Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Beslissing
10 februari 2026.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Hoge Raad
De zaak betreft een mishandeling op 9 juni 2021 waarbij de verdachte haar buurvrouw met een emmer tegen het gezicht zou hebben geslagen. Het hof Arnhem-Leeuwarden had de verdachte veroordeeld op basis van de verklaring van de aangeefster, het vastgestelde letsel en verklaringen van de verdachte zelf.
De Hoge Raad toetste het bewijsminimum van artikel 342 lid 2 Sv Pro, dat vereist dat de verklaring van één getuige voldoende steun moet vinden in ander bewijsmateriaal. Het hof oordeelde dat dit het geval was, maar de Hoge Raad stelde vast dat het letsel alleen uit de verklaring van de aangeefster volgde en dat de overige bewijsmiddelen slechts bevestigden dat de verdachte haar emmer terug wilde.
Daarom is het oordeel van het hof niet zonder meer begrijpelijk en is het cassatiemiddel gegrond verklaard. De Hoge Raad vernietigt het arrest en wijst de zaak terug naar het hof Arnhem-Leeuwarden voor een nieuwe beoordeling en afdoening.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde berechting wegens onvoldoende bewijssteun.