ECLI:NL:PHR:2026:10

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
6 januari 2026
Publicatiedatum
4 december 2025
Zaaknummer
23/03298
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Witwassen van contant geldbedrag van € 87.000,- en de rol van de verdachte in de herkomst van dit bedrag

In deze zaak is de verdachte, geboren in 1960, veroordeeld voor witwassen door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. De verdachte werd beschuldigd van het in bezit hebben van een contant geldbedrag van € 87.000,-, dat op 28 augustus 2012 in haar woning werd aangetroffen. Dit bedrag bestond uit 174 biljetten van € 500,-. De verdediging voerde aan dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk moest worden verklaard vanwege het in het ongerede raken van een deel van de administratie van de verdachte. De verdediging stelde dat dit de mogelijkheid om zich adequaat te verdedigen ernstig had aangetast. Het hof oordeelde echter dat de verdachte voldoende gelegenheid had gehad om een verklaring te geven over de herkomst van het geldbedrag. De verdachte verklaarde dat het geld afkomstig was uit de verkoop van haar woning en uit leningen. Het hof oordeelde dat de verklaringen van de verdachte niet voldoende concreet en verifieerbaar waren, en dat het geld vermoedelijk afkomstig was uit een misdrijf. De conclusie van de advocaat-generaal strekte tot verwerping van het cassatieberoep, waarbij werd opgemerkt dat de redelijke termijn in cassatie was overschreden, maar dat dit geen verdere rechtsgevolgen met zich meebracht. De zaak illustreert de complexiteit van witwaszaken en de vereisten voor de verdachte om een verifieerbare verklaring te geven over de herkomst van contante bedragen.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer23/03298
Zitting6 januari 2026
CONCLUSIE
P.H.P.H.M.C. van Kempen
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1960,
hierna: de verdachte

1.Inleiding

1.1
De verdachte is bij arrest van 10 augustus 2023 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden (parketnr. 21-003646-15) wegens “witwassen” veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden met een proeftijd van 2 jaren. Verder heeft het hof een beslissing genomen over in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen.
1.2
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. M. Berndsen, advocaat in Amsterdam , heeft twee middelen van cassatie voorgesteld.

2.Waar het in cassatie om gaat

2.1
Op 28 augustus 2012 is een contant geldbedrag van € 87.000,- bestaande uit 174 biljetten van € 500,- aangetroffen in de zak van een badjas in de toenmalige woning van de verdachte. De verdachte heeft verklaard dat dit geldbedrag van haar is. De verdachte is veroordeeld ter zake van witwassen. Het hof heeft vastgesteld dat vermoedelijk een deel van de onder de verdachte in beslag genomen administratie in het ongerede is geraakt. De verdediging heeft in hoger beroep het verweer gevoerd dat het openbaar ministerie in verband daarmee niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Het eerste middel klaagt over de verwerping door het hof van dit verweer. Het tweede middel richt zich tegen het oordeel van het hof dat de verdachte geen concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring heeft gegeven voor de herkomst van het geldbedrag en over de bewezenverklaring van het bestanddeel “van misdrijf afkomstig”.
2.2
Deze conclusie strekt tot verwerping van de middelen.

3.Het eerste middel

3.1
Het middel bevat de klacht dat het hof het verweer strekkende tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie vanwege het in het ongerede raken van een deel van de onder de verdachte in beslag genomen administratie ontoereikend gemotiveerd heeft verworpen.
3.2
Op de terechtzitting in hoger beroep van 20 november 2018 is door de verdediging voor het eerst iets naar voren gebracht over het ontbreken van stukken. Het proces-verbaal van die zitting houdt hierover in:
“De raadsman deelt het volgende mee:
Ik heb op 27 juli 2018 schriftelijk de onderzoekswensen kenbaar gemaakt. Het gaat om het volgende.
Volledigheid van het dossier
1. Het proces-verbaal aanvraag doorzoeking, de kennisgevingen van inbeslagneming, het verslag binnentreding, het proces-verbaal van doorzoeking ter inbeslagneming en een beslaglijst ontbreken in het dossier en dienen aan het dossier te worden toegevoegd. De advocaat-generaal vraagt mij om KVl-nummers te noemen van documenten die de verdediging terug wil van justitie omdat deze stukken nodig zijn om de verdediging te kunnen voeren. Hoe kan ik KVl-nummers geven zonder de stukken waar die KVl-nummers op staan? Ik heb slechts een samenvatting gekregen van het onderzoek. De bijbehorende stukken en processen-verbaal zitten niet in het dossier. Ik ken de nummers dus niet en kan deze ook niet kennen.
2. Mijn cliënt is op 22 augustus 2017 door de politie gehoord zonder dat de stukken er waren die zij daarbij nodig had. Zij heeft haar administratie van toen nodig om de verdediging te kunnen voeren. In mijn mail van 29 augustus 2017 heb ik opgave gedaan van de stukken die zij terug wil.
3. Ook zijn nodig voor de verdediging de onderliggende stukken die verband houden met de bankrekeningnummers [rekeningnummer 1] , [rekeningnummer 2] en [rekeningnummer 3] . Deze staan in de proces- verbaalnummers […] , […] en […] . In het dossier zit alleen maar een samenvatting van het onderzoek. De bijbehorende stukken ontbreken. Er valt niets te controleren of na te gaan.
4. Ook de stukken die zijn gevonden bij de doorzoeking van de kluis bij de Rabobank ontbreken. Dat heeft betrekking op het vermogen van mijn cliënt. De verdediging heeft deze stukken nodig.”
3.3
Op de terechtzitting in hoger beroep van 24 augustus 2022 heeft de raadsman van de verdachte het woord gevoerd overeenkomstig een overgelegde en aan het proces-verbaal gehechte pleitnota en een beroep gedaan op niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie. De pleitnota houdt onder meer in (met weglating van voetnoten):

Inleiding
1. Zo’n vijf jaar geleden schreef mijn collega [betrokkene 1] u al dat cliënte inzag dat het aan haar was om met een verklaring te komen. Hij heeft er toen voor gekozen om de vlucht naar voren te nemen en de kaarten, zonder termijn voor reflectie of nadere redactie van de zijde van de advocaat, open op tafel te leggen. Of dat nu zo verstandig is geweest, daar kun je over twisten. Zonder kennis van de omvang van een dossier stellen dat je ‘de’ administratie in je bezit hebt is dat denk ik niet per sé. Daar heb ik later ook nog wel van gedachten over gewisseld. De overtuiging dat de directe verklaring van cliënte authentiek was bleek doorslaggevend voor zijn keuze om uw hof kort voor de zitting maar direct van de informatie te voorzien.
2. Als ik kijk naar het verhoor van cliënte kan ik in elk geval concluderen dat die mening niet wordt gedeeld door de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] . Het heeft er de schijn van dat zij a priori niet al te veel heil zagen in een verhoor vijf jaar na dato. Cliënte werd voor de voeten geworpen dat het de opsporing zo wel moeilijk werd gemaakt, maar aan de andere kant werd twijfel of een vergissing bij cliënte over wat er vijf tot tien jaar geleden was voorgevallen wel gezien als een teken dat zij niet de waarheid zou spreken. Over de handelswijze en toonzetting rond en tijdens het verhoor heb ik uw hof al bericht en ik volsta nu met de vaststelling dat die houding de zaak en cliënte geen recht doet.
3. Er had verder onderzoek kunnen worden verricht en dat is niet gedaan. Aangedragen getuigen zijn niet gehoord, administratie die ik heb nagezonden zijn niet nader beschouwd en het bewijsaanbod om dit eventueel af te leveren of op te halen is onbeantwoord gebleven. Verder onderzoek naar, of verslaglegging over de wijze waarop het beslag is afgehandeld is niet nagezonden.
4. Dat laatste is wel van belang voor een afgewogen oordeel in deze zaak. Voor de waarheidsvinding. Bij een witwasverdenking waarbij het gronddelict niet kan worden aangewezen verschuift de bewijslast naar de verdachte. Het is aan de verdachte om dan een concrete en verifieerbare verklaring af te leggen die niet op voorhand als onaannemelijk terzijde kan worden geschoven. Wanneer een verklaring aan die criteria voldoet is casuïstisch. Naar het mij voorkomt is in deze zaak relevant of het tijdsverloop betrokken dient te worden bij de vraag hoe concreet deze verklaring moet zijn en of bij het in het ongerede raken van administratie na een inbeslagneming een volledige concretisering kan en mag worden verlangd van een verdachte.
5. Over die administratie heb ik aan de bel getrokken. Cliënte wil kunnen beschikken over de papieren van haar Luxemburgse bankrekening die in de ladekast waar de TV op stond zaten. Zij wil kunnen kijken naar haar aantekeningen en de bonnen die zij bij de bankafschriften deed. Die lagen op zolder in de boekenkast. In diezelfde kast zaten ook verzekeringspapieren waaruit volgt dat er gelden aan haar zijn uitgekeerd. Cliënte is stellig dat zij die stukken nooit heeft teruggekregen nadat de politie ze heeft meegenomen. Ik heb daardoor gevraagd naar de stukken om te kunnen controleren wat er nu precies gebeurd is. Ik heb daarnaast gevraagd om de onderliggende bankafschriften waarop de tabellen van de politie zouden zijn gebaseerd. Ik wil dat kunnen controleren.
6. Het Openbaar Ministerie heeft hier niet in bewilligd en uw hof heeft een tussenoplossing bedacht. De verdediging en het Openbaar Ministerie mochten naar de stukken in de zaak [medeverdachte] kijken, het is u bekend. Ik heb daar, met de nodige reserves, gevolg aan gegeven.
7. Die zoektocht heeft ertoe geleid dat er meer inzicht verkregen is over de inbeslagneming. Bij de aanvraag doorzoeking ter inbeslagneming wordt cliënte al expliciet als verdachte aangemerkt. Waarom die stukken niet zijn gevoegd in de zaak van cliënte is mij een raadsel. Als ik verder kijk naar de kennisgeving inbeslagneming zie ik dat onder IBN-code 1.01.03 ‘Administratie’ staat. Hoeveel administratie, aard en inhoud zijn niet ter herleiden en evenmin is duidelijk waar het is aangetroffen. Er is verder een ontvangstbewijs in het dossier gevoegd waaruit volgt dat de stukken zijn overgedragen aan de advocaat [betrokkene 2] . Waarom dit is gebeurd is voor cliënte een raadsel. Zij is niet door deze advocaat bijgestaan en zij is daar nooit over geconsulteerd.
8. Alle rekeningafschriften waar volgens het proces-verbaal witwassen uit geput is heb ik niet aangetroffen. Deze zijn dan ook momenteel niet gevoegd. Processen-verbaal hieromtrent behoren er wel te zijn en worden in het dossier expliciet geduid met proces-verbaalnummers […] , […] en […] . De verdediging heeft nog altijd de wens deze stukken, en de daarbij behorende rekeningafschriften, te laten voegen en dat is ook noodzakelijk om überhaupt te kunnen controleren of de met de hand vervaardigde tabellen juist zijn. Daarnaast geeft het de verdediging context om financiële bewegingen te kunnen duiden, hetgeen juist bij een tijdsverloop zoals in deze zaak van belang is.
9. Het is de vraag hoe er juridisch moet worden omgegaan met deze gebreken. De verdediging heeft grote moeite met het tijdsverloop in deze strafzaak, dat alleen cliënte verantwoordelijk wordt gehouden voor stortingen op een gezamenlijke rekening, dat belangrijk bewijsmateriaal kwijt is geraakt, dat een strafdossier een zoekplaatje oplevert waarbij de verdediging in een dossier van een gewezen medeverdachte moet gaan grasduinen om het te completeren en er belangrijke brondocumenten gewoon niet bij het dossier zitten en niet gevoegd worden. Komt de objectieve waarheidsvinding dan niet te veel in het geding? Raakt dat, zeker bij een witwasverdenking, dan niet het recht op een eerlijk proces?
10. Ik laat deze vragen vooralsnog onbeantwoord en kom hier bij het einde van mijn pleidooi op terug.
[…]
Inhoudelijk
[…]
Stortingen op de en/of rekening
[…]
16. […] Daarbij komt dat de berekening van het hiermee samenhangende bedrag niet blijkt uit in het dossier bevindende objectieve gegevens. De onderliggende rekeningafschriften zijn niet gevoegd waardoor het niet controleer- en verifieerbaar is of de bevindingen van de verbalisanten juist zijn. De keuze van het Openbaar Ministerie om deze stukken niet te voegen leidt ertoe dat bovendien geen gelijk speelveld is tussen de verdediging en de vervolgende instanties. Het desalniettemin doorzetten van de vervolging is strijdig met een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 EVRM.
[…]
Stortingen op de aan cliënte toebehorende privérekeningen
[…]
22. Net als bij het vorige onderdeel kom ik primair tot een conclusie die niet direct voortkomt uit een feitelijke weging van de verklaringen en bevindingen in het dossier. Ook hier zijn de berekeningen in het dossier kennelijk gebaseerd op informatie die niet in het dossier aanwezig is. De handmatig vervaardigde tabellen zijn daardoor niet controleer- en verifieerbaar. De keuze om deze stukken niet te voegen creëren een ongelijk speelveld waarbij de vervolgende instanties over meer informatie beschikken dan de verdediging. Dat is in strijd met artikel 6 EVRM en is niet te compenseren.
23. Daarnaast concludeer ik dat relevante administratie in beslag is genomen en kennelijk is teruggegeven aan iemand waarvan niet kan worden aangenomen dat hij namens cliënt gemachtigd is geweest. Er is daarmee onrechtmatig gehandeld door de vervolgende overheid waarbij ontlastend bewijsmateriaal is verdwenen. Voor zover het Openbaar Ministerie zich op het standpunt stelt dat niet vaststaat dat de door cliënte aangewezen administratie zich daaronder bevond is dit standpunt evenmin voldoende onderbouwd. Het had op de weg gelegen van het Openbaar Ministerie om minst genomen zorgvuldig te administreren welke informatie in beslag werd genomen, namelijk hoeveel mappen; welke opdruk; kleur mappen; welke globale inhoud, etcetera. Bij een faillissementskwestie is dat usance bij curatoren en in dit geval mag en moet dit verlangd worden van de vervolgende instanties. Dit verzuim is begaan in het kader van het voorbereidend onderzoek in deze zaak - ik zei het al: cliënte was op dat moment ook al verdachte -, het is een onherstelbaar verzuim en bovendien een verzuim dat de kern van een eerlijk proces raakt: jezelf kunnen verdedigen op basis van ontlastende stukken. Het nadeel is dan ook evident: voor zover het niet direct ontlastend bewijs is zou het in elk geval kunnen helpen minder scherpe herinneringen op te helderen en de verdediging vorm te geven.
24. Gelet op het vorenstaande meen ik dat het Openbaar Ministerie partieel niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. Gelet op de aard, ernst van het verzuim en de gevolgen is alleen dat gevolg ex art. 359a Sv op zijn plaats. Indien u daar niet toe komt meen ik dat bewijsuitsluiting van de processen-verbaal waarin wordt geverbaliseerd over de financiële bewegingen op de rekeningen dienen te worden uitgesloten van het bewijs.
[…]
Het contante geldbedrag van 87.000
26. Cliënte heeft voor de herkomst van dit geldbedrag een concrete en verifieerbare verklaring afgelegd. Zij heeft verklaard waar het oorspronkelijke geldbedrag vandaan kwam, namelijk uit de verkoop van haar woning. Zij heeft uitgelegd dat dit via haar vriendin [getuige 1] uiteindelijk is belegd bij [A] en [B] in Luxemburg. Zij heeft verklaard dat deze bank op enig moment is gefuseerd en dat zij bij het gebouw van [C] in Luxemburg het geld heeft opgehaald. Haar verklaring wordt ondersteund door de verklaringen van [getuige 1] en [medeverdachte] bij de raadsheer-commissaris.
27. De politie heeft bij het verhoor van cliënte alleen kenbaar gemaakt dat zij op basis van openbare bronnen en de handelswijze vraagtekens plaatsen bij haar verklaring. Zij hebben geen van de opgegeven getuigen zelf vragen gesteld. Op basis van de verklaring van [getuige 1] had nader onderzoek gedaan kunnen worden naar de door [getuige 1] genoemde vrouwelijke accountmanager [betrokkene 3] . Verder kon er onderzoek gedaan worden naar de herkomst van de coupures die zijn aangetroffen. Gelet op de verklaring van cliënte kan het relevant zijn om na te gaan in welk jaar het gros van de biljetten op de markt is gekomen. Al dit onderzoek is niet gedaan.
28. Dit brengt mij ook ten aanzien van dit bedrag tot een besluit.
29. Voor zover uw hof dit onderdeel, die niet in de tenlastelegging verfeitelijkt is, betrekt bij de beoordeling van dit verwijt meen ik dat ook hier - gelijk aan de vorige standpunten - dient te worden overgegaan tot de partiële niet-ontvankelijkverklaring. Gegevens van deze rekening zijn door toedoen van de vervolgende instanties in het ongerede geraakt en via het stappenschema van art. 359a Sv meen ik dat niet-ontvankelijkverklaring de enige gepaste sanctie is. Met uw goedvinden loop ik dit schema niet andermaal na maar verzoek ik u die redenering als herhaald en ingelast te beschouwen.
[…]
Conclusie
36. Ik besloot mijn inleiding al met de opmerking dat ik terug zou komen op de opgeworpen vragen. Wat de verdediging betreft laten alle op- en aanmerkingen ten aanzien van de verschillende onderdelen van de tenlastelegging zien dat er grote bezwaren kleven aan de loop die deze zaak heeft gehad.
37. Het is aan uw hof om te wegen in hoeverre er met een dermate groot tijdsverloop, een onvolledig dossier en in het ongerede geraakte persoonlijke administratie bij een daarop toegesneden witwasverdenking nog sprake kan zijn van een eerlijk proces. Ik meen dat daar geen sprake van is en wat mij betreft is dat bij de bespreking van de onderdelen in het dossier voldoende aan bod gekomen. Ik doe u, hoewel u dat als tardief aan kunt merken, het verzoek het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk te verklaren in de vervolging van het enige feit dat voorligt. U komt dan niet toe aan de zojuist al gevoerde verweren.”
3.4
De raadsman van de verdachte heeft op die terechtzitting in aanvulling op zijn pleitnota onder meer het volgende naar voren gebracht:
“Datzelfde geldt ook voor de beslaglijsten die verstrekt zouden zijn. Dat is iets wat de verdediging uitdrukkelijk betwist. Cliënte heeft juist vanaf het begin gezegd: ‘Ik heb helemaal geen inzicht gekregen’. Op het moment dat ik om die beslagstukken vraag, op 29 augustus 2017, is daar geen reactie op gekomen door de zaaks advocaat-generaal toentertijd. Het hof heeft daarin uiteindelijk bewilligd door mij de toegang te verschaffen tot het dossier van [medeverdachte] . Het is niet verstrekt, maar er is dus wel om verzocht. En dat is niet zonder reden. Die beslaglijsten heb ik pas op het laatste moment gekregen en de beslagstukken, genoemd in de proces-verbaal aanvraag doorzoeking. Kijkend naar het dossier en gelet op het tijdsverloop en de problemen die dan ontstaan met het geheugen, is het wel van belang, dat ik wil weten hoe het beslag is afgewikkeld. Dat is ook de reden dat ik daarop door ben gegaan. Ik kan alleen vaststellen op basis van die stukken dat er klaarblijkelijk ten aanzien van meerdere in beslaggenomen goederen, op meerdere locaties, op enig moment stukken zijn teruggegeven aan mr. [verbalisant 2] . Dat zijn stukken die zien op een voertuig en andere locaties. Ik kan mij voorstellen dat mr. [verbalisant 2] de advocaat is van [medeverdachte] , maar [medeverdachte] is niet verdachte. Verdachte was op dat moment beslagene. Dan is mijn vraag: waarom is het aan hem teruggegeven en wat is er vervolgens mee gebeurd? Ik kan daar geen antwoord op geven. Op het moment dat de vervolgende overheid die stukken in beslag neemt, dan verwacht ik in ieder geval dat daar zorgvuldig mee om wordt gegaan. Gelet op het feit dat zojuist letterlijk is gezegd dat de beslaglijsten verstrekt zijn en dat advocaten dat goed door moeten geven, dan denk ik: dat is veel invulling. Dan vraag ik mij af of dat te gemakkelijk is.
[…]
Een ander punt wat de revue is gepasseerd is de term: ontlastend materiaal. Dat ik dat terug moet nemen. Dat doe ik uitdrukkelijk niet. Wat mij betreft is de lezing die de advocaat-generaal daaraan geeft ook geen juiste. Want de situatie die cliënte ook heeft beschreven, is dat cliënte haar bankrekeningen bijhield met onder andere aantekeningen erop, met bonnen er achter, en dat zij een en ander indertijd wel aan de boekhouder heeft gegeven, die bekeek het dan en gaf het uiteindelijk weer terug. Dus uiteindelijk is de administratie ten aanzien van haar privérekeningen allemaal teruggegaan naar cliënte en heeft dat bij haar thuis gelegen. Cliënte zegt: ik kan alles verklaren aan de hand van stukken die zijn meegenomen door de politie. Mijn kantoorgenoot heeft gezegd: ik leg het allemaal maar gewoon op tafel, omdat mijn cliënte daadwerkelijk kan aantonen dat er een legale herkomst is, dat het te maken heeft met die verzekering die er is geweest, dat die is uitgekeerd, dat die levenspolissen zijn uitgekeerd, dat dat krediet is opgenomen, en dat daarbij uiteindelijk gelden zijn aangewend die voortkomen uit de handel in de kleding en de sierraden. Tegen deze achtergrond is de stelling van de verdediging dat voornoemde administratie ontlastend materiaal is. Zeker bij een witwasverdenking waarbij op verdachte een omgekeerde bewijslast rust. Op moment dat zij wel die doordrukvellen aan heeft gehecht en dat is verdwenen, dan is dat ontlastend materiaal wat is verdwenen en dan moeten wij, de verdediging, er iets mee in de strafzaak. Dan is het standpunt van het openbaar ministerie er eentje dat te weinig bescherming biedt voor de rechten van een verdachte. Dan kijk ik naar artikel 6 EVRM.
Ik kom bij mijn laatste punt, waarbij ik word uitgenodigd om uitspraken te over leggen met betrekking tot de redelijke termijn wanneer dat leidt tot de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie. Ik ga geen arresten kunnen overleggen waarbij alleen die redelijke termijn de reden is geweest om tot een niet-ontvankelijkheid te komen. Waar het wel om gaat, dat is de uitzondering die de Hoge Raad ook maakt en waarnaar hij wel kijkt, dat uiteindelijk, ook met dat tijdsverloop, het recht op een eerlijk proces geborgd moet kunnen worden. Oftewel heeft de verdediging daarbij haar verdedigingsrechten voldoende kunnen uitoefenen? Daar gaat het hier mank. Juist ook vanwege de wijze waarop is omgegaan met het beslag waarbij relevante documenten aan de zijde van justitie in het ongerede zijn geraakt, Aan de hand waarvan cliënte haar geheugen weer kan opfrissen, aan de hand waarvan zij uiteindelijk bepaalde stortingen kan plaatsen, waarbij zij ook kan aantonen wat de achtergrond van die stortingen is geweest. Als die er niet meer zijn, door toedoen van de overheid, terwijl ook niet is geadministreerd wat het precies is en dat/hoe het is teruggegeven, dan heeft justitie een probleem. Het is onder [verdachte] inbeslaggenomen. Dat staat er letterlijk. Het is niet aan haar teruggegeven. Cliënte is op basis van het wegraken van haar administratie te beperkt in de gelegenheid gesteld om haar verenigingsrechten uit te oefenen, juist bij zo’n witwasverdenking. Tegen die achtergrond meen ik dat er wel ruimte is om te komen tot niet-ontvankelijk verklaring voor het gehele feit 3, dan wel partieel, zoals aangegeven in mijn pleitnota.”
3.5
Bij tussenarrest van 7 september 2022 heeft het hof onder meer het volgende overwogen (met weglating van voetnoten):

Onvolledigheid van het onderzoek
Tijdens de zitting in hoger beroep van 24 augustus 2022 is gebleken dat de verdediging niet beschikt over de onderliggende stukken die betrekking hebben op de inbeslagname aan de [a-straat 1] te [plaats] op 28 augustus 2012, meer specifiek de “administratie” van verdachte welke onder IBN-code 1.01.03 in beslag is genomen en alle daarbij 1 behorende rekeningafschriften.
De verdediging heeft aangevoerd dat uit het dossier niet blijkt wat de omvang van de inbeslaggenomen administratie is en dat daaruit evenmin de aard en inhoud van de administratie te herleiden is, dan wel dat duidelijk is waar de administratie is aangetroffen. Dit raakt de kern van verdachtes recht op een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 EVRM. Bovendien heeft de verdediging - ondanks eerdere verzoeken daartoe - nog steeds niet de beschikking gekregen over de processen-verbaal inzake de onderliggende stukken (bankafschriften) van de door verdachte gebruikte bankrekeningen. De raadsman heeft aangevoerd dat verdachte zich hierdoor niet adequaat kan verdedigen op basis van ontlastende stukken, mede gelet op de aard van de verdenking (witwassen) en de bewijslastverdeling.
De verdediging heeft in het kader van het vorenstaande ter terechtzitting van het hof (voorwaardelijk) verzocht de zaak aan te houden, teneinde voornoemde stukken te laten voegen aan het dossier, onder meer verwijzend naar de processen-verbaal met nummers […] , […] en […] , dan wel verzocht een nader proces-verbaal op te laten stellen over de afwikkeling van de inbeslaggenomen goederen op het toenmalige adres van verdachte.
Het hof constateert dat door de verdediging genoemde processen-verbaal inzake de onderliggende stukken bij de bankrekeningen van verdachte tot op heden niet aan het dossier zijn toegevoegd.
Indachtig het hiervoor overwogene komt het hof tot de vaststelling dat tijdens de beraadslaging in raadkamer is gebleken dat het onderzoek niet volledig is geweest. Het hof acht het wenselijk en noodzakelijk, dat met het oog op de beoordeling van het hoger beroep, door de advocaat-generaal de benodigde stukken en informatie omtrent de inbeslaggenomen administratie onder IBN-code 1.01.03 en alle daarbij behorende bankrekeningafschriften van verdachte en medeverdachte (genoemd in het witwasdossier Ambarella, nummer […] op pagina 9, onder het kopje 2.3 Financiële instellingen), alsmede de verslaglegging over de wijze waarop het beslag is afgehandeld, dienen te worden toegevoegd aan het dossier.
In aanmerking genomen dat de administratie op 30 januari 2013 onder IBN-code 1.01.03, zoals aangetroffen aan de [a-straat 1] te [plaats] , in opdracht van de officier van justitie, is teruggegeven aan een ander dan verdachte, te weten aan [betrokkene 2] , kan niet worden geoordeeld dat de advocaat-generaal die gelegenheid niet meer behoort te krijgen. Het hof zal de advocaat-generaal daartoe in de gelegenheid stellen.
Het hof wenst samengevat de navolgende stukken, bescheiden, pv-nummers en onderliggende rekeningafschriften te laten voegen aan het dossier:
1. A. (een kopie van) de administratie, in beslaggenomen onder IBN-code 1.01.03;
1. B. voor zover dit niet (meer) mogelijk is, beveelt het hof dat een proces-verbaal opgemaakt wordt omtrent de wijze van teruggave van de administratie onder 1BN-code 1.01.03 en wordt uitgelegd waarom de op pagina 35 van het beslagdossier Ambarella genoemde persoon kon worden aangemerkt als rechthebbende/eigenaar.
2. een proces-verbaal verstrekking gevorderde gegevens, d.d. 13 maart 2013, nummer
[…], Coöperatieve Rabobank Amsterdam, [rekeningnummer 3] , t.n.v. [verdachte] ;
3. een proces-verbaal verstrekking gevorderde gegevens, d.d. 13 maart 2013, nummer
[…], ABN AMRO Bank NV, [rekeningnummer 2] , t.n.v. [verdachte] ;
4. een proces-verbaal verstrekking gevorderde gegevens, d.d. 13 maart 2013, nummer
[…], ABN AMRO BANK NV, [rekeningnummer 4] , t.n.v. [verdachte] ;
5. een proces-verbaal verstrekking gevorderde gegevens, d.d. 13 maart 2013, nummer
[…], ABN AMRO BANK NV, [rekeningnummer 5] , t.n.v. [verdachte] ;
6. een proces-verbaal van verstrekking gevorderde gegevens, d.d. 20 februari 2013, nummer
[…], ING Bank, gegevens met [rekeningnummer 1] , t.n.v. [medeverdachte] .
Het hof zal het onderzoek heropenen. De advocaat-generaal dient de bedoelde stukken/informatie binnen zes weken na dagtekening van dit tussenarrest te verstrekken en voegen aan het dossier.
Gelet hierop beslist het hof als volgt.
BESLISSING
Het hof:
Heropent het onderzoek.
Stelt de stukken in handen van de advocaat-generaal met voormeld doel.
Beveelt dat de advocaat-generaal de voornoemde stukken/informatie opgenomen onder 1A/1B, 2, 3, 4, 5 en 6 binnen zes weken na dagtekening van dit tussenarrest zal verstrekken en voegen aan het dossier.
Bepaalt dat het onderzoek zal worden hervat tegen een nog nader te bepalen terechtzitting.
Beveelt de oproeping van de verdachte tegen het nog nader te bepalen tijdstip, met tijdige kennisgeving daarvan aan de raadsman van de verdachte.”
3.6
Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 27 juli 2023 blijkt dat de raadsman van de verdachte daar wederom een beroep heeft gedaan op niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie. Het proces-verbaal van die terechtzitting houdt onder meer in:
“De voorzitter deelt mee dat op de zitting van 24 augustus 2022 uitvoerig over de feiten is gesproken. Naar aanleiding van het daaropvolgende tussenarrest van 7 september 2022 is een aantal stukken aan het dossier toegevoegd, te weten:
- enige administratie:
- een proces-verbaal van bevindingen van 4 oktober 2022, waarin uitleg over voornoemde administratie wordt gegeven; het betreft in het archief aangetroffen administratie, waarbij niet wordt uitgesloten dat destijds ook nog andere administratie in beslag is genomen;
- de andere processen-verbaal waarvan het hof de voeging heeft bevolen in zijn tussenarrest.
[…]
De raadsman voert het woord tot verdediging, zakelijk weergegeven:
[…]
Ten slotte bepleit ik de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie, omdat er niet duidelijk is wat er met de administratie van verdachte is gebeurd. Het is zonneklaar dat het huis van verdachte ondersteboven is gehaald en dat daarbij alles is meegenomen. Verdachte heeft verklaard dat zij alle papieren bewaarde, met betrekking tot verzekeringen, bankrekening, zelfs van de aankoop van een wasmachine. Dat ging niet met militaire precisie, zoals dat bij de meeste mensen gaat. Je bewaart de papieren op zolder, maar je weet dat je erop terug kunt vallen. Zo was het ook bij verdachte, zij kon zelf uitleggen hoe haar administratie werkte en zij kon zelf dingen daarin terugvinden. Maar op dit moment kan zij niet over haar administratie beschikken, zoals het hof ook heeft vastgesteld in zijn tussenarrest. We kunnen vaststellen dat bij de inbeslagneming niet is bijgehouden wat er nu exact inbeslaggenomen is. Er is geen indexatie gemaakt van het aantal mappen, de aard van de inhoud daarvan, wat er op die mappen is geschreven en op welke plek het exact is aangetroffen. Ook is geen onderscheid gemaakt tussen de gegevensdragers. Het is niet vast te stellen wat er precies is meegenomen, terwijl we er wel vanuit moeten gaan dat er veel is meegenomen. Aan de hand van nagezonden stukken moeten we vaststellen dat uiteindelijk maar een miniem gedeelte gedigitaliseerd is. Voor verdachte is duidelijk dat er verschillende dingen bij elkaar zijn gestopt. In de tweede map zitten bijvoorbeeld veel zaken over [plaats] in, waaronder communicatie met een architect die alles zou gaan bouwen. Verdachte is daarover duidelijk dat die stukken niet in haar huis kwamen en niet tot haar administratie behoorden. In diezelfde map zitten ook stukken waarvan verdachte zegt dat die wel bij haar thuis horen. Maar ze mist vooral erg veel stukken.
Verder kunnen we vaststellen dat er geen goede reden dat de stukken niet zijn bewaard of aan de rechthebbende zijn geretourneerd, zoals het zou horen. Door de verbalisant is uitleg gegeven over waarom het zo gelopen is, maar dat is geen goede reden om de administratie, waarvan de omvang onbekend is, aan een gemachtigde van een medeverdachte te geven. Dat is wat er feitelijk is gebeurd en daarna is niet duidelijk wat er met de stukken is gebeurd. Verdachte heeft duidelijk naar voren gebracht dat de gelden afkomstig waren uit een andere bron. Ik denk ook dat zij aannemelijk heeft gemaakt dat er andere stukken moeten zijn, met name haar verklaring over de buitenlandse rekening en de reizen die ze naar India heeft gemaakt. Er is een boekingsbescheid waaruit blijkt dat zij naar India is gereisd in 2010. In elk geval geeft haar verklaring aanleiding te veronderstellen dat die stukken er zijn.
Er is daarna een zoekslag gemaakt, op basis daarvan is het proces-verbaal van bevindingen van 4 oktober 2022 opgemaakt. Op basis daarvan is nu sprake van een onherstelbaar vormverzuim. Het hof heeft bij tussenarrest getracht de stukken alsnog op te speuren, om de ontstane situatie te ondervangen. Nu ik het proces-verbaal van 4 oktober 2022 tot me neem, is duidelijk dat dit niet mogelijk bleek, omdat vermoedelijk maar een deel van de stukken terecht is gekomen. Vermoedelijk is een hoop weg. Aanvullende informatie is niet beschikbaar, zo verbaliseert [verbalisant 3] , omdat politiemedewerkers het niet meer weten of er niet meer werken. Dat is iets waar verdachte ook mee wordt geconfronteerd. Er is sprake van een onherstelbaar vormverzuim. In het kader van deze verdenking raakt dat de kern van het strafproces. Verdachte moet zich nu verweren tegen aantijgingen die soms behoorlijk specifiek zijn. Maar zij heeft ook te maken met een geheugen en dat hapert ook, net als bij deze politieambtenaren. Ze wil zich verdedigen, maar kan niet meer uit de stukken putten. Daar wringt de schoen. De combinatie van de aard van de verdenking, het ontbreken van stukken en het tijdsverloop maakt dat geen sprake is van een gelijk speelveld en dat dit niet kan worden hersteld. Verdachte verkeert daardoor in een zodanige bewijspositie dat de kern van artikel 6 EVRM wordt geschonden en dat de waarheidsvinding in het geding komt. Tegen die achtergrond is niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie op zijn plaats. Dat verdachte niet kan beschikken over stukken om zich te verweren kan en moet de opsporingsinstanties worden nagedragen.
Subsidiair, voor zover die conclusie wordt gepasseerd, dienen deze omstandigheden de omkering van de bewijslast te relativeren. Verdachte had een onderneming uit handel en kon beschikken over vermogen. Zij heeft aantoonbaar veel handel gedreven. Dat heeft zij voldoende onderbouwd. Gelet op het ontbreken van stukken, kan niet van haar worden gevergd dat zij dat nog nader onderbouwt. De bal ligt bij het Openbaar Ministerie, dat nader onderzoek had kunnen en moeten doen. Verdachte moet worden vrijgesproken, nu zij aan haar plicht heeft voldaan.
[…]
De raadsman voert dupliek, zakelijk weergegeven:
Over de gang van zaken rond de administratie is veel naar voren gebracht. Verdachte heeft zich ingespannen om de administratie boven tafel te krijgen en alles wat zij kon vinden naar voren te brengen. Via haar boekhouder is een deel van de administratie er gekomen, maar dat is bij lange na niet alles. Het standpunt van het Openbaar Ministerie is lastig, want uit de stukken blijkt ondubbelzinnig dat de opsporingsinstanties niet hebben bijgehouden wat inbeslaggenomen is. Dat is moeizaam, want er ligt een grote verantwoordelijkheid bij de opsporende overheid. Wanneer er met een groot team wordt binnengetreden, en alles ondersteboven wordt gehaald, dan mag en moet worden verlangd dat er op zorgvuldige wijze wordt bijgehouden wat inbeslaggenomen wordt. Ik heb het eerder vergeleken met de wijze waarop een curator optreedt. Het is logisch dat dit zorgvuldig moet gebeuren, want de omvang van de administratie moet duidelijk zijn. Dat is in deze zaak niet gebeurd. Het is niet bijgehouden en nu moeten we vaststellen dat het Openbaar Ministerie het niet weet en dat een deel aan iemand anders is meegegeven. Als de overheid iets wegneemt en dat aan een ander geeft, en daar geen verantwoordelijkheid voor wordt genomen, is dat ook lastig. Men had op zijn minst het standpunt kunnen innemen dat sprake is van een vormverzuim. Het tekent het proces tegen verdachte. Het gevoel dat ontstaat is dat men vindt dat het zaakje stinkt en dat verdachte er wel iets mee te maken zal hebben en er dus over dit soort ‘kleine’ dingen niet hoeft te worden gepraat. Dat gevoel is onterecht. Ik verzoek het hof zorgvuldig te kijken naar de wijze waarop de opsporing is gedaan en naar het speelveld dat daardoor gecreëerd is. Zo lang na dato verlangen we van verdachte dat zij verklaart hoe het is gegaan, dat is lastig met het geheugen. Een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 EVRM is in het geding. Daar moet scherp naar worden gekeken en daar kunnen we niet zomaar overheen stappen. Door het ontbreken van stukken wordt haar positie onmogelijk.”
3.7
Het hof heeft het verweer in het bestreden arrest als volgt verworpen:

Ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de vervolging
De raadsman van verdachte heeft bepleit dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk wordt verklaard in de vervolging. Daartoe is, zakelijk weergegeven, aangevoerd dat geen sprake is van een gelijk speelveld, gelet op het grote tijdsverloop, onvolledigheid van het dossier en in het ongerede geraakte persoonlijke administratie van verdachte. In het licht van de verdenking van witwassen en de daarvoor geldende bewijslastverdeling is in die omstandigheden geen sprake van een eerlijk proces, aldus de raadsman. Met betrekking tot contante stortingen op de gezamenlijke “en/of-rekening” van verdachte en [medeverdachte] is aan de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie tevens schending van het gelijkheidsbeginsel ten grondslag gelegd.
Het hof overweegt hieromtrent als volgt.
Indien op grond van strafrechtelijk onderzoek tegen een verdachte een vermoeden van witwassen van contante geldbedragen is gerezen, is het volgens bestendige jurisprudentie aan de verdachte om met een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring te komen omtrent de herkomst van de betreffende geldbedragen. Aan het verweer ligt ten grondslag dat verdachte als gevolg van het ontbreken van een (groot) deel van haar administratie niet in staat is geweest een dergelijke verklaring af te leggen.
Verdachte heeft bij haar politieverhoor van 22 augustus 2017, en ter terechtzittingen in hoger beroep van 19 april 2017, 24 augustus 2022 en 27 juli 2023 verklaringen afgelegd over de herkomst van de contante stortingen op verschillende bankrekeningen ten bedrage van in totaal ongeveer € 245.625,-, en een in een badjas in haar toenmalige woning aangetroffen contant geldbedrag van € 87.000,-. Ook heeft zij verklaard over de reikwijdte van haar betrokkenheid bij de aanbetalingen voor de aankoop van onroerend goed in Jamaica ten bedrage van $ 27.000,- en € 1.953,-, alsmede de aankoop van een Mercedes Vito à € 22.600,-. Verdachte is in de gelegenheid gesteld om deze verklaringen middels het (doen) horen van getuigen nader te onderbouwen.
Het hof zal bij de beoordeling van de door verdachte gegeven verklaringen rekening houden met de omstandigheid dat vermoedelijk een deel van de onder haar inbeslaggenomen administratie in het ongerede is geraakt. Het hof leidt dat af uit het proces-verbaal van bevindingen d.d. 4 oktober 2022 van [verbalisant 1] . Daardoor kan van verdachte niet worden gevergd de herkomst van een deel van die geldbedragen te onderbouwen middels het overleggen van die administratie.
Naar het oordeel van het hof doet het ontbreken van een volledige administratie er evenwel niet aan af dat er voldoende gelegenheid is geweest voor verdachte om een verklaring over de herkomst van voornoemde geldbedragen af te leggen en die op andere wijze te onderbouwen. Van een ‘ongelijk speelveld’ is naar het oordeel van het hof daarom geen sprake en aan het recht van verdachte op een eerlijk proces is niet tekort gedaan. Het verweer wordt verworpen.
[…]
Het Openbaar Ministerie is ontvankelijk in de vervolging van verdachte.”
3.8
Het middel houdt zoals gezegd in dat het hof het verweer strekkende tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie ontoereikend gemotiveerd heeft verworpen. Daartoe wordt aangevoerd dat het niet zonder meer begrijpelijk is dat het hof heeft geoordeeld dat van schending van het recht op een eerlijk proces geen sprake is nu de verdachte door middel van getuigenverhoren haar verklaring zou kunnen onderbouwen, omdat (i) de raadsman heeft bepleit dat er een zeer groot tijdsverloop is en (ii) het een feit van algemene bekendheid is dat onderbouwing door schriftelijke bescheiden een effectievere en objectievere methode is dan onderbouwing met getuigenverklaringen. Ook zou het oordeel van het hof dat geen sprake is van schending van art. 6 EVRM niet zonder meer begrijpelijk zijn, aangezien de verdachte door het in het ongerede raken van de administratie in een aanmerkelijk nadeliger positie is komen te verkeren.
3.9
De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 1 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:1889,
NJ2021/169 m.nt. Jörg, r.o. 2.1.3 en 2.4.1-2.5.2 over de toepassing van artikel 359a Sv onder meer overwogen:
“2.1.3 In het strafproces staat centraal dat de rechter, met inachtneming van de regels van een eerlijk proces, zoveel mogelijk een inhoudelijk oordeel velt over de beschuldiging die jegens de verdachte wordt geuit en zo recht spreekt in de concrete zaak. Zoals ook in de conclusie van de advocaat-generaal onder 189 tot uitdrukking komt, rust op de strafrechter niet de taak en verantwoordelijkheid de rechtmatigheid en de integriteit van het optreden van politie en justitie als geheel te bewaken. De strafrechter is daartoe ook niet in staat.
Toepassing van artikel 359a Sv kan ertoe strekken dat het recht van de verdachte op een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) wordt gewaarborgd. Daarnaast berust de beantwoording van de vraag of een rechtsgevolg aan een vormverzuim moet worden verbonden, en zo ja de wijze waarop dat gebeurt, in de kern op een afweging van belangen. Daarbij gaat het om de met vervolging en berechting van strafbare feiten gemoeide belangen – waaronder de belangen van waarheidsvinding en van de bestraffing van de daders van strafbare feiten – en de belangen die verband houden met de handhaving van grondrechten en de bevordering van een normconform verloop van het voorbereidend onderzoek.
Artikel 359a Sv formuleert een bevoegdheid en niet een plicht om rechtsgevolgen te verbinden aan vormverzuimen bij het voorbereidend onderzoek, en biedt de mogelijkheid te volstaan met de constatering dat een vormverzuim is begaan.
[…]
Niet-ontvankelijkverklaring
2.5.1
De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 30 maart 2004, ECLI:NL:HR:2004:AM2533, rechtsoverweging 3.6.5 de volgende maatstaf geformuleerd met betrekking tot de niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie:
“Niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging komt als in art. 359a Sv voorzien rechtsgevolg slechts in uitzonderlijke gevallen in aanmerking. Daarvoor is alleen plaats ingeval het vormverzuim daarin bestaat dat met de opsporing of vervolging belaste ambtenaren ernstig inbreuk hebben gemaakt op beginselen van een behoorlijke procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan.”
2.5.2
De Hoge Raad verduidelijkt de toepassing van deze maatstaf als volgt. De strekking van deze maatstaf is dat in het geval dat een zodanig ernstige inbreuk op het recht van de verdachte op een eerlijke behandeling van zijn zaak is gemaakt dat geen sprake meer kan zijn van een eerlijk proces in de zin van artikel 6 EVRM, niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging plaatsvindt. Het moet dan gaan om een onherstelbare inbreuk op het recht op een eerlijk proces die niet op een aan de eisen van een behoorlijke en effectieve verdediging beantwoordende wijze is of kan worden gecompenseerd. Daarbij moet die inbreuk het verstrekkende oordeel kunnen dragen dat – in de bewoordingen van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens – “the proceedings as a whole were not fair”. In het zeer uitzonderlijke geval dat op deze grond de niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging in beeld komt, hoeft echter niet – in zoverre stelt de Hoge Raad de eerder gehanteerde maatstaf bij – daarnaast nog te worden vastgesteld dat de betreffende inbreuk op het recht op een eerlijk proces doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte heeft plaatsgevonden. Aanleiding voor niet-ontvankelijkverklaring op deze grond kan bijvoorbeeld bestaan in het geval dat de verdachte door een opsporingsambtenaar dan wel door een persoon voor wiens handelen de politie of het openbaar ministerie verantwoordelijk is, is gebracht tot het begaan van het strafbare feit waarvoor hij wordt vervolgd, terwijl zijn opzet tevoren niet al daarop was gericht (vgl. HR 29 juni 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL0655), of waarin gedragingen van politie en justitie ertoe hebben geleid dat de waarheidsvinding door de rechter onmogelijk is gemaakt (vgl. HR 8 september 1998, ECL:NL:HR:1998:ZD1239).
3.1
De Hoge Raad heeft onder meer in zijn arrest van 24 juni 2025, ECLI:NL:HR:2025:984,
NJ2025/195, r.o. 2.3 over het bewijs dat een voorwerp afkomstig is uit enig misdrijf overwogen: [1]
“Dat een voorwerp “afkomstig is uit enig misdrijf” (als bedoeld in artikel 420bis en volgende van het Wetboek van Strafrecht), kan, als op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen met een bepaald misdrijf, niettemin bewezen worden geacht als het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. Het is aan het openbaar ministerie bewijs aan te dragen van dergelijke feiten en omstandigheden.
Als de door het openbaar ministerie aangedragen feiten en omstandigheden een vermoeden rechtvaardigen dat het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is, mag van de verdachte worden verlangd dat hij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is. De omstandigheid dat deze verklaring van de verdachte mag worden verlangd, houdt niet in dat het aan de verdachte is om aannemelijk te maken dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is. Als de verdachte zo’n verklaring geeft, ligt het op de weg van het openbaar ministerie nader onderzoek te doen naar die verklaring. De rechter zal dan mede op basis van de resultaten van dat onderzoek moeten beoordelen of ondanks de verklaring van de verdachte het witwassen bewezen kan worden op de grond dat (het niet anders kan zijn dan dat) het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. Als zo’n verklaring uitblijft, mag de rechter die omstandigheid betrekken in zijn overwegingen over het bewijs. (Vgl. HR 18 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2352.)”
3.11
Het hof heeft vastgesteld dat “vermoedelijk een deel van de onder haar [verdachte,
PHvK] inbeslaggenomen administratie in het ongerede is geraakt”. Hieruit blijkt dat het hof de aan het verweer ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden aannemelijk heeft geacht.
3.12
Het hof heeft het verweer strekkende tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie wegens het in het ongerede raken van een deel van de administratie verworpen, omdat volgens het hof geen sprake is van een “ongelijk speelveld” en het recht van de verdachte op een eerlijk proces niet is tekortgedaan. Het hof heeft dit oordeel gemotiveerd door er – kort gezegd – op te wijzen dat aan het verweer ten grondslag is gelegd dat de verdachte door het ontbreken van een (groot) deel van de administratie niet in staat is geweest een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring af te leggen over de herkomst van de geldbedragen ten aanzien waarvan een witwasvermoeden is gerezen, maar dat de verdachte wel degelijk verklaringen heeft afgelegd over de herkomst van deze geldbedragen en dat zij bovendien in de gelegenheid is gesteld om deze verklaringen nader te onderbouwen, weliswaar niet door middel van het overleggen van de administratie, maar wel door het (doen) horen van getuigen.
3.13
Hiermee heeft het hof tot uitdrukking gebracht dat door het vermoedelijk in het ongerede geraakt zijn van een deel van de administratie die onder de verdachte in beslag is genomen, niet een zodanig ernstige inbreuk op het recht van de verdachte op een eerlijke behandeling van haar zaak is gemaakt dat – “the proceedings as a whole” genomen – geen sprake meer kan zijn van een eerlijk proces in de zin van artikel 6 EVRM. Dat oordeel is wat mij betreft niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd.
3.14
Ten eerste heeft het hof overwogen dat het bij de beoordeling van de door de verdachte gegeven verklaringen rekening zal houden met de omstandigheid dat vermoedelijk een deel van de administratie in het ongerede is geraakt en dat uit het bestreden arrest blijkt dat het hof dit ook daadwerkelijk heeft gedaan. Zo heeft het hof over de verklaring die de verdachte heeft afgelegd over contante stortingen van in totaal € 245.625,- op verschillende rekeningen – te weten dat dit bedrag afkomstig is uit handel in kleding en siertegels – vastgesteld dat de omvang en de inkomsten van deze handel door het ontbreken van een deel van de administratie niet meer exact kunnen worden gereconstrueerd. Het hof heeft geoordeeld dat de verdachte daarmee een voldoende concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring heeft gegeven waaruit volgt dat de geldbedragen niet van misdrijf afkomstig waren “in aanmerking genomen dat een deel van de administratie in het ongerede is geraakt”.
3.15
Ten tweede is van belang dat de verdachte over de herkomst van het enige geldbedrag waarvoor zij is veroordeeld, namelijk het contante geldbedrag van € 87.000,-, een verklaring heeft afgelegd (zie over hetgeen zij heeft verklaard ook onder ‎4.7) die kon worden getoetst door de verklaringen van getuigen. Het is dus niet zo dat de verdachte door het ontbreken van een deel van de administratie geen concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring kon afleggen. Aan de steller van het middel moet worden toegegeven dat een onderbouwing door middel van schriftelijke bescheiden effectiever en objectiever kan zijn dan getuigenverklaringen, zeker wanneer zoals in deze zaak sprake is van een groot tijdsverloop. Dat neemt echter niet weg dat de verklaring van de verdachte in deze zaak wel in enige mate verifieerbaar was. Aldus doet zich niet het geval voor dat “gedragingen van politie en justitie ertoe hebben geleid dat de waarheidsvinding door de rechter onmogelijk is gemaakt” zoals bedoeld in de onder 3.9 weergegeven rechtspraak van de Hoge Raad.
3.16
Ten derde heeft de verdediging niet gesteld dat en evenmin onderbouwd in welk opzicht een volledige administratie de verklaring van de verdachte over het geldbedrag van € 87.000,- in contanten – bestaande uit 174 biljetten van € 500,- die werden aangetroffen in een Louis Vuitton tasje dat in een badjas zat – zou kunnen onderbouwen. Overigens blijkt noch uit het proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg van 26 mei 2015 noch uit het vonnis van de rechtbank van 9 juni 2015 dat de verdediging bij de rechtbank naar voren heeft gebracht dat de verdachte de administratie nodig had om een onderbouwde verklaring te kunnen geven over de contante geldbedragen in de badjas. Evenmin blijkt daaruit dat in eerste aanleg verweer is gevoerd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard wegens het vermoedelijk in het ongerede raken van de persoonlijke administratie van de verdachte.
3.17
Ten vierde speelt mee dat uit de onder 3.9 geciteerde rechtspraak van de Hoge Raad blijkt dat niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie op deze grond alleen in een zeer uitzonderlijk geval in beeld kan komen. Niet is gebleken dat met het vermoedelijk kwijtraken van een deel van de administratie “the proceedings as a whole were not fair”. Daarbij weeg ik mee dat het hof er met zijn tussenarrest van 7 september 2022 op heeft ingezet om de mogelijk zoekgeraakte administratie alsnog boven water te krijgen (zie onder 3.5) en dat dit ook tot toevoeging van een aantal stukken (waaronder in het archief aangetroffen administratie) aan het dossier heeft geleid (zie onder 3.6).
3.18
Tot slot verdient opmerking dat ik geen rechtspraak van het EHRM over het recht op een eerlijk proces uit art. 6 EVRM heb kunnen vinden waarin het ging om verloren gegaan materiaal dat door de verdediging gegeven verklaringen of gevoerde verweren mogelijk had kunnen onderbouwen. Ook de steller van het middel wijst daar niet op. Wel volgt uit de rechtspraak van het EHRM dat “[g]enerally, Article 6 requires that the prosecution disclose to the defence all material evidence in its possession for or against the accused.” [2] Dit neemt niet weg dat de onbeperkte toegang tot het bewijs onder bijzondere omstandigheden en binnen specifieke voorwaarden kan worden beperkt door de autoriteiten, bijvoorbeeld op grond van overwegingen van nationale veiligheid of de bescherming van anderen. [3] Nu is een dergelijke kwestie niet aan de orde in de onderhavige zaak, aangezien het daarin gaat om mogelijk zoekgeraakt materiaal, maar in elk geval blijkt hieruit dat een beperking voor de verdediging om over relevant materiaal te kunnen beschikken niet zonder meer een schending hoeft mee te brengen van art. 6 EVRM. Directere relevantie heeft de door de Europese Commissie voor de Rechten van de Mens beoordeelde zaak
C.G.P. tegen Nederland. [4] Daarin stelde de verdediging dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging diende te worden verklaard omdat de officier van justitie niet beschikte over een observatierapport waarnaar werd verwezen in een voor het bewijs gebruikt proces-verbaal. In dat proces-verbaal was opgenomen dat de politie informatie had ontvangen van de Criminele Inlichtingen Dienst (verder: CID) over een hasjtransport van de verdachte naar Nederland en verder bevatte het informatie over de observatie van de verdachte door de Belgische en Nederlandse politie. Die informatie was overgenomen uit het genoemde niet meer beschikbare observatierapport. Volgens de verdediging was kennisneming van het rapport nodig om vast te kunnen stellen of sprake was van onrechtmatige opsporing. Bij afwezigheid van het rapport wees de rechter in hoger beroep het verdedigingsverzoek toe om een aantal opsporingsambtenaren te horen onder wie enkelen die bij de observatie waren betrokken. Dit leidde echter niet tot opheldering over de bron die was gebruikt door de CID. Evenmin bleek uit de getuigenverhoren dat sprake was geweest van onrechtmatige opsporing. Gelet hierop en omdat het hof met het toestaan van de getuigenverhoren zijn bereidheid had getoond om rechtsgevolgen te verbinden aan eventuele onrechtmatigheden in de opsporing, verklaarde de Commissie de klacht van de verdachte “manifestly ill-founded”. Nu gaat het anders dan in deze zaak in de onderhavige zaak niet om een onrechtmatigheidsverweer. Niettemin illustreert de beslissing van de Commissie dat in gevallen waarin relevant materiaal niet meer beschikbaar is, het bieden van de gelegenheid om getuigen te horen een dusdanige compensatie kan opleveren dat de procedure (als geheel) toch in voldoende mate in overeenstemming is met art. 6 EVRM.
3.19
Gelet op het voorgaande – zie in het bijzonder 3.11 t/m 3.18 – kon het hof het verweer strekkende tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie verwerpen op de grond dat het recht van de verdachte op een eerlijk proces niet is tekortgedaan. De verwerping van het verweer getuigt dan ook niet van een onjuiste rechtsopvatting en is toereikend gemotiveerd.
3.2
Het middel faalt.

4.Het tweede middel

4.1
Het middel bevat twee deelklachten. De eerste daarvan houdt in dat het oordeel van het hof dat geen sprake is van een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring getuigt van een onjuiste rechtsopvatting en/of niet zonder meer begrijpelijk is. De tweede deelklacht luidt dat het bestanddeel “afkomstig uit enig misdrijf” niet uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid.
4.2
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
“zij op 28 augustus 2012 te [plaats] een groot contant geldbedrag van € 87.000,- voorhanden heeft gehad, terwijl zij wist dat dat geldbedrag onmiddellijk of middellijk afkomstig was uit enig misdrijf.”
4.3
Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen die zijn opgenomen in de aanvulling op het bestreden arrest:
“1. Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal aantreffen geld [a-straat] d.d. 1 november 2012, opgenomen op pagina 64-65 in het dossier van de korps Landelijke politiediensten DLR-team 10, met nummer […] , voor zover inhoudende:
(...) Op 28 augustus 2012 omstreeks 10.15 uur werd de woning [a-straat 1] te [plaats] binnengetreden en doorzocht. (...) Verder blijkt uit GBA dat [verdachte] zich heeft uitgeschreven op de [a-straat] (
het hof begrijpt: [a-straat 1] te [plaats]) met datum 24 oktober 2012 als vertrek uit Nederland. (...) In een van de badjassen zat in de rechterzak een bundel met geld wat later na telling 87.000 euro blijkt te zijn. (...)
2. Een schriftelijk bescheid, te weten een kennisgeving van inbeslagneming d.d. 29 augustus 2012, opgenomen op pagina 78-80 in het dossier van de korps Landelijke politiediensten DLR -team 10, met nummer […] , voor zover inhoudende:
(...)
Beslagene
Voornamen: [verdachte]
Achternaam: [verdachte]
Adres: [a-straat 1]
(...)
Plaats: [plaats]
Omschrijving van de in beslag genomen goederen:
IBN – CODE Omschrijving goederen
(...)
3.01.01 174
biljetten 500 euro + Louis Vuitton tasje Merk: (euro) Type: (500 biljetten)
(...)
3. De verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 24 augustus 2022, voor zover inhoudende:
Ik had geen spaargeld. Het enige geld dat ik had (...) is het geld dat is aangetroffen in de badjas. Dat was die € 87.000,- in biljetten van € 500,-.”
4.4
Het bestreden arrest bevat de volgende bewijsoverwegingen:

Overwegingen met betrekking tot het bewijs
Verdachte wordt kortgezegd verweten dat zij geldbedragen van in totaal € 357.188,- en/of $ 27.000,- heeft witgewassen.
Juridisch kader
Het hof stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van het in de delictsomschrijving van art. 420bis/420quater, eerste lid, onder a en b Sr opgenomen bestanddeel “afkomstig uit enig, misdrijf”, niet is vereist dat uit de bewijsmiddelen moet kunnen worden afgeleid dat het desbetreffende voorwerp - in casu telkens een geldbedrag - afkomstig is uit een nauwkeurig aangeduid misdrijf. Wel is voor een veroordeling ter zake van dit wetsartikel vereist dat vaststaat dat het voorwerp afkomstig is uit enig misdrijf. Dat een voorwerp “afkomstig is uit enig misdrijf”, kan, indien op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen met een bepaald misdrijf, niettemin bewezen worden geacht, indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het in de tenlastelegging genoemde voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is.
Indien door het openbaar ministerie feiten en omstandigheden zijn aangedragen die een vermoeden rechtvaardigen dat het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is, mag van de verdachte worden verlangd dat hij of zij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is. De omstandigheid dat zo een verklaring van de verdachte mag worden verlangd, houdt niet in dat het aan de verdachte is om aannemelijk te maken dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is. Indien de verdachte zo’n verklaring heeft gegeven, ligt het op de weg van het openbaar ministerie nader onderzoek te doen naar die verklaring.
Mede op basis van de resultaten van dat onderzoek zal moeten worden beoordeeld of ondanks de verklaring van de verdachte het witwassen bewezen kan worden op de grond dat het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. Indien een dergelijke verklaring is uitgebleven, mag de rechter die omstandigheid betrekken in zijn bewijsoverwegingen. (Vgl. Hoge Raad 18 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2352)
Vermoeden van witwassen
Uit het dossier kan worden afgeleid dat in de tenlastegelegde periode in totaal voor € 245.625,- aan contanten is gestort op verschillende bankrekeningen van [verdachte] , een gezamenlijke bankrekening van [verdachte] en [medeverdachte] , haar toenmalige partner, en een bankrekening van [D] , het toenmalige bedrijf van verdachte. Ook blijkt dat er door [medeverdachte] aanbetalingen zijn gedaan voor de aankoop van onroerend goed in Jamaica ten bedrage van $ 27.000,- en € 1.953,-, en dat [medeverdachte] een Mercedes Vito ter waarde van € 22.600,- heeft aangekocht met – naast de inruil van een ander voertuig – een contante betaling van € 20.000,-. Verder is op 28 augustus 2012 een contant geldbedrag van € 87.000,-, aangetroffen in de toenmalige woning van verdachte, bestaande uit 174 biljetten van € 500,-.
Op grond van onderzoek naar de legale inkomsten van verdachte en [medeverdachte] kon de aanwezigheid van dit contante geld niet worden verklaard. Bovendien was er tegen zowel verdachte als [medeverdachte] een verdenking van de handel in verdovende middelen gerezen. Het bezit van een grote hoeveelheid € 500,- biljetten is als één van de zogenoemde typologieën van – en daarmee kenmerkend voor – witwassen aan te merken, nu diverse vormen van criminaliteit gepaard gaan met grote hoeveelheden contant geld. Op grond van deze feilen en omstandigheden is sprake van een gerechtvaardigd vermoeden van witwassen.
Van verdachte mocht daarom een verklaring worden verwacht omtrent de herkomst van voornoemde geldbedragen. Zij heeft daarover verklaringen afgelegd in haar verhoor bij de politie op 22 augustus 2017 en ter terechtzittingen van het hof van 19 april 2017, 24 augustus 2022 en 27 juli 2023. Het hof zal haar verklaringen hierna per onderdeel bespreken.
Contante geldbedragen, met een totale waarde van (ongeveer) € 245.625,-
Verdachte heeft over de stortingen van contante geldbedragen op de verschillende rekeningen, zakelijk weergegeven, verklaard dat haar belangrijkste inkomstenbron in de jaren 2010 tot en met 2012 de handel in kleding en in siertegels was en dat zij daarnaast bijbaantjes had gehad. Dat verdachte in siertegels heeft gehandeld, kan uit het dossier worden afgeleid. De omvang van deze handel en de inkomsten die daarmee gegenereerd werden, kunnen mede ten gevolge van het ontbreken van een deel van de administratie niet exact meer worden gereconstrueerd. Van de handel in kleding in India is tijdens het onderzoek klaarblijkelijk geen administratie aangetroffen, maar ook voor het bestaan van die handel is wel enige steun te vinden, namelijk in de verklaringen die getuigen [getuige 2] en [getuige 1] op 5 december 2019 bij de raadsheer-commissaris hebben afgelegd.
Het hof is van oordeel dat de verdachte daarmee – in aanmerking genomen dat een deel van de administratie in het ongerede is geraakt – een voldoende concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring heeft gegeven waaruit volgt dat deze geldbedragen niet van misdrijf afkomstig waren, en dat het Openbaar Ministerie nader onderzoek naar die verklaring had kunnen verrichten. Echter, nu een nader onderzoek naar de verklaring van de verdachte door het Openbaar Ministerie achterwege is gebleven, kan niet worden geoordeeld dat het niet anders kan zijn dan dat ten laste gelegde voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. Dit betekent dat niet is bewezen dat de verdachte dit ten laste gelegde geldbedrag heeft witgewassen, zodat zij in zoverre van het tenlastegelegde moet worden vrijgesproken.
Met betrekking tot meerdere overboekingen met een totale waarde van (ongeveer) USD 27.000,- en/of EUR 1.953,- ten behoeve van de aankoop van onroerend goed op Jamaica
Verdachte heeft over de aankoop van onroerend goed verklaard dat zij geen plannen had om naar Jamaica te gaan en dat zij de genoemde betalingen niet heeft gedaan en dat er ook niets op haar naam stond. [medeverdachte] heeft dit ook niet zelf betaald, maar heeft dit wel geregeld, aldus verdachte. Hoe dat is gegaan, weet zij niet. Over haar eigen rol heeft verdachte verklaard dat zij voor [medeverdachte] heeft gecorrespondeerd met de makelaar, omdat [medeverdachte] slecht Engels sprak.
Naar het oordeel van het hof kan op grond van het dossier niet met voldoende zekerheid worden vastgesteld dat verdachte bij de aankoop van het onroerend goed op Jamaica een verdergaande rol heeft gehad dan die van bemiddelaar. Nu niet vast is komen te staan dat zij wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat de daartoe overgeboekte geldbedragen van misdrijf afkomstig waren, zal het hof verdachte ook van dit onderdeel van de tenlastelegging vrijspreken.
Met betrekking tot een contante aankoop van een (personen)auto (merk Mercedes, type Vito, voorzien van [kenteken] ) met een waarde van € 22.610,-
Verdachte heeft verklaard dat niet zij, maar [medeverdachte] de Mercedes Vito heeft betaald. Verdachte heeft naar eigen zeggen het voertuig om belastingtechnische redenen op naam van haar bedrijf gezet. Zij was niet aanwezig bij de betaling en hoe de betaling is gegaan, weet zij niet.
Het hof overweegt dat het voertuig niet alleen op naam van het bedrijf van verdachte is gezet, maar dat uit het dossier tevens kan worden afgeleid dat het voertuig later door een dochter van verdachte is verpand. De zeggenschap van verdachte over dit voertuig lijkt groter geweest dan verdachte doet voorkomen. Naar het oordeel van het hof kan uit het dossier evenwel niet met voldoende zekerheid worden afgeleid dat verdachte bij de betaling van het voertuig betrokken is geweest, noch dat zij wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat het daarvoor aangewende contante geldbedrag van misdrijf afkomstig was. Het hof zal verdachte daarom ook van dit onderdeel van de tenlastelegging vrijspreken.
Met betrekking tot een contant geldbedrag van € 87.000,-
Het hof stelt vast dat op 28 augustus 2012 een contant geldbedrag van € 87.000,-, bestaande uit 174 biljetten van € 500,-, is aangetroffen in de toenmalige woning van verdachte te [plaats] . Dit geldbedrag is aangetroffen in een Louis Vuitton tasje in een badjas en verdachte heeft verklaard dat dit geld van haar was en dat zij dit geldbedrag in de badjas bewaarde. Het hof stelt op grond daarvan vast dat zij dit geldbedrag voorhanden heeft gehad.
Over de herkomst van dit geldbedrag heeft verdachte ter terechtzitting van 19 april 2017 verklaard dat dit deels afkomstig was uit Luxemburg en deels uitgeleend geld betrof dat zij in contanten kreeg terugbetaald. Op 22 augustus 2017 is verdachte in haar politieverhoor geconfronteerd met e-mailberichten. Verdachte heeft in haar verhoor bevestigd dat zij in 2007 bij een bank in Luxemburg € 60.000,- in contanten in briefjes van € 500,- heeft opgenomen en dat zij in 2006 een bedrag van € 30.000,- aan [getuige 1] had uitgeleend voor de bouw van haar huis in [plaats] , welk bedrag zij in contanten van [getuige 1] kreeg terugbetaald vanaf 2009 of 2010. Het in augustus 2012 in haar woning aangetroffen geldbedrag zou uit de combinatie van deze bronnen afkomstig zijn.
[getuige 1] heeft op 5 december 2019 bij de raadsheer-commissaris bevestigd dat zij een bedrag van € 30.000,- van verdachte heeft geleend voor de bouw van haar huis. Waar verdachte heeft verklaard dat zij dit bedrag in 2006 heeft uitgeleend, heeft [getuige 1] echter verklaard dat zij het geleende bedrag in 2005 en 2006 contant en in delen heeft terugbetaald en dat het contact tussen hen na 2006 is verwaterd, nadat [getuige 1] was verhuisd.
[betrokkene 4] , de dochter van verdachte, is op 7 mei 2013 als verdachte gehoord over het aangetroffen geldbedrag in de badjas die in haar kamer hing en in het Louis Vuitton tasje dat van haar was. Zij heeft toen verklaard dat zij had begrepen dat hel aangetroffen geldbedrag was geleend van iemand in Suriname en dat het bestemd was voor de aankoop van machines. Verdachte heeft in haar verklaring bij de politie zelf verklaard dat zij in augustus 2012 naar Suriname is gereisd en toen bezig was met graafmachines.
Ter terechtzitting van 24 augustus 2022 heeft verdachte opnieuw over het geldbedrag verklaard. Zij verklaarde bij die gelegenheid, zakelijk weergegeven, dat het geld afkomstig was uit de verkoop van haar woning in 1996 en dat zij dit in 2012 net had opgehaald bij de bank. De woning had volgens verdachte 140.000 gulden opgeleverd en was in aandelen en obligaties belegd, waaruit zij winsten behaald had. Verder heeft zij toen verklaard dat zij voor de rest helemaal geen geld had en dat alles waarvoor zij werkte naar openstaande rekeningen ging.
Het hof constateert dat verdachte ter terechtzitting van 19 april 2017 nog weinig concreet heeft verklaard over de herkomst van het aangetroffen contante geldbedrag. Haar latere verklaringen bij de politie in 2017 en ter terechtzitting van het hof in 2022 zijn onderling tegenstrijdig als het gaat om het moment waarop zij de contante opname bij de bank zou hebben gedaan, respectievelijk in 2006 en in 2012. Hoewel [getuige 1] heeft bevestigd dat zij € 30.000,- heeft geleend, weerspreekt haar verklaring die van verdachte ten aanzien van de periode waarin [getuige 1] de lening heeft terugbetaald. De gestelde herkomst van het geldbedrag wordt bovendien geheel weersproken door haar dochter [betrokkene 4] .
Het hof stelt vast dat verdachte wisselend heeft verklaard over het moment waarop ze de contante gelbedragen heeft verkregen en dat haar verklaringen zowel omtrent de herkomst als het moment waarop dat geld is verkregen worden weersproken door respectievelijk [betrokkene 4] en [getuige 1] . Naar het oordeel van het hof heeft verdachte daarom niet een verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring omtrent de herkomst van het geldbedrag afgelegd.
Het aldus door de verdachte geboden tegenwicht tegen de verdenking van witwassen geeft onvoldoende aanleiding tot een nader onderzoek door het Openbaar Ministerie. Er is daarom geen andere conclusie mogelijk dan dat dit geldbedrag onmiddellijk of middellijk uit enig misdrijf afkomstig is en dat verdachte dat ook wist. Het hof komt daarmee tot een bewezenverklaring van dit onderdeel van het onder 3 tenlastegelegde.”
4.5
In het kader van de eerste deelklacht brengt de schriftuur in dat het oordeel van het hof dat de verdachte geen verifieerbare en op voorhand niet hoogst onwaarschijnlijke verklaring omtrent de herkomst van het geldbedrag heeft afgelegd van een onjuiste rechtsopvatting getuigt en onbegrijpelijk is, omdat gelet op de getuigenverklaringen van [betrokkene 4] en [getuige 1] sprake is geweest van enige vorm van verificatie. Voor zover de overwegingen van het hof zo moeten worden begrepen dat het hof heeft bedoeld dat de verklaringen van de verdachte niet aannemelijk zijn geworden, geldt volgens de steller van het middel dat het hof niet heeft gerespondeerd op het op 24 augustus 2022 ingenomen standpunt van de verdediging dat onvoldoende onderzoek is gedaan naar de verklaring van de verdachte. Tot slot zou het niet begrijpelijk zijn dat het hof heeft overwogen dat [getuige 1] de verklaring van de verdachte heeft weersproken. Over de tweede deelklacht houdt de toelichting op het middel in de kern in dat uit de bewijsmiddelen niets blijkt over de herkomst van het geld, zodat de overweging van het hof dat het niet anders kan zijn dan dat het geldbedrag uit enig misdrijf afkomstig is niet zonder meer begrijpelijk is. De deelklachten kunnen gezamenlijk worden besproken.
4.6
Het hof heeft vastgesteld dat op 28 augustus 2012 een contant geldbedrag van € 87.000,- bestaande uit 174 biljetten van € 500,- is aangetroffen in de toenmalige woning van de verdachte in een Louis Vuitton tasje in een badjas. De verdachte heeft verklaard dat dit geldbedrag van haar was. Uit de feiten en omstandigheden dat (i) onderzoek naar de legale inkomsten van de verdachte en [medeverdachte] de aanwezigheid van het contante geld niet kan verklaren, (ii) er tegen de verdachte en [medeverdachte] een verdenking van de handel in verdovende middelen is gerezen en (iii) het bezit van een grote hoeveelheid € 500,- biljetten als een van de typologieën van witwassen is aan te merken, heeft het hof afgeleid dat sprake is van een vermoeden van witwassen. Dit oordeel is in het licht van de feiten en omstandigheden die het hof hieraan ten grondslag heeft gelegd niet onbegrijpelijk.
4.7
Vervolgens heeft het hof vastgesteld dat de verdachte op drie momenten een verklaring heeft afgelegd over de herkomst van de € 87.000,-. Op de terechtzitting in hoger beroep van 19 april 2017 heeft de verdachte verklaard dat dit “deels afkomstig was uit Luxemburg en deels uitgeleend geld betrof dat zij in contanten kreeg uitbetaald”. In haar politieverhoor op 22 augustus 2017 heeft de verdachte bevestigd dat zij in 2007 bij een bank in Luxemburg € 60.000,- in contanten in briefjes van € 500,- heeft opgenomen en dat zij in 2006 een bedrag van € 30.000,- aan [getuige 1] had uitgeleend voor de bouw van haar huis in [plaats] , welk bedrag zij in contanten van [getuige 1] kreeg terugbetaald vanaf 2009 of 2010 en dat het in augustus 2012 in haar woning aangetroffen geldbedrag uit de combinatie van deze bronnen afkomstig zou zijn. Op de terechtzitting in hoger beroep van 24 augustus 2022 heeft de verdachte verklaard dat het geldbedrag afkomstig was uit de verkoop van haar woning in 1996 en dat zij dit in 2012 net had opgehaald bij de bank. De woning had € 140.000 opgeleverd en was in aandelen en obligaties belegd, waaruit zij winsten had behaald.
4.8
Het hof heeft daarna vastgesteld dat de verdachte wisselend heeft verklaard over het moment waarop ze de contante geldbedragen heeft verkregen. Die vaststelling is wat mij betreft niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. Het hof heeft namelijk overwogen dat de verdachte op 22 augustus 2017 heeft verklaard dat zij het geldbedrag in 2006 [kennelijk is bedoeld 2007, [5] PHvK] heeft opgenomen, terwijl zij op 24 augustus 2022 heeft gezegd dat zij dit geldbedrag in 2012 bij de bank had opgehaald. Ondanks het grote tijdsverloop in deze zaak kon het hof hieraan mijns inziens de conclusie verbinden dat de verklaring van de verdachte over de herkomst van het geld niet aannemelijk is, erop gelet dat een verschil van 5 jaar niet verwaarloosbaar is. Ook betreft het niet een herinnering aan een futiliteit, maar gaat het om het in het buitenland opnemen van een zeer groot geldbedrag. Aangenomen kan worden dat de herinnering aan een dergelijke gebeurtenis scherper is dan een herinnering aan iets alledaags.
4.9
Voorts heeft het hof vastgesteld dat de verklaring van de verdachte wordt weersproken door verklaringen die de [getuige 1] en de dochter van de verdachte, [betrokkene 4] , hebben afgelegd. Deze vaststelling acht ik evenmin onbegrijpelijk. [betrokkene 4] heeft over een volledig andere herkomst van het geldbedrag verklaard dan de verdachte. [getuige 1] heeft weliswaar bevestigd dat zij geld had geleend van de verdachte, maar zij verklaart dat zij dit geldbedrag al in 2005 en 2006 heeft terugbetaald, terwijl de lening volgens de verdachte pas in 2006 werd afgesloten. Er kan uiteraard geen sprake zijn van terugbetalingen in 2005 wanneer de lening pas in 2006 werd afgesloten. Anders dan de steller van het middel betoogt, is de overweging dat de [getuige 1] de verklaring heeft weersproken dus niet onbegrijpelijk. Ook hier is het wat mij betreft relevant dat de feiten waarover [betrokkene 4] en [getuige 1] hebben verklaard geen onbenulligheid betreffen. Deze hebben immers betrekking op de aanwezigheid van een zeer groot geldbedrag in grote coupures op een bijzondere plek respectievelijk het aangaan en terugbetalen van een grote lening die is bedoeld voor de bouw van een huis, hetgeen als een “life event” kan worden aangemerkt. Het tijdsverloop maakt dus niet dat het hof aan deze verklaringen moest voorbijgaan.
4.1
Het hof heeft vervolgens aan de omstandigheid dat de verdachte wisselend heeft verklaard en dat haar verklaring wordt weersproken door [getuige 1] en [betrokkene 4] de conclusie verbonden dat de verdachte niet een verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring omtrent de herkomst van het geldbedrag heeft afgelegd. Men kan er meen ik verschillend tegenaan kijken of het hof zich hiermee gelukkig heeft uitgedrukt. Enerzijds valt te betogen dat wel een zodanige verklaring is afgelegd en dat deze vervolgens door het hof is geverifieerd met onder meer de verklaringen van [getuige 1] en [betrokkene 4] . De overweging van het hof dat er “onvoldoende aanleiding [is] tot een nader onderzoek” en niet dat nader onderzoek onmogelijk is, kan zo worden uitgelegd dat het hof kennelijk heeft geoordeeld dat de verklaringen van de verdachte weliswaar concreet, verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk zijn, maar uiteindelijk niet aannemelijk zijn geworden. Anderzijds kan een en ander ook zo worden begrepen dat het hof kennelijk van oordeel was dat gelet op de al bekende omstandigheden en de al voorhanden zijnde verklaringen van de verdachte en van voornoemde getuigen, de verklaring van de verdachte omtrent de herkomst van het geldbedrag wel op voorhand hoogst onwaarschijnlijk was zodat aan verificatie in de zin van nader onderzoek niet hoefde te worden toegekomen. De tweede benadering vind ik overtuigender. Daarvoor telt dat de vaststelling dat geen sprake is van een niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring altijd mede in de context van al bekende omstandigheden zal worden gedaan en verder dat zich nu juist niet de situatie voordoet dat het op de weg van het openbaar ministerie ligt nader onderzoek te doen naar die verklaring. [6] Wat daar echter ook van zij, gezien de onder 4.8 en 4.9 besproken omstandigheden die het hof hieraan ten grondslag heeft gelegd getuigt dat oordeel niet van een onjuiste rechtsopvatting en is het evenmin onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd.
4.11
Daarbij merk ik nog op dat het niet bevreemdt dat het hof nader onderzoek niet nodig heeft gevonden. Volgens de verdediging zou nader onderzoek gedaan kunnen worden “naar de door [getuige 1] genoemde vrouwelijke accountmanager [betrokkene 3] ” en “naar de herkomst van de coupures die zijn aangetroffen”, terwijl het op basis van de verklaring van onder andere [betrokkene 4] reeds duidelijk is dat de verklaring van de verdachte niet aannemelijk is. Het hof hoefde dit niet te motiveren, omdat ten aanzien hiervan geen uitdrukkelijk onderbouwd standpunt is ingenomen.
4.12
Gelet op het voorgaande en de onder 3.9 weergegeven rechtspraak van de Hoge Raad in aanmerking genomen, kon het hof op basis hiervan oordelen dat het niet anders kan zijn dan dat het geldbedrag uit enig misdrijf afkomstig is en is de bewezenverklaring toereikend gemotiveerd.
4.13
Het middel faalt.

5.Afronding

5.1
De middelen falen en kunnen worden afgedaan met toepassing van art. 81 lid 1 RO.
5.2
Ambtshalve merk ik op dat namens de verdachte op 24 augustus 2023 beroep in cassatie is ingesteld. De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken sinds het instellen van het cassatieberoep. Dat betekent dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM is overschreden. In het licht van de opgelegde geheel voorwaardelijke gevangenisstraf kan de Hoge Raad volstaan met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden. [7]
5.3
Voor het overige heb ik ambtshalve geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
5.4
Deze conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Zie o.a. ook HR 10 september 2024, ECLI:NL:HR:2024:1153, r.o. 3.3, HR 30 mei 2023, ECLI:NL:HR:2023:772, r.o. 2.3.2-2.3.3 en HR 18 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2352,
2.D.J. Harris, M. Boyle, E.P. Bates e.a.,
3.Zie EHRM (GK) 16 februari 2000, nr. 28901/95 (Rowe and Davis/The United Kingdom), r.o. 61: “However, as the applicants recognised (see paragraph 54 above), the entitlement to disclosure of relevant evidence is not an absolute right. In any criminal proceedings there may be competing interests, such as national security or the need to protect witnesses at risk of reprisals or keep secret police methods of investigation of crime, which must be weighed against the rights of the accused (see, for example, the Doorson v. the Netherlands judgment of 26 March 1996,
4.ECRM 15 januari 1997, nr. 29835/96 (C.G.P./The Netherlands), waarnaar het Hof nog verwijst in onder meer EHRM 6 oktober 2020, nr. 76695/11 (Udaltsov/Russia), par. 170 en EHRM 25 juli 2019, nr. 1586/15 (Rook/Germany), par. 57.
5.Een blik over de papieren muur wijst uit dat uit het proces-verbaal van verhoor verdachte van 22 augustus 2017 blijkt dat de verdachte heeft verklaard dat zij het geldbedrag in Luxemburg heeft opgenomen in 2007.
6.Vgl. o.a. HR 24 juni 2025, ECLI:NL:HR:2025:984,
7.Vgl. o.a. HR 23 maart 2024, ECLI:NL:HR:2024:492, r.o. 3.3.1.