Conclusie
Nummer 23/00796
Met betrekking tot feit 3
Parket bij de Hoge Raad
De zaak betreft een verdachte die op 25 januari 2022 in Nederland verbleef terwijl tegen hem een inreisverbod was uitgevaardigd op grond van artikel 66a, zevende lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Het hof heeft bewezen verklaard dat de verdachte wist van dit inreisverbod en zich desalniettemin in Nederland bevond, en hem daarvoor veroordeeld op grond van artikel 197 van Pro het Wetboek van Strafrecht.
De verdediging voerde aan dat het inreisverbod niet gebaseerd was op een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving, en dat de verdachte daarom vrijgesproken diende te worden. Dit standpunt werd door het hof niet overgenomen, mede gelet op eerdere veroordelingen van de verdachte voor vermogensdelicten en het feit dat het inreisverbod onherroepelijk was opgelegd.
De Hoge Raad bevestigt dat het hof niet verplicht was om op het aangevoerde standpunt in te gaan omdat dit niet voldoende onderbouwd was met argumenten. Tevens overweegt de Hoge Raad dat het inreisverbod rechtmatig is en dat de verdachte een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging vormt. Het cassatieberoep wordt verworpen en de veroordeling blijft in stand.
Uitkomst: Cassatieberoep verworpen; veroordeling wegens verblijf ondanks inreisverbod blijft in stand.