Bij de aan de Hoge Raad toegezonden stukken bevinden zich, voor zover hier van belang:
- een dagvaarding, aangemaakt op 22 augustus 2019, inhoudende dat de verdachte wordt opgeroepen om op 27 september 2019 ter terechtzitting te verschijnen;
- de Informatiestaat SKDB-persoon van 10 september 2019, waarin onder meer is vermeld (a) als huidig BRP-adres van de verdachte sinds 3 juni 2014 [a-straat 1], [postcode 1] te [plaats 1], (b) als de laatst opgegeven woon- of verblijfplaats het adres [a-straat 1], [postcode 1] te [plaats 1] (met als datum van registratie 22 juli 2015) en (c) dat de verdachte niet is gedetineerd;
- een akte van uitreiking van de dagvaarding voor de terechtzitting van 27 september 2019, waaruit blijkt dat die dagvaarding op 2 september 2019 niet aan de verdachte is uitgereikt, maar aan een ander die zich op dat adres bevond en die zich bereid verklaarde de dagvaarding onverwijld aan de verdachte te doen toekomen;
- het proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg van 27 september 2019, waaruit onder meer blijkt dat de kantonrechter van de bode heeft vernomen dat de verdachte zich heeft gemeld, dat de verdachte nog voor het uitroepen van de zaak te kennen heeft gegeven dat vanwege de uitloop van de zitting hij niet langer in staat is de behandeling van de zaak af te wachten, dat de verdachte derhalve heeft verzocht de zaak aan te houden en dat de rechter het onderzoek heeft geschorst tot de terechtzitting van 23 december 2019;
- een oproeping van de verdachte van 11 februari 2020, inhoudende dat de verdachte wordt opgeroepen om op 22 april 2020 ter terechtzitting te verschijnen teneinde aanwezig te zijn bij de behandeling van de tegen de verdachte aanhangige strafzaak die op 27 september 2019 is geschorst;
- de Informatiestaat SKDB-persoon van 23 maart 2020, waarin onder meer is vermeld (a) als huidig BRP-adres van de verdachte sinds 1 oktober 2019 [b-straat 1], [postcode 2] te [plaats 2], (b) als de laatst opgegeven woon- of verblijfplaats het adres [a-straat 1], [postcode 1] te [plaats 1] (met als datum van registratie 22 juli 2015) en (c) dat de verdachte niet is gedetineerd;
- een akte van uitreiking van de oproeping voor de terechtzitting van 22 april 2020, waaruit blijkt dat die oproep op 19 februari 2020 niet aan de verdachte is uitgereikt, maar aan een ander die zich op dat adres bevond en die zich bereid verklaarde het stuk onverwijld aan de verdachte te doen toekomen;
- een dagvaarding, aangemaakt op 18 mei 2020, inhoudende dat de verdachte wordt opgeroepen om op 30 september 2020 ter terechtzitting te verschijnen;
- een akte van uitreiking van de dagvaarding voor de terechtzitting van 30 september 2020, ingevuld op 4 juni 2020, waaruit blijkt dat op 28 mei 2020 en 2 juni 2020 niemand aanwezig of bereid was om die dagvaarding aan te nemen, dat de dagvaarding vervolgens is geretourneerd, dat de dagvaarding na zeven dagen niet is afgehaald en niet is uitgereikt, en dat de dagvaarding op 12 juni terug is gestuurd en op 10 juni is binnengekomen bij het CVOM;
- een dagvaarding, aangemaakt op 15 juni 2020, inhoudende dat de verdachte wordt opgeroepen om op 30 september 2020 ter terechtzitting te verschijnen;
- een akte van uitreiking van de dagvaarding voor de terechtzitting van 30 september 2020, ingevuld op 15 juni 2020, waaruit blijkt dat die dagvaarding is uitgereikt aan een medewerker van het openbaar ministerie en voorts een afschrift is verzonden naar het BRP-adres van de verdachte;
- de Informatiestaat SKDB-persoon van 15 juni 2020, waarin onder meer is vermeld (a) als huidig BRP-adres van de verdachte sinds 1 oktober 2019 [b-straat 1], [postcode 2] te [plaats 2], (b) als de laatst opgegeven woon- of verblijfplaats het adres [a-straat 1], [postcode 1] te [plaats 1] (met als datum van registratie 22 juli 2015) en (c) dat de verdachte niet is gedetineerd;
- een brief van de officier van justitie van 8 juli 2020, gericht aan de verdachte, met als onderwerp “Intrekking dagvaarding/(verkorte) oproeping” waarin het volgende wordt medegedeeld: “Hierbij trek ik in de aan u uitgereikte/toegezonden dagvaarding/oproeping in de zaak met parketnummer 96-140957-19 om te verschijnen op 30 september 2020”. Deze intrekking vond, zo blijkt uit de brief, plaats “in verband met de uitbraak van het coronavirus”;
- een oproeping van de verdachte van 15 juli 2020, inhoudende dat de verdachte wordt opgeroepen om op 30 september 2020 ter terechtzitting te verschijnen teneinde aanwezig te zijn bij de behandeling van de tegen de verdachte aanhangige strafzaak die op 27 september 2019 voor onbepaalde tijd is geschorst;
- een akte van uitreiking van de oproep voor de terechtzitting van 30 september 2020, ingevuld op 3 augustus 2020, waaruit blijkt dat op 23 juli 2020 en 28 juli 2020 niemand aanwezig of bereid was om die oproeping aan te nemen, dat de oproeping vervolgens is geretourneerd, dat de oproeping na zeven dagen niet is afgehaald en niet is uitgereikt, en dat de oproeping op 11 augustus terug is gestuurd en op 12 augustus is binnengekomen bij het CVOM;
- de Informatiestaat SKDB-persoon van 13 augustus 2020, waarin onder meer is vermeld (a) als huidig BRP-adres van de verdachte sinds 1 oktober 2019 [b-straat 1], [postcode 2] te [plaats 2], (b) als de laatst opgegeven woon- of verblijfplaats het adres [a-straat 1], [postcode 1] te [plaats 1] (met als datum van registratie 22 juli 2015) en (c) dat de verdachte niet is gedetineerd;
- een akte van uitreiking van de oproeping voor de terechtzitting van 30 september 2020, ingevuld op 2 september 2020 en op diezelfde dag verzonden, waaruit blijkt dat die oproeping is uitgereikt aan een medewerker van het openbaar ministerie en voorts een afschrift is verzonden naar het BRP-adres van de verdachte;
- de Informatiestaat SKDB-persoon van 2 september 2020, waarin onder meer is vermeld (a) als huidig BRP-adres van de verdachte sinds 1 oktober 2019 [b-straat 1], [postcode 2] te [plaats 2], (b) als de laatst opgegeven woon- of verblijfplaats het adres [a-straat 1], [postcode 1] te [plaats 1] (met als datum van registratie 22 juli 2015) en (c) dat de verdachte niet is gedetineerd;
- een aantekening mondeling vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 30 september 2020. De kantonrechter heeft de verdachte bij verstek veroordeeld wegens overtreding van het bepaalde bij artikel 62, bord A1 van bijlage I, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 en heeft de verdachte veroordeeld tot een geldboete van €800,-, subsidiair 16 dagen hechtenis, alsmede een rijontzegging voor de duur van 4 maanden. De kantonrechter heeft voorts de vordering tot tenuitvoerlegging van een eerder voorwaardelijk opgelegde geldboete van € 250,00, subsidiair 5 dagen hechtenis, toegewezen.