Conclusie
1.Inleiding
2.Feiten en procesverloop
3.Klacht bij schriftelijke toelichting en repliek
4.Bespreking van het cassatiemiddel
beslagonder derden. Zijn niet in de fase van de
uitwinningvan de inbeslaggenomen voorwerpen van derden grote problemen te verwachten? De situatie is hier niet anders dan in civilibus: door de onherroepelijke einduitspraak waarbij de ontnemingsmaatregel wordt opgelegd, gaat het conservatoir (derden)beslag over in executoriaal beslag en kan het OM met de einduitspraak als titel in de hand de inbeslaggenomen voorwerpen uitwinnen (artikel 577b jo. 574 Sv jo. artikel 430 jo Pro. 704 Rv). De «executabiliteit» is niet afhankelijk van een afzonderlijk rechterlijk oordeel, terwijl daaraan ook geen andere voorwaarden zijn verbonden dan gelden voor het beslag. Weliswaar kan op de voet van artikel 438 Rv Pro een executiegeschil worden aangebracht bij de civiele rechter, maar deze zal aan de wettelijke gronden toetsen die zijn neergelegd in artikel 94a, derde lid, Sv. Zoals gezegd kan een dergelijke rechterlijke toetsing ook reeds in de beslagfase worden gevraagd van de raadkamer (op de voet van artikel 552a Sv). Gelet op het voorgaande zijn geen bijzondere regels vereist voor de uitwinning van de op grond van artikel 94a, derde lid, Sv inbeslaggenomen voorwerpen.” [24]
Aldus wordt beoogd allerlei schijnconstructies en «witwas» acties die de verdachte mocht hebben opgezet om door hem wederrechtelijk verkregen voordeel aan het zicht en de greep van de staat te onttrekken te kunnen ontmantelen en ongedaan te maken.” [27]
.Hieruit wordt door de strafrechter afgeleid dat, tenzij de wetgever een regeling van overgangsrecht heeft gegeven, strafvorderlijk handelen wordt beheerst door het recht dat geldt ten tijde van dat handelen. [28] Deze onmiddellijke toepasbaarheid van (de bevoegdheden van) nieuw strafprocesrecht bij gebreke aan overgangsrecht is vaste rechtspraak van de Hoge Raad. [29] Die rechtspraak geldt ook voor een bevoegdheid als vervat in art. 94a Sv. [30] De in deze zaak aan de orde zijnde wetgeving – waarbij het huidige art. 94a leden 4 en 5 Sv tot stand is gekomen – bevat geen relevante bepalingen van overgangsrecht, zoals het hof terecht heeft geconstateerd in rov. 4.7. [31] Dus zijn vanaf de inwerkingtreding van die wetgeving de in die bepaling vervatte bevoegdheden toe te passen. Die toepassing betreft dan allicht de op dat moment bestaande feitelijke toestand of verhouding, zoals genoemde rechtspraak inhoudt en volgt uit de betekenis van het begrip ‘onmiddellijke werking’. [32] Voor het hier aan de orde zijnde art. 94a leden 4 en 5 Sv heeft de Hoge Raad dan ook al tweemaal in deze zin beslist, eerst in een uitspraak van de strafkamer [33] en later ook in een uitspraak van de civiele kamer (art. 81 RO Pro). [34]
bona fidewith a view to disguising their wrongful role in amassing the wealth in question.
bona fidestatus (…)” [46]
allereerstdat [eiseres] in de memorie van grieven onder 33 en 36 heeft aangevoerd dat art. 94a lid 4 Sv niet kan worden toegepast op rechtsfeiten – de vermogensoverdrachten zoals opgesomd in rov. 4.11 – die in 2006/2007 hebben plaatsgevonden, omdat dit in strijd is met het legaliteitsbeginsel, en dat het oordeel van het hof onbegrijpelijk is als in rov. 4.7 niet besloten ligt dat dit betoog is verworpen, omdat daarop dan niet is gerespondeerd. [48]
het slotklaagt het subonderdeel dat de overweging van het hof in rov. 4.7 inhoudende “ [eiseres] betwist dit op zichzelf niet” onjuist is, gelet op de memorie van grieven onder 33 en 36 – waar [eiseres] heeft aangevoerd dat art. 94a leden 4 en 5 Sv niet op feiten van voor de inwerkintreding daarvan kan worden toegepast –, terwijl dit voorts niet relevant is, nu de rechter de wet goed dient toe te passen, hetgeen het hof niet heeft gedaan door de in 2011 ingevoerde bepaling toe te passen op rechtsfeiten uit 2006/2007.
per definitiemee dat die bevoegdheid, met ingang van de inwerkingtredingsdatum, op reeds bestaande – van vóór de inwerkingtreding daterende – feiten kan worden toegepast. Dat kan tot gevolgen leiden die in strijd zijn met de rechtszekerheid en die daarom onwenselijk, onredelijk of onaanvaardbaar zijn. Om deze reden bevat art. 69 Overgangswet Pro Nieuw BW bijvoorbeeld een reeks van algemene uitzonderingen op de onmiddellijke werking, die als gezegd als hoofdregel geldt op grond van aanwijzing 5.61 van de Aanwijzingen voor de regelgeving (dat in art. 68a Overgangswet Nieuw BW duidelijkheidshalve is herhaald). In andere gevallen kan deze onmiddellijke werking echter juist wel gewenst zijn. Bij de totstandkoming van wetgeving wordt ervan uitgegaan dat dit laatste meestal het geval is. Vandaar dat wetgeving, blijkens genoemde aanwijzing 5.61, als hoofdregel onmiddellijke werking heeft en, volgens diezelfde aanwijzing, zelfs geldt dat als geen overgangsrecht in een wet is opgenomen, deze onmiddellijke werking heeft.
Ad 1'dat het toepassen van nieuwe wettelijke regels/wetgeving op rechtsfeiten die hebben plaatsgevonden vóórdat de wettelijke regeling bestond, niet aan de vereiste van lawfulness voldoet, inhoudende dat het nationale recht ‘sufficiently accessible, precise and forseeable ’ is en voldoende mate ‘quality of law’ heeft. In 2006/07 was niet voorzienbaar dat de bepaling zou worden ingevoerd. [eiseres] is daardoor in bewijsnood gekomen, hetgeen te meer klemt, omdat wetenschap van verhaalsfrustratie ook wordt gebaseerd op wat [eiseres] behoorde te weten. Anders dan het hof in rov. 4.8 oordeelt, kon [eiseres] niet op de wetswijziging bedacht zijn.
tot slotdat het oordeel omtrent de ‘legitieme verwachting’ in rov. 4.8 onvoldoende gemotiveerd is, omdat het feit dat [verweerder 2] als verdachte werd aangemerkt in een strafrechtelijk onderzoek – wat er zij van wat [eiseres] daarvan wist – in elk geval op zichzelf onvoldoende grond is voor het oordeel dat [eiseres] die verwachting niet kon hebben.
bewijs aanbiedtin de vorm van getuigenverhoren, en eindigt, kennelijk voortbordurend op deze vermelding, met de opmerking dat het de voorkeur van [eiseres] heeft dat getuigen bij de mondelinge behandeling worden gehoord (het mag dus ook bij een formeel getuigenverhoor, zo volgt daaruit m.i.). De Staat heeft de brief, blijkens zijn brief van 19 juni 2024 en zijn verweer in cassatie, ook als een bewijsaanbod opgevat. Namens [eiseres] is bij de mondelinge behandeling ook nog eens uitdrukkelijk gerept van een in de brief vervat bewijsaanbod (dat overigens ter zitting nog is herhaald), blijkens het van die behandeling opgemaakte proces-verbaal. [57]
Subonderdeel 4.Iis gericht tegen de volgende overwegingen:
veronderstellenderwijsin rov. 4.16 aanneemt), maakt die overweging niet tegenstrijdig met rov. 4.16. Rov. 4.18 behandelt als gezegd een andere kwestie, namelijk of [eiseres] wist of behoorde te weten van de bedoeling van verhaalsfrustratie met betrekking tot het door [verweerder 2] aan haar overgedragen vermogen. Het hof beantwoordt die vraag bevestigend en betrekt ook daarbij meer omstandigheden dan slechts de aanwending van de gelden, waarover het onderdeel al evenmin klaagt. Het subonderdeel vermeldt overigens geen vindplaatsen waaruit zou volgen dat [eiseres] heeft aangevoerd dat het feit dat sprake was van de aanwending van haar eigen vermogen, in de weg zou staan aan het aannemen van de bedoeling van verhaalsfrustratie met betrekking tot het overgedragen vermogen of van haar wetenschap daarvan.
kanbetalen betekent echter niet dat hij die ook
wilbetalen. Heel goed denkbaar is dat [verweerder 2] vermogen heeft overgedragen om het verhaal van een vordering te frustreren, ook al zou hij die wel kunnen betalen.