Conclusie
1.Het cassatieberoep
2.Het eerste middel
3.Het tweede middel
Vordering van de [benadeelde]
Uitbreiding kring der gerechtigden met broers en zussen
Parket bij de Hoge Raad
De verdachte werd door het hof veroordeeld tot dertien jaar gevangenisstraf wegens doodslag en medeplegen van het wegvoeren en verbergen van het lijk van het slachtoffer. De doodslag betrof het afvuren van een vuurwapen in de mond van het slachtoffer, waarbij het hof het opzet op de dood aannam. De verdachte voerde in hoger beroep aan dat het schot per ongeluk was gelost doordat het slachtoffer zijn mond om de loop van het wapen had gedaan, maar het hof achtte deze verklaring ongeloofwaardig vanwege het ontbreken van een aannemelijke verklaring voor het overhalen van de trekker en de agressieve intenties van de verdachte.
Daarnaast vorderde de zus van het slachtoffer affectieschade van €17.500,-. Hoewel broers en zussen niet tot de vaste kring van gerechtigden voor affectieschade behoren, oordeelde het hof dat de zus een uitzonderlijk hechte affectieve relatie met het slachtoffer had, waardoor zij op grond van de hardheidsclausule in art. 6:108 lid 4 sub g BW Pro recht had op vergoeding. De verdediging betwistte deze vordering, maar het hof wees die bezwaren af.
De Hoge Raad verwierp de cassatiemiddelen van de verdachte, bevestigde het oordeel over het opzet op de dood en de toekenning van affectieschade aan de zus. Wel werd strafvermindering voorgesteld wegens overschrijding van de redelijke termijn. Het arrest bevestigt de strikte toetsing van opzet bij doodslag en de restrictieve toepassing van de hardheidsclausule voor affectieschade aan broers en zussen.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de veroordeling wegens doodslag en wijst affectieschade toe aan de zus van het slachtoffer op grond van de hardheidsclausule, met strafvermindering wegens termijnoverschrijding.