ECLI:NL:HR:2026:33

Hoge Raad

Datum uitspraak
13 januari 2026
Publicatiedatum
9 januari 2026
Zaaknummer
24/01112
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Doodslag en affectieschade: beoordeling van de naaste in het strafrecht

In deze zaak heeft de Hoge Raad op 13 januari 2026 uitspraak gedaan in een cassatieprocedure tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam. De zaak betreft de doodslag door de verdachte op zijn broer, waarbij de verdachte het slachtoffer met een vuurwapen door het hoofd schoot. Daarnaast is de verdachte beschuldigd van het wegvoeren en verbergen van het lijk van het slachtoffer. De benadeelde partij, de zus van het slachtoffer, heeft een vordering ingediend voor vergoeding van affectieschade. De centrale vraag was of zij als 'naaste' kan worden aangemerkt in de zin van artikel 6:108 lid 4, aanhef en onder g, van het Burgerlijk Wetboek (BW). De Hoge Raad herhaalt relevante overwegingen uit eerdere jurisprudentie en oordeelt dat de specifieke omstandigheden van de benadeelde partij zo uitzonderlijk zijn dat een beroep op de hardheidsclausule gerechtvaardigd is. De Hoge Raad vernietigt de uitspraak van het hof enkel wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, die wordt verminderd van dertien jaren naar twaalf jaren en zeven maanden. De overige onderdelen van het beroep worden verworpen.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer24/01112
Datum13 januari 2026
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 21 maart 2024, nummer 23-003018-22, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1993,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat J. Kuijper bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal T.N.B.M. Spronken heeft geconcludeerd tot vernietiging van de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan naar de gebruikelijke maatstaf, en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel

3.1
Het cassatiemiddel klaagt over de toewijzing door het hof van de vordering tot vergoeding van affectieschade van de [benadeelde] en de in verband daarmee opgelegde schadevergoedingsmaatregel. Het klaagt in het bijzonder over het oordeel van het hof dat de benadeelde partij kan worden aangemerkt als ‘naaste’ in de zin van artikel 6:108 lid 4, aanhef en onder g, van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW).
3.2.1
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
“1. primair
hij op 12 maart 2021 te [plaats] opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd door die [slachtoffer] met een vuurwapen door het hoofd te schieten;
2.
hij op 12 maart 2021 in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, het lijk van [slachtoffer] heeft weggevoerd en verborgen, met het oogmerk om het feit en de oorzaak van het overlijden te verhelen.”
3.2.2
Bij de stukken bevindt zich een ‘Verzoek tot Schadevergoeding’ van de benadeelde partij. De bijlage bij dat verzoek houdt onder meer in:
“Op grond van het ‘Besluit vergoeding affectieschade’ (productie 1) kan voor het nadeel van naasten dat niet in vermogensschade bestaat affectieschade worden gevorderd.
Het uitgangspunt in de wet is dat broers en zussen geen aanspraak kunnen maken op vergoeding van affectieschade. Alleen in heel bijzondere gevallen, waarin sprake is van een hechte affectieve relatie, die (zeer) uitgaat boven de ‘gewone’ hechte relatie die broers en zussen kunnen hebben, indien zij in het verleden zeer nauw in het leven van het slachtoffer betrokken zijn geweest, is ruimte voor vergoeding van affectieschade aan een broer of zus op grond van artikel 6:108 lid 4 onder g BW. Dit volgt onder andere uit een uitspraak van Rechtbank Rotterdam op 12 december 2019 en een uitspraak van rechtbank Den Haag op 27 januari 2020.
(...)
Als broer en zus hadden [slachtoffer] en cliënte een hechte affectieve relatie, zij waren tot zijn overlijden zeer nauw betrokken in het leven van elkaar. Vijf jaar voordat [slachtoffer] om het leven is gekomen, zijn de ouders van cliënte en [slachtoffer] naar Suriname verhuisd. Cliënte en [slachtoffer] woonden sindsdien samen bij hun oma in huis.
Er kan worden gesteld dat cliënte en [slachtoffer] een bijzondere broer en zus relatie hadden, zij scheelden qua leeftijd nog geen jaar, woonden samen, waren elkaars beste vrienden en spraken elkaar de hele dag door. Zij deden alle dagelijkse dingen samen, gingen samen op stap en [slachtoffer] kwam cliënte altijd van haar werk ophalen. Ook verdachte [medeverdachte] bevestigt dit in een van zijn verklaringen op pagina 2040 van het procesdossier, deze verklaring zal worden overgelegd als productie 2. [medeverdachte] zegt in deze verklaring dat [slachtoffer] en zijn zusje vier handen op een buik waren en dat zij altijd met elkaar waren.
Cliënte heeft met behulp van haar tante de begrafenis van [slachtoffer] geregeld. Ze heeft zijn kist en steen uitgekozen en ook heeft zij uitgekozen wat hij droeg in de kist.
Cliënte was tot de dood van [slachtoffer] assistent-manager bij de [A] . Sinds de dood van [slachtoffer] zit zij thuis in de ziektewet, omdat zij niet meer kan werken door het verdriet dat zij heeft. Cliënte is angstig op straat en heeft last van paniekaanvallen, zij staat momenteel op de wachtlijst bij een psycholoog.
Bovenstaande wijst op een zodanige nauwe relatie dat uit de eisen van redelijkheid voortvloeit dat cliënte, de zus van het slachtoffer, voor toekenning van een schadevergoeding als naaste in de zin van artikel 6:108 lid 3 BW moet worden aangemerkt (artikel 6:108 lid 4 onder g BW). Derhalve vordert cliënte een bedrag van € 17.500,00 aan affectieschade.
Cliënt vordert vergoeding van dit bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 12 maart 2021 tot de dag der algehele betaling en verzoekt uw rechtbank om aan de verdachte de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.”
3.2.3
Volgens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 4, 5 en 7 maart 2024 heeft de advocaat van de benadeelde partij daar het woord gevoerd overeenkomstig de bij de stukken gevoegde pleitnota. Deze pleitnota houdt onder meer in:
“In eerste aanleg is door ons reeds uitgebreid uiteengezet om welke reden er sprake is van een band tussen broer en zus die rechtvaardigt dat er op grond van de hardheidsclausule affectieschade zou moeten worden toegekend.
Ter nadere onderbouwing verklaart de oma van [slachtoffer] en [benadeelde] als volgt. (Bijgevoegd als bijlage, maar ook voorgedragen op zitting).
Ook uit het spreekrecht van cliënte wordt duidelijk hoe hecht hun band is geweest. Zij moet op zeer jonge leeftijd al haar allerbeste vriend missen.
In de rechtspraak zijn diverse gelijksoortige situaties terug te vinden waarin affectieschade werd toegekend aan broers en zussen die op de manier met elkaar omgingen als [slachtoffer] en [benadeelde] :
ECLI:NL:RBDHA:2020:450 (27 januari 2020)
Deze zaak werd ook in eerste aanleg benoemd en is ten onrechte ter zijde geschoven, omdat deze opvallend veel gelijkenissen met deze situatie vertoont.
De rechtbank overweegt onder 8.4:
“De benadeelde partij is zijn oudere broer verloren, met wie hij weinig in leeftijd verschilde en tot zijn dood onafscheidelijk in gezinsverband heeft samengewoond. Naar het oordeel van de rechtbank komt daarmee vast te staan dat de benadeelde partij rechtstreeks immateriele schade heeft geleden in de vorm van affectieschade. De gevorderde schadevergoeding is conform het Besluit. De vordering zal worden toegewezen.”
ECLI:RBAMS:2024:511
Ook de rechtbank Amsterdam wees op 2 februari 2024 een vordering tot affectieschade toe aan de zus van het slachtoffer.
Slachtofferhulp Nederland spreekt zich onder meer in een brief aan de Tweede Kamer openlijk en herhaaldelijk kritisch uit over de wisselende uitspraken over deze affectieschade voor broers en zussen. Zij noemen het psychisch enorm belastend dat broers en zussen hun affectieve band met het slachtoffer moeten aantonen. Dit leidt tot ernstige revictimisatie. Bovendien is er evident sprake van rechtsongelijkheid.
De revictimisatie zien wij bij cliënte ook. Extra schrijnend is dat zij, zoals haar oma schrijft, feitelijk de woning van hun oma zouden overnemen. Alleen was dat voor haar niet mogelijk, waardoor zij momenteel al enige dakloos is. Urgentie wordt ook niet verleend door de gemeente. Een gebrek aan erkenning van leed van een zeer jonge vrouw die mede slachtoffer is van bijzonder ernstige strafbare feiten. Inmiddels heeft dat er ook toe geleid dat zij niet meer in staat was om te werken.
Het WODC is in opdracht van de demissionair minister voor Rechtsbescherming versneld gestart met de evaluatie van de kring van gerechtigden in de wet affectieschade. De reden daarvan is dat er veel kritiek is op de huidige situatie. Gezien de mogelijkheden binnen de hardheidsclausule en de ontwikkeling in voornoemde rechtspraak hoeft uw Hof daar niet op te wachten.
Wij verzoeken uw Hof dan ook om de verzochte affectieschade alsnog ook aan [benadeelde] toe te kennen.”
3.2.4
De bij de pleitnota gevoegde brief van [betrokkene 1] houdt in:
“Ik ben de oma van [slachtoffer] , [benadeelde] en [betrokkene 2] .
Ik heb de kinderen van dichtbij zien opgroeien. Ze scheelden ook maar 11 maanden en 4 dagen. Hierdoor werden hun verjaardagen altijd samen gevierd en deden dat later ook nog toen zij ouder waren en het zelf gingen vieren.
De kinderen hadden het niet makkelijk in hun jeugd bij hun ouders in huis.
Hun moeder heeft MS en is daardoor beperkt. Er speelden ook andere ingewikkelde dingen, nog voordat hun ouders in 2017 naar Suriname vertrokken.
[slachtoffer] had ADHD en de steun die hij miste bij zijn ouders vond hij bij [benadeelde] . Zij nam eigenlijk een deel van de taken op zich die bij hun ouders hoorden, maar zij waren er niet. Dit bleek ook na het overlijden van [slachtoffer] , toen [benadeelde] vrijwel alles heeft geregeld maar ook tijdens deze strafzaak. De familie probeert haar te steunen, maar bij alle zittingen en gesprekken is zij aanwezig en actief. Voor haar broer.
Andersom liet [slachtoffer] aan [benadeelde] de mooie dingen van het leven zien wanneer zij verdrietig was. Hij beschermde haar. Samen gingen zij sporten, hardlopen en hij sleepte haar mee naar elk feestje.
Sinds 2017 woonden ze samen bij mij in huis. Ik was aan het plannen om naar een seniorenwoning te gaan en [slachtoffer] en [benadeelde] zouden samen in mijn huurhuis blijven. Zo konden ze voor elkaar blijven zorgen zoals zij gewend waren.”
3.2.5
Volgens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 4, 5 en 7 maart 2024 heeft de raadsman van de verdachte daar het woord gevoerd overeenkomstig de bij de stukken gevoegde pleitnota. Deze pleitnota houdt onder meer in:
“Vordering zus:
Op deze vordering ga ik wel verweer voeren. Ik wend mij niet alleen tot de Rb, maar ook tot [benadeelde] , want ik wil graag aan u uitleggen waarom ik wel verweer voer op uw vordering.
Ik begrijp uw leed en daar wil ik niets aan af doen, maar de wetgever heeft een keuze gemaakt: partner, ouders en kinderen kunnen aanspraak maken op vergoeding van affectieschade. Zoals uw raadsvrouw zelf terecht heeft opgemerkt broers en zussen niet.
Alleen in hele bijzondere situaties kan op die hoofdregel een uitzondering worden gemaakt, maar die lat ligt hoog. Voor de goede orde merk ik op dat een partner of ouder niets hoeft aan te tonen, broers en zussen wel. Dit is nou eenmaal de keuze van de wetgever.
De aangehaalde zaak is niet vergelijkbaar (zaak Rb Den Haag). Twee broers waren jaren lang huisgenoten (niet in gezinsverband bij ouders, maar met zijn tweeën) en deden alles samen. Deze broer heeft ook vanaf een korte afstand gezien hoe zijn broer is neergestoken, heeft geprobeerd om het bloeden te stoppen en kort daarna is zijn broer overleden (shockschade toegekend). De broer was in behandeling voor psychische klachten en die diagnose is met stukken onderbouwd.
[benadeelde] en [slachtoffer] woonden niet met zijn tweeën maar in gezinsverband met oma (de normale broer en zus situatie). De oma heeft ook een vordering ingediend. Verder is de bijzondere situatie onvoldoende onderbouwd en zijn de psychische klachten niet met stukken onderbouwd.
In de aangehaalde Amsterdamse zaak (2024:511) overweegt de rechtbank dat er sprake is van een bijzonder geval wegens de overgelegde stukken. Bovendien is de vordering door de verdediging niet betwist en daardoor is de civiele vordering voor toewijzing vatbaar. Deze zaak is zodoende niet 1 op 1 toepasbaar op die van cl. Voor de Rotterdamse zaak (2022:4222) geldt hetzelfde.
Gezien het voorgaande verzoek ik u om de vordering af te wijzen.
De rb heeft dit ook gedaan omdat het uitgangspunt is dat zoveel mogelijk moet worden aangesloten bij de bedoeling van de wetgever. Broers en zussen kunnen slechts in uitzonderlijke gevallen aanspraak maken op affectieschade. Van een nauwe en persoonlijke betrekking kan sprake zijn als zij langdurig samenwonen en voor elkaar zorgden (dus anders dan in een normaal gezinsverband). Bij elkaar wonen en een hechte band hebben is daarvoor onvoldoende. Volgende de rb is onvoldoende gebleken dat de situatie sterk afweek van wat in het algemeen gebruikelijk is. Daarom is deze vordering niet-ontvankelijk verklaard.
De aanvullende stukken (verklaringen van familieleden) maken dit niet anders. Hierin komen geen wezenlijk nieuwe of andere standpunten naar voren.
Bovendien maken het standpunt van Slachtofferhulp Nederland en een evaluatie van het WODC niet dat de huidige wetgeving niet meer geldig is.”
3.2.6
Het hof heeft de vordering van de benadeelde partij tot vergoeding van affectieschade toegewezen en daartoe overwogen:
“Vordering van de [benadeelde]
De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 17.500,00 aan immateriële schade (affectieschade). De benadeelde partij is bij het vonnis waarvan beroep niet-ontvankelijk verklaard in de vordering. Zij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.
De advocaat-generaal heeft het standpunt ingenomen dat de vordering van de benadeelde partij dient te worden toegewezen, nu haar – gelet op de onderbouwing van de vordering – een beroep op de zogenaamde hardheidsclausule als bedoeld in artikel 6:108 lid 4 sub g BW toekomt.
De raadsman heeft primair verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren, zoals hiervoor vermeld. Subsidiair heeft de raadsman verzocht de vordering van de benadeelde partij af te wijzen op vergelijkbare gronden als gehanteerd door de rechtbank. De in hoger beroep ingebrachte stukken werpen hierop geen ander licht, aldus de raadsman.
Het hof overweegt als volgt.
In lid 4 van artikel 6:108 BW wordt een beperkte (limitatief opgesomde) kring van personen genoemd die voor vergoeding van affectieschade in aanmerking kunnen komen. Broers en zussen maken geen deel uit van deze limitatieve opsomming en komen dus volgens de wet niet voor affectieschade in aanmerking, tenzij zij ten tijde van de gebeurtenis in een zodanige nauwe persoonlijke relatie tot de overledene staan, dat uit de eisen van redelijkheid en billijkheid voortvloeit dat zij voor de toepassing van artikel 6:108 lid 3 BW als naasten worden aangemerkt (artikel 6:108 lid 4 onder g BW, de zogeheten hardheidsclausule). De benadeelde partij beroept zich op deze uitzonderingsbepaling. Voor het bewijs van het bestaan van zo’n nauwe persoonlijke betrekking moet een hechte affectieve relatie worden aangetoond, waarbij niet de formele, maar de feitelijke relatie beslissend is. Alle omstandigheden van het geval zijn van belang, waaronder de intensiteit, de aard en de duur van de relatie.
De advocaat van de benadeelde partij heeft gesteld en onderbouwd dat sprake was van een bijzondere en hechte affectieve relatie, die uitgaat boven de ‘gewone’ hechte relatie die broers en zussen kunnen hebben. De benadeelde partij en haar broer, die nog geen jaar in leeftijd verschilden, hebben geen makkelijke jeugd gehad. In 2017 zijn hun ouders naar Suriname verhuisd. Samen kwamen zij hierdoor bij hun oma te wonen. Vanaf die periode heeft de benadeelde partij een deel van de taken die bij hun ouders hoorden overgenomen. Zo vond haar broer, die ADHD had, de steun die hij van zijn ouders miste bij de benadeelde partij. Zij woonden tot aan het overlijden van het slachtoffer onafscheidelijk in gezinsverband samen. Zij waren van plan om na het verhuizen van oma samen te blijven, maar zover is het niet gekomen. Ook na het overlijden van haar broer heeft de benadeelde partij een rol vervuld die past bij de bijzondere en hechte affectieve relatie die zij hadden. Zij is degene van de naasten die vrijwel alles heeft geregeld, rondom het overlijden en rondom de strafzaak.
Het hof is, gelet op het voorgaande en in aanmerking genomen dat de raadsman het door de advocaat van de benadeelde partij getypeerde karakter van deze relatie slechts in zeer beperkte mate heeft betwist, van oordeel dat de specifieke omstandigheden van de benadeelde partij dusdanig uitzonderlijk zijn dat deze een beroep op de hardheidsclausule in de zin van artikel 6:108 lid 4 onder g BW, zoals de wetgever deze heeft bedoeld, rechtvaardigen.
Het hof zal de vordering dan ook toewijzen, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 12 maart 2021 tot aan de dag van de algehele vergoeding. Het hof zal de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed.”
3.3.1
Sinds de inwerkingtreding op 1 januari 2019 van de Wet van 11 april 2018 tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek, het Wetboek van Strafvordering en het Wetboek van Strafrecht teneinde de vergoeding van affectieschade mogelijk te maken en het verhaal daarvan alsmede het verhaal van verplaatste schade door derden in het strafproces te bevorderen (Stb. 2018, 132) luiden artikel 6:107 en 6:108 BW:
- artikel 6:107 BW:
“1. Indien iemand ten gevolge van een gebeurtenis waarvoor een ander aansprakelijk is, lichamelijk of geestelijk letsel oploopt, is die ander behalve tot vergoeding van de schade van de gekwetste zelf, ook verplicht tot vergoeding van:
a. (...)
b. een bij of krachtens algemene maatregel van bestuur vast te stellen bedrag of bedragen voor nadeel dat niet in vermogensschade bestaat geleden door de in lid 2 genoemde naasten van de gekwetste met ernstig en blijvend letsel.
2. De naasten, bedoeld in lid 1 onder b, zijn:
a. de ten tijde van de gebeurtenis niet van tafel en bed gescheiden echtgenoot of geregistreerde partner van de gekwetste;
b. de levensgezel van de gekwetste, die ten tijde van de gebeurtenis duurzaam met deze een gemeenschappelijke huishouding voert;
c. degene die ten tijde van de gebeurtenis de ouder van de gekwetste is;
d. degene die ten tijde van de gebeurtenis het kind van de gekwetste is;
e. degene die ten tijde van de gebeurtenis duurzaam in gezinsverband de zorg voor de gekwetste heeft;
f. degene voor wie de gekwetste ten tijde van de gebeurtenis duurzaam in gezinsverband de zorg heeft;
g. een andere persoon die in een zodanige nauwe persoonlijke relatie tot de gekwetste staat, dat uit de eisen van redelijkheid en billijkheid voortvloeit dat hij voor de toepassing van lid 1 onder b als naaste wordt aangemerkt.”
- artikel 6:108 BW:
“1. Indien iemand ten gevolge van een gebeurtenis waarvoor een ander jegens hem aansprakelijk is overlijdt, is die ander verplicht tot vergoeding van schade door het derven van levensonderhoud:
(...)
3. Voorts is de aansprakelijke verplicht tot vergoeding van een bij of krachtens algemene maatregel van bestuur vast te stellen bedrag of bedragen voor nadeel dat niet in vermogensschade bestaat, geleden door de in lid 4 genoemde naasten als gevolg van het overlijden.
4. De naasten, bedoeld in lid 3, zijn:
a. de ten tijde van de gebeurtenis niet van tafel en bed gescheiden echtgenoot of geregistreerde partner van de overledene;
b. de levensgezel van de overledene, die ten tijde van de gebeurtenis duurzaam met deze een gemeenschappelijke huishouding voert;
c. degene die ten tijde van de gebeurtenis ouder van de overledene is;
d. degene die ten tijde van de gebeurtenis het kind van de overledene is;
e. degene die ten tijde van de gebeurtenis duurzaam in gezinsverband de zorg voor de overledene heeft;
f. degene voor wie de overledene ten tijde van de gebeurtenis duurzaam in gezinsverband de zorg heeft;
g. een andere persoon die ten tijde van de gebeurtenis in een zodanige nauwe persoonlijke relatie tot de overledene staat, dat uit de eisen van redelijkheid en billijkheid voortvloeit dat hij voor de toepassing van lid 3 als naaste wordt aangemerkt.”
3.3.2
De geschiedenis van de hiervoor genoemde wet van 11 april 2018 houdt onder meer in:
- de memorie van toelichting:
“Het tweede lid [van artikel 6:107 BW] bepaalt de kring van personen die recht op vergoeding van affectieschade hebben. Het uitgangspunt daarbij is dat die kring wordt beperkt tot personen die geacht mogen worden een zeer nauwe band met het slachtoffer te hebben. Alleen in die gevallen is het gerechtvaardigd ervan uit te gaan dat het letsel van het slachtoffer voor deze personen een zo ernstig verlies betekent dat vergoeding op zijn plaats is. Zou de kring van gerechtigden te ruim worden getrokken, dan zou de beheersbaarheid van de regeling sterk afnemen en zou voorts onvoldoende zekerheid bestaan dat een vergoeding alleen wordt betaald in gevallen waarin daadwerkelijk van een ernstig verlies sprake is. In dat geval zou, gelet op de primaire functie van het recht op vergoeding van affectieschade, de waarde van de daarin gelegen erkenning van het geleden verlies door het recht in de praktijk sterk kunnen devalueren.
(...)
In onderdeel g is een hardheidsclausule opgenomen die onder uitzonderlijke omstandigheden een recht op vergoeding van affectieschade toekent aan een persoon die niet tot de «vaste kring» van gerechtigden behoort. Voor affectieschade komt ingevolge dit onderdeel in aanmerking een persoon die ten tijde van de gebeurtenis in een zodanige nauwe persoonlijke betrekking tot de overledene staat, dat hij als naaste in de zin van derde lid wordt aangemerkt. In de consultatie is door DLR en het Verbond gevraagd om verduidelijking van het begrip «nauwe persoonlijke betrekking». Voor het aannemen van een nauwe persoonlijke betrekking dient een hechte affectieve relatie te worden aangetoond. Niet de formele maar de feitelijke verhouding is beslissend. De omstandigheden van het geval zijn bepalend. Factoren van belang zijn onder meer de intensiteit, de aard en de duur van de relatie. (...) Een voorbeeld van een nauwe persoonlijke betrekking kan zijn een relatie van broers of zussen die langdurig samenwonen en voor elkaar zorgen, of een langdurige, hechte LAT-relatie. Ook elders in de wet wordt het begrip nauwe, persoonlijke betrekking gehanteerd (vgl. artt. 1:204, derde lid, en artikel 1:377a BW). Voor de rechtspraktijk is dit een werkbaar begrip gebleken. Indien een beroep wordt gedaan op onderdeel g zijn anders dan bij de meeste andere onderdelen discussies over de invulling daarvan niet uit te sluiten. Onderdeel g dient echter te worden bezien in het kader van het spanningsveld tussen de wenselijkheid van een eenvoudig uitvoerbare regeling en een regeling die toch ook ruimte biedt om in sprekende gevallen naasten, die zich lastig laten vatten in specifiek te benoemen categorieën, voor vergoeding van affectieschade in aanmerking te laten komen.”
(Kamerstukken II 2014/15, 34257, nr. 3, p. 13-15.)
- de memorie van antwoord aan de Eerste Kamer:
“De leden van de VVD-fractie vragen wat wordt verstaan onder een «nauwe persoonlijke relatie» (artikel 6:107 lid 2, onder g en artikel 6:108 lid 4, onder g, van het wetsvoorstel). Zij vragen of halfbroers en -zussen hiertoe bijvoorbeeld ook behoren.
In voornoemde voorgestelde artikelonderdelen is kort gezegd opgenomen dat de persoon die in een nauwe persoonlijke relatie staat tot de gekwetste of de overleden persoon, gerechtigd is tot de vergoeding van affectieschade. Dit betreft een hardheidsclausule, waarop in uitzonderlijke gevallen een beroep kan worden gedaan. Voor het aannemen van een nauwe persoonlijke betrekking dient een hechte affectieve relatie te worden aangetoond. Niet de formele maar de feitelijke verhouding is beslissend. De omstandigheden van het geval zijn bepalend. Factoren van belang zijn onder meer de intensiteit, de aard en de duur van de relatie. Aan (half)broers of -zussen komt als zodanig geen beroep op de hardheidsclausule toe. In een bijzonder geval kan worden bezien of hun feitelijke relatie een beroep op de hardheidsclausule rechtvaardigt. Hiervan kan bijvoorbeeld sprake zijn, indien twee (half)broers langdurig met elkaar samenleven en voor elkaar zorgen.
(...)
Het wetsvoorstel bevat een «gesloten regeling». Het gaat uit van een vaste groep van gerechtigden en van vaste bedragen. Dat voorkomt dat eenvoudig tot een oprekking van de regeling kan worden overgegaan. In een bijzonder geval kan evenwel beroep worden gedaan op een hardheidsclausule: een persoon die in een nauwe persoonlijke relatie staat tot de gekwetste of de overledene kan op grond van de redelijkheid en billijkheid als naaste in de zin van het wetsvoorstel worden aangemerkt, en daarmee als gerechtigde tot de vergoeding van affectieschade (zie artikel 6:107 lid 2, onder g, en artikel 6:108 lid 3, onder g van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW), zoals deze komen te luiden ingevolge het wetsvoorstel). Hierdoor kan in een uitzonderlijk geval een andere naaste voor de vergoeding van affectieschade in aanmerking komen. De desbetreffende nauwe persoonlijke relatie moet worden aangetoond door de naaste. In voorkomende gevallen oordeelt de rechter uiteindelijk of aan die voorwaarde wordt voldaan. Ik verwacht daarom in dit geval geen eenvoudige oprekking van de regeling.”
(Kamerstukken I 2016/17, 34257, C, p. 6-7.)
- de nadere memorie van antwoord aan de Eerste Kamer:
“In uitzonderlijke gevallen kan een nauwe persoonlijke relatie met de gekwetste ook rechtvaardigen dat een naaste recht heeft op de vergoeding van affectieschade op grond van de hardheidsclausule (zie artikel 6:107 lid 2, onder g, en artikel 6:108 lid 3, onder g BW zoals voorgesteld). Het is aan de naaste om deze nauwe persoonlijke betrekking aannemelijk te maken. Voor het aannemen van een nauwe persoonlijke betrekking is biologische verwantschap niet vereist. Biologische verwantschap kan bij de vraag of hiervan sprake is wel van belang zijn. Het is uiteindelijk aan de rechter om de bijzondere omstandigheden te wegen en te beslissen op de aanspraak op vergoeding van affectieschade. Een voorbeeld van een beroep op de hardheidsclausule van voornoemde artikelonderdelen is de situatie van twee broers die hun leven lang samenwonen en voor elkaar zorgen. Wordt één van hen het slachtoffer van een ongeval, dan kan de ander aanspraak maken op de vergoeding van affectieschade, omdat hun nauwe persoonlijke relatie dat rechtvaardigt.”
(Kamerstukken I 2017/18, 34257, E, p. 5.)
3.4.1
Uit de hiervoor weergegeven wetsgeschiedenis blijkt dat de wetgever tot uitgangspunt heeft genomen dat de kring van personen die recht hebben op vergoeding van affectieschade, beperkt is tot personen die geacht mogen worden een zeer nauwe band met het slachtoffer te hebben. Een ruimere kring van gerechtigden zou volgens de wetgever de beheersbaarheid van de regeling sterk doen afnemen en onvoldoende zekerheid bieden dat een vergoeding alleen wordt betaald in gevallen waarin daadwerkelijk sprake is van een ernstig verlies.
3.4.2
Tot de kring van personen die recht hebben op vergoeding van affectieschade behoort volgens artikel 6:107 lid 2, aanhef en onder g, en 6:108 lid 4, aanhef en onder g, BW ook de ‘andere persoon’ die in een zodanig nauwe persoonlijke relatie tot het slachtoffer staat, dat uit de eisen van redelijkheid en billijkheid voortvloeit dat ook hij wordt aangemerkt als naaste die recht heeft op vergoeding van affectieschade. Bij die ‘andere persoon’ gaat het om een naaste, die niet al in die bepalingen onder a tot en met f is genoemd. Om op grond van deze – in de wetsgeschiedenis als ‘hardheidsclausule’ aangeduide – bepaling als rechthebbende te worden aangemerkt, moet door die naaste een hechte affectieve relatie worden aangetoond, waarbij als relevante factoren zijn genoemd de intensiteit, de aard en de duur van de relatie. In dat verband is als voorbeeld onder meer naar voren gebracht dat in het geval dat twee broers of zussen langdurig met elkaar samenleven en voor elkaar zorgen, zo’n nauwe persoonlijke betrekking kan bestaan.
(Vgl. HR 11 november 2025, ECLI:NL:HR:2025:1619.)
3.5.1
Het hof heeft de volgende vaststellingen gedaan. De benadeelde partij en haar broer ( [slachtoffer] ) verschilden nog geen jaar in leeftijd. Zij hebben geen gemakkelijke jeugd gehad en kwamen bij hun oma te wonen toen hun ouders in 2017 naar Suriname verhuisden. Vanaf die periode heeft de benadeelde partij een deel van de taken overgenomen die bij hun ouders hoorden. Haar broer, die ADHD had, vond bij haar de steun die hij van zijn ouders miste. Zij woonden tot aan zijn overlijden onafscheidelijk in gezinsverband samen en waren van plan om na het verhuizen van hun oma samen te blijven. Na het overlijden van haar broer heeft de benadeelde partij – in verband met zijn overlijden en ook rondom de strafzaak –een rol vervuld die past bij de bijzondere en hechte affectieve relatie die zij hadden.
3.5.2
Op grond van deze vaststellingen heeft het hof geoordeeld dat de specifieke omstandigheden van de benadeelde partij zo uitzonderlijk zijn dat deze een beroep op de ‘hardheidsclausule’ in de zin van artikel 6:108 lid 4, aanhef en onder g, BW rechtvaardigen. In het licht van de onder 3.3 weergegeven wetsgeschiedenis en tegen de achtergrond van wat onder 3.4 is vooropgesteld, getuigt dat oordeel niet van een onjuiste rechtsopvatting en is het toereikend gemotiveerd.
3.6
Het cassatiemiddel faalt.

4.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof

De verdachte bevindt zich in voorlopige hechtenis. De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan zestien maanden zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van dertien jaren.

5.Beslissing

De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;
- vermindert deze in die zin dat deze twaalf jaren en zeven maanden beloopt;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren T. Kooijmans en T.B. Trotman, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
13 januari 2026.