Conclusie
1. De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 21 februari 2023
(het hof begrijpt: ongeveer twee weken voor 22 januari 2020)heb ik een vuurwapen gekocht. Ik wist niet hoeveel kogels er in het wapen zaten, maar ik ging er wel vanuit dat er kogels in het wapen zaten. Hij
(het hof begrijpt: [slachtoffer])pakte mij vast en toen pakte ik het wapen. Ik zag dat hij naar mij keek en nog een stap naar voren deed. Er was niet veel ruimte tussen ons toen hij naar me toe kwam lopen. Ik had mijn arm met het wapen al gestrekt. Het wapen ging af. Ik weet dat ik de trekker heb overgehaald. Ik heb bewust de trekker overgehaald.
mededeling van verbalisant:
mededeling van verbalisant:
mededeling van verbalisant:
‘Feiten en omstandigheden waarvan het hof uitgaat
ik heb een verrassing voor je”. Tegenover deze verklaring van [getuige 1] staat echter de verklaring van de verdachte, die ontkent dit te hebben gezegd. Ook de overige dossierstukken bieden op dit punt geen ondersteuning voor de verklaring van [getuige 1]. Gelet hierop en in aanmerking genomen dat [getuige 1] niet als ‘objectieve’ getuige kan worden beschouwd, houdt het hof het ervoor dat de verdachte
nietheeft gezegd “
ik heb een verrassing voor je".
een beweging maakte naar zijn jaszak" waardoor de verdachte in paniek raakte “
en dacht dat het slachtoffer bijvoorbeeld een mes zou grijpen". Het hof stelt echter vast dat bij het slachtoffer geen mes of enig ander wapen is aangetroffen. Gelet hierop en bij gebreke van aanwijzingen die in een andere richting wijzen, gaat het hof ervan uit dat het slachtoffer geen mes of ander wapen heeft willen en kunnen pakken.
Bewijsoverweging feit 1
‘Strafbaarheid van de verdachte
doorslaggevendbelang is geweest voor de verweten gedraging. Bij de beantwoording van de vraag of in een concreet geval sprake is van het hier bedoelde ‘onmiddellijk gevolg’, kan betekenis toekomen aan de mate waarin de grenzen van de noodzakelijke verdediging zijn overschreden alsmede aan de aard en de intensiteit van de hevige gemoedsbeweging.
direct voorafgaand of op het momentdat hij schoot. De reactie van de verdachte richting het slachtoffer was onder de gegeven omstandigheden bovendien zeer buitensporig. De grenzen van de noodzakelijke verdediging zijn als gezegd zeer fors overschreden. Gelet op het voorgaande acht het hof het niet aannemelijk dat sprake is geweest van een dermate hevige gemoedsbeweging dat deze van doorslaggevend belang is geweest voor de verweten gedraging (het schieten door de verdachte). Het beroep op noodweerexces wordt dan ook verworpen.
dacht dat het slachtoffer naar bijvoorbeeld een mes zou grijpen”.
moeten onderzoeken of sprake was van verontschuldigbare dwaling aan de kant van de verdachte, bijvoorbeeld omdat hij niet alleen kon, maar redelijkerwijs ook mocht menen dat hij zich moest verdedigen op de wijze als hij heeft gedaan omdat hij verontschuldigbaar zich het dreigende gevaar heeft ingebeeld dan wel de aard van de dreiging verkeerd heeft beoordeeld".
Hij had me met rechts vast bij mijn linkerarm. Ik zie die linkerhand... die linkerhand van hem doet iets. Ik weet niet wat hij doet. Ik weet niet of hij iets ging pakken... dat weet ik niet. Maar ik heb het vaker meegemaakt.” Later heeft de verdachte verklaard dat hij dacht dat het slachtoffer “
een mes zou trekken (...)[en]
tussen mijn ribben zou steken”, en heeft hij ter terechtzitting in hoger beroep nog gesteld dat het slachtoffer zijn hand daadwerkelijk in zijn jaszak heeft gestopt.
verontschuldigbaarheeft ingebeeld terwijl de verdachte bovendien niet heeft mogen menen dat hij zich tegen dat gestelde gevaar moest verdedigen op de wijze zoals hij heeft gedaan.
Was slachtoffer onder invloed van verdovende middelen?
BFK: volgen verwijzingen naar lagere rechtspraak]