ECLI:NL:PHR:2025:1295
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Cassatieberoep tegen veroordeling voor mishandeling met emmer
In deze zaak gaat het om een cassatieberoep van de verdachte, die door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 30 januari 2025 is veroordeeld voor mishandeling. De verdachte heeft een geldboete van € 250 opgelegd gekregen, subsidiair 5 dagen hechtenis. Het cassatieberoep is ingesteld door de advocaat van de verdachte, W.H. Jebbink, die één middel van cassatie heeft voorgesteld. Dit middel bevat vijf deelklachten over de bewijsvoering van het hof. De bewezenverklaring houdt in dat de verdachte op 9 juni 2021 in [plaats] het slachtoffer met een emmer tegen het gezicht heeft geslagen. De advocaat van de verdachte heeft betoogd dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is voor de veroordeling, en dat de verklaringen van getuigen en de aangeefster onbetrouwbaar zijn. Het hof heeft echter geoordeeld dat de verklaringen van de aangeefster en de aanwezige letsels voldoende bewijs vormen voor de veroordeling. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad, T.N.B.M. Spronken, heeft in zijn conclusie aangegeven dat de tweede deelklacht van het cassatiemiddel terecht is voorgesteld, omdat de bewijsvoering van het hof niet voldoet aan het bewijsminimum van artikel 342 lid 2 Sv. De conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en terugwijzing naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden voor herbehandeling van de zaak.