4.4Het bestreden arrest bevat de volgende bewijsoverwegingen:
“
Overwegingen met betrekking tot het bewijs
Verdachte wordt kortgezegd verweten dat zij geldbedragen van in totaal € 357.188,- en/of $ 27.000,- heeft witgewassen.
Juridisch kader
Het hof stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van het in de delictsomschrijving van art. 420bis/420quater, eerste lid, onder a en b Sr opgenomen bestanddeel “afkomstig uit enig, misdrijf”, niet is vereist dat uit de bewijsmiddelen moet kunnen worden afgeleid dat het desbetreffende voorwerp - in casu telkens een geldbedrag - afkomstig is uit een nauwkeurig aangeduid misdrijf. Wel is voor een veroordeling ter zake van dit wetsartikel vereist dat vaststaat dat het voorwerp afkomstig is uit enig misdrijf. Dat een voorwerp “afkomstig is uit enig misdrijf”, kan, indien op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen met een bepaald misdrijf, niettemin bewezen worden geacht, indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het in de tenlastelegging genoemde voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is.
Indien door het openbaar ministerie feiten en omstandigheden zijn aangedragen die een vermoeden rechtvaardigen dat het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is, mag van de verdachte worden verlangd dat hij of zij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is. De omstandigheid dat zo een verklaring van de verdachte mag worden verlangd, houdt niet in dat het aan de verdachte is om aannemelijk te maken dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is. Indien de verdachte zo’n verklaring heeft gegeven, ligt het op de weg van het openbaar ministerie nader onderzoek te doen naar die verklaring.
Mede op basis van de resultaten van dat onderzoek zal moeten worden beoordeeld of ondanks de verklaring van de verdachte het witwassen bewezen kan worden op de grond dat het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. Indien een dergelijke verklaring is uitgebleven, mag de rechter die omstandigheid betrekken in zijn bewijsoverwegingen. (Vgl. Hoge Raad 18 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2352) Vermoeden van witwassen
Uit het dossier kan worden afgeleid dat in de tenlastegelegde periode in totaal voor € 245.625,- aan contanten is gestort op verschillende bankrekeningen van [verdachte] , een gezamenlijke bankrekening van [verdachte] en [medeverdachte] , haar toenmalige partner, en een bankrekening van [D] , het toenmalige bedrijf van verdachte. Ook blijkt dat er door [medeverdachte] aanbetalingen zijn gedaan voor de aankoop van onroerend goed in Jamaica ten bedrage van $ 27.000,- en € 1.953,-, en dat [medeverdachte] een Mercedes Vito ter waarde van € 22.600,- heeft aangekocht met – naast de inruil van een ander voertuig – een contante betaling van € 20.000,-. Verder is op 28 augustus 2012 een contant geldbedrag van € 87.000,-, aangetroffen in de toenmalige woning van verdachte, bestaande uit 174 biljetten van € 500,-.
Op grond van onderzoek naar de legale inkomsten van verdachte en [medeverdachte] kon de aanwezigheid van dit contante geld niet worden verklaard. Bovendien was er tegen zowel verdachte als [medeverdachte] een verdenking van de handel in verdovende middelen gerezen. Het bezit van een grote hoeveelheid € 500,- biljetten is als één van de zogenoemde typologieën van – en daarmee kenmerkend voor – witwassen aan te merken, nu diverse vormen van criminaliteit gepaard gaan met grote hoeveelheden contant geld. Op grond van deze feilen en omstandigheden is sprake van een gerechtvaardigd vermoeden van witwassen.
Van verdachte mocht daarom een verklaring worden verwacht omtrent de herkomst van voornoemde geldbedragen. Zij heeft daarover verklaringen afgelegd in haar verhoor bij de politie op 22 augustus 2017 en ter terechtzittingen van het hof van 19 april 2017, 24 augustus 2022 en 27 juli 2023. Het hof zal haar verklaringen hierna per onderdeel bespreken.
Contante geldbedragen, met een totale waarde van (ongeveer) € 245.625,-
Verdachte heeft over de stortingen van contante geldbedragen op de verschillende rekeningen, zakelijk weergegeven, verklaard dat haar belangrijkste inkomstenbron in de jaren 2010 tot en met 2012 de handel in kleding en in siertegels was en dat zij daarnaast bijbaantjes had gehad. Dat verdachte in siertegels heeft gehandeld, kan uit het dossier worden afgeleid. De omvang van deze handel en de inkomsten die daarmee gegenereerd werden, kunnen mede ten gevolge van het ontbreken van een deel van de administratie niet exact meer worden gereconstrueerd. Van de handel in kleding in India is tijdens het onderzoek klaarblijkelijk geen administratie aangetroffen, maar ook voor het bestaan van die handel is wel enige steun te vinden, namelijk in de verklaringen die getuigen [getuige 2] en [getuige 1] op 5 december 2019 bij de raadsheer-commissaris hebben afgelegd.
Het hof is van oordeel dat de verdachte daarmee – in aanmerking genomen dat een deel van de administratie in het ongerede is geraakt – een voldoende concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring heeft gegeven waaruit volgt dat deze geldbedragen niet van misdrijf afkomstig waren, en dat het Openbaar Ministerie nader onderzoek naar die verklaring had kunnen verrichten. Echter, nu een nader onderzoek naar de verklaring van de verdachte door het Openbaar Ministerie achterwege is gebleven, kan niet worden geoordeeld dat het niet anders kan zijn dan dat ten laste gelegde voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. Dit betekent dat niet is bewezen dat de verdachte dit ten laste gelegde geldbedrag heeft witgewassen, zodat zij in zoverre van het tenlastegelegde moet worden vrijgesproken.
Met betrekking tot meerdere overboekingen met een totale waarde van (ongeveer) USD 27.000,- en/of EUR 1.953,- ten behoeve van de aankoop van onroerend goed op Jamaica
Verdachte heeft over de aankoop van onroerend goed verklaard dat zij geen plannen had om naar Jamaica te gaan en dat zij de genoemde betalingen niet heeft gedaan en dat er ook niets op haar naam stond. [medeverdachte] heeft dit ook niet zelf betaald, maar heeft dit wel geregeld, aldus verdachte. Hoe dat is gegaan, weet zij niet. Over haar eigen rol heeft verdachte verklaard dat zij voor [medeverdachte] heeft gecorrespondeerd met de makelaar, omdat [medeverdachte] slecht Engels sprak.
Naar het oordeel van het hof kan op grond van het dossier niet met voldoende zekerheid worden vastgesteld dat verdachte bij de aankoop van het onroerend goed op Jamaica een verdergaande rol heeft gehad dan die van bemiddelaar. Nu niet vast is komen te staan dat zij wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat de daartoe overgeboekte geldbedragen van misdrijf afkomstig waren, zal het hof verdachte ook van dit onderdeel van de tenlastelegging vrijspreken.
Met betrekking tot een contante aankoop van een (personen)auto (merk Mercedes, type Vito, voorzien van [kenteken] ) met een waarde van € 22.610,-
Verdachte heeft verklaard dat niet zij, maar [medeverdachte] de Mercedes Vito heeft betaald. Verdachte heeft naar eigen zeggen het voertuig om belastingtechnische redenen op naam van haar bedrijf gezet. Zij was niet aanwezig bij de betaling en hoe de betaling is gegaan, weet zij niet.
Het hof overweegt dat het voertuig niet alleen op naam van het bedrijf van verdachte is gezet, maar dat uit het dossier tevens kan worden afgeleid dat het voertuig later door een dochter van verdachte is verpand. De zeggenschap van verdachte over dit voertuig lijkt groter geweest dan verdachte doet voorkomen. Naar het oordeel van het hof kan uit het dossier evenwel niet met voldoende zekerheid worden afgeleid dat verdachte bij de betaling van het voertuig betrokken is geweest, noch dat zij wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat het daarvoor aangewende contante geldbedrag van misdrijf afkomstig was. Het hof zal verdachte daarom ook van dit onderdeel van de tenlastelegging vrijspreken.
Met betrekking tot een contant geldbedrag van € 87.000,-
Het hof stelt vast dat op 28 augustus 2012 een contant geldbedrag van € 87.000,-, bestaande uit 174 biljetten van € 500,-, is aangetroffen in de toenmalige woning van verdachte te [plaats] . Dit geldbedrag is aangetroffen in een Louis Vuitton tasje in een badjas en verdachte heeft verklaard dat dit geld van haar was en dat zij dit geldbedrag in de badjas bewaarde. Het hof stelt op grond daarvan vast dat zij dit geldbedrag voorhanden heeft gehad.
Over de herkomst van dit geldbedrag heeft verdachte ter terechtzitting van 19 april 2017 verklaard dat dit deels afkomstig was uit Luxemburg en deels uitgeleend geld betrof dat zij in contanten kreeg terugbetaald. Op 22 augustus 2017 is verdachte in haar politieverhoor geconfronteerd met e-mailberichten. Verdachte heeft in haar verhoor bevestigd dat zij in 2007 bij een bank in Luxemburg € 60.000,- in contanten in briefjes van € 500,- heeft opgenomen en dat zij in 2006 een bedrag van € 30.000,- aan [getuige 1] had uitgeleend voor de bouw van haar huis in [plaats] , welk bedrag zij in contanten van [getuige 1] kreeg terugbetaald vanaf 2009 of 2010. Het in augustus 2012 in haar woning aangetroffen geldbedrag zou uit de combinatie van deze bronnen afkomstig zijn.
[getuige 1] heeft op 5 december 2019 bij de raadsheer-commissaris bevestigd dat zij een bedrag van € 30.000,- van verdachte heeft geleend voor de bouw van haar huis. Waar verdachte heeft verklaard dat zij dit bedrag in 2006 heeft uitgeleend, heeft [getuige 1] echter verklaard dat zij het geleende bedrag in 2005 en 2006 contant en in delen heeft terugbetaald en dat het contact tussen hen na 2006 is verwaterd, nadat [getuige 1] was verhuisd.
[betrokkene 4] , de dochter van verdachte, is op 7 mei 2013 als verdachte gehoord over het aangetroffen geldbedrag in de badjas die in haar kamer hing en in het Louis Vuitton tasje dat van haar was. Zij heeft toen verklaard dat zij had begrepen dat hel aangetroffen geldbedrag was geleend van iemand in Suriname en dat het bestemd was voor de aankoop van machines. Verdachte heeft in haar verklaring bij de politie zelf verklaard dat zij in augustus 2012 naar Suriname is gereisd en toen bezig was met graafmachines.
Ter terechtzitting van 24 augustus 2022 heeft verdachte opnieuw over het geldbedrag verklaard. Zij verklaarde bij die gelegenheid, zakelijk weergegeven, dat het geld afkomstig was uit de verkoop van haar woning in 1996 en dat zij dit in 2012 net had opgehaald bij de bank. De woning had volgens verdachte 140.000 gulden opgeleverd en was in aandelen en obligaties belegd, waaruit zij winsten behaald had. Verder heeft zij toen verklaard dat zij voor de rest helemaal geen geld had en dat alles waarvoor zij werkte naar openstaande rekeningen ging.
Het hof constateert dat verdachte ter terechtzitting van 19 april 2017 nog weinig concreet heeft verklaard over de herkomst van het aangetroffen contante geldbedrag. Haar latere verklaringen bij de politie in 2017 en ter terechtzitting van het hof in 2022 zijn onderling tegenstrijdig als het gaat om het moment waarop zij de contante opname bij de bank zou hebben gedaan, respectievelijk in 2006 en in 2012. Hoewel [getuige 1] heeft bevestigd dat zij € 30.000,- heeft geleend, weerspreekt haar verklaring die van verdachte ten aanzien van de periode waarin [getuige 1] de lening heeft terugbetaald. De gestelde herkomst van het geldbedrag wordt bovendien geheel weersproken door haar dochter [betrokkene 4] .
Het hof stelt vast dat verdachte wisselend heeft verklaard over het moment waarop ze de contante gelbedragen heeft verkregen en dat haar verklaringen zowel omtrent de herkomst als het moment waarop dat geld is verkregen worden weersproken door respectievelijk [betrokkene 4] en [getuige 1] . Naar het oordeel van het hof heeft verdachte daarom niet een verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring omtrent de herkomst van het geldbedrag afgelegd.
Het aldus door de verdachte geboden tegenwicht tegen de verdenking van witwassen geeft onvoldoende aanleiding tot een nader onderzoek door het Openbaar Ministerie. Er is daarom geen andere conclusie mogelijk dan dat dit geldbedrag onmiddellijk of middellijk uit enig misdrijf afkomstig is en dat verdachte dat ook wist. Het hof komt daarmee tot een bewezenverklaring van dit onderdeel van het onder 3 tenlastegelegde.”