Conclusie
Nummer22/02628
eerstemiddel behelst de klacht dat de bewezenverklaring van feit 4 niet begrijpelijk volgt uit de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen, ook niet in samenhang met de bijzondere bewijsoverweging.
tweedemiddel bevat de klacht dat het hof ten onrechte althans onbegrijpelijk gemotiveerd tot het oordeel is gekomen dat voldoende aannemelijk is geworden dat de benadeelde partij bij feit 4 immateriële schade heeft geleden als bedoeld in artikel 6:106, eerste lid, BW, nu uit de motivering van het hof niet kan worden afgeleid dat en waarom sprake is geweest van een ‘aantasting in de persoon op andere wijze’, dan wel één van de andere in artikel 6:106, eerste lid, BW genoemde gevallen.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]
BESLISSING
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]
€ 13.375,01 (dertienduizend driehonderdvijfenzeventig euro en één cent) bestaande uit € 12.925,01 (twaalfduizend negenhonderdvijfentwintig euro en één cent) materiële schade en € 450,00 (vierhonderdvijftig euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 11 maart 2019 tot aan de dag der voldoening.