijgevoegde concept MB zijn met spoed naar het bureau van de minister verzonden. Op diezelfde dag zijn deze stukken bij het bureau van de minister ingekomen en door de minister geaccordeerd.
Art. I.3 van de MB vermeldt als te betalen optievergoeding het bedrag van Afl. 1.082,-, op grond van art. 25c van de LUE berekend naar 3% van de grondwaarde van Afl. 40,- per vierkante meter.
Nadat de minister de MB heeft getekend, heeft [medeverdachte 2] op 11 november 2015 middels een SPA al haar aandelen in [betrokkene 5] verkocht aan [betrokkene 15] voor een bedrag van Awg. 356.000,-. Als bijlage bij de SPA was een kopie van de MB gevoegd, terwijl [betrokkene 5] op dat moment nog niet aan de betalingsplicht had voldaan. Het bedrag van Awg. 356.000,- is conform de afspraken in de SPA op verschillende momenten aan [medeverdachte 2] en [I] (de bemiddelaar) betaald.
Uit de verklaringen van [getuige 4] , bemiddelaar bij de verkoop van de aandelen in [betrokkene 5] , alsmede uit de getuigenverklaring van één van de uiteindelijke kopers/nieuwe aandeelhouder van [betrokkene 5] , [betrokkene 16] , volgt dat [medeverdachte 2] al bezig was met het verkopen van het bedrijf/de optie vanaf juni/juli 2015, in ieder geval vóór het moment dat [betrokkene 5] het optierecht had verkregen. Volgens [getuige 4] ging het initiatief voor de verkoop van de aandelen uit van [medeverdachte 2] . Verder leidt het Hof uit de verklaring van [betrokkene 16] af dat [medeverdachte 2] geen businessplan had en dat het de nieuwe aandeelhouders van [betrokkene 5] zijn die aan alle optievoorwaarden hebben voldaan.
Daarbij valt op dat de stukken die in de optieperiode namens [betrokkene 5] zijn ingediend, zien op het – conform de plannen van de koper van de aandelen – bouwen van een carwash, terwijl de aanvraag en de verleende optie zien op het ontwikkelen van luxe appartementen en winkelruimten. Uit de verklaring van [getuige 1] blijkt dat in dat geval niet is voldaan aan de voorwaarden, omdat de bestemming niet klopt. Desondanks wordt door [medeverdachte 3] op 24 maart 2016 een brief naar de minister gestuurd, waarin staat dat [betrokkene 5] heeft voldaan aan de optievoorwaarden. In de bijlage heeft hij de concept overeenkomst tot erfpacht gevoegd, waarin eveneens als bestemming het ontwikkelen van luxe appartementen en winkelruimten is opgenomen. Diezelfde dag is de brief bij het bureau van de minister ingekomen en door de minister geaccordeerd.
De overeenkomst tot erfpacht is door [verdachte] en [betrokkene 14] op 1 april 2016 ondertekend.
Het project is uiteindelijk volledig uitgevoerd en betaald door [betrokkene 15] . Ook de kosten voor het verkrijgen van de optie en het erfpachtrecht zijn door [betrokkene 15] voldaan.
Vereenzelviging met rechtspersonen
[medeverdachte 2] was ten tijde van het indienen van de aanvragen voor een commercieel erfpachtrecht 100% aandeelhouder van [betrokkene 6] en [betrokkene 5] . Vanaf het moment dat deze vennootschappen zijn opgericht tot het moment waarop de aanvragen bij de minister zijn ingediend, waren beide rechtspersonen leeg: zij hadden geen bezittingen of liquide middelen. Met andere woorden: de rechtspersonen hadden ten tijde van de aanvragen geen enkele financiële waarde en dus ook geen mogelijkheid om projecten te ontwikkelen. De bedrijfsactiviteiten waren tot het moment van de verkoop van de aandelen uitsluitend gericht op het verkrijgen van een optie-/erfpachtrecht. Daarbij heeft [medeverdachte 2] anderen aangesteld als directeur van haar vennootschappen om te verhullen dat zij de begunstigde was van de rechtspersonen, naar eigen zeggen om te voorkomen dat ze “zou worden beschuldigd van corruptie”. Zo heeft [medeverdachte 2] haar 19-jarige dochter, [dochter medeverdachte 2] , als directeur van [betrokkene 6] aangesteld en haar werknemer, [betrokkene 14] , als directeur van [betrokkene 5] . Zowel [medeverdachte 2] als [dochter medeverdachte 2] en [betrokkene 14] hadden geen enkele kennis of ervaring met het ontwikkelen van projecten. Toen de rechtspersonen konden beschikken over het optierecht werden de aandelen zeer winstgevend verkocht aan derden. De verkoopprijs van de aandelen kwam hoofdzakelijk ten goede aan [medeverdachte 2] . [medeverdachte 2] , en dus niet de rechtspersonen [betrokkene 6] en [betrokkene 5] , heeft dus als aandeelhouder geprofiteerd van de waardestijging van de aandelen in de rechtspersonen als gevolg van het verkrijgen van optie-/erfpachtrechten. Zij heeft als natuurlijk persoon genoten van die winstgevende verkoop.
Het Hof is van oordeel dat dit duidt op een schijnconstructie. [medeverdachte 2] heeft de rechtspersonen [betrokkene 6] en [betrokkene 5] misbruikt om door middel van oplichting in aanmerking te komen voor optie- en uiteindelijk erfpachtrechten. In de bewijsoverwegingen die volgen wordt overwogen dat zij in het bezit is gekomen van de optierechten door in samenwerking met de minister een onjuiste voorstelling van zaken te geven. Zij heeft misleidend en frauduleus gehandeld en heeft de rechtspersonen gebruikt om zich daarachter te verschuilen. Dit maakt dat het Hof van oordeel is dat [medeverdachte 2] uitsluitend voor ogen had de rechtspersonen te gebruiken om haar frauduleuze handelen te verhullen en dat onder die omstandigheden het handelen van de rechtspersonen moet worden toegerekend aan degene die daar zeggenschap over had, in casu [medeverdachte 2] .
Ten aanzien van de omkoping
In samenhang bezien met hetgeen het Hof hierboven heeft overwogen, acht het Hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich ook schuldig heeft gemaakt aan passieve omkoping in het zaakdossier [betrokkene 5] .
Getuige [getuige 5] heeft verklaard dat zij in opdracht van [medeverdachte 2] een envelop met geld heeft gebracht naar de woning van [verdachte] om deze te overhandigen aan diens echtgenote, [echtgenote verdachte] . Dat was na de verkoop van het tweede terrein, waarmee zij het terrein van [betrokkene 5] bedoelt. Zij heeft niet in de envelop gekeken, maar zij omschrijft de envelop als lichtbruin, gevouwen en omwikkeld met elastiekjes. Hij was ongeveer zeven centimeter dik en had de lengte en breedte van een bankbiljet. Daarnaast rook hij naar nieuwe bankbiljetten. Bij de rechter-commissaris heeft [getuige 5] daarop aanvullend verklaard dat zij er zeker van is dat er geld in de envelop zat, omdat ze die ochtend geld aan het tellen waren. Verder heeft zij verklaard dat zij [medeverdachte 2] heeft gebeld toen ze in de straat van de woning van [verdachte] reed, omdat zij niet precies wist waar de woning was. Toen zij iemand in de woning zag lopen, maar er niemand naar buiten kwam toen zij toeterde, heeft zij aan [medeverdachte 2] gevraagd om die persoon op te bellen om te zeggen dat ze voor de woning stond. Vervolgens is de vrouw van [verdachte] naar buiten gekomen en heeft [getuige 5] de envelop aan haar overhandigd.
De verdediging betwist het contact en de ontmoeting tussen [getuige 5] en de vrouw van [verdachte] niet, maar geeft een geheel andere lezing, namelijk dat [getuige 5] lootjes zou hebben opgehaald die de echtgenote van [verdachte] voor [medeverdachte 2] zou hebben meegenomen uit Miami.
Het Hof acht de verklaringen van [getuige 5] betrouwbaar. Zij heeft een aantal jaren voor [medeverdachte 2] gewerkt als een soort ‘personal assistent’. Haar verklaringen zijn consistent en op tal van punten zo gedetailleerd dat dit bijdraagt aan de betrouwbaarheid. Blijkens haar uitgebreide verklaring bij de Landsrecherche was zij goed op de hoogte van de zakelijke contacten van [medeverdachte 2] met betrekking tot de verkoop van terreinen. Zij noemt de periode waarin [medeverdachte 2] zich bezighield met de verkoop van terreinen het ‘fiesta di tereno’. Zo heeft zij verklaard over het veelvuldige telefonische contact over terreinen tussen [medeverdachte 2] en [betrokkene 13] , de secretaresse van [verdachte] , hetgeen wordt ondersteund door hun telefoongegevens. Daarnaast heeft [getuige 5] verklaard over het contact dat [medeverdachte 2] had met [betrokkene 11] (de oprichter van [betrokkene 6] ) en was zij ervan op de hoogte wie de directeuren van [betrokkene 6] en [betrokkene 5] zijn. Verder heeft zij documenten die betrekking hadden op (het aanvragen van) erfpachtgronden ter ondertekening door de minister naar zijn bureau gebracht en opgehaald, welke documenten zij ook heeft gezien.
Daarnaast vinden de verklaringen van [getuige 5] voldoende steun in ander bewijsmateriaal. Zo wordt haar verklaring ondersteund door de telefoongegevens, waaruit blijkt dat [getuige 5] op 21 januari 2016 heeft gebeld met [medeverdachte 2] , die direct daarna de vrouw van [verdachte] heeft opgebeld. Dat [getuige 5] later in haar verhoor bij de Landsrecherche heeft verklaard dat zij twee keer naar [medeverdachte 2] heeft gebeld, doet daar niet aan af, temeer nu de vrouw van [verdachte] niet heeft ontkend dat [getuige 5] op enig moment bij haar aan de deur is geweest en wel na haar terugkeer uit Miami. Daar komt bij dat [getuige 5] bij de rechter-commissaris heeft verklaard dat zij dacht dat de vrouw van [verdachte] niet wist dat zij eraan kwam, omdat het heel lang duurde voordat de vrouw van [verdachte] naar buiten kwam, hetgeen overeenkomt met de duur van het gesprek tussen [medeverdachte 2] en de vrouw van [verdachte] .
Uit de bevindingen van de Landsrecherche blijkt ook dat het tijdstip van het overhandigen van een envelop met geld aan (de vrouw van) [verdachte] goed past in de tijdlijn van de verkoop van de aandelen in [betrokkene 5] door [medeverdachte 2] . Op 11 november 2015 is er een ‘share purchase agreement’ gesloten met betrekking tot de verkoop van de aandelen in [betrokkene 5] door [medeverdachte 2] aan [betrokkene 15] . Uit de bevindingen van de bankrekeningen van [medeverdachte 2] is gebleken dat twee dagen later op de Amerikaanse bankrekening van [medeverdachte 2] een voorschot wordt betaald van $ 40.000,-. Vrijwel onmiddellijk na het storten van dit bedrag wordt een bedrag van $ 24.000,- contant opgenomen van deze rekening van [medeverdachte 2] . De contante geldopname van een fors bedrag in november 2015 en het twee maanden later (op 21 januari 2016) overhandigen van een envelop met geld, past daarmee goed in de tijdlijn.
De verklaring van de vrouw van [verdachte] dat zij een envelop met lootjes aan [getuige 5] heeft meegegeven, is strijdig met de verklaring van [getuige 5] en past niet in deze tijdlijn. Als de vrouw van [verdachte] lootjes in Miami had gekocht voor [medeverdachte 2] , dan zou dat in november/begin december 2015 moeten zijn geweest, want op dat moment was zij volgens de radexgegevens in Miami. Het Hof acht het niet aannemelijk geworden dat [medeverdachte 2] op 21 januari 2016 [getuige 5] naar de woning van [verdachte] heeft gestuurd om lootjes op te halen, die de vrouw van [verdachte] ongeveer twee maanden eerder – toen zij in Miami was – zou hebben meegenomen. Dit mede gelet op het feit dat [medeverdachte 2] noch de vrouw van [verdachte] een plausibele verklaring hebben gegeven voor dit tijdsverloop. Het Hof wordt bovendien in die overtuiging gesterkt doordat [medeverdachte 2] bij de Landsrecherche stellig heeft ontkend dat zij [getuige 5] ooit naar de woning van [verdachte] heeft gestuurd, en [medeverdachte 2] pas ter terechtzitting – en dus ná de verklaring van de vrouw van [verdachte] dat [getuige 5] bij haar woning is geweest om lootjes op te halen – overeenkomstig heeft verklaard.
Gelet op het vorenstaande is naar het oordeel van het Hof wettig en overtuigend bewezen dat [medeverdachte 2] [getuige 5] naar de woning van [verdachte] heeft gestuurd, waar zij een envelop met geld aan de vrouw van [verdachte] heeft gegeven, die de envelop ook heeft aangenomen, en dat dit geldbedrag is gegeven in ruil voor het uitgeven van een optie-/erfpachtrecht aan [betrokkene 5] .
Conclusie
Op grond van al het bovenstaande concludeert het Hof dat [verdachte] en [medeverdachte 2] , in nauwe en bewuste samenwerking, een werkwijze hebben opgezet waarbij aan het Land een valse voorstelling van zaken werd gegeven, waardoor het Land is bewogen tot de afgifte van een tweetal optie- en later erfpachtrechten aan partijen die, anders dan werd voorgespiegeld, niet uit waren op ontwikkeling van de desbetreffende percelen, maar slechts op het te gelde maken van de te verkrijgen optierechten, dit met het doel om er zelf beter van te worden.
[medeverdachte 2] , van wie ook [verdachte] wist dat zij geen ontwikkelaar was, deed zich met haar vennootschappen in strijd met de waarheid voor als zodanig. In werkelijkheid waren de aanvragende vennootschappen leeg en ontbraken ervaring, concrete plannen en mogelijkheden om de percelen in kwestie te ontwikkelen. Dat [medeverdachte 2] niet de bedoeling had om zelf de percelen in kwestie te (laten) ontwikkelen, maar er slechts op uit was om de optierechten te gelde te maken, blijkt onder meer uit het feit dat zij al voor de daadwerkelijke optieverleningen in gesprek was met potentiële kopers van de in optie te ontvangen percelen, aan wie zij zelfs de aanvragen met daarop het akkoord en de handtekening van [verdachte] kon laten zien. Het Hof leidt uit deze gang van zaken af dat [medeverdachte 2] al in een vroeg stadium van [verdachte] , wiens rol in dit proces cruciaal was, de verzekering, althans voldoende comfort, had gekregen dat de opties er wel zouden komen.
[medeverdachte 2] beschikte door haar goede band met [verdachte] , van wiens partij zij een prominent lid was, over rechtstreekse toegang tot de minister, bij wie zij haar aanvragen dan ook rechtstreeks liet indienen. [verdachte] rol bestond erin dat hij deze aanvragen van zijn goede bekende en partijgenote, niettegenstaande de achterstanden in de afhandeling van optie-aanvragen, nog op dezelfde dag, c.q. kort na die indiening, voorzag van zijn akkoord conform en zijn handtekening. Dit zodat iedere inhoudelijke tussenkomst van de DIP en daarmee de toetsing van de aanvragen van [medeverdachte 2] aan het geldende beleid werd omzeild. Hiermee bereikte hij dat ieder onderzoek naar de vraag of deze aanvragers konden worden beschouwd als serieuze partijen achterwege bleef.
In het vervolgtraject werden de concept MB’s die door [medeverdachte 3] waren opgesteld op instructie van [verdachte] met spoed naar zijn bureau gestuurd, waarna deze door hem werden ondertekend en [medeverdachte 2] in strijd met de regels een kopie MB in handen kreeg gespeeld, die zij kon gebruiken om haar kopers (verder) te overtuigen. Door dit alles werd [medeverdachte 2] in de gelegenheid gesteld om haar vennootschappen tussen de optie verlenende overheid en de serieuze ontwikkelaars te schuiven en te profiteren van een aanzienlijke waardestijging van de aandelen van haar vennootschappen.
Zowel [medeverdachte 2] als [verdachte] (via de betaling door [getuige 5] ) hebben hiervan financieel voordeel genoten.
Door zo te handelen hebben [verdachte] en [medeverdachte 2] het land opgelicht.
Dat de vennootschappen in kwestie na verkoop van de aandelen aan serieuze ontwikkelaars en na het vertrek van [medeverdachte 2] de ontwikkeling van de percelen ter hand hebben genomen, doet aan het bedrieglijk handelen van de verdachten niet af.
Land is een professionele partij
De vraag is voorts of het Land als professionele partij de oplichting, voor zover daar sprake van zou zijn, had moeten doorzien.
In zijn algemeenheid geldt, naar vaste rechtspraak, dat bij beantwoording van de vraag of sprake is van oplichting mede van belang is of het slachtoffer de in het maatschappelijk verkeer vereiste omzichtigheid in acht heeft genomen (zie: ECLI:NL:HR:2011:BQ8600, NJ 2012/279). Daarbij kan ook een rol spelen, zoals aangevoerd, de eigen gedragingen en kennis van zaken van het slachtoffer (zie: ECLI:NL:HR:2016:2889, NJ 2016/157) die ertoe had(den) moeten leiden dat het slachtoffer de gegeven onjuiste voorstelling van zaken had moeten doorzien.
Het Hof overweegt dat het Land als professionele partij moet worden beschouwd en dat moet worden toegegeven dat het door het Land gecreëerde beleid ten aanzien van de uitgifte van erfpachtrechten en de uitvoering daarvan ernstig tekortschoot. Wat daarvan verder ook zij; er is in het onderhavige geval geen sprake van dat het Land gelet op de in het algemeen in het maatschappelijk verkeer vereiste omzichtigheid de onjuiste voorstelling van zaken had moeten doorzien. Het Land mag er immers op vertrouwen dat de minister integer handelt op grond van onder meer de ambtseed die hij heeft afgelegd. De verdachten hebben echter misbruik gemaakt van dat vertrouwen en op slinkse en listige wijze het Land opgelicht, zoals hiervoor is overwogen. Daarbij heeft [medeverdachte 2] andere personen gebruikt om als directeur van de vennootschappen te fungeren teneinde te verhullen dat zijzelf de aanvragen voor de erfpachtrechten indiende. Kortom, de verdachten hebben er naar het oordeel van het Hof alles aan gedaan om het Land te misleiden en, gelet op alle omstandigheden, kan niet worden gezegd dat het Land de oplichting had moeten doorzien.
Het Land is niet benadeeld
Ten aanzien van de benadeling van het Land wordt het volgende overwogen.
De oplichtingsbepaling beschermt niet alleen het vermogen van degene die wordt opgelicht, maar ook het vertrouwen dat men mag en moet kunnen hebben in het maatschappelijk en economisch verkeer en de oprechtheid waarmee anderen aan dit verkeer deelnemen (zie: HR ECLI:NL:HR:2016:2889, NJ 2016/157). Gelet hierop hoeft naar het oordeel van het Hof niet vast komen te staan dat het Land of een ander financieel nadeel heeft ondervonden als gevolg van de door verdachten gegeven onjuiste voorstelling van zaken. [medeverdachte 2] heeft in samenwerking met de minister op listige wijze een verkeerde voorstelling van zaken gegeven teneinde het Land te bewegen tot afgifte van een optie-/erfpachtrecht. Door aldus te handelen hebben de verdachten het vertrouwen dat men mag hebben in het maatschappelijk en economisch verkeer geschaad. Gelet op de hiervoor aangehaalde rechtspraak is hiermee het in de sleutel van de oplichtingsbepaling bedoelde “nadeel” gegeven.”
De eerste deelklacht
2.6 De stellers van het middel betogen – kort gezegd – dat uit het vonnis volgt dat het Hof ten aanzien van de oplichting van oordeel is geweest dat de verdachte als vertegenwoordiger van het land Aruba is ‘bewogen tot afgifte’ als bedoeld in art. 2:305 SrA Pro, zodat het onbegrijpelijk is dat hij tegelijkertijd met zijn medeplegers als pleger van de oplichting is aangemerkt. Iemand kan immers niet pleger en slachtoffer zijn, zo begrijp ik de stellers van het middel.
2.7 Voor een bewezenverklaring van oplichting is onder meer vereist dat het slachtoffer door een van de in art. 2:305 SrA Pro (dat woordelijk overeenkomt met art. 326 Sr Pro) genoemde oplichtingsmiddelen is
bewogen tot afgiftevan enig goed. Of daarvan sprake is, hangt af – zo blijkt uit het overzichtsarrest van de Hoge Raad over oplichting – van enerzijds de mate waarin de in het algemeen in het maatschappelijk verkeer vereiste omzichtigheid het beoogde slachtoffer aanleiding had moeten geven de onjuiste voorstelling van zaken te onderkennen of zich daardoor niet te laten bedriegen, en anderzijds de persoonlijkheid van het slachtoffer, waarbij onder meer de leeftijd en de verstandelijke vermogens van het slachtoffer een rol kunnen spelen. Oplichting is niet aan de orde als het slachtoffer “– gelet op alle omstandigheden van het geval, waaronder de eigen gedragingen en kennis van zaken – de in een bepaalde gedraging van de verdachte besloten liggende onjuiste voorstelling van zaken had moeten doorzien.” [2]
2.8 Ook een rechtspersoon kan worden bewogen tot afgifte. Zulks volgt reeds uit een arrest van de Hoge Raad uit 1931. In die zaak had de verdachte na een brand in zijn huis opzettelijk in strijd met de waarheid aan de inspecteur van een verzekeringsmaatschappij een lijst met verloren gegane goederen aangeleverd. In de tenlastelegging stond dat hij de Directie der N.V. de Nederlanden van 1845 had getracht te bewegen tot afgifte. In cassatie werd geklaagd dat art. 326 Sr Pro spreekt van “iemand bewegen tot afgifte” en dus natuurlijke personen op het oog heeft, terwijl de Directie van een N.V. niet een aanduiding is van een of meer natuurlijke personen, omdat de directie ook door een andere N.V. kan worden uitgeoefend. De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en overwoog in dat verband dat “oplichting, zijnde een misdrijf tegen het vermogen, gepleegd kan worden tegen alle personen, die vermogensrechten bezitten, dus ook tegen rechtspersonen; dat in het laatste geval, – ook al zou het betreffen eene Naamlooze Vennootschap, waarvan de directie wederom bij eene andere Naamlooze Vennootschap berust, – daadwerkelijk als organen dier rechtspersonen handelen natuurlijke personen; dat derhalve door de uitdrukking „Directie", voldoende duidelijk is aangegeven dat het ook hier natuurlijke personen zijn, die daadwerkelijk tot de afgifte zijn bewogen”. [3]
2.9 Wat betekent dit voor de onderhavige zaak? Deze wijkt af van het in het vorige randnummer genoemde arrest doordat in de onderhavige zaak een van de natuurlijke personen die de rechtspersoon vertegenwoordigde, namelijk de verdachte, heeft meegewerkt aan de oplichting en dus niet kan zijn bewogen tot afgifte van de (opties op) de erfpachtrechten. De stellers van het middel bouwen met hun klacht in feite voort op dit punt en concluderen dat het Hof van oordeel is geweest dat de verdachte zowel oplichter als degene die is bewogen tot afgifte is geweest, hetgeen onbegrijpelijk is. Deze conclusie berust echter op een verkeerde lezing van het vonnis en mist daarmee feitelijke grondslag. Het Hof heeft immers onder 1 bewezenverklaard dat de verdachte tezamen en in vereniging met een of meer anderen
het land Arubaheeft opgelicht en heeft in zijn bewijsoverwegingen geconcludeerd dat de verdachte en [medeverdachte 2] , “in nauwe en bewuste samenwerking, een werkwijze hebben opgezet waarbij aan het Land een valse voorstelling van zaken werd gegeven, waardoor het Land is bewogen tot de afgifte van een tweetal optie- en later erfpachtrechten aan partijen die, anders dan werd voorgespiegeld, niet uit waren op ontwikkeling van de desbetreffende percelen, maar slechts op het te gelde maken van de te verkrijgen optierechten, dit met het doel om er zelf beter van te worden”. Het Hof heeft kennelijk en niet onbegrijpelijk gemeend dat andere personen die voor het Land Aruba werken, te weten medewerkers van DIP, door de verdachte en [medeverdachte 2] zijn bewogen tot afgifte van de optie- en erfpachtrechten en dat
daarmeede publiekrechtelijke rechtspersoon Land Aruba is bewogen tot afgifte. Deze benadering sluit aan bij de rechtspraak van de Hoge Raad, nu daaruit lijkt te volgen dat hoewel een rechtspersoon kan worden bewogen tot afgifte, hiervoor is vereist dat de natuurlijke personen die als organen van de rechtspersoon handelden daadwerkelijk tot afgifte zijn gedwongen. Ook het overzichtsarrest over oplichting wijst in die richting, nu de Hoge Raad daarin refereert aan de persoonlijkheid, leeftijd en verstandelijke vermogens van het slachtoffer, welke een rechtspersoon niet bezit. [4]
2.10 Gezien het voorgaande faalt de klacht.
De tweede deelklacht
2.11 De tweede klacht luidt dat het aangaan van een overeenkomst niet kan worden beschouwd als afgifte van enig goed.
2.12 Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat aan het begrip ‘goed’ in dit verband een autonome strafrechtelijke betekenis toekomt. Ook een niet-stoffelijk object kan daaronder worden begrepen, mits het gaat om een object dat naar zijn aard geschikt is om aan de feitelijke heerschappij van een ander te worden onttrokken. [5]
2.13 In de onderhavige zaak is onder 1 (kort gezegd) bewezenverklaard dat de verdachte het land Aruba, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, meermalen heeft bewogen tot afgifte van enig goed, te weten: i) de afgifte van Ministeriële Beschikkingen waarbij een optierecht wordt verleend en ii) het aangaan van overeenkomsten tot vestiging van erfpacht.
2.14 In zijn bewijsoverwegingen gaat het Hof ervan uit dat het Land door de verdachte tezamen en in vereniging met (in ieder geval) [medeverdachte 2] , en als gevolg van de door hen gebruikte schijnconstructies, is bewogen tot de afgifte van een tweetal optie- en later erfpachtrechten. De afgifte van optierechten is geschied door de afgifte van Ministeriële Beschikkingen. Vervolgens zijn door de verdachte, als vertegenwoordiger van het Land, met betrekking tot dezelfde percelen overeenkomsten tot vestiging van erfpachtrecht aangegaan op grond waarvan erfpachtrechten zijn verkregen.
2.15 Hoewel ik de stellers van het middel volg in hun standpunt dat ‘het aangaan van een overeenkomst tot vestiging van een erfpachtrecht’ (zoals is bewezenverklaard) op zichzelf beschouwd niet kan worden aangemerkt als de afgifte van enig goed, kan dit volgens mij niet tot cassatie leiden, omdat de bewezenverklaring een kennelijke misslag bevat die door de Hoge Raad verbeterd kan worden gelezen. Ik ga ervan uit dat het Hof heeft verzuimd in de bewezenverklaring de woorden “het aangaan van” weg te strepen en heeft beoogd bewezen te verklaren dat sprake is van de afgifte van (aangegane) overeenkomsten tot vestiging van erfpacht. Daarbij heeft het Hof deze overeenkomsten terecht als ‘goed’ kunnen aanmerken. [6] Steun voor de opvatting dat sprake is van een dergelijke misslag vind ik in het vonnis in de samenhangende zaak tegen [medeverdachte 2] , waarin de woorden “het aangaan van” in de bewezenverklaring van oplichting wél zijn weggestreept.
De derde deelklacht
2.16 Deze deelklacht houdt in dat uit de bewijsmiddelen niet (zonder meer) kan volgen dat de verdachte wetenschap heeft gehad van
i)de oplichtingshandelingen van zijn medeverdachte(n) en
ii)de omstandigheid dat door [medeverdachte 3] en/of DIP niet werd onderzocht of de aanvragen voldeden aan de voorwaarden die daarvoor golden.
2.17 Bij de bespreking van het middel zijn de volgende bewijsmiddelen van belang:

1.6Geschrift, zijnde een ‘share purchase agreement’ van 22 januari 2014, overdracht aandelen in [betrokkene 6] aan verdachte [medeverdachte 2] :
THE UNDERSIGNED:
1. [betrokkene 11] hereinafter referred to as the “Seller”
2. [L] ., hereinafter referred to as “Seller”
AND
3. [medeverdachte 2] , born on [geboortedatum] 1956 in [geboorteplaats] and hereinafter referred to as the "Purchaser".
a) Pursuant to article incorporation of [M] VBA , the Company was incorporated on 2 May 2013 by the Sellers.
b) Seller 1 is the owner and holder of 60 of the issued and outstanding shares, each at a nominal value of AWG 100,00 per share
c) Seller 2 is the owner and holder of 40 of the issued and outstanding shares, each at a nominal value of AWG 100,00 per share
d) Purchaser wishes to acquire 100% of the shares in the Company Company, numbered 1 up to 100 (the "Shares");
1.1 The Sellers hereby sell the Shares to the Purchaser and the Purchaser hereby Purchases the Shares from the Sellers.
1.2 The transfer of the Shares is effected on 23 January 2014 ("the Closing Date").
Ondertekend op 22 januari 2014 door: [betrokkene 11] , [betrokkene 18] en [betrokkene 19] namens [L] en [medeverdachte 2] .
(…)
1.12Geschrift, zijnde een aanvraagbrief voor een erfpachtrecht d.d. 15 november 2014, namens [M] :
[plaats] , 15 November, 2014
Aan Zijne Excellentie,
Minister [verdachte]
Minister van Ruimtelijke Ontwikkeling, Infrastructuur en Integratie
Betreft: aanvraag commercieel terrein.
Zijne Excellentie,
Vriendelijk verzoek ik Uw medewerking tot mijn aanvraag tot het verkrijgen van een commercieel terrein aan de Sazakiweg perceel nummer […] . Dit terrein is bestemd voor commerciële doeleinde gecombineerd met luxe appartementen.
Te zijner tijd zal ondergetekende een gedetailleerde business plan indienen met een schetsontwerp.
Met de hoogste waardering dank ik U bij voorbaat voor Uw aandacht aan mijn verzoek.
Met hoogachting,
[dochter medeverdachte 2]
Directeur
[M]
Ondertekend door [dochter medeverdachte 2]
Met stempel: “Ing: 29 dec 2014
Verz.: 29 dec 2014
Volgnr IIR/” (met opschrift:) “4592-2014”
Met opschrift: “Dir Dip, akkoord […] , gaarne uw medewerking” en “29-dec-2014”. Handtekening van
(het Hof begrijpt: de minister ROII, [verdachte] )[verdachte]
.
(…)
1.14Geschrift, zijnde een brief van [betrokkene 9] aan [medeverdachte 3] van 14 januari 2015:
Aan de directie van Directie Infrastructuur en Planning
t.a.v. [medeverdachte 3] MT DIP
Ons kenmerk: IIR/4592-2014 [plaats] , 14 januari 2015
onderwerp: verzoek tot intrekking eerder verzonden documentatie en aanbieding uitvoering van wijziging
met verzoek: intrekking van het eerder verzonden verzoek van [M] met akkoord ter uitvoering van de minister d.d. 29-12-2014, kenmerk nr. IIR/4592-2014, verzonden op 29-DEC-2014, en tevens de nieuwe brief en akkoord van de minister d.d. 14-JAN-2015 af te handelen, kenmerk nr. IIR/4592-2014.
Ondertekend op 14 januari 2015 door [betrokkene 9] , Chieff of Staff van Bureau van de minister van ROII.
1.15Geschrift, zijnde een brief van [medeverdachte 3] aan minister [verdachte] van 22 januari 2015:
Met stempel: “SPOED”
Met stempel: “Ing.: 23 jan 2015
Verz.: 27 jan 2015
Volgnr IIR/” (met opschrift:) “4592-2014”
Aan: de Minister van Ruimtelijke Ontwikkeling, Infrastructuur en Integratie
Onderwerp: erfpachtsaanvraag t.n.v. [M] V.B.A. perceel gelegen te [locatie 2] .
Datum: 22 januari, 2015
Excellentie,
de vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [M] V.B.A. ( [betrokkene 6] ) heeft middels een schrijven van 15 november 2014 en middels een erfpachtaanvraagformulier gedateerd 22 december 2014 een perceel domeingrond aan de [b-straat] of [locatie 3] in erfpacht aangevraagd voor commerciële doeleinden en luxe appartementen.
U hebt mij op 29 december 2014 geïnstrueerd [betrokkene 6] de mogelijkheid te bieden tot het realiseren van haar plannen op een perceel domeingrond gelegen aan de [b-straat] , kadastraal bekend als Land Aruba Eerste Afdeling Sectie K nummer […] .
Middels dit schrijven doe ik u een concept-optiebeschikking t.n.v. [betrokkene 6] toekomen, betreffende het perceel domeingrond kadastraal bekend als Land Aruba Eerste Afdeling Sectie K genummerd […] , gelegen aan de [b-straat] te [locatie 2] .
Anders dan door [betrokkene 6] verzocht, is de bestemming tot het moge bouwen van luxe appartementen op het bewuste perceel niet overgenomen.
het Managementteam van de Directie Infrastructuur en Planning
Met handtekening van [medeverdachte 3] .
Opschrift: “Dir dip, akkoord […] ”, met handtekening van (
het Hof begrijpt: handtekening van de minister van ROII, dhr. [verdachte]) [verdachte] op datum 27 januari 2015
1.16Geschrift, zijnde een Ministerie Beschikking (optiebeschikking t.b.v. [betrokkene 6] ) d.d. 27 januari 2015:
Gelezen:
het verzoek van de vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [M] V.B.A. gedateerd 22 december 2014; het schrijven d.d. 15 november 2014 met het verzoek tot het verkrijgen van een perceel domeingrond kadastraal bekend als Land Aruba Eerste Afdeling Sectie K genummerd […] .
Gelet op:
De instructie van de minister van Ruimtelijke Ontwikkeling, Infrastructuur en Integratie, gedateerd 14 januari 2015., n.a.v. het schrijven d.d. 15 november 2014 [dochter medeverdachte 2] , handelende als directeur van de vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [M] V.B.A..
HEEFT BESLOTEN:
Aan de vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [M] V.B.A. het recht van optie te verlenen op een perceel domeingrond gelegen te [locatie 2] aan de [b-straat] , Aruba Eerste Afdeling Sectie K genummerd […] .
Ondertekend door de minister van ROII
(het Hof begrijpt: [verdachte] )op 27 januari 2015.
1.17Geschrift, zijnde een ‘share purchase agreement’ van 30 januari 2015, gesloten tussen verdachte [medeverdachte 2] als seller en [N] als purchaser en [I] als agent:
The undersigned,
1. [medeverdachte 2] , "Seller”
AND
2. [N] N.V. represented by its director and sole shareholder [betrokkene 12] ”Purchaser"
AND
2. [O] N.V. "Agent"
Whereas:
a. [M] VBA , is company incorporated under the laws of Aruba hereinafter referred to as the (the "Company").
b. Seller is the owner and holder of all of the issued and outstanding shares each at a nominal value of AWG 100.- per share, numbered 1 up to 100 in the capital of the Company.
c. The Company had acquired the option from the government of Aruba to obtain the right of a long lease (recht van erfpacht) on the property located at Sasaki.
d. Purchaser wishes to acquiere 100% of the shares in the Company, numbered 1 up to 100.
e. The Seller have offered the shares in the Company to Purchases who whishes to purchase them from the Seller.
1.1 The transfer of the shares is effected on 30 January 2015.
2.2 The Purchase Price in the amount of AWG 555.000,- shall be paid by Purchaser to the Seller in the following manner:
- AWG. 10.000,- by means of a deposit into the [bank 1] account in the name of the Seller
- AWG. 60.000,- in cash
- AWG 485.000,- by means of a deposit on the bank account number 82353301 held at [bank 2] in the name of [medeverdachte 2]
IN WITNESS WHEREOF the parties hereto have executed this Agreement in three copies in Aruba on 30 January 2015
Ondertekend door [medeverdachte 2] , [betrokkene 12] en [getuige 4] .
1.18Geschrift, zijnde een overeenkomst van erfpacht (ongedateerd) gesloten tussen het Land Aruba en [betrokkene 6] VBA:
1. De publiekrechtelijke rechtspersoon Land Aruba, ten deze vertegenwoordigd door de minister van Ruimtelijke Ontwikkeling, Infrastructuur en Integratie
en
2. De naamloze vennootschap [M] V.B.A
komen overeen:
Verlening en aanvaarding van de erfpacht
1. Land Aruba zal, met inachtneming van het verder in deze Overeenkomst bepaalde, aan Contractant, die dit zal aanvaarden, een recht van erfpacht verlenen.
2. Het recht van erfpacht wordt gevestigd op een perceel domeingrond, kadastraal bekend als Land Aruba, Eerste Afdeling, Sectie K, nummer […] , te [locatie 2] .
Deze overeenkomst wordt geacht te zijn ingegaan op 1 december 2016.
Ondertekend door [verdachte] namens het Land en [betrokkene 12] , namens [betrokkene 6]
Met name ten aanzien van [betrokkene 5]
1.19Geschrift, zijnde een akte van oprichting van de rechtspersoon [betrokkene 5] d.d. 30 september 2015:
GEEFT MET VERSCHULDIGDE EERBIED TE KENNEN:
[betrokkene 14] ,
HET VOLGENDE
Bij akte op 30 september 2015 verleden voor [notaris] , notaris te Aruba, is door [medeverdachte 2] , opgericht een vennootschap met beperkte aansprakelijkheid, genaamd: “ [J] VBA”.
Vervolgens verklaarde de comparante:
- dat bij deze voor de eerste keer tot directeur der vennootschap wordt benoemd [betrokkene 14] , klerke,
- dat eenhonderd (100) aandelen zijn geplaatst en zullen worden volgestort; en
- dat in het geplaatste kapitaal wordt deelgenomen door [medeverdachte 2] voornoemd voor eenhonderd (100) aandelen.
(…)
1.21Geschrift, zijnde een aanvraagbrief voor een erfpachtrecht d.d. 20 augustus 2015 namens [J] :
[plaats] ,20 Augustus, 2015
Aan Zijne Excellentie
Minister [verdachte]
Minister van Ruimtelijke Ontwikkeling,Infrastructuur en
Integratie.
Betreft: aanvraag commercieel terrein tegenover [K]
Zijne Excellentie,
Vriendelijk verzoek ik Uw medewerking tot mijn aanvraag tot het verkrijgen van een commercieel terrein in de buurt van de airport tegenover [K] .
Dit terrein is bestemd voor commerciele doeleinde.
Te zijner tijd zal ondergetekende een gedetailleerde businessplan indienen met een schetsontwerp.
Met de hoogste waardering dank ik U bij voorbaat voor Uw aandacht aan mijn verzoek.
Met hoogachting,
[betrokkene 14]
Directeur
[J]
Ondertekend door [betrokkene 14] .
Opschrift: “Dir dip, akkoord […] , gaarne uw medewerking” met handtekening (
het Hof begrijpt: minister van ROII, [verdachte] ”) en datum 14 augustus 2015
Stempel van Minister van Ruimtelijke Ontwikkeling, Infrastructuur en Integratie:
Ing.: 7 AUG 2015
Verz.: 14 AUG 2015
Stempel van Dir. Infrastruct. & Planning
Datum Ingek. AUG 18 2015
1.22Geschrift, zijnde een brief van [medeverdachte 3] aan minister [verdachte] d.d. 30 oktober 2015:
Team/Unit: MT/FFA
Excellentie,
middels deze doe ik u een concept-optiebeschikking ten name van de vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [J] V.B.A. ( [betrokkene 5] ) voor het nodige toekomen.
[J] V.BA heeft middels een schrijven van 20 augustus 2015 een perceel domeingrond in erfpacht aangevraagd voor de bouw van een commercieel project. In een gesprek met [betrokkene 14] is het verzoek nader gespecificeerd waarbij is gebleken dat het zal gaan om een complex appartementen en winkelruimten. U hebt ook in uw instructies ter zake twee percelen aangegeven welke in optie kan worden verleend. De betreffende percelen zijn kadastraal bekend als Land Aruba Sectie T nummer […] en […] .
Indien u zich kunt verenigen met de bijgevoegde concept-beschikking, ware deze te formaliseren en aan mij voor de verdere afhandeling te doen toekomen.
Ondertekend door
(Het Hof begrijpt: [medeverdachte 3] , mede gelet op de vermelding in de brief van MT/FFA)[medeverdachte 3] .
Opschrift: “Dir DIP, akkoord […] .” met handtekening van (
het Hof begrijpt minister van ROII: [verdachte] )[verdachte] met datum 30 oktober 2015.
Stempel: “SPOED”
1.23Geschrift, zijnde een Ministeriële Beschikking van 30 oktober 2015, inhoudende een optiebeschikking ten behoeve van [betrokkene 5] VBA:
MINISTERIELE BESCHIKKING VAN DE MINISTER VAN RUIMTELIJKE ONTWIKKELING, INFRASTRUCTUUR EN INTEGRATIE
Gelezen:
het schrijven d.d. 20 augustus 2015 van [betrokkene 14] , handelende namens de vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [J] V.B.A.
HEEFT BESLOTEN:
Aan de vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [J] V.B.A. het recht van optie te verlenen op twee percelen domeingrond ter hoogte van [locatie 1] , kadastraal bekend als Land Aruba, Eerste Afdeling, Sectie T nummer […] en […] .
1. Het recht van optie wordt verleend tot het verkrijgen van het recht van erfpacht op vermelde percelen domeingrond met het doel het bouwen en hebben van appartementengebouw annex winkels.
3.Voor het hebben van het recht van optie is een bedrag van Afl. 1.082 verschuldigd, te voldoen binnen één maand na dagtekening van de beschikking.
Ondertekend op 30 oktober 2015 door (
het Hof begrijpt: minister van ROII, [verdachte] ”) [verdachte] .
1.24Geschrift, zijnde een share purchase agreement d.d. 11 november 2015 betreffende de verkoop van de aandelen in [betrokkene 5] VBA, gesloten tussen [medeverdachte 2] (verkoper) en [betrokkene 15] (koper):
SHARE PURCHASE AGREEMENT
The undersigned,
1. [medeverdachte 2] , hereinafter referred to as "Seller";
and
1. [betrokkene 15] , hereinafter referred to as the "Purchaser".
WHEREAS:
a. [J] (the "Company);
b. Seller is the owner and holder of the issued and outstanding shares, numbered 1 up to Including 100 in the capital of the Company, each at a nominal value of AWG 1,00 share ("Shares"). The Shares, represent 100% of the issued outstanding shares in the Company;
c. The Company has acquired the option from the government of Aruba to obtain the right of a long lease (recht van erfpacht) on the property located at [locatie 1] (the "option")
d. The Seller wishes to sell and transfer the Shares to the Purchaser and the Purchaser wishes to purchase and to accept ownership of the Shares.
Artikel 2 Purchase Pro Price commission and mannser of payment
2.1 The purchase price for the Shares, which constitutes 100% of the shares in the Company, shall be a sum of AWG 356.000,00 ("the Purchase Price").
2.2 The Purchase Price shall be paid to the Seller by means of transfer to the following account (the "Account") (except for the payment of AWG 84.000,00 (US$ 47,191,00) mentioned at 2.4,1);
Bank: [bank 3]
Beneficiary: [medeverdachte 2]
Account no.: [rekeningnummer 1]
2.3 Of the Purchase Price AWG 71.200,00 (US$ 40.000,00) shall be on the Account mentioned in article 2.2 upon execution of this agreement ('Purchase Price A”). Purchase Price A shall be made available to the Seller upon the execution here of and once the transfer has been perfected in accordance to article 9 of this agreement. Upon payment of Purchase Price A, 100% of the shares will be transferred to the Purchaser.
2.4.1 The remainder of the Purchase Price AWG 284.800,00 (US$ 160,000,00) ("the Purchase Price B") shall be partly paid on the account of the Seller mentioned in article 2.2. hereabove being AWG 200.800,00 (US$ 112.809,00) and the other part being AWG 84.000,00 (US$ 47,191,00) on the bankaccount of [I] when the Company obtains the right of long lease (recht van erfpacht) on the property located at [locatie 1] .
3.2 The Seller will make every effort through her contacts with the government and/or the Minister Involved to assist and collaborate with obtaining the necessary permits such as the building permit and (if necessary) an extension of the option right.
9. Effective date of the Transfer of the Shares
The transfer of the Shares will be effective as of the date of acknowledgement by the Company.
Ondertekend op 11 november 2015 door “seller” [medeverdachte 2] , title: sole shareholder en “purchaser” [betrokkene 15] .
Bijlage: de ministeriële beschikking van 30 oktober 2015, ondertekend door (
het Hof begrijpt: minister van ROII, verdachte [verdachte] ”) [verdachte] .
(…)

4.Verklaringen getuigen

4.1
Proces-verbaal 1ste verhoor [getuige 1] :
A: Ik ben bij de DIP begonnen in 2001 als beleidsadviseur.
V: Waarom bent u bij de DIP vertrokken?
A: Ik heb met verschillende ministers gewerkt, ik weet hoe zij denken en wat zij proberen te doen. Met minister [verdachte] had ik het gevoel dat hij niet voor het volk werkte, maar voor een groep mensen. Door de jaren heen zag ik telkens dat we echter alleen zijn mensen moesten helpen. Ik was vanaf 2010 tot april 2014 belast met de commerciële terreinen.
Op een gegeven moment heb ik aangegeven dat ik niet kon werken op de manier dat [medeverdachte 3] wilde. Op een gegeven moment kreeg ik het gevoel dat het niet goed ging. Ik ben toen gaan klagen. Ik moest bijvoorbeeld ook een advies schrijven terwijl ik de stukken niet had ingezien. Ik kreeg toen geen projecten meer en werd in de hoek gezet.
Als ik weigerde een positief advies uit te geven, kon [medeverdachte 3] dit zelf ook doen, want hij wist ook hoe het moest. [medeverdachte 3] zei mij dan, stuur mij alle stukken en dan zou hij het zelf wel doen. In het algemeen stelde [medeverdachte 3] dan een positief advies op als ik het niet wilde doen. Hij was de enige persoon die dit kon doen, naast mij. Ik heb nooit positieve adviezen opgesteld als de zaken niet klopten, maar [medeverdachte 3] wel.
Soms zag ik ook adviezen die alleen [medeverdachte 3] tekende, dat snapte ik dan niet. De adviezen moesten eigenlijk getekend worden door het gehele managementteam. Soms vroeg ik bijvoorbeeld ook aan [betrokkene 20] over een zaak en dan zei zij dat zij er niets vanaf wist en dat ik [medeverdachte 3] moest vragen. [medeverdachte 3] werkte dus ook soms apart van het managementteam.
O: Aan de getuige werd een brochure van de DIP getoond (D-325), voor de uitgifte van een optie ten behoeve van projecten voor commerciële, toeristische en industriële doeleinden.
V: Wat kunt u hierover vertellen?
A: Dit is een korte versie van het beleid dat gold toen ik bij de DIP werkte. De aanvrager moet die zeven genoemde punten indienen. We kijken dan of het past binnen het overheidsbeleid en binnen het ROP qua locatie. Het grote struikelblok was de financiering. Bij commerciële erfpachten moesten wij zeker weten dat de optiehouder wel een financiering zou krijgen. We wilden grondspeculatie voorkomen, daarom had ik dit beleid ook opgesteld.
V: Hoe was de relatie tussen [medeverdachte 3] en minister [verdachte] ?
A: [medeverdachte 3] bepaalde alles binnen het DIP gebeurde. Ik weet wel dat zij een goede afstemming hadden. Ik kan bijvoorbeeld de conclusie trekken over snelheid van de toestemming van de minister. Normaal gesproken, bij een positief advies, duurde het minimaal een week om de toestemming van de minister te krijgen. Bij [medeverdachte 3] gebeurde dit echter nog op dezelfde dag soms binnen een paar uur. Daarvoor moest [medeverdachte 3] wel close zijn met de minister en weten hoe zijn schema was, want ministers zijn erg druk.
4.2
Proces-verbaal 2e verhoor [getuige 1]:
V: In hoeverre waren er vergaderingen omtrent aanvragen of projecten met betrekking tot commerciële terreinen tussen de DIP en [verdachte] ?
A: Er waren vergaderingen, maar ik als teamcoördinator was daar niet bij, Er waren vergaderingen tussen [medeverdachte 3] en [verdachte] . [medeverdachte 3] was een liaison tussen het bureau van de minister en de DIP. [medeverdachte 3] was heer en meester bij de DIP, alles moest via hem. Af en toe waren er ook vergaderingen tussen de minister en het managementteam, maar meestal alleen met [medeverdachte 3] . Deze vergaderingen vonden plaats op het bureau van de minister.
Het duurt normaal gesproken lang om het akkoord van de minister te krijgen. Als je wilde dat jouw zaak snel zou gaan, moest je regelen dat je snel een handtekening en akkoord van de minister kon krijgen. Mensen probeerden daarvoor afspraken met de minister te krijgen. Maar een minister is erg druk, dus je hebt niet zomaar een afspraak met de minister.
Soms schreef [verdachte] echter aan het DIP "gaarne advies", dan wisten wij dat de minister advies wilde en dat wij moesten kijken of het overeenkwam met het ROP en dergelijke. Hierop staat echter al dat de minister akkoord geeft, dus hij wilde hier geen advies over.
4.3
Proces-verbaal 3e verhoor [getuige 1]:
De instructie “akkoord conform” geeft ons geen ruimte om te toetsen aan het beleid. Als er niet “akkoord conform” zou staan zouden we negatief adviseren gezien het gebrek aan informatie. De accordering van de minister maakte het verschil in uitkomst.
V: Zijn er voorwaarden verbonden om een positief advies/Ministeriele Beschikking met karakter van 'SPOED' te kunnen uitgegeven?
A: Op zich niet, maar als we wisten dat de minister het op dat moment wou doet onze administratie de stempel van SPOED erop. Maar nogmaals, snel voor ons is een week. Dezelfde dag is ook met SPOED niet normaal.
V: Dus zo'n SPOED stempel komt op instructie van de minister?
A: Ja hij is de enige die dat aan ons kon vragen.
(…)
4.6
Proces-verbaal 1ste verhoor getuige [betrokkene 8] :
Op 1 december 2018 ben ik directeur geworden bij de DIP. Ik wil het over commerciële erfpacht hebben. Toen ik binnen kwam bij de DIP in 2018 ben ik gaan inventariseren. Ik kreeg een lijst met gevallen waarmee wij bezig zijn om terreinen in te trekken. Ik vroeg mij af waarom men terreinen wilde intrekken. Men vertelde mij dat veel van de terreinen niet op de juiste wijze waren gegeven aan personen. De terreinen waren leeg en er werd niet gebouwd. Dat heet 'het speculeren van terreinen'. Men wil het hebben om door te verkopen. Bij de DIP vertelden ze mij dus dat het plat was en de terreinen werden gegeven aan mensen aan wie ze het wilden geven. Het ging allemaal om geld. Opvallend is dat er steeds bepaalde namen terugkomen. Dan heb ik het over de familie [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] .
Vroeger kon je een briefje sturen naar de minister. Op diezelfde dag was die brief bij de DIP en op dezelfde dag kreeg diegene een optie, een akkoord. In het verleden werd niet aan de optievoorwaarden voldaan en werd de grond doorverkocht. Ook kreeg men oneigenlijke verlengingen.
O: In een folder van het DIP met de naam 'optie ten behoeve van projecten voor commerciële, toeristische en industriële doeleinden' staat het volgende over de optieverlening:
Verzoeker dient allereerst een verzoek te richten aan de minister van Onderwijs, Sociale zaken en Infrastructuur door tussenkomst van de directeur van de Directie Infrastructuur en Planning ter verkrijging van het recht van erfpacht.
V: Kunt u eens uitleggen wat hiermee bedoeld wordt en hoe dit gaat?
A: Klopt. Het verzoek, de aanvraagbrief, voor een terrein moet naar de minister van Infrastructuur. De directeur van de DIP krijgt ook de aanvraagbrief. Met tussenkomst bedoelen ze dat als ik
(het Hof begrijpt: als directeur van de DIP)een aanvrager gesproken heb, ik diegene doorverwijs naar de minister. Zodat diegene daar zijn aanvraagbrief inlevert. Wat ze er ook mee bedoelen is dat de minister mijn advies vraagt. De aanvraag wordt ook bij de DIP geregistreerd. Dat is de reguliere procedure. Bij de vorige minister
(het Hof begrijpt: [verdachte] )werd er direct een akkoord gegeven. Dat is wat ik gezien heb op brieven. Er werd geen advies gevraagd. Dat kan niet. Tenminste, niet als je als minister werkt volgens de deugdelijkheidsbeginselen, de beginselen van behoorlijk bestuur.
4.7
Proces-verbaal 2e verhoor getuige [betrokkene 8] :
Het valt mij op dat op dit formulier door de minister handgeschreven staat dat hij akkoord is. De minister weet niet of alles is ingeleverd, want hij krijgt alleen het aanvraagformulier. Normaal zou je zeggen "gaarne advies", want je weet nog niet of alles klopt wat wordt of is aangeleverd en of het wel klopt met het ROP. Hij kon niet akkoord geven want hij wist de details niet. Er had moeten staan, gaarne advies.
(…)
4.21
Proces-verbaal 2e verhoor [getuige 4] :
V: Wie had u gecontacteerd/benaderd om als consultant/agent te fungeren voor [medeverdachte 2] ?
A: [medeverdachte 2] zelf. Zij zei tegen mij dat zij een terrein te [locatie 1] had dat zij wilde verkopen.
V: Wanneer precies begon u met [betrokkene 15] en/of [betrokkene 16] te onderhandelen voor de verkoop van de aandelen van [medeverdachte 2] in [betrokkene 5] ?
A: Al vóór juni 2015 was ik hiermee begonnen.
V: Vraag aan u of u hierop blijft volharden dat u al in juni 2015 opzoek ging naar een koper.
A: Ik kan me herinneren dat ik door [medeverdachte 2] al in juni/juli 2015 werd benaderd en zij tegen mij zei dat zij een optie op een terrein had. Zij zei tegen mij dat dit terrein te [locatie 1] ligt.
(…)
4.24
Proces-verbaal 3e verhoor [getuige 1] :
In de MB staat appartementencomplex met winkels maar in de brief van de architect wordt gesproken over een carwash. Dat is niet de bestemming waarvoor de optie is uitgegeven. Dat zou een probleem zijn. Een carwash is geen appartementencomplex en de bestemming is heel belangrijk. De bouwtekening moet dus gaan om een appartementencomplex met winkels. Dit zou niet worden goedgekeurd. Het bedrijf heeft dus niet voldaan aan de voorwaarden omdat de bestemming niet klopt.
(…)

5.Verklaringen van (mede)verdachten

(…)
5.5
Proces-verbaal 1ste verhoor verdachte [medeverdachte 3] :
A: Ik ben gaan werken als lid van het managementteam van de DIP. Ik weet niet meer precies wanneer dit was, misschien in 2012. Ik had wekelijks contact met [verdachte] , indien dit nodig was, over commerciële erfpachtterreinen. Ik schreef hier documenten over die [verdachte] ontving, en we hadden ook persoonlijk contact hierover.
Als de aanvraag bij de DIP kwam, moest gekeken worden of er een terrein beschikbaar was. Er lagen echter veel aanvragen voor commerciële terreinen op de plank.
V: Dus er was een achterstand bij de erfpachtuitgifte voor commerciële terreinen?
A: Ja.
V: Was er een bepaalde procedure voor het oppakken van deze verzoeken, bijvoorbeeld first in en first out?
A: Nee, voor de overheid was het van belang dat de private sector projecten ging uitvoeren.
O: Op dit formulier staat dat naast dit formulier ook een verzoekschrift aan de minister moet worden gericht, door tussenkomst van de DIP, waarin verschillende gegevens dienen te worden aangeleverd, zoals de wijze van financiering.
V: Is dit aangeleverd in het geval van [betrokkene 21] ?
A: Nee. Als de minister zijn akkoord heeft gegeven, zoals is gebeurd zoals u ziet op D-330
(Het Hof begrijpt: Het aanvraagformulier bij de DIP van [betrokkene 21] d.d. 10 december 2014),dan wordt de aanvraag gewoon in behandeling genomen. Na de optie dient de aanvrager namelijk ook al aan al deze voorwaarden te voldoen, dus dan komt dat gewoon later. Deze vereisten staan hier alleen op om alleen serieuze aanvragen te ontvangen.
O: Minister [verdachte] accordeerde de brief met de volgende handgeschreven tekst: "DIR DIP, Akkoord […] , Gaarne uw medewerking"
V: Wat kunt u over deze accordering verklaren?
A: Dat geeft aan dat de minister geen problemen heeft met deze aanvraag en hij zegt hiermee dat wij hiermee aan de gang moeten gaan. De minister zegt hiermee: 'geef ze een optie'.
5.6
Proces-verbaal 5e verhoor verdachte [medeverdachte 3] :
A: Ik heb het advies (
Het Hof begrijpt: de brief van 22 januari 2015)opgemaakt. Dat kunt u zien aan achter het veld Team/Unit mijn initialen staan. Dus MT/FFA. Ik heb eentje ondertekend en de andere voorzien van mijn paraaf. Het advies met mijn handtekening wordt naar de minister verzonden.
V: Is het de normale gang van zaken dat de Chief of Staff van een bureau van minister u kan verzoeken en/of instrueren wat te doen met betrekking tot de uitgifte en/of wijziging van terreinen?
A: Onder geen beding accepteer ik instructies van een Chief of Staff. Ik leg verantwoording af aan mijn minister. Ik hou mij scherp aan die regels. Voor mij geld de accordering van de minister op de brief die jullie mij gisteren hebben laten zien. Dus dat hij akkoord ging met de aanvraag voor een stuk terrein voor [betrokkene 6] .
V: Waarom in dit geval wel dat […] in […] voor het bedrijf van [medeverdachte 2] gewijzigd moest worden en door u gewijzigd werd?
A: Dat heb ik al een antwoord op gegeven. Ik volg alleen instructies van de minister. In dit geval was hij akkoord gegaan met een optie voor [betrokkene 6] .
A: Het is niet gebruikelijk dat er spoed op dat stuk (
Het Hof begrijpt: de brief van 22 januari 2015)wordt geplaatst.
A: Als u zijn accordering op de aanvraagbrief leest: "DIR DIP akkoord […] gaarne uw medewerking" is dat voor mij een duidelijke instructie.
V: Kan de optiehouder/verzoeker onmiddellijk een afschrift van de MB in handen krijgen nadat de minister de MB had ondertekend?
A: Bij de DIP zeker niet. Totdat zij aan hun betalingsplicht hebben voldaan en het bewijs bij de DIP hebben ingediend, kunnen zij over een exemplaar gaan beschikken.
V: U zegt bij de DIP zeker niet. Kan de MB wel door een andere instantie worden verschaft?
A: Dat kan altijd. In ieder geval als de verzoeker het via een ander instantie zou hebben
gekregen, voordat aan de betalingsplicht werd voldaan, zal deze MB niet voorzien zijn van de nodige leges en zegels.
V: Hoe kwam het dat [medeverdachte 2] zo snel aan een terrein kwam terwijl het op Aruba algemeen bekend is dat om een terrein van de overheid te krijgen het jaren duurde?
A: Het is meer dan duidelijk. Als je naar al de stukken kijkt, de accordering/instructie van de minister kan je een conclusie trekken.
5.7
Proces-verbaal 11e verhoor verdachte [medeverdachte 3] :
O: U verklaarde eerder over een stempel met SPOED.
V: Weet u wie of welke afdeling deze stempel zette?
A: Als er een stuk vanuit de DIP vertrekt dan moet de stempel gezet zijn bij de DIP, door de postregistratie. Als er spoed gevraagd is dan zetten zij de stempel erop.
V: Wie heeft de bevoegdheid om te beslissen dat er een Spoed stempel op komt?
A: Als ik bijvoorbeeld benaderd word dat het Spoed is dan geef ik dat door aan de postregistratie.
V: Wie kan u vragen om die stempel te plaatsen?
A: Het kan afkomstig zijn van het Bureau van de minister of van de minister [verdachte] zelf.
A: Toen ik bij de DIP kwam, werkte [getuige 1] tegen. Daarmee bedoel ik dat hij de opdrachten niet uitvoerde. Op een gegeven moment was de sfeer zo slecht dat ik bepaalde werkzaamheden heb overgenomen van hem.
V: Welke opdrachten voerde hij niet uit?
A: De aanvragen met de accordering van de minister.
(…)
5.11
Proces-verbaal 5e verhoor verdachte [betrokkene 9] :
V: Wat kunt u over de nieuwe brief met akkoord van de minister, genoemd in uw verzoekbrief van 14 januari 2015 verklaren?
A: Het zou een verzoek van de minister zijn geweest om het in te trekken.
A: Ik had blijkbaar instructies van de minister gekregen om deze brief op te stellen en naar [medeverdachte 3] te sturen.
V: Aan de hand waarvan heeft u deze brief d.d. 14 januari 2015 opgemaakt?
A: Aan de hand van instructies van de minister.
V: Op wiens verzoek/opdracht heeft u deze brief aan [medeverdachte 3] opgesteld en verstuurd?
A: Op verzoek van de minister [verdachte] .
Ik heb tegen jullie gezegd dat ik telkens voor toestemming vroeg om een handeling uit te voeren. Ik deed niets op mijzelf. Minister [verdachte] was degene die mij toestemming gaf.
5.12
Proces-verbaal 9e verhoor verdachte [betrokkene 9] :
O: Met betrekking tot de 2e aanvraagbrief
(Het Hof begrijpt: van [betrokkene 6] )voor een commercieel terrein aan de [b-straat] nummer […] d.d. 15 maart 2014.
A: Ik kan verklaren dat [verdachte] de brief had ondertekend. Ik had de brief aan hem voorgesteld en hij heeft het ondertekend.
A: Hij bekijkt ze (e ta wak nan) omdat hij zijn handtekening plaatste. Indien ik een notitie heb geschreven en indien ik geen notitie heb geschreven, is omdat er dingen waren die besproken moesten worden hoe het opgepakt moest worden en dan wordt er een notitie geschreven als we samen waren. Dus hij was weldegelijk op de hoogte. Hij heeft ze ondertekend. Je gaat niets zo blindelings ondertekenen. Zeker hij niet.
V: Op grond waarvan schreef u uw notities dan op?
A: Omdat ik het naar hem toe had genomen. Dus aan de hand van wat wij discussiëren plaatste hij dan zijn handtekening.
V: Wat allemaal discussiëren en bespreken jullie dan over?
A: Het geval van [medeverdachte 2] bracht ik dan bij hem naar voren. "Hoe wil je het dan afhandelen?” “Moet het terug naar de DIP?” “Wat voor notities moet geschreven worden?” “Wat moeten ze ermee doen bij de DIP.” Ik kon geen instructies aan de DIP geven omdat ik die bevoegdheid niet had. En hij is degene die de handtekening plaatste.
O: Volgens [verdachte] heeft hij nooit met [dochter medeverdachte 2] noch [medeverdachte 2] over de inhoud van de deze aanvraagbrief van 15 maart 2014 gesproken.
V: Klopt wat [verdachte] verklaart?
A: Nee, omdat hij op de hoogte was. Hij had toen zelfs de opmerking gegeven dat: "Nu zet zij haar dochter".
V: Waarom had hij de opmerking gegeven: "Nu zet zij haar dochter"?
A: Omdat hij de naam van de dochter van [medeverdachte 2] op de brief had gezien. Zij had de brief ondertekend.
Ik heb die brief (
Het Hof begrijpt: de brief van 14 januari 2015)opgesteld en ondertekend. Ik heb deze brief met een bijlage gestuurd en die bijlage moet voorzien zijn van een akkoord van de minister.
V: Heeft u die brief gezien?
A: Natuurlijk, want indien de DIP alleen deze instructiebrief heeft gekregen, dan zou de DIP de bijlage moeten aanvragen. Ik ben zeker van dat die brief bestaat anders zou ik die niet als bijlage in deze instructiebrief hebben vermeld
V: Werd deze instructiebrief en de bijlage, met name het verzoek voor wijziging, met [verdachte] besproken?
A: Natuurlijk, want hij heeft het ondertekend.
V: Wat werd er dan allemaal daarover besproken?
A: Dat die van terrein veranderd werd.
A: Want hij moest de instructie ondertekenen voor wijziging van terrein. Hij had de bevoegdheid. Ik niet.
V: In hoeverre heeft u gesprekken gehouden met [verdachte] over wijziging van het terrein […] in […] voor [medeverdachte 2] ?
A: Ik had aan hem voorgelegd wat de wensen waren van [medeverdachte 2] om het terrein te wijzigen en ik ben er zeker van dat hij de verzoekbrief die als bijlage werd gevoegd, ondertekend heeft.
O: Had u aan [verdachte] voorgelegd wat de wensen van [medeverdachte 2] waren aangaande de
wijziging?
A: Ja, want hij heeft die bijlage ondertekend.
V: Dus met andere woorden, moeten wij hierbij begrijpen dat [verdachte] door middel van of via u, op de hoogte was dat [betrokkene 6] van [medeverdachte 2] was?
A: Natuurlijk”
2.18
Ik schets eerst bij wijze van context kort de gang van zaken rondom het verlenen van de optierecht-/erfpachtrechten, waarna ik toekom aan de beoordeling van derde klacht.
Zaaksdossier [betrokkene 6]
2.19
Wat betreft de rechtspersoon [betrokkene 6] , van welk bedrijf [medeverdachte 2] sinds 22 januari 2014 de aandelen in handen had (bewijsmiddel 1.6) is op 15 november 2014 een aanvraagbrief voor een erfpachtrecht [7] opgemaakt. Deze komt op 29 december direct bij de verdachte binnen en wordt nog diezelfde dag met opschrift “Dir Dip, akkoord […] , gaarne uw medewerking” doorgestuurd naar de DIP (bewijsmiddel 1.12). De verdachte wist, zo blijkt uit de verklaring van de Chief of Staff van de verdachte ( [betrokkene 9] ), dat [betrokkene 6] van [medeverdachte 2] was; over een eerdere aanvraagbrief van [betrokkene 6] die ingediend was door de dochter van [medeverdachte 2] heeft hij tegen [betrokkene 9] gezegd "Nu zet zij haar dochter" (bewijsmiddel 5.12). Op 14 januari 2015 stuurt [betrokkene 9] een wijzigingsbrief aan [medeverdachte 3] , inhoudende dat [medeverdachte 3] het akkoord van de minister op de aanvraagbrief van [betrokkene 6] van 29 december 2014 als ingetrokken moet beschouwen en uitvoering moet geven aan de nieuwe brief en het akkoord van de minister van 14 januari 2015 (bewijsmiddel 1.14). Uit de verklaring van [betrokkene 9] blijkt dat hij aan de verdachte de wensen van [betrokkene 6] tot wijziging het perceelnummer had voorgelegd en dat de verdachte de verzoekbrief, die als bijlage bij de wijzigingsbrief was gevoegd, daartoe had geaccordeerd (bewijsmiddel 5.12, zie ook bewijsmiddel 5.11). Binnen een paar dagen werd door [medeverdachte 3] een brief opgesteld waarin hij aan de minister schrijft dat de minister hem op 29 december heeft geïnstrueerd om [betrokkene 6] de mogelijkheid te bieden tot het realiseren van haar plannen op het terrein waarvoor zij een aanvraag heeft ingediend (bewijsmiddel 1.15). Deze brief komt op 23 januari 2015 samen met de concept ministeriële beschikking bij de minister binnen en op deze brief wordt vervolgens een spoedstempel geplaatst; zo’n stempel kan alleen op instructie van de minister daarop worden gezet (bewijsmiddelen 4.3 en 5.7). Vier dagen later, op 27 januari 2015, ondertekent de minister de brief (bewijsmiddel 1.15) en de conceptbeschikking (bewijsmiddel 1.16). Weer een paar dagen later, op 30 januari 2015, verkoopt [medeverdachte 2] middels de share purchase agreement (verder: SPA) het bedrijf voor Afl. 555.000,- (bewijsmiddel 1.17; vijfenvijftigmaal de originele prijs die zij voor de aandelen in dit bedrijf had betaald, zie bewijsmiddel 1.6). De SPA is erop gebaseerd dat de rechtspersoon de aangevraagde optie reeds heeft verkregen.
2.2
De koper van de aandelen, [betrokkene 12] , heeft vervolgens de kosten voor de leges, verlengingen, administratiekosten aan de DIP betaald (bewijsmiddel 4.15). Zij is ook degene geweest die de uiteindelijke erfpachtovereenkomst, die geacht wordt te zijn ingegaan op 1 december 2016, heeft getekend (bewijsmiddel 1.18). Gevraagd naar haar koop van de aandelen in [betrokkene 6] heeft zij verklaard dat de reden hiervoor was dat deze rechtspersoon een optierecht op het terrein had verkregen, anders had zij nooit zo’n hoge prijs betaald voor de aandelen. De familie van [medeverdachte 2] werkte volgens Rios samen met de verdachte toen hij als minister fungeerde (bewijsmiddel 4.15).
Zaaksdossier [betrokkene 5]
2.21
Wat betreft de rechtspersoon [betrokkene 5] , blijkt uit de bewijsmiddelen een soortgelijke gang van zaken. Deze rechtspersoon is op 30 september 2015 opgericht door [medeverdachte 2] (bewijsmiddel 1.19); haar werkneemster [betrokkene 14] is aangesteld als directeur (bewijsmiddel 1.20). Al vóór de oprichting van deze rechtspersoon is namens [J] een aanvraag voor een erfpachtrecht bij de minister ingediend. Op 7 augustus 2015 is deze aanvraag ingekomen bij de minister en op 14 augustus 2015 is deze door de minister ondertekend met de notitie: “Dir DIP, akkoord […] , gaarne uw medewerking” (bewijsmiddel 1.21). [medeverdachte 3] heeft 30 oktober 2015 de concept beschikking ten behoeve van [betrokkene 5] naar de minister gestuurd. In de begeleidende brief schrijft hij dat de directeur van [betrokkene 5] in een gesprek heeft aangegeven dat het zal gaan om een complex appartementen en winkelruimten (bewijsmiddel 1.22). Op diezelfde dag heeft de minister de Ministeriële Beschikking ondertekend (bewijsmiddel 1.23). [medeverdachte 2] heeft kort daarop, te weten op 11 november 2015, via een SPA al haar aandelen in [betrokkene 5] verkocht voor een bedrag van Awg. 356.000,-. Bij de SPA is een kopie van de ondertekende ministeriële beschikking van 30 oktober 2015 gevoegd (bewijsmiddel 1.24), terwijl [betrokkene 5] nog niet aan de betalingsplicht had voldaan (bewijsmiddel 1.25) en dus nog niet over de kopie van de beschikking hoorde te beschikken. Ook blijkt dat [medeverdachte 2] al ruim voor het moment van het verlenen van het optierecht bezig was met het verkopen van het bedrijf/de optie (bewijsmiddel 4.21).
2.22
Vervolgens worden de kosten voor de optieverlening op 19 november 2015 aan de DIP betaald (bewijsmiddel 1.25) door de nieuwe eigenaren van [betrokkene 5] (bewijsmiddel 4.23). Op 18 februari 2016 wordt een businessplan van [betrokkene 5] ingediend waarin wordt aangegeven dat het voornemen bestaat een
carwashte ontwikkelen op het terrein waarop de optie ziet (bewijsmiddelen 1.26 en 1.27). Op 24 maart 2016 komt bij de verdachte een brief binnen die is ondertekend door [medeverdachte 3] en waarin staat dat er geen bezwaren bestaan tegen het verlenen van het recht van erfpacht op de percelen met als bestemming het optrekken, hebben en exploiteren van
een appartementengebouw annex winkelsen dat [betrokkene 5] voldaan heeft aan de voorwaarden (bewijsmiddel 1.28). [getuige 1] heeft hierover verklaard dat de discrepantie in beoogde bestemming had moeten leiden tot afwijzing van de aanvraag (bewijsmiddel 4.24). Op 1 april 2016 is echter de erfpachtovereenkomst, die als bestemming het exploiteren van een appartementengebouw annex winkels vermeldt, ondertekend door de minister en de werkneemster van [medeverdachte 2] , [betrokkene 14] (bewijsmiddel 1.29).
De beoordeling van de derde deelklacht
2.23
Deze deelklacht houdt – zoals reeds aangegeven – in dat uit de bewijsmiddelen niet (zonder meer) kan volgen dat
i)de verdachte wetenschap heeft gehad van de oplichtingshandelingen van zijn medeverdachte(n) en
ii)de omstandigheid dat door [medeverdachte 3] en/of DIP niet werd onderzocht of de aanvragen voldeden aan de voorwaarden die daarvoor golden.
2.24
Volgens het Hof heeft de verdachte tezamen en in vereniging met [medeverdachte 2] (en de vennootschappen [betrokkene 6] en [betrokkene 5] , waarvan [medeverdachte 2] aanvankelijk de aandelen hield), het Land Aruba opgelicht, waarvan zowel [medeverdachte 2] (via winst bij de doorverkoop van optie/ erfpachtrechten) als de verdachte (via giften van [medeverdachte 2] ) voordeel hebben gehad. Anders dan de stellers van het middel meen ik dat het Hof de wetenschap van de verdachte van de oplichtingshandelingen van [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] , alsmede van de omstandigheid dat ten aanzien van de aanvragen van [medeverdachte 2] niet werd onderzocht of zij voldeden aan de voorwaarden, wel degelijk uit de bewijsmiddelen heeft kunnen afleiden, zodat de klacht faalt. Uit de bewijsmiddelen blijkt immers van een zeer gecoördineerde praktijk van het opzettelijk voortrekken door de minister en zijn [medeverdachte 3] van de aanvragen van [medeverdachte 2] , waarbij de rest van de DIP steeds buiten spel werd gezet omdat door de accordering vooraf door de minister het toetsen aan voorwaarden zinloos was geworden. Naar de uiterlijke verschijningsvorm kan dit handelen worden aangemerkt als gericht op verwezenlijking van een gezamenlijk plan om het land Aruba opzettelijk op te lichten. [8] Dit betekent dat de verdachte zich bewust moet zijn geweest van de handelingen die de medeverdachten hebben verricht. Gezien het hiervoor opgenomen overzicht van de relevante feiten en omstandigheden die uit de bewijsmiddelen blijken, acht ik dit oordeel niet onbegrijpelijk noch ontoereikend gemotiveerd.
2.25
Wat betreft verdachtes wetenschap van de handelingen van [medeverdachte 2] wijs ik in het bijzonder op de navolgende uit de bewijsmiddelen blijkende omstandigheden. [betrokkene 12] , die [betrokkene 6] van [medeverdachte 2] heeft gekocht, heeft verklaard dat de hele familie van [medeverdachte 2] samen met de verdachte werkte toen hij als minister fungeerde. [9] Ook blijkt uit de bewijsmiddelen dat de verdachte wist de dat [medeverdachte 2] achter de aanvraag van [betrokkene 6] zat. Dit blijkt uit de voornoemde verklaring van zijn Chieff of Staff ( [betrokkene 9] ) dat de verdachte tegen hem heeft gezegd (met betrekking tot de aanvraag van 15 maart 2014): "Nu zet zij haar dochter" (bewijsmiddel 5.12). Daarnaast blijkt dat steeds zodra [medeverdachte 2] zicht had op de verlening van de optiebeschikking, zij de aandelen in de rechtspersonen met enorme winst verkocht middels de share purchase agreement (verder: SPA). Bij deze SPA betreffende [betrokkene 5] was een kopie van de ministeriële beschikking waarbij het optierecht werd verleend als bijlage gevoegd, terwijl, zo heeft het Hof vastgesteld, deze op dat moment nog niet door de DIP was verstrekt en het dus niet anders kan zijn dan dat [medeverdachte 2] deze van of in opdracht van de verdachte alvast heeft gekregen.
2.26
Wat betreft verdachtes wetenschap van de handelingen van [medeverdachte 3] wijs ik erop dat de aanvragen zeer snel werden behandeld en goedgekeurd en voorzien van een speciale instructie door de verdachte (“akkoord conform”). [getuige 1] heeft verklaard dat de instructie “akkoord conform” de DIP geen ruimte gaf om aan het beleid te toetsen (bewijsmiddel 4.3) en dat hij op een gegeven moment aan de kant is gezet, omdat hij weigerde positieve adviezen op te stellen, terwijl hij de stukken nog niet had ingezien. In zo’n geval kon [medeverdachte 3] alsnog een positief advies opstellen en dat heeft hij ook gedaan. Ook tekende [medeverdachte 3] soms adviezen in zijn eentje, terwijl deze eigenlijk door meer personen moesten worden getekend. Verder bepaalde [medeverdachte 3] alles binnen de DIP en had hij een goede afstemming met de verdachte. Normaal gesproken duurde het na een positief advies minimaal een week voordat de verdachte akkoord gaf, maar bij [medeverdachte 3] gebeurde dit soms op dezelfde dag, aldus [getuige 1] (bewijsmiddel 4.1). Ook zijn er vergaderingen geweest tussen [medeverdachte 3] en de verdachte (bewijsmiddel 4.2). Getuige [betrokkene 8] heeft verklaard dat de minister advies aan de DIP behoort te vragen en niet direct akkoord kan geven, omdat hij enkel de beschikking heeft over de aanvraagbrief en niet over aanvullende stukken (bewijsmiddel 4.6 en 4.7). [medeverdachte 3] heeft verklaard dat hij persoonlijk contact met de verdachte had over de documenten die hij hem stuurde. Deze [medeverdachte 3] heeft ook verklaard dat de voornoemde aantekening voor hem een duidelijke instructie was en dat de minister hier in feite mee zei “geef ze een optie”. (bewijsmiddel 5.5). Op de vraag hoe het komt dat [medeverdachte 2] zo snel aan een terrein kwam, terwijl het op Aruba algemeen bekend is dat het jaren duurde om een terrein te krijgen, antwoordde [medeverdachte 3] : “Het is meer dan duidelijk. Als je naar al de stukken kijkt, de accordering/instructie van de minister, kan je een conclusie trekken.” (bewijsmiddel 5.6). Uit de bewijsoverwegingen van het Hof blijkt voorts dat het uit de door de verdediging overgelegde lijst van alle aanvragen uit de periode 2009-2017 afleidt dat slechts op zes van de in totaal 205 initiële optie-aanvragen de ministeriële mededeling “akkoord […] ” werd geplaatst en in vijf gevallen: “akkoord […] tekening”.
De vierde deelklacht
2.27
Deze deelklacht luidt dat de in de bewezenverklaring genoemde handelingen van de verdachten mede hebben mede bestaan uit gedragingen die zijn verricht nadat tot afgifte van de beschikkingen is overgegaan, zodat deze niet kunnen bijdragen aan de bewezenverklaring van oplichting, Het gaat om het deel van de bewezenverklaring dat [medeverdachte 2] de percelen nimmer zelf heeft ontwikkeld en dat de verdachte en [medeverdachte 3] nimmer hebben gecontroleerd of onderzocht of aan de genoemde voorwaarden werd voldaan.
2.28
De stellers van het middel merken terecht op dat voor een veroordeling voor oplichting een causaal verband moet bestaan tussen de oplichtingshandelingen en de afgifte van, in dit geval, de beschikkingen waarin de (opties op) erfpachtrechten zijn verleend. [10] De oplichtingshandelingen moeten dus voorafgaand aan de afgifte zijn verricht. Toch faalt de klacht. Het controleren of de aanvragen aan de voorwaarden voldeden, had moeten gebeuren voordat de aanvragen werden toegekend. Het verzuim dit te doen, ligt dus vóór de afgifte van de beschikkingen. Dat [medeverdachte 2] de percelen nimmer zelf heeft ontwikkeld, is slechts een bevestiging van de bedrieglijke indruk die zij bij indiening van de aanvragen, en dus
voorde afgifte van de beschikkingen, heeft gewekt, namelijk dat zij de percelen zelf ging ontwikkelen. De bij de aanvragen aangekondigde gedetailleerde businessplannen met een schetsontwerp zijn nooit voorafgaand aan de optieverlening opgesteld en dus ook niet ingediend. De bewezenverklaring is op dit punt niet onvoldoende met redenen omkleed noch onbegrijpelijk.
De vijfde deelklacht
2.29
Deze klacht houdt in dat het Hof ten aanzien van het bewezenverklaarde een aantal verklaringen van [getuige 1] heeft gebezigd, terwijl deze getuige slechts werkzaam is geweest bij de DIP tot april 2014; zijn verklaringen kunnen dus niet redengevend zijn voor de rest van de bewezenverklaarde periode (deze klacht ziet op zowel de onder 1, 2 als 4 bewezenverklaarde feiten).
2.3
Wat betreft de redengevendheid van bewijsmiddelen geldt dat enkel wanneer de in de bewijsmiddelen genoemde feiten en omstandigheden overduidelijk niet redengevend
kunnenzijn voor een bewezenverklaring in cassatie wordt ingegrepen. [11] Dat is in deze zaak niet het geval. Hoewel [getuige 1] in april 2014 en dus nog voordat de eerste van de in de bewezenverklaring genoemde aanvragen bij de DIP waren binnengekomen, is vertrokken, meen ik dat de verklaring van [getuige 1] wel degelijk redengevend zijn voor de bewezenverklaring. Hieruit blijkt immers dat het toetsen van aanvragen onder het ministerschap van de verdachte in sommige gevallen niet meer mocht plaatsvinden en dat hij, nu hij weigerde om op deze wijze te werken, aan de kant is gezet en dat [medeverdachte 3] wel de adviezen opstelde die [getuige 1] niet had willen opstellen. Ook blijkt uit de verklaringen van [getuige 1] dat een hechte relatie bestond tussen de verdachte en [medeverdachte 3] en dat [medeverdachte 3] het voor het zeggen had bij de DIP. Bovendien is aan [getuige 1] ook gevraagd naar de gang van zaken rondom de verlening van de beschikking aan [betrokkene 5] . Kennelijk zijn aan hem de ministeriële beschikking en de stukken die [betrokkene 5] ter onderbouwing van zijn aanvraag heeft ingediend, voorgelegd en is hem gevraagd naar zijn oordeel over de gang van zaken. Zijn antwoord dat de beschikking noemt dat de aanvraag ziet op een appartementencomplex, terwijl de stukken die zijn ingediend door de architect zien op een carwash en dat dit niet zou moeten worden goedgekeurd (zie bewijsmiddel 4.24), is redengevend voor de bewezenverklaring.
De zesde deelklacht
2.31
Deze klacht houdt in dat het Hof, naast de verklaring van [getuige 1] , ook andere bewijsmiddelen heeft gebezigd die niet redengevend kunnen zijn voor de bewezenverklaring, omdat zij omstandigheden behelzen die (ruim) voor de bewezenverklaarde periode hebben plaatsgevonden.
2.32
Het gaat blijkens de toelichting op het middel om bewijsmiddel 1.4, 2.1, 2.2, 4.9, 10 en 17. Ik geef deze bewijsmiddelen hieronder weer (met weglating van voetnoten):

1.4Geschrift, zijnde een aanvraagbrief voor een erfpachtrecht d.d. 8 februari 2013 namens [M] :
[plaats] , 8 Februari, 2013
Aan de Minister van Integratie, Infrastructuur en Milieu
Betreft: aanvraag commercieel terrein voor Horeca projecten
Zijne Excellentie,
Vriendelijk verzoek ik Uw medewerking tot mijn aanvraag tot het verkrijgen van een commercieel terrein voor Horeca projecten aan de [b-straat] perceel nummer […] .
Deze terreinen zijn bestemd voor Horeca activiteiten.
Te zijner tijd zal de ondergetekende een gedetailleerde business plan indienen met een schetsontwerp
Met de hoogste waardering dank ik U bij voorbaat voor Uw aandacht aan mijn verzoek.
Met hoogachting,
[betrokkene 11]
Directeur
[M]
Ondertekend door [betrokkene 11]
Met stempel: “Ing.: 10 MAR 2014”
Met opschrift: “Dir Dip, akkoord […] , gaarne uw medewerking” en “10-maart-2014”. Handtekening van
(het Hof begrijpt: de minister ROII, [verdachte] )[verdachte]
.
(…)
2.1
Proces-verbaal relatie [medeverdachte 2] en diverse verdachten:
In een inbeslaggenomen computer uit de woning van [verdachte] kwam naar voren dat [medeverdachte 2] , samen met haar familie, bestaande uit haar [dochter medeverdachte 2] , haar broer [broer medeverdachte 2] en zijn familie, samen met [verdachte] en zijn familie, tussen 12 en 18 mei 2010 naar Miami reisden en in New York waren. Uit onderzoek naar de opgevraagde reisgegevens bleek dat [verdachte] en zijn gezin en [medeverdachte 2] en haar dochter tussen 12 en 18 mei 2010 naar en van Miami reisden. Zij zaten namelijk op dezelfde vlucht met de vlieglijn American Airlines. Hierna bleek dat allen op dezelfde vlucht, m.u.v. [verdachte] die een dag eerder naar Aruba terugreisde, op 18 mei 2010 met de American Airlines naar Aruba terugreisden. In de computer werden meerdere foto's aangetroffen waarop de [verdachte] en zijn gezin samen met [medeverdachte 2] , haar dochter en [broer medeverdachte 2] staan afgebeeld in Manhattan te New York.
Uit een in de woning van [verdachte] inbeslaggenomen telefoon vermoedelijk in gebruik bij [echtgenote verdachte] , bleek dat van 5 t/m 12 oktober 2013 [verdachte] en zijn gezin, [medeverdachte 2] en haar familie, op vakantie waren op een cruiseschip genaamd ' […] '. Op foto's van deze cruise in deze telefoon waren [echtgenote verdachte] en [medeverdachte 2] te zien. Uit opgevraagde reisgegevens bleek ook dat zij in die periode reisden naar en van Miami. In de contactlijst van deze telefoon stond [medeverdachte 2] /6900990 ingedeeld onder de groep 'vrienden'.
(…)
2.2
Proces-verbaal relaas zaaksdossier [betrokkene 6] :
[verdachte] is lid van de politieke partij ‘Arubaanse Volks Partij (AVP)’.
Aanvraag terrein d.d. 8 februari 2013
De verzoekbrief was voorzien van een stempel van het bureau van de MROII met daarin een datumstempel bij 'ingekomen': 10 maart 2014. Er was geen datum bij 'verzonden' gestempeld en geen volgnummer 'IIR' ingevuld. Dit was de enige stempel op de brief. De
aanvraag was niet voorzien van stempels van DIP en/of BID.
Op 2 oktober 2019 bij de huiszoeking te [c-straat 1] , zijnde de woning van [medeverdachte 2]
, werd de originele en identieke versie van de aanvraagbriefd.d. 8 februari 2013 van [betrokkene 6] aangetroffen en in beslag genomen.
In het beslag van de DIP werd geen kopie van de aanvraagbrief d.d. 8 februari 2013 van [betrokkene 6] , ondertekend door [betrokkene 11] , aangetroffen. Ook werd geen document bij de DIP aangetroffen, gelinkt met deze aanvraagbrief.
Aanvraag optierecht d.d. 15 maart 2014
De aanvraagbrief was voorzien van een stempel van het bureau van de MROII met daarin een datumstempel bij 'ingekomen': 11 november 2014. Er was geen datum van 'verzonden' gestempeld en geen volgnummer 'IIR' genoteerd. De aanvraag was niet voorzien van stempels van DIP en/of BID.
Uit onderzoek in het beslag van de DIP naar specifiek de aanvraagbrief d.d. 15 maart 2014
van [betrokkene 6] ondertekend door [dochter medeverdachte 2] werd geen kopie en/of origineel van deze brief
aldaar aangetroffen. Ook werd geen document bij de DIP aangetroffen dat gelinkt was met deze aanvraagbrief.
Aanvraag d.d. 15 november 2014
De aanvraagbrief was voorzien van een stempel van het bureau van de MROII met daarin een datumstempel bij ‘ingekomen’: 29 december 2014. De datum van ‘verzonden’ was ook 29 december 2014. De brief werd bij het bureau van MROII handmatig geregistreerd met volg(registratie)nummer: IIR/4592-2014.
Aantreffen MB d.d. 27-1-2015
Bij haar verhoor overhandigde [betrokkene 22] aan het onderzoeksteam een afschrift van de MB d.d. 27 januari 2015 en de aanbiedingsbrief aan [betrokkene 6] met kenmerknummer 217-A, beiden getekend door [verdachte] . Deze MB was niet voorzien van leges, plakzegels en dienststempels van de DIP.
Aanbetaling verkoop
Uit onderzoek bij [bank 1] bleek dat op 28 januari 2015 een bedrag van Awg. 10.000,- op de [rekeningnummer 2] van [medeverdachte 2] werd gestort. Dit bedrag werd door [betrokkene 12] overgemaakt met als omschrijving 'aanbetaling op factuur'.
Betaling verkoop
Op 30 januari 2015 werd door [betrokkene 12] de bedragen Awg. 330.000,- en Awg. 150.000,-
overgemaakt naar de [rekeningnummer 3] bij de [bank 2] .
Contante betaling verkoop
Uit onderzoek bij [bank 1] bleek dat [betrokkene 12] op 3 februari 2015, middels een cheque
nummer […] ten name van [betrokkene 22] , Awg. 65.000,- liet opnemen.
4.9
Proces-verbaal verhoor getuige [getuige 5] van 10 september 2020:
Ik werkte 6 jaar voor [medeverdachte 2] . Ik heb vanaf 2010 tot 2016 voor haar gewerkt. Ik was een soort ‘personal assistent’ van [medeverdachte 2] .
Ik zag al het gedoe met terreinen. Ik noemde het 'terreinenfeest' (fiesta di tereno). ‘Terreinen feest’ in die zin van dat ik documenten ophaalde waarin ik zag dat bepaalde meters vermeld stonden. Verder stond ook vermeld over hoeveel terreinen beschikbaar waren en voor hoeveel ze verkocht konden worden. Ik moet zeggen dat ik zelf geld zag binnenkomen. Ik heb ook zelf geld weggebracht. Het was namelijk een feest waarbij niet alleen [medeverdachte 2] betrokken was maar ook meerdere mensen. Het grootste huis waar ik geweest was, was namelijk die van deze meneer, [verdachte] . Ik had namelijk een enveloppe met geld daar voor hem gebracht. De reden waarom ik dit zeg is omdat je geen document in een enveloppe stopt, in vieren vouwt en dichtmaakt. Het was namelijk een best wel dikke enveloppe. Ik zei van toen 'oké, er is een feest maar ik ben niet uitgenodigd.'
Het terrein dat aan mij werd gezegd dat ik deel zou nemen en dat mij geïllusioneerd heeft, was dat dat ten zuiden van Superfood lag. Het betrof een vrijwel groot terrein. Ik werd door [medeverdachte 2] benaderd met het verzoek om een bedrijf op mijn naam te richten. Ik vroeg aan haar wat dat was. [medeverdachte 2] zei van nee, dat het een bedrijf is dat zij met spoed moest oprichten. Ik zei van 'oke, spoed, in welke zin? Wat is het?'. Zij antwoordde mij dat ik gewoon het bedrijf voor haar moest oprichten en klaar. Ik zei van 'nee, ik moet worden uitgelegd wat het precies inhoudt. Ik werd 25% door [medeverdachte 2] aangeboden. Het zou dan 25% van de winst zijn. Maar op dat moment had ik mij bedacht dat als ik eigenaar ben van een bedrijf moest ik de helft daarvan krijgen. Ik heb hierna niets meer van haar gehoord. Het was in dezelfde periode dat de 'terreinen feest' gaande was. Dat was in de periode 2013-2014. Ja, want het was hetzelfde terrein waarvan gezegd werd dat ik een deel van zou krijgen. Ik weet dat dat terrein zeker verkocht werd. Tevens was ik op dat terrein geweest. Het was dat ene ten zuiden-oosten van […] . Als ik me niet vergis, staat de kledingwinkel […] nu daarop.
Tevens herinner ik mij dat de naam ‘ [betrokkene 5] ’ veel in het kantoor genoemd werd. Ik herinner mij dat [medeverdachte 2] aangaf dat zij een bouwbedrijf moet oprichten om terreinen te verkopen want anders zou het terrein niet verkocht worden. In zeer korte tijd werd het terrein verkocht. Iemand heeft [betrokkene 6] of [betrokkene 5] opgericht. Als ik me niet vergis, heeft [betrokkene 14] een van ze opgericht. [betrokkene 14] vroeg mij wat het was en wat zij moest doen.
(…) Ik herinner mij ook dat later, als ik me niet vergis, een tweede terrein verkocht werd. Ik moest toen op verzoek van [medeverdachte 2] een enveloppe naar het huis van [verdachte] brengen. Het was duidelijk dat geld daarin zat. De vrouw nam het over.
O: Oké, zo meteen komen we terug op dat gedeelte. Wij willen nog even over de eerste verkoop van het terrein van […] . Je werd voor datzelfde terrein benaderd en verzocht om een bedrijf op te richten.
V: Klopt dat?
A: Ja, want dat terrein werd ik door [medeverdachte 2] beloofd dat als zij het zou verkopen dat bepaalde zaken geregeld zouden worden. Voor datzelfde terrein werd aan mij gevraagd om een bedrijf op te richten.
V: Hoe kwam zij aan dat terrein?
A: Nou ja, door documenten bij [verdachte] op te halen. Ik heb zelf persoonlijk zo’n 5 keren bij het Bestuurskantoor geweest om documenten op te halen.
V: Wat voor documenten ging je ophalen?
A: Het waren handtekeningen. Je hebt wel de kennis dat het om documenten gingen die te maken hadden met terreinen. Je zag namelijk de stempel en de handtekening van [verdachte] . [medeverdachte 2] stuurde mij om deze documenten te gaan ophalen. Ik zag dat de documenten wat over meter en kilometer inhielden. Vandaar kon ik concluderen dat de documenten over terreinen gingen. Het kan meer zijn maar het zijn drie keren waarvan ik zeker van ben dat het over terreinen gingen.
V: Waar bij het Bestuurskantoor ging je precies om die documenten op te halen? Ging jij direct naar [verdachte] ?
A: [medeverdachte 2] stuurde mij naar het Bestuurskantoor, bij de assistente om deze documenten op te halen. Ik weet de naam van de assistente echter niet. Het was in ieder geval een vrouw. Of wacht eventjes. (Opmerking verbalisanten: De getuige bleef stil. De getuige bleef nadenken) [betrokkene 13] . [betrokkene 13] correct? Ja. Zien jullie wel. Terwijl ik het verhaal vertel, komen de namen tevoorschijn. [betrokkene 13] , dat is haar naam. [betrokkene 13] en [medeverdachte 2] hadden regelmatig telefonische contacten met elkaar.
V: Wat allemaal had de dochter van [medeverdachte 2] , [dochter medeverdachte 2] , precies aan
jou gevraagd dat zij moest weten?
A: Zij vroeg aan mij wat zij als directeur van een bedrijf dat haar moeder had opgericht, allemaal inhield en of zij het geld dat op de rekening van de het bedrijf kon gebruiken. (…) Later kwam ik, tijdens een gesprek met haar, te weten dat zij directeur was van [betrokkene 6] .
O: We gaan even terug naar het huis van [verdachte] .
A: Ja, er moest een tweede terrein verkocht zijn. De reden waarom ik dit zeg, is dat ik door [medeverdachte 2] verzocht werd om een enveloppe naar het huis van [verdachte] weg te brengen. Ik vroeg aan haar waar hij woont. Zij legde mij het een en ander uit maar toen ik in de straat was, belde ik haar op. [medeverdachte 2] legde mij toen precies uit waar ik moest rijden om bij het huis te komen. Daar aangekomen, kwam een vrouw naar buiten. Ik denk dat zij de echtgenote van [verdachte] was. Zij was gekleed in huiskleding. Ik gaf die enveloppe aan haar en reed weg.
[medeverdachte 2] zei alleen tegen mij om het thuis bij de minister af te leveren. Het was een enveloppe zo dik als een hamburger. Dus logischerwijze zou je gaan denken dat het geld was dat daarin zat.
V: Waaraan koppel jij de enveloppe die je naar het huis van [verdachte] moest brengen? In de zin, had het te maken met de verkoop van een terrein of iets anders?
A: Ja. Want toen het dienstmeisje tegen mij zij dat een ander verkocht werd, vroeg ik aan haar of zij er zeker van was. Zij antwoordde mij van ja, want aan haar werd een reis naar haar land beloofd.
Zodoende nadat het dienstmeisje tegen mij zei dat een ander verkocht werd, werd ik door [medeverdachte 2] gevraagd of ik haar een gunst kon doen. [medeverdachte 2] zei: 'Bo por hiba e enveloppe aki na cas di meneer, na minister [verdachte] ?’ (Kan je deze enveloppe naar het huis van meneer, bij minister [verdachte] brengen?'. Vrije vertaling […] ). Ik zei tegen haar van oke, waar moest ik het brengen. Zij legde mij uit waar, dus in de buurt van [a-straat] . Een vrouw kwam naar buiten. Ik denk dat zij de echtgenote was want een dienstmeisje zou niet zo gekleed zijn. De vrouw nam het geld en liep terug naar binnen.
V: Hoe weet jij dat in de enveloppe geld zat?
A: Want die enveloppe was echt dik gevouwen. Dikker dan een hamburger. Die enveloppe was een lichtbruine en gevouwen. Je moet rekening houden dat een stapel geld
een soort etui vorm krijgt. Als je dat in een enveloppe zet en vouwt, wordt het wat dikker.
De envelop was ook met elastiekjes omwikkeld. Ik hield het vast in mijn hand en was ongeveer 7cm. De enveloppe had ongeveer de lengte en breedte van onze bankbiljetten. Ik was buiten in de auto met [medeverdachte 2] aan de lijn. Ik toeterde maar niemand kwam naar buiten. Toen ik iemand binnen het huis zag bewegen, verzocht ik aan [medeverdachte 2] om de persoon op te bellen dat ik buiten was.
Ik probeerde de enveloppe met inhoud wel met mijn handen op en neer te buigen die dan wat boog. Tevens rook het naar nieuwe bankbiljetten. Het had geld moeten zijn.
V: Met wie allemaal is/was [medeverdachte 2] goed bevriend?
A: [betrokkene 11] . Hij was eentje die haar heel veel thuis bezocht.
V: Met wie nog meer was [medeverdachte 2] bevriend die bij haar thuis op bezoek kwam?
A: Het was meer [betrokkene 11] die bij haar op bezoek kwam. [medeverdachte 2] is niet de type persoon die vrienden heeft.
V: Wat kan je over de relatie tussen [medeverdachte 2] en de AVP verklaren?
A: [medeverdachte 2] wordt betaald om goed van het partij AVP op de radio te praten. Dus je wordt betaald om het volk te kopen en te overtuigen voor mij te stemmen. Dus telkens als er een gat is, moet je ervoor zorgen dit via de radio dicht te maken. Dus als oproeper moet je ongeacht wat gebeurde ervoor zorgen dat je het volk overtuigt om voor AVP te stemmen. Dat deed zij ook. Zij verdedigde de politieke partij tegen alles.
A: [betrokkene 13] belde [medeverdachte 2] heel veel thuis op.
V: Wat was dan het onderwerp van de gesprekken tussen [betrokkene 13] en [medeverdachte 2] ?
A: Terreinen.
V: Heeft deze twee bedrijven, [betrokkene 6] en [betrokkene 5] , werkzaamheden op Aruba gedaan?
A: Nee. Zij werden blijkbaar opgericht met het doel die terreinen te verkopen. Dit werd namelijk door [medeverdachte 2] geuit, dus dat zij een constructiebedrijf moest oprichten om terreinen te verkopen. Ik werd ook benaderd om dit te doen.
V: Wat voor deskundigheid, kennis en ervaring in de constructie van projecten met commerciële en/of toeristische doeleinden en investeringsmiddelen beschikte [medeverdachte 2] , [dochter medeverdachte 2] en [betrokkene 14] als eigenaar en directeur van de bedrijven [betrokkene 6] en [betrokkene 5] om projecten op de verzochte terreinen destijds te gaan
ontwikkelen?
A: Geen enkel kennis en/of ervaring. Geen van de drie want [betrokkene 14] is een gepensioneerde.
Zij weet niets over constructie en/of commercieel. [dochter medeverdachte 2] was een simpele student op school. [medeverdachte 2] heeft ook geen kennis over projecten met een bepaald doel. Zij heeft geen kennis of deskundigheid om een commercieel winkelgebouw voor toeristen te bouwen.
O: Over die twee keren dat je het document bij het Bestuurskantoor bracht en kort daarna ondertekend terugkreeg.
V: Hoe wist je dat het document door [verdachte] ondertekend werd?
A: Ik wist dat het document op dat moment ondertekend werd omdat ik hiervoor bij het
Bestuurskantoor moest blijven wachten. Ik had de enveloppe met documenten niet geopend maar ik wist al van vooraf dat het document over terrein ging. Ik bleef toen ongeveer 10 minuten op het document wachten. Aan de hand van de eerdere keren dat ik documenten bij het bestuurskantoor wegbracht die daarna door [verdachte] ondertekend werden, trok ik mijn conclusie dat die 2 keren ook documenten aangaande terreinen op dat moment ondertekend werden door [verdachte] .
(…)

10.Proces-verbaal 1ste verhoor verdachte [medeverdachte 1] :

Ik heb bedrijven: [R] , [S] , [T] , [B] , [A] , [G] . Ik ontwikkel een beetje bij sinds ongeveer 30 jaar. Er zijn dingen in ontwikkeling en er zijn dingen ontwikkeld. In ontwikkeling zijn [B] , [E] en [D] .
[T] is het moederbedrijf, daarvan ben ik 100% eigenaar, daaronder hangen al die bedrijven die ik genoemd heb [A] , [B] , [E] etc.
V: Hoe zou je je relatie en/of band met [verdachte] beschrijven?
A: Onze band is sterk geworden door het fietsen. Als je alle projecten ziet die ik ontwikkeld heb is dat een succesvol bedrijf. En hij is een vakman. Als ik zie wat hij in 8 jaar hier heeft gebouwd, dan vind ik dat mooi. We wisselen vaak ideeën uit hoe je iets moet bouwen. Hij beschouwde me als adviseur.
V: Hoeveel aanvragen voor commerciële terreinen heeft u gedaan?
A: Ik doe constant aanvragen, bij verschillende regeringen. Altijd verzoeken gedaan.
(…)
O: In deze periode dat [verdachte] minister was is het dus wel gelukt.
A: Ja eindelijk ja.
A: In de periode daarvoor kreeg ik geen antwoord op mijn aanvragen.
O: Wij, verbalisanten, tonen je de volgende tabel. Het betreft de onderzoekresultaten tot zover van de bedrijven die een commercieel terrein hebben gekregen en waar jij de eigenaar van bent.
V: Wat kan je hierover verklaren?
A: [A] klopt ja, [B] , klopt. [C] was alleen een optie he. [E] heb ik overgenomen van een ander en ik ben bezig bij DOW met een bouwvergunning.
(…)
17.Geschrift, zijnde een aanvraagbrief voor een erfpachtrecht d.d. 12 juli 2010 namens [A] N.V.:
Juli 12, 2010
Aan de Minister van Infrastructuur
Excellentie,
De ondergetekende, [betrokkene 23] , handelende als directeur van de naamloze vennootschap [A] N.V. nader te noemen [A] een zustermaatschappij van [R] N.V., nader te noemen [R] , richt zich tot u met het verzoek in aanmerking te komen voor de verkrijging van het recht van erfpacht op een perceel domeingrond gelegen aan de [b-straat] ., zoals op bijgaande situatietekening aangegeven.
Herhaaldelijke keren is door [R] een verzoek ingediend aan de Ministerie van Sociale Zaken en Infrastructuur om v.n. domeingrond te verkrijgen om voor verdere investeringen en ontwikkeling van dezelfde zonder ooit enige reactie te krijgen nog van de Minister nog van DIP, dit verzoek is v.n. om;
• Ruimte te maken om het huidige project van [S] af te ronden.
 Ruimte te krijgen om kantoor ruimtes voor de administratie van [S] winkel centrum, souveniers en toekomstige investeringen.
• Ruimte voor opslag van materieel en materiaal t.b.v [S] winkel centrum en souvenirs te bergen
Op genoemde perceel wenst [A] een commerciele pand te bouwen en te exploiteren bestaande kantoor, winkel ruimte, opslag ruimte, bar_ annex restaurant [A] N.V. wenst namens haar Holding maatschappij hiermede een verdere ontwikkeling van haar commerciële activiteiten op het eiland in te spelen.
[T] N.V. is de moeder maatschappij van [R] N.V., [S] [T] N.V., [A] N.V., en [B] N.V. voor bovengenoemde bedrijven is er geen kantoor ruimte nog opslag ruimte beschikbaar reden waarom redden waarom het verzoek is gedaan op dit perceel daar de ontplooing van [R] en [S] [T] dicht in de omgeving van dit perceel bevinden.
De ondergetekende is t.a.t. bereid u persoonlijk nader in te lichten, indien nodig, en wacht uw positieve beschikking op het onderwerpelijke verzoek af.
Hoogachtend,
[betrokkene 23]
namens [A] N.V.”
2.33
De stellers van het middel miskennen mijns inziens met hun klacht volledig dat ook omstandigheden die voor de bewezenverklaarde periode liggen context kunnen verschaffen over het bewezenverklaarde en dus, in combinatie met het overige deel van het bewijsmiddel waarin deze omstandigheden worden genoemd of de andere bewijsmiddelen, redengevend kunnen zijn daarvoor. Dat sommige data die voorkomen in de gewraakte bewijsmiddelen voor de bewezenverklaarde periode liggen, doet dus niet af aan het feit dat deze bewijsmiddelen in hun totaliteit en in onderlinge samenhang met de andere bewijsmiddelen bezien redengevend kunnen zijn voor de bewezenverklaring. De klacht faalt.
2.34
Het middel faalt in al zijn onderdelen.
3.
Het tweede middel
3.1
Het tweede middel bevat de klacht dat het Hof niet heeft beraadslaagd op grond van de tenlastelegging. Bewezen (onder 3) is namelijk dat de omkoping heeft bestaan uit het doen van een betaling voor de aanleg/bouw van een
gym, terwijl ten laste is gelegd dat deze betaling is gedaan voor de aanleg/bouw van een
sportschool. Daarnaast kan uit de bewijsmiddelen slechts volgen dat is betaald voor de koop en levering van een apparaat, hetgeen niet onder de beschrijving
bouw van een gymkan worden geschaard.
3.2
De volgende bewijsmiddelen zijn bij de bespreking van dit middel van belang (met weglating van voetnoten):

12.Proces-verbaal relaas zaaksdossier [medeverdachte 1] :
(…)
Vectra Gym
Gedurende de eerste huiszoeking werd achter de woning van [verdachte] een complete ingerichte gymruimte geconstateerd.
In het digitale beslag uit de woning van [verdachte] werd in de laptop, een niet getekende offerte, nummer E14599 d.d. 1-12-2016, voor het bedrag van USD 11.054 op naam van [verdachte] aangetroffen. Het betrof een Vectra-VX 48 gymmachine.
In het beslag van de containers, waar de administratie van het kantoor [S] werd bewaard, werd een bankoverschrijvingsformulier in de filedoos ' [G] Bank Dec 2016' aangetroffen. Het betrof een overmaking d.d. 13-12-2016 van de bankrekening van [G] bij [bank 1] naar het bedrijf [U] in Amerika, voor het bedrag van USD 11.054,00. Deze overmaking was de betaling van factuur E14599 voor een Vectra VX-48 gymmachine.
De gegevens omtrent gym - en sport materialen over de periode van december 2016 tot en met 1 februari 2017 werden bij de Douane via een vordering bevraagd en verkregen. Uit de verstrekte gegevens bleek dat een Vectra Gym VX-48 werd geïmporteerd via het bedrijf [R] van [medeverdachte 1] .
(…)

14.Proces-verbaal 10e verhoor [verdachte] :

O: Wij tonen u een factuur van 1 december 2016 van een gymapparaat van
$ 11.054,00 in uw naam. Dit gymapparaat is aangetroffen in uw gym.
V: Wat kunt u hierover verklaren?
A: Dit gaat over de Vectra gym.”
3.3
De uitleg van de tenlastelegging is voorbehouden aan de feitenrechter en moet in cassatie – behoudens het geval waarin deze onverenigbaar is met de bewoordingen daarvan – worden geëerbiedigd. [12] Nu “gym” synoniem is voor sportschool is van dergelijke onverenigbaarheid geen sprake. Voorts blijkt uit de bewijsmiddelen dat het apparaat waarvan het Hof heeft vastgesteld dat het door [medeverdachte 1] is betaald, is aangetroffen in de gym van de verdachte. Anders dan de stellers van het middel meen ik dat het Hof dit wel degelijk onder de beschrijving “aanleg/bouw van een gym” kon scharen. De klacht faalt evident.
4.
Het derde middel
4.1
Het derde middel klaagt ten aanzien van de onder 5 bewezenverklaarde verduistering ten eerste dat uit de bewijsmiddelen niet zonder meer kan volgen dat de verdachte een geldbedrag van de in de bewezenverklaring genoemde stichting onder zich heeft gehad. Ten tweede klaagt het over het oordeel van het Hof dat de geldbedragen zijn aangewend voor een ander doel dan waarvoor zij waren bestemd (de verkiezingscampagne van [verdachte] ) nu niet is gebleken dat het een politiek noodzakelijke reis betrof.
4.2
Ten laste van de verdachte is onder 5 het volgende bewezenverklaard:

Verduistering
dat hij in de periode van 01 januari 2015 tot en met 01 januari 2016 te Aruba, opzettelijk
eengeldbedrag, toebehorende aan de stichting [Q] , welk geldbedrag verdachte als (feitelijk) beleidsbepaler/beheerder,
en(uiteindelijk) belanghebbende van die Stichting, onder zich heeft, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend,
namelijk:
- Een cheque d.d. 9 juni 2015 uitgeschreven ten behoeve van [P] a AWG 11.375,50.”
4.3
Het Hof heeft ten aanzien van de verduistering de volgende bewijsmiddelen gebezigd (met weglating van voetnoten):

22.Geschrift, zijnde een notariële akte “oprichting stichting [Q] ” d.d. 17 maart 2009:
OPRICHTING
Heden, zeventien maart tweeduizend negen, verscheen voor mij, notaris in Aruba, de getuigen: [betrokkene 24] , [betrokkene 25] en [betrokkene 27] .
De comparanten verklaarden te zamen van hun vermogen af te zonderen een bedrag van Afl. 100,= en daarmede een stichting in het leven te roepen.
De stichting draagt de naam “ [Q] ”.
De stichting stelt zich ten doel: het bijeenbrengen, administreren, beheren en aanwenden van de fondsen die bestemd zijn voor de verkiezingscampagne van [verdachte] .
De stichting tracht haar doel te bereiken door het op degelijke en rechtmatige wijze bijeenbrengen en administreren en beheren van voornoemde fondsen teneinde deze voor bovengenoemd doel aan te wenden.
Waarvan akte, in minuut opgemaakt, is verleden te Aruba, en ondertekend door comparanten, de getuigen en de notaris.

23.Proces-verbaal relaas zaaksdossier [Q] :

Uit de administratie van de stichting van [verdachte]
(het Hof begrijpt: stichting [Q]bleek dat er op 9 juni 2015 een cheque ad Awg. 11.375,50 is uitgeschreven ten behoeve van [P] (hierna: [P] ).
De cheque is kennelijk uitgeschreven door de voorzitter van [Q] , [betrokkene 9] , want de handtekening komt onder andere overeen met de handtekening die hij onder zijn verhoren heeft gezet. In de administratie van de stichting [Q] is ook een e-mail aangetroffen van het reisbureau [P] aan [betrokkene 13] , de secretaresse van minister [verdachte] met daarin een reisschema voor [echtgenote verdachte] . Dit betreft de echtgenote van [verdachte] . Haar reis zou kennelijk op 11 juni 2015 beginnen met een vlucht naar Nederland. Op 21 juni 2015 zou ze via Parijs doorvliegen naar Martinique en vier dagen daarna met een tussenstop op Guadeloupe naar Miami. Op 28 juni 2015 was de terugvlucht naar Aruba gepland. Hoewel de mail aan de secretaresse van het bureau van de minister was gericht en de betaling door de stichting van [verdachte] is gedaan, is niet gebleken dat het een politiek noodzakelijke reis betrof.

24.Proces-verbaal 8ste verhoor verdachte [betrokkene 9] :

V: Wat kunt u over [Q] verklaren?
A: Deze stichting wordt gebruikt door de minister om zijn campagne te voeren. [betrokkene 28] en ik werden door minister [verdachte] gevraagd om met al de administratie en bankaangelegenheden rond te stichting te attenderen, waaronder cheques uitschrijven. Dat was tussen 2013 en 2017.
V: Wat is het doel van deze stichting?
A: Het doel is de politieke campagne van [verdachte] te ondersteunen.
V: Wat heeft [verdachte] u verteld/uitgelegd wat uw taak zal zijn als voorzitter?
A: Hij gaf aan mij aan dat indien iets betaald moest worden, dit door mij en [betrokkene 28] op zijn instructies moest gebeuren.
O: Met toegang tot de rekening van [Q] bedoelen wij niet het alleen uitschrijven van cheques, maar ook zicht op de bankrekening, stortingen en alle activiteiten rond/tot de bankrekening.
V: Tot hoever was uw bevoegdheid hieromtrent?
A: Mijn bevoegdheid was beperkt tot het uitschrijven van cheques. [betrokkene 28] en ik werden door minister [verdachte] geïnstrueerd voor het uitschrijven van cheques. Deze cheques moeten voorzien zijn van mijn handtekening en die van [betrokkene 28] , anders werd de cheque niet uitbetaald.
V: Wie gaf opdracht tot betalingen via de bankrekening?
A: Minister [verdachte]
O: In de administratie van de stichting zagen wij een cheque uitgeschreven aan [P] voor het bedrag van Awg. 11.375,50 (No.000162) d.d. 9 juni 2015. Wij tonen u Bijlagen 3a en 3b.
V: Wie heeft deze cheque uitgeschreven?
A: Ik zie mijn handtekening en die van [betrokkene 28] . Het handschrift op de cheque is van mij.
V: Wie heeft de opdracht gegeven om deze cheque uit te schrijven?
A: [verdachte] .

25.Proces-verbaal verhoor verdachte [betrokkene 28] :

V: Wie gaf opdracht tot betalingen van de bankrekening?
A: Het akkoord tot betaling ging altijd via [verdachte] . [verdachte] gaf de opdracht aan [betrokkene 29] dat iets betaald moest worden en als er een verzoek tot betaling bij [betrokkene 29] terecht kwam moest hij er eerst mee naar [verdachte] voor accordering voor de betaling.”
4.4
Het Hof heeft ten aanzien van de bewezenverklaarde verduistering het volgende overwogen:

10.3 Feit 5 (verduistering) inzake zaaksdossier [Q]
Het Hof neemt de volgende bewijsoverwegingen van het Gerecht over en maakt deze tot de zijne:
Ten aanzien van de verdenking ter zake van verduistering zij vooraf het volgende opgemerkt. De tenlastelegging lijkt in te houden dat verdachte wordt verweten meerdere geldbedragen van de stichting [Q] te hebben verduisterd. In de tenlastelegging is evenwel één geldbedrag, in de vorm van een cheque uitgeschreven ten behoeve van [P] ter waarde van AWG. 11.375,50, gespecificeerd. Uit de inhoud van het requisitoir volgt dat de tenlastelegging zo moet worden gelezen dat aan verdachte uitsluitend het verwijt wordt gemaakt de hiervoor genoemde cheque te hebben verduisterd. Het Gerecht zal daar dan ook bij de beoordeling van de tenlastelegging van uitgaan.
De Stichting [Q] is op 17 maart 2009 opgericht. Uit de inschrijving bij de Kamer van Koophandel volgt dat de stichting als doelstelling heeft:
“Het bijeenbrengen, administreren, beheren en aanwenden van de fondsen die bestemd zijn voor de verkiezingscampagne van de heer [verdachte] .”
Met ingang van 1 mei 2015 waren de bestuursleden van de stichting: [betrokkene 29] [betrokkene 9] (president/voorzitter), [betrokkene 28] (secretaris) en [betrokkene 27] (penningmeester).
Uit de administratie van de stichting is gebleken dat de voorzitter van de stichting, [betrokkene 9] , op 9 juni 2015 een cheque ter waarde van AWG. 11.375,50 heeft uitgeschreven ten behoeve van [P] . Ook is uit die administratie gebleken dat deze cheque bedoeld was voor het boeken van een reis van de vrouw van verdachte naar onder andere Nederland, Martinique en Miami.
De raadsman heeft bepleit dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan verduistering van de evenbedoelde cheque. Zijn betoog steunt op de volgende verweren:
- indien wordt aangenomen dat verdachte de ultimate benificary owner was van de stichting [Q] behoorden de gelden van de stichting toe aan verdachte en kan geen sprake zijn van verduistering;
- indien niet wordt aangenomen dat verdachte de ultimate benificary owner was van de stichting kan evenmin sprake zijn van verduistering, omdat verdachte geen bestuurder was van de stichting, niet namens de stichting kon handelen en verdachte de gelden van de stichting dus niet anders dan door misdrijf onder zich had;
- de wederrechtelijkheid ontbreekt, omdat verdachte een rekening-courant had met de stichting en het verzilveren van de cheque moet worden gezien als het verrekenen met door verdachte ten behoeve van de stichting gemaakte kosten.
Het Gerecht overweegt als volgt.
Uit het dossier volgt naar het oordeel van het Gerecht genoegzaam dat verdachte de feitelijk beheerder/uiteindelijk belanghebbende was van de stichting. Onder meer uit de verklaringen van [betrokkene 9] en [betrokkene 28] blijkt dat verdachte, hoewel hij geen bestuurder was van de stichting, feitelijk de zeggenschap had over de stichting.
[betrokkene 9] verklaarde hierover, voor zover relevant:
“Deze stichting wordt gebruikt door de minister om zijn campagne te voeren. [betrokkene 28] en ik werden door minister [verdachte] gevraagd om met al de administratie en bankaangelegenheden rond te stichting te attenderen, waaronder cheques uitschrijven.”
“Hij (het Gerecht begrijpt: verdachte) gaf aan mij aan dat indien iets betaald moest worden, dit door mij en [betrokkene 28] op zijn instructies moest gebeuren.”
“ [betrokkene 28] en ik werden door minister [verdachte] geïnstrueerd voor het uitschrijven van cheques”
In de verklaring van [betrokkene 28] kan eveneens steun worden gevonden voor de vaststelling dat verdachte feitelijk de beheerder was van de stichting. Zij verklaarde, voor zover relevant:
“Het akkoord tot betaling ging altijd via [verdachte] (het Gerecht begrijpt: [verdachte] ). [verdachte] gaf de opdracht aan [betrokkene 29] dat iets betaald moest worden en als er een verzoek tot betaling bij [betrokkene 29] terecht kwam moest hij er eerst mee naar [verdachte] voor accordering voor de betaling.”
Ten aanzien van de ten laste gelegde cheque heeft [betrokkene 9] verklaard dat verdachte hem opdracht heeft gegeven om de cheque uit te schrijven. Daarmee staat, mede gelet op de hiervoor aangehaalde verklaringen, naar het oordeel van het Gerecht voldoende vast dat verdachte als feitelijk beheerder van de stichting opdracht heeft gegeven tot het uitschrijven van de cheque aan [P] .
De raadsman heeft aangevoerd dat als wordt aangenomen dat verdachte de feitelijk beheerder/begunstigde van de stichting was, de gelden van de stichting toebehoorden aan verdachte. Deze opvatting van de raadsman vindt geen steun in het recht. Anders dan de raadsman lijkt te menen kan het privévermogen van een uiteindelijk belanghebbende van een stichting niet gelijk worden gesteld, of worden vermengd, met het vermogen van de stichting. Daarbij speelt bij een stichting een gewichtige rol dat de gelden van een stichting zijn bedoeld om te worden aangewend voor het stichtingsdoel, zoals omschreven in de inschrijving bij de Kamer van Koophandel. Het Gerecht verwerpt daarom dit verweer van de raadsman.
Het verweer van de raadsman dat verdachte de gelden niet (anders dan door misdrijf) onder zich had, slaagt evenmin. Het bestanddeel ‘anders dan door misdrijf’ moet aldus worden uitgelegd dat niet enig door verdachte begaan misdrijf ertoe heeft geleid dat hij het desbetreffende goed onder zich heeft gekregen (vgl. ECLI:NL:HR:2001:AD4573). Uit de eerder aangehaalde verklaringen van [betrokkene 9] en [betrokkene 28] blijkt immers dat verdachte instructies en opdrachten gaf voor betalingen van de stichting. Verdachte heeft het goed onder zich gekregen door een rechtshandeling van de stichting, die daarbij, althans formeel, vertegenwoordigd werd door haar voorzitter, [betrokkene 9] . Die overdracht is niet een door verdachte begaan misdrijf. Het verweer faalt derhalve.
Het Gerecht dient vervolgens de vraag te beantwoorden of verdachte zich de cheque ten behoeve van [P] wederrechtelijk heeft toegeëigend. Daarover overweegt het Gerecht als volgt. Verdachte heeft de opdracht gegeven de cheque uit te laten schrijven. Het Gerecht stelt vast dat de bestemming van deze cheque, het laten boeken van een pivéreis voor de vrouw van verdachte, zich niet verdraagt met de doelstelling van de stichting: Het bijeenbrengen, administreren, beheren en aanwenden van de fondsen die bestemd zijn voor de verkiezingscampagne van [verdachte] . Niet gesteld, noch is aannemelijk geworden dat de reis van de vrouw in enige relatie staat tot deze doelstelling. Het Gerecht is aldus van oordeel dat deze betaling buiten het stichtingsdoel valt en dat verdachte het stichtingsvermogen naar eigen inzicht heeft besteed.
De stelling van verdachte dat hij kosten heeft gemaakt ten behoeve van de stichting en dat met de betreffende cheque de door hem gemaakte kosten zijn verrekend, is naar het oordeel van het Gerecht onvoldoende controleerbaar. Uit het door [betrokkene 30] opgemaakte financieel rapport zou volgens de verdediging moeten blijken dat verdachte huurpenningen ten behoeve van de stichting heeft voorgeschoten. Een onderbouwing met (bijvoorbeeld) kwitanties ontbreekt echter. Evenmin is in de administratie van [Q] terug te vinden dat de stichting geld schuldig is/was aan verdachte. Bij deze stand van zaken houdt het Gerecht het ervoor dat een vordering van de stichting op verdachte niet aannemelijk is geworden, zodat ook het verweer van de raadsman met betrekking tot het ontbreken van de wederrechtelijkheid van het toe-eigenen wordt verworpen.
Gelet op al het vorenstaande komt het Gerecht tot de conclusie dat verdachte als uiteindelijk belanghebbende van de stichting een geldbedrag, in de vorm van een cheque ter waarde van AWG. 11.375,50, zich wederrechtelijk heeft toegeëigend.
4.4
De stellers van het middel klagen ten eerste dat uit de bewijsmiddelen niet zonder meer kan volgen dat de verdachte het geldbedrag van de stichting [Q] onder zich heeft gehad door – zoals het Hof zou hebben overwogen – het in opdracht van de verdachte uitschrijven van een cheque ten behoeve van een ander door de beheerder van de aan die stichting toebehorende gelden. De bewezenverklaring is daarmee onvoldoende met redenen omkleed, aldus de stellers van het middel.
4.5
Uit de door het Hof gebruikte bewijsmiddelen blijkt dat:
- in 2009 de stichting [Q] is opgericht met als doel het bijeenbrengen, administreren, beheren en aanwenden van de fondsen die bestemd zijn voor de verkiezingscampagne van de verdachte;
- betalingen via de bankrekening van de stichting vooraf moesten zijn geaccordeerd door de verdachte;
- de bevoegdheid van de voorzitter van de stichting beperkt was tot het uitschrijven van cheques op instructie van de verdachte;
- op 9 juni 2015 door de voorzitter van de stichting in opdracht van de verdachte een cheque van Awg. 11.375,50 is uitgeschreven ten behoeve van [P] (hierna: [P] ) en
- in de administratie van deze stichting een e-mail afkomstig van reisbureau [P] en gericht aan de secretaresse van de verdachte is aangetroffen met daarin een reisschema voor de echtgenote van de verdachte vanaf 11 juni 2015 betreffende een rondreis via Nederland, Martinique, Guadeloupe en Miami.
4.6
Het Hof heeft – gelet op zijn bewijsoverwegingen – uit de bewijsmiddelen afgeleid dat de verdachte geen bestuurder was van de stichting, maar wel feitelijk de zeggenschap over de stichting had en dat de verdachte opdracht heeft gegeven tot het uitschrijven van een cheque ten behoeve van [P] . Verder heeft het Hof vastgesteld dat de verdachte deze cheque onder zich heeft gekregen door een rechtshandeling van de stichting, die daarbij, althans formeel, werd vertegenwoordigd door haar voorzitter. Daarbij gaat het Hof er kennelijk van uit dat de verdachte de cheque onder zich heeft gekregen, doordat de voorzitter de cheque na het uitschrijven daarvan aan de verdachte heeft overgedragen. Het Hof overweegt immers:
“Verdachte heeft het goed onder zich gekregen door een rechtshandeling van de stichting, die daarbij, althans formeel, vertegenwoordigd werd door haar voorzitter, [betrokkene 9] . Die overdracht is niet een door verdachte begaan misdrijf.”
Dat het Hof ervan uitgaat dat de cheque aan de verdachte is overgedragen, acht ik niet onbegrijpelijk, nu uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat de verdachte opdracht heeft gegeven tot het uitschrijven van de cheque (en dus niet heeft gekozen voor betaling via een overmaking vanaf de bankrekening van de stichting) en deze cheque bestemd was voor de betaling van een kennelijke privéreis van de echtgenote van de verdachte. Daarmee faalt de eerste klacht.
4.7
De tweede klacht over het oordeel van het Hof dat de geldbedragen zijn aangewend voor een ander doel dan waarvoor zij waren bestemd (de verkiezingscampagne van [verdachte] ) nu niet is gebleken dat het een politiek noodzakelijke reis betrof, faalt ook. Uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat de cheque in opdracht van de verdachte is uitgeschreven voor een reis van de echtgenote van de verdachte. Nu niet is gesteld noch aannemelijk is geworden dat de reis van de echtgenote in enige relatie stond tot de doelstelling van de stichting, namelijk de verkiezing van de verdachte, kon het Hof – mede gelet op het reisschema – oordelen dat de geldbedragen zijn aangewend voor een ander doel dan waarvoor zij waren bestemd. Van omkering van de bewijslast is geen sprake.
4.8
Het middel faalt.
5.
Slotsom
5.1
De middelen falen. Het tweede en derde middel kunnen worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 RO Pro ontleende motivering. Voor het eerste middel ligt een dergelijke afdoening niet in de rede, omdat dit middel gaat over de bewezenverklaring van een feit waarvan de verdachte in eerste aanleg is vrijgesproken. [13]
5.2
Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoort te geven.
5.3
Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Parketnummer: P-2021/03104.
2.HR 20 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2892,
3.HR 23 maart 1931, ECLI:NL:HR:1931:281,
4.HR 20 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2892,
5.Vgl. HR 5 januari 2016, ECLI:NL:HR:2016:7,
6.Vgl. HR 27 november 1939, ECLI:NL:HR:1939:238
7.Dit was de derde aanvraagbrief namens [betrokkene 6] . Deze aanvraagbrief is vrijwel identiek aan de eerste (d.d. 8 februari 2013) en tweede aanvraagbrief (d.d. 15 maart 2014) van [betrokkene 6] , behalve dan dat het perceel dit keer wordt aangevraagd voor ‘commerciële doeleinden gecombineerd met luxe appartementen’ in plaats van ‘horeca activiteiten’ en ‘commercieel terrein’.
8.Vgl. S.S. Arendse, De uiterlijke verschijningsvorm in het strafrecht, Den Haag: Boom Juridisch 2020, p. 342-344.
9.Zie bewijsmiddel 4.15.
10.Vgl. HR 20 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2892,
11.Zie W.H.B.D. Dreissen,
12.HR 26 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:1015, r.o. 2.3.
13.HR 24 januari 2023, ECLI:NL:HR:2023:40,