Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
3.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
4.Beslissing
9 juli 2024.
Hoge Raad
De verdachte werd door het gerechtshof 's-Hertogenbosch veroordeeld voor meermalige oplichting, waarbij zij zich voordeed met een valse hoedanigheid en listige kunstgrepen gebruikte om geldbedragen van het slachtoffer af te troggelen. Het hof bevestigde de bewezenverklaring van de politierechter, die onder meer stelde dat de verdachte het slachtoffer via een datingsite benaderde en geld vroeg voor een zogenaamd ziek paard.
De bewijsvoering bestond uit aangifte, WhatsApp-berichten, betaalverzoeken via Tikkie, en het verhoor van de verdachte. De politierechter achtte het bewezen dat de verdachte het slachtoffer had bewogen tot het overmaken van in totaal ongeveer €12.975,-. De verdachte ontkende aanvankelijk het doel van het geld, maar gaf later toe dat het mogelijk voor huur was.
De Hoge Raad oordeelde echter dat het onderdeel van de bewezenverklaring waarin wordt gesteld dat de verdachte door het aannemen van een valse hoedanigheid en listige kunstgrepen het slachtoffer tot afgifte van geld heeft bewogen, niet zonder meer uit de bewijsvoering kan worden afgeleid. De motivering van het hof was ontoereikend, waardoor het arrest deels wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen naar het hof voor een nieuwe beoordeling.
De overige onderdelen van het beroep werden verworpen, en de schadevergoedingsmaatregelen ten behoeve van andere slachtoffers blijven in stand. De uitspraak werd gedaan door de vice-president en raadsheren van de Hoge Raad op 9 juli 2024.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt gedeeltelijk vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde beoordeling.