Conclusie
Verweerders in cassatie worden verkort aangeduid als Rendo Holding, Rendo Beheer, N.V. Rendo en Rendo Duurzaam, en gezamenlijk als Rendo c.s.
1.Inleiding en samenvatting
Rendo Energielevering leverde energie in de noordelijke provincies van Nederland. Negen in deze provincies gelegen gemeenten hadden de zeggenschap binnen de groep waarvan Rendo Energielevering deel uitmaakte (hierna: de Rendo-groep). [eiser 1] was bestuurder (CEO) van de holding van deze groep (Rendo Holding). Woldomus is een persoonlijke vennootschap van [eiser 1] .
De Electrabel zaak betreft een betaling van € 1.000.000,- door Electrabel aan [eiser 1] (via Woldomus). Volgens Rendo c.s. waren dat steekpenningen om te bewerkstelligen dat Rendo Energielevering aan Electrabel zou worden verkocht op voor Electrabel gunstige voorwaarden. [1]
Ik behandel eerst de onderdelen die klagen over de oordelen van het hof in de SGI-zaak.
Feiten en procesverloop in beide zaken worden uitsluitend vermeld voor zover voor de behandeling van de cassatieonderdelen van belang.
2.Feiten en procesverloop in de SGI-zaak (selectie)
De aandelen in Rendo Holding worden gehouden door negen gemeenten in Noord-Overijssel en Zuid-Drenthe. De Raad van Commissarissen (hierna: RvC) van Rendo Holding wordt gevormd door leden vanuit het College van Burgemeester en Wethouders van de negen aandeelhoudende gemeenten. Iedere aandeelhoudende gemeente heeft verder een vertegenwoordiger in de algemene vergadering van aandeelhouders (hierna: ava) van Rendo Holding.
[betrokkene 2] (hierna: [betrokkene 2] ) was in die tijd één van de commissarissen.
Investering Om deze nieuwe activiteit te realiseren is circa 4 a 5 miljoen euro risicodragend kapitaal van RENDO nodig. (...)”
Wij hebben u eerder gemeld dat wij studeren op de mogelijkheid om een kleinere elektriciteitscentrale in het net in Steenwijk te plaatsen. Op deze wijze wordt het elektriciteitsnet minder kwetsbaar. Gezien de historie is dat een zeer wenselijke zaak gebleken. Na intensieve gesprekken met juristen over de strekking van de Wet Onafhankelijk Netbeheer en de hieruit volgende consequenties voor RENDO zijn wij tot de conclusie gekomen dat het voor RENDO niet wenselijk is om aandeelhouder te zijn van een dergelijk project. De Wet Onafhankelijk Netbeheer beoogt immers een heldere opsplitsing van netbeheer enerzijds en elektriciteitslevering en elektriciteitsproductie anderzijds. Nu RENDO door de verkoop van haar energieleveringsactiviteiten zich in de positie heeft gemanoeuvreerd van een Holding die voldoet aan de wet, lijkt het niet raadzaam weer de confrontatie met de op handen zijnde wetgeving op te zoeken. De directie zal zich inspannen om een partij te vinden die deze voor RENDO wenselijke activiteit in haar netgebied wil uitvoeren.”
Deelname in het project ‘van afval naar grondstof’ (grondstofverrijking).[eiser 1] licht het project toe. (...) De bussinesscase is al geruime lijd door RENDO opgezet en van vele zijden grondig bekeken. (...)
De raad kan instemmen met het voorstel om deel te nemen in dit project.
8.
Deelname in project stroomproductieRENDO gaat deelnemen in de opwekking van []noodstroom in Steenwijk. Het belang voor de RENDO netbeheerder van het doorgaan van het project is duidelijk. RENDO wenst dit evenwel te doen binnen de kaders van de Wet Onafhankelijk Netbeheer. Met het voorstel van de directie om het project verder vorm te geven, door de activa van dit project door een derde partij te laten exploiteren, wordt dan ook door alle commissarissen ingestemd. De exploitant gaat dan voor eigen risico voor de exploitatie zorgdragen.”
Ik heb hem gevraagd voorbereidingen te treffen voor de oprichting van de 3 b.v.’s te weten: Stramproy Green Investments B.V = Holding
Stramproy Green Coal = 100% dochter 1
Stramproy Geen Electricity = 100% dochter 2
De notaris heb ik voorts geïnformeerd dat de aandelen van de holding gehouden worden door 5 andere b.v. 's (de exacte verdeling van de aandelenverhouding hoop ik binnenkort bekend te kunnen maken)
Een van die BV’s is mijn persoonlijke BV Woldomus BV De BV’s van [betrokkene 6] en [betrokkene 7] moeten nog worden opgericht. Ik verzoek aan [betrokkene 4] en [betrokkene 5] svp aan de notaris bekend te maken, hoe hun bv's heten en waar deze gevestigd zijn.”
De torrefactiecentrale was ondergebracht in SGC, de warmtekrachtcentrale was ondergebracht in SGE en de knowhow was ondergebracht in SGT. In de akte van oprichting van SGI van 20 december 2007 is (in de slotverklaringen) tot bestuurder (algemeen directeur) benoemd [betrokkene 9] (hierna: [betrokkene 9] ).
- [eiser 1] bezit 99,95% van de aandelen van Woldomus;
- [betrokkene 3] bezit 0,05% van de aandelen van Woldomus;
- [betrokkene 5] is 100% aandeelhouder van Bio-Coal;
- [betrokkene 7] , [betrokkene 6] en [eiser 1] zijn directieleden van Rendo:
o [betrokkene 7] als directeur van N.V. Rendo Holding en Rendo Duurzaam B.V.;
o [eiser 1] als statutair en algemeen directeur van NV. Rendo Holding; en
o [betrokkene 6] als directeur van Rendo Beheer BV.
Ntech Holding en Bio-Coal hielden ieder 20% van de aandelen in SGI.
Eind december 2012 is [betrokkene 6] op staande voet ontslagen.
- [eiser 1] vanaf het moment van oprichting van SGI zonder zelf enig substantieel eigen vermogen in te brengen, een (indirect) belang in SGI heeft genomen voor eigen gewin;
- [eiser 1] heeft dat belang niet heeft gemeld aan de algemene vergadering van aandeelhouders en de Raad voor Commissarissen;
- [eiser 1] dat belang heeft gemaskeerd, terwijl hij wist dat Rendo c.s. het SGI-project alleen wilde financieren als het project door een (van Rendo c.s.) onafhankelijke derde zou worden geëxploiteerd (vanwege de op handen zijnde WON) en Rendo c.s. daarom geen aandeelhouder konden zijn en [eiser 1] wist dat het hem daarom ook niet was toegestaan dit (indirecte) belang in SGI te hebben;
- [eiser 1] niet alleen wetenschap heeft gehad van de zeven achtergestelde leningen van
€ 20,3 miljoen die door Rendo Holding aan de dochters van SGI zijn verstrekt en van de drie sale and leasebacktransacties op grond waarvan Rendo Holding aan SGI een bedrag van
€ 7 miljoen heeft betaald en Rendo Duurzaam aan SGI bedragen van € 2,25 en € 3,7 miljoen heeft betaald, maar hij ook actief betrokken is geweest bij de nakoming (betaling) van een deel van de geldleningen, dit alles voor de warmtekracht- en torrefactiecentrale, wetende dat daardoor het risico voor Rendo c.s. te groot werd en wetende dat een deel van die leningen en transacties door SGI zouden worden aangewend om zijn (via Woldomus) aandelen in te kopen voor € 5,4 miljoen (waarvan € 2,5 miljoen daadwerkelijk is betaald) waarvoor hij (dan wel Woldomus) een maand eerder slechts een bedrag van € 10.000 had betaald.
€ 21.365.621,09 te betalen, te vermeerderen met wettelijke rente.
[eisers] hebben de grieven in het incidenteel appel bestreden.
Van de zitting is proces-verbaal opgemaakt.
- de vonnissen van de rechtbank vernietigd [16] ;
- [eisers] hoofdelijk veroordeeld tot betaling aan Rendo Holding van een schadebedrag van € 26.290.376,09 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 13 maart 2007 tot aan de dag van algehele voldoening;
- [eisers] hoofdelijk veroordeeld tot betaling aan Rendo Holding van een bedrag aan buitengerechtelijke kosten van € 284.345,00 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 13 maart 2017 tot aan de dag van algehele voldoening.
- [eisers] hoofdelijk veroordeeld tot vergoeding aan Rendo Holding van de beslagkosten van € 9.035,00;
- [eisers] veroordeeld in de proceskosten in eerste aanleg aan de zijde van Rendo c.s. vastgesteld op € 25.132,77 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 27 november 2019;
- [eisers] hoofdelijk veroordeeld in de proceskosten in hoger beroep.
Rendo c.s. hebben geconcludeerd tot verwerping.
Partijen hebben een schriftelijke toelichting ingediend, waarna [eisers] hebben gerepliceerd.
Rendo c.s. hebben afgezien van dupliek. [18]
-
de voortgezette handeling van het medeplegen van oplichting;- het door de bestuurder opzettelijk openbaar maken van een onware toelichting op een staat,
€ 450.000.-
Steck-Rische.a. van 19 mei 2005 [24] als volgt verwoord:
The Court has repeatedly held that in such a situation the effect which the observations actually had on the judgment is of little consequence.What is particularly at stake here is the litigants’ confidence in the workings of justice, which is based on, inter alia, the knowledge that they have had the opportunity to express their views on every document in the file.”
with a view to influencing the court’s decision”. [26] In een uitspraak uit 2004 overweegt het EHRM dat ook als een document zelfs ‘in potentie’ van belang kan zijn voor de oordeelsvorming (“
even if only potentially relevant to the outcome of the matter”) partijen de kans moeten krijgen om daarop te reageren. [27]
Dat is evenwel niet het geval. Het EHRM heeft in het arrest
Verdú Verdú/Spainuit 2007 [28] in dit verband als volgt geoordeeld:
Deze overweging houdt mede verband met het oordeel van het EHRM in drie eerdere uitspraken uit 2004 [29] , 2005 [30] en 2006 [31] , waarin is benadrukt dat “la Convention ne vise pas à protéger des droits purement théoriques ou illusoires.”
Er moet dus, samengevat, wel een – door de desbetreffende partij gesteld – belang zijn om kennis te nemen van en te reageren op een stuk of bescheiden, waarbij een theoretisch belang niet volstaat.
Verdú Verdú/Spain. Hij merkt op dat het arrest lijkt af te wijken van eerdere uitspraken, hetgeen hij ontleent aan de dissenting opinion van twee van de aan deze beslissing deelnemende rechters. In dat licht komt volgens Huydecoper betekenis toe aan twee gegevens die in de aangehaalde overwegingen worden genoemd, te weten (i) dat het stuk waarop niet kon worden gereageerd, zich beperkte tot stellingen die samenvielen met eerder door het Openbaar Ministerie ingebrachte stellingen, zodat er geen aanleiding kon zijn tot (afzonderlijk) debat over de stellingen uit dit stuk; en (ii) dat op grond van de bijzondere omstandigheden van het geval geen schending van art. 6 EVRM Pro hoefde te worden aangenomen.
Een en ander bracht Huydecoper, samengevat, tot de conclusie dat een, zij het beperkte, afwijking van de eerdere rechtspraak mogelijk is in het geval dat het voor de procesvoering en de uitkomst geen verschil heeft gemaakt dat de benadeelde partij de kans is onthouden, op een bepaald gegeven te reageren. [33]
Verdú Verdú/Spainheeft geformuleerd, is door de Hoge Raad in een arrest van 9 november 2012 in een schuldsaneringszaak overgenomen. [34] In die zaak had het hof ambtshalve het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in de eerste aanleg opgevraagd zonder partijen in de gelegenheid te stellen zich over het proces-verbaal uit te laten, en deed vervolgens wel recht op het proces-verbaal. De Hoge Raad vernietigde het arrest van het hof en overwoog daartoe als volgt:
Dit is anders indien het gegevens of bescheiden betreft waarvan in redelijkheid niet kan worden gezegd dat zij van enig belang kunnen zijn voor de beoordeling van de zaak, maar van dit laatste is in het onderhavige geval geen sprake.
Verdú Verdú/Spainheeft geformuleerd, niet aan de orde. Ik vermeld deze zaak omdat daarin, net als in het onderhavige geval, het hof ambtshalve kennis had genomen van strafvonnissen. De Hoge Raad overwoog als volgt:
Dit geldt ook voor gegevens van feitelijke aard zoals de onderhavige strafvonnissen, waarvan het hof ambtshalve heeft kennisgenomen, en waarvan niet kan worden gezegd dat zij zonder belang zijn voor de waardering van de betrouwbaarheid van de beide als getuige gehoorde politiemannen en de geloofwaardigheid van de door hen afgelegde verklaringen. Daarbij is in aanmerking te nemen dat de beide politiemannen weliswaar door de strafrechter zijn vrijgesproken, maar dat in de uitvoerig gemotiveerde strafvonnissen overwegingen zijn opgenomen met de strekking dat de verdachte politiemannen door eigen optreden of nalaten voeding hebben gegeven aan de verdenking die aanleiding is geweest voor het instellen van het onderzoek door de Rijksrecherche. Het hof heeft bij zijn overwegingen met betrekking tot de waardering van de door O. afgelegde verklaring weliswaar vooropgesteld dat de vraag of meineed is gepleegd in de onderhavige civiele zaak niet aan de orde is, en het heeft bij zijn oordeel dat die verklaring, kort gezegd, onvoldoende bijdraagt aan het door Y. te leveren bewijs vermeden naar (de vonnissen in) de strafzaak te verwijzen. Dat wil echter niet zeggen dat Y. in dit geval geen belang erbij had zich over de afloop van de strafrechtelijke procedure tegen de voor zijn bewijspositie belangrijke getuigen en over de in de strafvonnissen opgenomen overwegingen omtrent de door deze getuigen in de onderhavige zaak afgelegde verklaringen uit te laten, zulks teneinde te voorkomen dat het hof daaraan bij de waardering van het bewijs, zonder kennis te hebben genomen van het standpunt van Y. dienaangaande, negatieve consequenties zou verbinden.”
tenzijin redelijkheid niet kan worden gezegd dat de ambtshalve verkregen informatie van enig belang kan zijn voor de beoordeling van de zaak. Nu [eisers] zelf stellen dat het hof in de motivering van zijn beslissing in de SGI-zaak (par. 8 van het bestreden arrest) niet aan de strafarresten refereert, lag het temeer op hun weg om dit belang te stellen en toe te lichten. Zoals hiervoor onder 3.13 is vermeld, strekt het EVRM er volgens het EHRM niet toe om louter theoretische of illusoire rechten te beschermen. [38]
Onderdeel 1 kan m.i. daarom niet tot cassatie leiden.
In rov. 8.101 overweegt het hof dat het toekomt aan de vraag of sprake is van een oorzakelijk verband in de zin van een condicio sine qua non-verband tussen het onrechtmatig handelen van [eisers] en de door Rendo c.s. gestelde schade en of die schade in redelijkheid aan [eisers] dient te worden toegerekend, en dat het hof in dit verband de grieven XXI en XXII in het principale hoger beroep alsmede grief 10 in het incidentele hoger beroep zal behandelen.
[eisers] zijn hiertegen in cassatie niet opgekomen.
Genoemd oordeel van de rechtbank, grief 10 in het incidentele appel en de bestrijding daarvan luiden als volgt.
Tussenvonnis rechtbank en partijdebat
met betrekking tot toerekening, faalt het.
Het oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting. [48] De rechter heeft bij de vaststelling van de omvang van de aansprakelijkheid de nodige vrijheid om de verschillende factoren, zoals de aard van de overtreden norm, de aard van de schade en de voorzienbaarheid [49] , te wegen. [50] De vraag of de schade het redelijkerwijs te verwachten gevolg is van de gebeurtenis is ook zo’n factor. [51]
4.Feiten en procesverloop in de Electrabel-zaak
nuen
snel!Bereid hoge prijs te betalen in €.... per aansluiting maar ook in absolute zin. Dwz:
- € 305,-/aansluiting,
Management (= [eiser 1] ) zal sterk positief adviseren + proces begeleiden vanwege aandeelhouders.”
Uitgangspunt is dat er ons veel aan gelegen is dat we een deal kunnen maken met de aandeelhouders van Rendo over de overname van Rendo Levering en dat we een beroep op u en eventueel andere belangrijke managers/medewerkers kunnen doen om ons bij te staan in de aansturing van deze activiteiten na overname. (...)
3. Wij zijn er zeer in geïnteresseerd om u te kunnen inzetten in het traject dat we na de overname zullen moeten doorlopen. We zoeken natuurlijk asap en zoveel mogelijk naar synergie. Gedeeltelijk zal er ook sprake van integratie zijn. Aan de andere kant moeten de leveringsactiviteiten in de retail van RENDO Levering gecontinueerd worden. Je hebt jarenlange ervaring bij RENDO opgedaan en deze organisatie markt- en klantgericht gemaakt met, naar het schijnt, een goed resultaat. Wij overwegen daarom om na de overname aan jou of aan een door jou aangewezen vennootschap voor een periode van -zeg- twee jaar een opdracht te geven voor de uitvoering van bovenbeschreven werkzaamheden en eventuele aanvullende activiteiten voor een bedrag van
€ 250.000 per jaar. Aan het welslagen van deze activiteiten hechten we zo veel waarde dat we aanvullend bereid zijn een bonus van € 100.000 aan te bieden, die tot uitbetaling komt als blijkt dat aan de targets is voldaan. Indien de werkzaamheden zouden worden uitgebreid met de integratie van een eventueel tweede retailbedrijf van vergelijkbare omvang zijn we bereid deze bonus te verhogen met € 100.000. (...)
4. Het zou kunnen zijn dat we in bepaalde omstandigheden nog bijzonder advies van je behoeven (...). In dergelijke gevallen zijn we graag bereid nadere afspraken met jou of een door jou aangewezen vennootschap te maken. (...)”
- in verband met de aanname vermeld onder punt 1 van Bijlage 2: de overnamesom zal pro-rata verminderd worden al naar gelang het daadwerkelijke aantal gecontracteerde en geleverde aansluitingen onder het aangenomen aantal van 200.000 ligt;
Waarom wordt ingezet op exclusiviteit?
bindend bodop de leveringsactiviteiten van RENDO (...) heeft uitgebracht en verstuurd aan het management en de Raad van Commissarissen van RENDO. (...)”
1) de aandeelhouders wordt geadviseerd RENDO Energielevering te verkopen onder nader uit te werken condities: (...)
€ 66 miljoen.
(...) RENDO Supply heeft in totaal circa 200.000 klanten/eindverbruikers;
Dit bod is onderworpen aan de finale goedkeuring door de Raad van Commissarissen van DONG Energy A/S; (...)”
[betrokkene 16] antwoordde dat, onder de voorwaarde van het geheel ontbreken van resterende geschilpunten en het aanwezig zijn van een geaccordeerde eindovereenkomst, vlak vóór de ondertekening, als een soort finale afronding, het bod zou kunnen worden verhoogd met maximaal 1,5 miljoen.
Als President-Commissaris heb ik deze toezegging gebruikt in o.a. mijn rol als burgemeester van Steenwijkerland bij de vertrouwelijke behandeling/voorbereiding van de gemeentelijke standpuntbepaling, welke bij het ‘nee’ van Hoogeveen – positief moest zijn om tot meerderheidsbesluitvorming te komen. (...)”
Electrabel heeft een schikking getroffen met het openbaarministerie voor een bedrag van
€ 2,5 miljoen. Dit bedrag is ten goede gekomen aan Rendo Holding.
Electrabel heeft daarnaast een bedrag van € 850.000,-- aan Rendo Holding betaald (in totaal € 3.350.000,--).
Deze zin is er later ingezet. Op 22-06-2010 is die overeenkomst ondertekend. Daarna is de zin erin gezet en is het document opnieuw ondertekend. Het is dan geantidateerd. Het is meer dan een jaar later opgenomen, die zin bedoel ik (...)
Antwoord: Dat is mij niet bekend. U vraagt mij of ik de naam [betrokkene 9] ken. Vóór het verhoor in mei 2012 had ik nooit van hem gehoord. De FIOD heeft zijn naam genoemd. (...)”
Ik heb bij de FIOD een aantal facturen gezien voor in totaal een miljoen Euro ofzo. Ik had deze facturen niet eerder gezien. Ik wist niet van het bestaan van die facturen. Ik wist niet dat er geld aan Woldomus door Electrabel was betaald. Ik heb nooit werkzaamheden voor Electrabel verricht. Ik heb Ik heb wel werkzaamheden voor Rendo verricht op het gebied van duurzame energie.”
Aan deze vordering hebben zij ten grondslag gelegd dat [eiser 1] en Woldomus onrechtmatig jegens Rendo c.s. hebben gehandeld, [eiser 1] omdat hij zich schuldig heeft gemaakt aan passieve ambtelijke omkoping en Woldomus omdat zij zich schuldig heeft gemaakt aan valsheid in geschrift. Rendo c.s. hebben daarbij verwezen naar de tegen [eiser 1] en Woldomus gewezen strafvonnissen van 10 november 2016. [92]
€ 21.365.621,09 te betalen, te vermeerderen met wettelijke rente.
[eisers] hebben de grieven in incidenteel appel bestreden.
5.Bespreking van het cassatiemiddel in de Electrabel-zaak
Onderdeel 2, dat uiteenvalt in drie subonderdelen, is gericht tegen rov. 8.47 t/m 8.52 waarin het hof het volgende heeft geoordeeld:
Voor een groot deel zijn die feiten in de daaraan voorafgaande overwegingen door het hof vastgesteld. Zo heeft het hof geconcludeerd dat [eiser 1] tijdens de onderhandelingen een ontoelaatbare dubbelrol heeft gespeeld ten nadele van Rendo c.s. en ten voordele van Electrabel en daarbij kenbaar uit de overgelegde stukken zijn eigen financieel belang op het oog heeft gehad, terwijl hij eraan heeft meegewerkt dat deze handelwijze zou worden onttrokken aan het oog van de RvC en de aandeelhouders van Rendo (rov. 8.27), waarmee de onrechtmatigheid van het handelen van [eisers] is gegeven (rov. 8.30). In rov. 8.33 overweegt het hof dat Electrabel haar betalingsverplichting aan [eiser 1] afhankelijk had gesteld van het tot stand komen van een koopovereenkomst tussen Rendo c.s. en Electrabel en dat de enkele omstandigheid dat deze afspraak was gemaakt en dat [eiser 1] zich op grond daarvan heeft doen betalen, zonder daarvan melding te maken bij de RvC en de ava onrechtmatig is jegens Rendo c.s. Verder heeft het hof in rov. 8.44 als vaststaand vermeld dat (i) [eisers] een incentive hebben ontvangen om het ertoe te leiden dat Rendo zou worden verkocht aan Electrabel en dat [eiser 1] als CEO van Rendo Holding bij de daarop onderhandelingen nauw betrokken was; (ii) [eisers] de RvC van Rendo Holding niet dan wel onvoldoende hebben geïnformeerd; (iii) die onderhandelingen hebben geresulteerd in een koopovereenkomst met Electrabel en (iv) dat daarbij voorbij is gegaan aan het door DONG gedane aanbod, alsmede (v) dat [eiser 1] van Electrabel betaling heeft ontvangen. In rov. 8.45, eerste volzin, voegt het hof daaraan toe, voor zover thans van belang, dat in rov. 8.34 al is overwogen dat dit handelen onrechtmatig is tegenover Rendo c.s.
ubonderdeel 2.1klaagt dat de constatering van het hof in rov. 8.50 dat aan de vereisten van (objectieve en subjectieve samenhang van) art. 6:166 BW Pro bij het gezamenlijk handelen van [betrokkene 1] en [eiser 1] is voldaan, rechtens onjuist is. Het gezamenlijk optrekken van de voorzitter van de RvC en de CEO van een bedrijf als Rendo c.s., is – zo lichten [eisers] toe – niet op zichzelf of zonder meer onrechtmatig of kan niet in de zin van de wet worden gekwalificeerd als (onrechtmatige) gedragingen in groepsverband in de zin van dat wetsartikel. De constatering van het hof is in ieder geval zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet begrijpelijk. Verder is, aldus [eisers] , de aanname van het hof dat feitelijk sprake was van “gezamenlijk handelen van [betrokkene 1] en [eiser 1] ” zonder nadere motivering onbegrijpelijk.
subonderdeel 2.2.1heeft het hof in de bestreden rechtsoverwegingen in het midden gelaten of de schade is veroorzaakt door het eigen handelen van [eiser 1] dan wel door het gezamenlijk handelen van [betrokkene 1] en [eiser 1] en dat daarom niet vaststaat dat de schade veroorzaakt is door het eigen (onrechtmatig) handelen van [eiser 1] dan wel door dat van [betrokkene 1] . In dat geval kan, aldus het subonderdeel, er logischerwijs geen sprake van zijn dat [eiser 1] als deelnemer aan de groep [betrokkene 1] / [eiser 1] hoofdelijk aansprakelijk is voor de schade die voortvloeit uit een onrechtmatige daad van [betrokkene 1] omdat de kans op het toebrengen van schade [eiser 1] had moeten weerhouden van zijn deelname aan het handelen in groepsverband. Het subonderdeel klaagt vervolgens, zakelijk weergegeven, dat bij die stand van zaken niet kan worden geconcludeerd wat het hof in de laatste volzin van rov. 8.51 doet.
ubonderdeel 2.3geklaagd, uitgaande van de veronderstelling dat het hof in rov. 8.47 t/m 8.52 een oordeel heeft gegeven over de (on)rechtmatigheid van het optreden van [betrokkene 1] , dat het hof alsdan heeft miskend dat het dat niet had behoren te doen zonder (ambtshalve) gelegenheid te geven aan [betrokkene 1] om in het geding te verschijnen (art. 118 Rv Pro).
De klacht van het subonderdeel, evenals de overige subonderdelen, falen evenwel op grond van het volgende.
- het spelen van een ontoelaatbare dubbelrol door [eiser 1] , ten nadele van Rendo c.s. en ten voordele van Electrabel, met als doel eigen financieel belang, en het eraan meewerken dat deze handelwijze zou worden onttrokken “aan het oog van de RvC en de ava van Rendo” (rov. 8.27);
- daarmee is de onrechtmatigheid van het handelen van [eiser 1] gegeven (rov. 8.30);
- de enkele afspraak tussen Electrabel en [eiser 1] over een betalingsverplichting onder de voorwaarde van het tot stand komen van een koopovereenkomst tussen Rendo c.s. en Electrabel en de omstandigheid dat [eiser 1] zich op grond daarvan heeft doen betalen zonder daarvan melding te maken bij de RvC en de ava, is onrechtmatig jegens Rendo c.s. (rov. 8.33 en 8.44).
Volgens het hof neemt dat niet weg “dat het alleen [eiser 1] was die een persoonlijk financieel belang had bij de verkoop aan Electrabel en dat het bovendien [eiser 1] was die als CEO kennis had van het aantal aansluitingen, klanten en de opbrengsten die daarmee samenhingen” en dat “niet duidelijk wordt in hoeverre de door [betrokkene 1] op de algemene vergadering uitgeoefende druk tot verkoop aan Electrabel is ingegeven door informatie afkomstig van [eiser 1] .” Vast staat wel, aldus het hof, dat zowel [eiser 1] als [betrokkene 1] in de algemene vergadering hebben aangestuurd op verkoop aan Electrabel (rov. 8.49).
In rov. 8.53 heeft het hof verder overwogen dat als de verkoopprijs van de aandelen aan Electrabel voor Rendo c.s. minder gunstig was dan de eveneens aan de orde zijnde verkoopprijs die DONG bereid was te betalen, de onrechtmatigheid en causaliteit zijn gegeven. In rov. 8.59 komt het hof tot de conclusie dat het bod van DONG hoger was dan dat van Electrabel.
Daarnaast is de overweging niet onvoldoende begrijpelijk gemotiveerd. De motivering van het hof is te lezen in de hiervoor besproken rov. 8.47 t/m 8.49.
Verder heeft het hof niet geoordeeld dat [betrokkene 1] medeaansprakelijk zou zijn in de zin van art. 6:166 BW Pro, zodat het hof niet was gehouden tot het oproepen van [betrokkene 1] in dit geding op de voet van art. 118 Rv Pro. Tot slot heeft het hof niet geoordeeld dat [betrokkene 1] en [eiser 1] ‘tezamen in vereniging’ hebben gehandeld.
Subonderdeel 3.1voert aan dat rov. 8.58 geen begrijpelijke weerlegging vormt van het verweer van [eisers] , althans dat deze is gebaseerd op een onbegrijpelijke uitleg van dat verweer. Ter toelichting voeren [eisers] aan dat zij nu juist hebben gesteld dat er een verschil is tussen het aantal aansluitingen, waarvan Electrabel in haar aanbod uitging, en het aantal direct beleverde klanten, waarvan DONG in haar aanbod uitging. Volgens [eisers] is de gelijkstelling in rov. 8.58, tweede volzin, “per aansluiting, dat wil zeggen per direct beleverde klant”, onbegrijpelijk.
Het hof heeft, zakelijk weergegeven, allereerst in rov. 8.54 – in cassatie niet bestreden – tot uitgangspunt genomen dat voor de bepaling of het bod van DONG hoger was dan het bod van Electrabel uitsluitend van belang is welk bedrag DONG in het kader van de overname van Rendo Energielevering had willen betalen afgezet tegen het bedrag dat Electrabel daadwerkelijk voor die overname heeft betaald, te weten € 68 miljoen.
Daarnaast vermeldt het hof de berekening van het bedrag dat DONG volgens Rendo c.s. had willen betalen. In die berekening wordt onder 1 het aantal aansluitingen vermeld (206.660) vermenigvuldigd met de geboden prijs per aansluiting (€ 330) = € 68.178.000,--.
ofelektriciteit afneemt, en € 660,- per beleverde klant als deze gas
enelektriciteit afneemt. Dat het hof daarbij “aansluitingen”, een term die DONG overigens niet in haar brief heeft genoemd, gelijkstelt met “per direct beleverde klant”, is niet onbegrijpelijk. Het hof heeft tot uitdrukking gebracht dat een klant die gas en elektriciteit afneemt, kan worden gelijkgesteld met een klant die twee aansluitingen heeft en dat een klant die alleen gas of elektriciteit afneemt, wordt gezien als een klant met één aansluiting.
Rendo c.s. hebben in eerste aanleg al met zoveel woorden gesteld dat één particuliere klant gelijk staat aan één aansluiting en dat één klant met levering voor zowel gas als elektriciteitsaansluiting telt als twee klanten [107] en in appel hebben zij o.m. ook ten bewijze hebben aangeboden dat de biedingen van DONG waren gerelateerd aan het aantal aansluitingen. [108]
Subonderdeel 3.2klaagt dat het hof met deze overweging hetzij de devolutieve werking van het hoger beroep heeft miskend, hetzij zijn oordeel niet van een (voldoende) begrijpelijke motivering voorzien. Ter toelichting voeren [eisers] aan dat het hof op alle verweren die zij in eerste aanleg tegen die posten hadden aangevoerd, had moeten ingaan. [109]
De procesinleiding verwijst (uitsluitend) naar de verweren van [eisers] tegen de posten “Bijdrage Transactiekosten” en “Software”. In de procesinleiding wordt met betrekking tot de post “Pand Hoogeveen” geen vindplaats genoemd.
Dienaangaande is in de conclusie van dupliek van [eisers] het verweer opgenomen dat de post niet thuishoort in een vergelijking over voor- en nadelen van de biedingen tussen DONG en Electrabel, omdat het een vergoeding betreft van nog te maken kosten en Rendo daaruit geen winst behaalt.
Rendo c.s. hebben in hoger beroep op dit punt verwezen naar hun stellingen in eerste aanleg. [112] [eisers] hebben hierop in hoger beroep niet gereageerd.