Conclusie
[eiser])
Egelinck).
1.Feiten
tussenarrest). [1]
hoofdzaak) bij vonnis van 28 oktober 2015 de zoon van [eiser] , genaamd [de zoon] (hierna: de
zoon), veroordeeld om aan Egelinck een bedrag van ruim € 160.000, met rente en kosten, te betalen. Dit vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard. [2]
panden) verkocht aan [eiser] De panden zijn (vrij van beslagen en hypotheken) in eigendom overgedragen door de zoon aan [eiser] op 6 februari 2018 en 17 mei 2018.
2.Procesverloop
In eerste aanleg
rechtbank).
vonnis) [6] heeft de rechtbank mede geoordeeld dat de schuld van [eiser] van € 686.109 aan zijn zoon is verminderd met € 368.401,47 (dus tot € 317.707,53), gelet op een aantal van de door [eiser] aangevoerde posten waarmee die schuld ten tijde van de beslaglegging al teniet zou zijn gegaan. Onderdeel daarvan is een bedrag van € 58.637,10 in verband met het overnemen van een schuld van zijn zoon aan [betrokkene 1] (hierna:
[betrokkene 1]). Deze schuldovername bedroeg volgens [eiser] € 115.100, maar accepteerde de rechtbank dus slechts tot dat bedrag van € 58.637,10 (zie rov. 4.23-4.24). De rechtbank heeft in rov. 5.1-5.4 (dictum), samengevat:
hof).
3.Bespreking van het cassatiemiddel
de twee resterende, voorlaatstepassages in het onderdeel ontwaar ik enkel (kennelijk voortbouwende) opmerkingen die al afstuiten op het voorgaande en bovendien zonder een te onderscheiden klacht, laat staan een die voldoet aan de eisen van art. 407 lid Pro 2, aanhef en onder d Rv. [42] Dit behoeft geen verdere behandeling.
slotopmerkingin het onderdeel, die weer aansluit bij de onder 3.2 hiervoor weergegeven hoofdklacht, dat “[g]ezien het voorgaande” het hof de devolutieve werking van het hoger beroep heeft miskend en (daarom) buiten de rechtsstrijd van het hoger beroep is getreden. [43] Hetzelfde geldt dan voor die hoofdklacht, waarmee ik terug ben bij het begin.