ECLI:NL:PHR:2024:285

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
19 maart 2024
Publicatiedatum
12 maart 2024
Zaaknummer
22/00521
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 141 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt veroordeling openlijke geweldpleging ondanks beroep op noodweer

Op 3 september 2016 vond een vechtpartij plaats op en nabij de brug Molensteeg in Amsterdam tussen drie Roemenen, waaronder de verdachte, en een groep Voorthuizenaren. De verdachte werd door het hof Amsterdam veroordeeld tot 90 dagen gevangenisstraf, waarvan 66 dagen voorwaardelijk, wegens openlijke geweldpleging. De aanleiding van de vechtpartij kon niet worden vastgesteld, noch wie de eerste geweldshandeling verrichtte.

Het hof deelde de feiten op in twee fasen: de eerste fase betrof openlijke geweldpleging op de brug Molensteeg, de tweede mishandeling met dodelijk gevolg tijdens de verplaatsing. De verdachte werd vrijgesproken voor het tweede feit wegens aanvaarding van noodweer. Voor het eerste feit verwierp het hof het beroep op noodweer en noodweerexces, omdat het handelen van verdachte niet als verdedigend maar als aanvallend werd beoordeeld.

De advocaat-generaal concludeerde tot verwerping van het cassatieberoep. De Hoge Raad bevestigde dat het hof terecht heeft geoordeeld dat het gedrag van de verdachte, zowel qua bedoeling als uiterlijke verschijningsvorm, niet als verdedigend kon worden aangemerkt. Het cassatiemiddel faalde, mede omdat het hof voldoende feitelijke vaststellingen deed die in cassatie niet kunnen worden getoetst. De redelijke termijn was overschreden, maar dit leidde niet tot vernietiging. Het arrest bevestigt de strenge toetsing aan het beroep op noodweer bij openlijke geweldpleging.

Uitkomst: Hoge Raad bevestigt veroordeling voor openlijke geweldpleging en verwerpt het beroep op noodweer.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer22/00521
Zitting19 maart 2024
CONCLUSIE
E.J. Hofstee
In de zaak
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1995,
hierna: de verdachte
I.
Inleiding
De verdachte is bij arrest van 3 februari 2022 door het gerechtshof Amsterdam wegens "openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 90 dagen, waarvan 66 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, en met aftrek van het voorarrest. Voorts heeft het hof de benadeelde partijen in hun vorderingen niet-ontvankelijk verklaard.
Er bestaat samenhang met de zaak 22/00536. Ook in die zaak zal ik vandaag concluderen.
Namens de verdachte heeft H. Bakker, advocaat te Amsterdam, één middel van cassatie voorgesteld.
II.
De zaak
4. Voor een goed begrip schets ik aan de hand van de vaststellingen en overwegingen van het hof het feitencomplex dat ten grondslag ligt aan ’s hofs beoordeling van de onderhavige zaak. In de avond van 3 september 2016 heeft op en nabij de brug Molensteeg in Amsterdam, met de kruising Oudezijds Achterburgwal, een vechtpartij plaatsgevonden tussen drie Roemenen, onder wie de verdachte, en een zevental Voorthuizenaren. Na deze geweldshandelingen op deze brug, hebben beide groepen zich over de Oudezijds Achterburgwal langs het water in de richting van de Stoofsteeg bewogen. Op camerabeelden is te zien dat de drie Roemenen dan, gedurende deze verplaatsing, achteruit lopen en zich trachten te verwijderen, terwijl de groep Voorthuizenaren zich in de richting van de groep weglopende Roemenen voortbeweegt. Tijdens het achteruitlopen is de verdachte in de gracht beland. Nadat hij met hulp van de medeverdachte [medeverdachte] uit het water is geklommen, is een van de Voorthuizenaren, [slachtoffer ] , op [medeverdachte] afgestapt en heeft hem twee duwen gegeven, waardoor [medeverdachte] tegen een plantenbak aan viel. [medeverdachte] is vervolgens van de waterkant weggelopen, en zo ook [slachtoffer ] . De verdachte is toen enkele passen achter [slachtoffer ] aangelopen en heeft hem een klap tegen het achterhoofd gegeven. [slachtoffer ] greep daarop naar zijn oor en zakte in elkaar. Een dag later is hij in het VU medisch centrum te Amsterdam overleden ten gevolge van hersenletsel.
5. Aan de verdachte zijn twee feiten tenlastegelegd, te weten 1. meest subsidiair ‘mishandeling, de dood ten gevolge hebbend’ en 2. ‘openlijke geweldpleging tegen de Voorthuizenaren’. Het hof heeft hetgeen zich tussen de Roemenen en de Voorthuizenaren feitelijk heeft afgespeeld in twee fasen ‘opgedeeld’. De eerste fase is door het hof gesitueerd op (kort gezegd) de brug Molensteeg en heeft betrekking op het
onder 2tenlastegelegde feit, de openlijke geweldpleging. Naar het hof heeft vastgesteld, is wat betreft deze eerste fase niet te achterhalen van wie (welke groep) de eerste geweldshandeling afkomstig is. Wat wel vaststaat is dat toen over en weer geweld is gebruikt, onder meer en vooral door de verdachte. De tweede fase omvat de verplaatsing over de Oudezijds Achterburgwal richting de Stoofsteeg en ziet op het
onder 1tenlastegelegde, de mishandeling met het noodlottige gevolg. Deze opdeling in twee fasen vormt niet het mikpunt van het middel.
6. Wat betreft de tweede fase heeft het hof de verdachte integraal vrijgesproken van het onder 1 tenlastegelegde (mishandeling de dood ten gevolge hebbend; het beroep op noodweer is met betrekking daartoe door het hof aanvaard en dat brengt mee dat de bij mishandeling ingeblikte wederrechtelijkheid niet kan worden bewezenverklaard). Dat het middel zich daar niet tegen keert, spreekt voor zich.
7. Aangaande de eerste fase en het
tweedetenlastegelegde feit (openlijke geweldpleging) heeft het hof anders geoordeeld. Omdat het hof de aanleiding daarvan niet heeft kunnen achterhalen, is het beroep van de verdediging op noodweer(exces) dienaangaande verworpen. Tegen dit oordeel richt het middel zich wel, althans voor zover het gaat om de
bedoelingdie de verdachte naar het oordeel van het hof zou hebben gehad met de bewezenverklaarde gedragingen.
III.
Het middel
8. Het middel richt zich met een motiveringsklacht tegen ’s hofs verwerping van het beroep van de verdediging op noodweer. Geklaagd wordt dat het hof daarbij heeft verwezen naar de bedoeling die de verdachte zou hebben gehad met de bewezenverklaarde gedragingen (het met kracht en met gebalde vuisten slaan) zonder daarbij enige kenbare aandacht te besteden aan de vraag wat die bedoeling behelsde, terwijl (aldus de steller van het middel) die bedoeling evenmin in een van de bewijsmiddelen is terug te vinden.
IV.
De bewezenverklaring, bewijsmiddelen en bewijsoverwegingen
9. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
“2. hij op 3 september 2016 te Amsterdam, met anderen, op of aan de openbare weg, te weten de Molensteeg en/of de Oudezijds Achterburgwal, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [betrokkene 1] en [betrokkene 2] en [betrokkene 3] en [betrokkene 4] en [aangever] , welk geweld bestond uit: - het met kracht en met gebalde vuisten slaan tegen het hoofd en/of liet lichaam van voornoemde [betrokkene 1] en [betrokkene 2] en [betrokkene 3] en [betrokkene 4] en [aangever] .”
10. De bewezenverklaring berust op de volgende bewijsmiddelen: [1]

1. Een proces-verbaal van verhoor getuige met nummer PL1300-2016191166-5 van 3 september 2016, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 1](…).
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 6 september 2016 afgelegde verklaring van
getuige [betrokkene 1]:
Ik was op 3 september 2016 voor een vrijgezellenfeest op de wallen. Wij waren met een groep van 10 man. Wij liepen de Oudezijds Achterburgwal op. Ik zag een ruzie tussen een groep jongens, 3 mannen die waarschijnlijk Oost-Europees waren. Ik kon dat horen aan hun manier van spreken.
Ik kan de 3 mannen omschrijven als:
NN1: Oost-Europees, waarschijnlijk Pools (
het hof begrijpt: Roemeens), klein van stuk, ongeveer 165 cm lang, hanenkam op zijn hoofd (
het hof begrijpt: [verdachte] ).
NN2: Oost-Europees, waarschijnlijk Pools (
het hof begrijpt: Roemeens), stevig gespierd, ongeveer 170 cm lang. Gemillimeterd, donkerblond haar (
het hof begrijpt: [medeverdachte]).
NN3: Oost-Europees, waarschijnlijk Pools (
het hof begrijpt: Roemeens), normaal postuur, ongeveer 180 cm lang. Kort, donker haar (
het hof begrijpt: [betrokkene 5]).
Ik zag dat NN1 en NN2 erg agressief deden en begonnen te vechten. Ik kreeg een klap op mijn neus van 1 van de 2.
2. Een proces-verbaal van verhoor getuige van 6 september 2016, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 2] en [verbalisant 3](…).
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 6 september 2016 afgelegde verklaring van
getuige [betrokkene 1]:
Op 3 september 2016 zijn we naar de Wallen gegaan. We liepen richting een bruggetje (
het hof begrijpt: de Molensteeg). We staken het bruggetje over. Ik was met [aangever] (
het hof begrijpt: [aangever]) en we stonden aan de overkant van het bruggetje. We moesten daar even wachten op de rest van de jongens. Op het bruggetje begon een opstootje tussen twee groepen. De rest van onze groep kwam tussen die twee groepen in, in ieder geval een groep met Polen, Oost-Europees (
het hof begrijpt: de groep Roemenen). Ik ben naar het bruggetje toegegaan en kreeg plotseling een klap op mijn neus waardoor ik een bloedneus opliep. Zoals u ziet heb ik daardoor nog een wond op mijn neus.
3. Een proces-verbaal van verhoor getuige met nummer 2016191166 met documentcode 7272716 van 26 oktober 2016, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 4] en [verbalisant 5](…).
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 26 oktober 2016 afgelegde verklaring van getuige
[betrokkene 2]:
Op 3 september 2016 zag ik dat er twee groepen tegenover elkaar liepen. Het ontstond net aan de andere kant van de brug van de Bananenbar (
het hof begrijpt: de Molensteeg). Eén groep was drie Roemenen. Ik zag dat mijn broer (
het hof begrijpt: [betrokkene 3]) op de grond viel. Ik ging meteen naar mijn broer en hij stond op en ik zag dat hij zijn hand voor zijn mond hield. Ik hoorde hem zeggen: “mijn tand, mijn tand”. Ik kan me herinneren dat het een drukke zaterdagavond op de wallen was en het was druk op de brug.
Ik kreeg een tik in mijn gezicht.
4. De verklaring van [betrokkene 2] , afgelegd als getuige ter terechtzitting van het hof van 15 oktober 2021, voor zover hier van belang luidende:
Aan [betrokkene 3] is een klap uitgedeeld door een Roemeense man. Ik was een van de eerste personen die reageerde op de klap die aan [betrokkene 3] werd uitgedeeld. Ik ben ertussen gesprongen.
5. Een proces-verbaal van verhoor getuige met nummer PL1300-2016191166-2 van 4 september 2016, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 6](…).
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 4 september 2016 afgelegde verklaring van
getuige [betrokkene 3]:
Op 3 september 2016 was ik met vrienden in het Wallengebied. We liepen in de richting van de brug, vlakbij café "Old Sailor’ (
het hof begrijpt: de Molensteeg). Ik zag een drietal Oostblokkers. Onmiddellijk explodeerde de situatie. Ik zag dat de drie vermoedelijk Poolse mannen er op los sloegen. (...) Ik weet wel dat de drie Poolse mannen helemaal los gingen. Ik zag dat het drie blanke mannen waren. Ik zag dat een van de drie mannen niet langer dan 165 cm lang was. En de langste niet langer dan 180 cm. De derde man zat er tussenin qua lengte. De kleinste van de drie mannen was het agressiefst. Ik ben door een van de drie Poolse mannen (
het hof begrijpt hier en hiervoor steeds: Roemeense mannen) in mijn gezicht geslagen. Ik heb nu diverse pijnlijke plekken in mijn gezicht en een dikke opgezette lip en ik mis een voortand.
Ik was gekleed in een overall.
6. Een proces-verbaal van verhoor getuige met nummer 2016191166 en documentcode 7285736 van 27 oktober 2016, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 4] en [verbalisant 5](…).
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 27 oktober 2016 afgelegde verklaring van
getuige [betrokkene 4]:
Op 3 september 2016 werd ik geraakt op mijn hoofd. Dat was op of naast het bruggetje, aan de kant van de Oudekennissteeg (
het hof begrijpt: de Molensteeg).
Uiteindelijk liep ik het bruggetje op en kwam ik aanraking met de Roemenen. Op enig moment sloeg iemand me tegen mijn hoofd. De Roemeen is een iets kleinere jongen met een soort van hanenkam (
het hof begrijpt: [verdachte]).
7. Een proces-verbaal van verhoor getuige met proces-verbaalnummer 2016191 166 en document code 7092596 van 6 september 2016, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 8] en [verbalisant 7](…).
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 6 september 2016 afgelegde verklaring van
getuige [betrokkene 4](waarbij ‘V’: staat voor een vraag van de verbalisant, en ‘A’ voor een antwoord van de getuige):
We zijn die avond aan het lopen gegaan door Amsterdam. Ik ben de jongens nog één keer kwijt geweest. Ik zag ze staan op het bruggetje. Daar heb ik me weer bij ze gevoegd. Dat was ook zo het moment dat alles begon.
V: Wat kan je vertellen over “die andere groep”?
A: Er waren twee wat kleinere jongens en een grotere.
V: Hoeveel personen waren het?
A: Sowieso heb ik er drie gezien die bij elkaar hoorden.
V: Hoe weet je dat?
A: Ze hielpen elkaar, ze namen het voor elkaar op.
V: Hoe kan je de grote omschrijven?
A: De grote was aardig breed. Ik denk dat hij zo 1 m80 was.
V: Heb je hem horen praten?
A: Een vreemde taal. Het was echt geschreeuw. Ik kon er niks uit opmaken. Het was geen Engels ofzo.
V: Wat was je eerste gedachte, afgaande op uiterlijk en spraak?
A: Ik denk zelf Roemenen.
V: Wat kan je vertellen over de kleinere persoon waar jij mee in gevecht was?
A: Die was wild om zich heen aan het zwaaien, mijn kant op. Die heeft me wel op een paar plekken geraakt. Toen kwam die grote hem helpen en was het twee tegen één.
8. Een proces-verbaal van verhoor aangever van 6 oktober 2016, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 3](…).
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 6 oktober 2016 afgelegde verklaring van
aangever [aangever]:
Op 3 september 2016 was ik voor een vrijgezellenfeest op de Wallen. Ter hoogte van 'Old Sailor’ op de brug (
het hof begrijpt: de Molensteeg) ben ik mishandeld. Ik draaide me even om. Het volgende moment zag ik [betrokkene 3] op de grond liggen. Ik ben er naar toe gelopen. Op een meter of 3 van [betrokkene 3] vandaan kwam er toen iemand uit de menigte naar mij toe gestormd/gevlogen. Ik zag dat hij sprong. Zijn onderarm of vuist belandde op mijn schouder. Ik kon zien dat hij zijn arm sterk gespannen had, door zijn T-shirt met korte mouwen kon ik zien dat zijn armspieren gebald waren. Ik voelde vervolgens dat iets hard en met kracht op mijn schouder terecht kwam.
9. Een proces-verbaal van verhoor getuige van 6 september 2016, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 9] en [verbalisant 10](…).
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 6 september 2016 afgelegde verklaring van
getuige [aangever]:
We staken bij Old Sailor de brug over. We bleven echter wachten op de hoek van de Oudezijds Achterburgwal/Oudekennissteeg. Ineens zag ik 3 man op de grond liggen. Ik zag [betrokkene 3] op de grond rollen en nog twee. Ik liep naar [betrokkene 3] en wilde hem overeind helpen. In mijn ooghoek zag ik rechts van mij iemand op mij afvliegen. Ik stond bijna naast [betrokkene 3] . (Noot verbalisant: Deze man noemen we verder NN1). NN 1 kwam op mij af sprinten en sprong een meter van de grond. Hij hield een vuist naar achteren en één naar voren en sloeg vol in mijn nek met zijn rechtervuist. NN1 had opgeschoren haar, donkerblond. Hij was gespierd en droeg een grijs T-shirt (
het hof begrijpt: [medeverdachte]).
10. Een-proces-verbaal van bevindingen toestemming aanhouding met nummer 2016191166 met documentcode 7142078 van 20 september 2016, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 11](…).
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als verklaring van de
verbalisant:
Op 3 september 2016 heeft er een vechtpartij plaatsgevonden op de Oudezijds Achterburgwal te Amsterdam. Naar aanleiding van hetgeen hierboven omschreven is een grote hoeveelheid beeldmateriaal gevorderd.
Op de beelden is de groep uit Voorthuizen te zien in gevecht met drie personen die zijn aangemerkt als NN-verdachten. Eén van deze NN-verdachten betreft een kleine man met een opvallend shirt en een opvallend kapsel. Verder is het vest van [aangever] , die deel uitmaakte van de groep uit Voorthuizen, bemonsterd door Forensische Opsporing voor eventuele DNA-sporen. Het bemonsterde vest leverde een bruikbaar DNA-profiel op. Uit onderzoek is gebleken dat dit DNA-profiel afkomstig kan zijn van een persoon genaamd [verdachte] , geboren [geboortedatum] 1995 te [geboorteplaats] . Het betreft een DNA-match met een matchkans van < 1 op 1 miljard. [verdachte] komt voor in de politiesystemen. Op basis van zijn DNA, zijn uiterlijke kenmerken en zijn kleding zoals te zien op de gevorderde beelden en naar aanleiding van verklaringen, is hij herkend als de hierboven omschreven kleine NN-verdachte met opvallend shirt en kapsel.
Verder is te zien dat [betrokkene 5] grote gelijkenissen toont met één van de twee personen die, in het bijzijn van [verdachte] , te zien is op de gevorderde beelden. De derde NN-verdachte die tevens deelnam aan de vechtpartij vertoont grote gelijkenissen met [medeverdachte] van [geboortedatum] 1994.
11. Een proces-verbaal van camera-onderzoek compleet met nummer 2016191166 met documentcode 7237814 van 19 oktober 2016, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 12](…).
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als verklaring van de
verbalisant:
Op de camerabeelden is de vechtpartij die plaatsvond op 3 september 2016 op de Oudezijds Achterburgwal in Amsterdam te zien. Alle camerabeelden zijn veelvuldig bekeken.
De vechtpartij heeft plaatsgevonden tussen twee groepen personen. De ene groep bestond uit 10 mannen uit Voorthuizen. De andere groep bestond uit 3 mannen uit Roemenië.
Op cameramoment 01 lopen [verdachte] (
het hof begrijpt: [verdachte]), [betrokkene 5] en [medeverdachte] (
het hof begrijpt: [medeverdachte]) richting de Oudezijds Achterburgwal.
Op cameramoment 14 lopen de drie Roemenen over de Oudezijds-Achterburgwal richting de Molenbrug. Op cameramoment 15 loopt de groep Voorthuizenaren de Molenbrug op.
Op Cameramomenten 16 en 17 is een groep mannen met elkaar in gevecht op de hoek Molenbrug/Oudezijds Achterburgwal. Ik zie voornamelijk gestrekte armen met gebalde vuisten richting gezichten tussen de verschillende betrokkenen over en weer gaan. Ik zie dat:
- [verdachte] zich verdedigt met vuistslagen tegen meerdere vuistslagen van [betrokkene 1] ;
- [medeverdachte] een Voorthuizenaar een vuistslag tegen het gezicht geeft;
- [medeverdachte] een Voorthuizenaar een vuistslag tegen het achterhoofd geeft.
12. Een proces-verbaal van verhoor verdachte met documentcode 7252898 van 19 oktober 2016, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 13] en [verbalisant 14](…).
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 19 oktober 2016 afgelegde verklaring van
verdachte [medeverdachte]:
Op 3 september 2016 liepen [verdachte] en [betrokkene 5] (
het hof begrijpt: [verdachte] en [betrokkene 5]) voor mij. De groep jongens was op een brug. Wij liepen ook op de brug. Ik heb twee mensen met de vuist geslagen. Toen is de vechtpartij doorgegaan tot de voorkant van de seksclub met het grote rode teken (
het hof begrijpt: [A]). Dat hele stuk heb ik gevochten. Er werd gevochten met de vuisten. Ik heb met dezelfde groep personen gevochten."
13. Een proces-verbaal van verhoor getuige met nummer 2016191166 van 14 september 2016, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 15] en [verbalisant 9](…).
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 4 september 2022 afgelegde verklaring van getuige
[betrokkene 9]:
Ik ben werkzaam bij [A] , aan de Oudezijds Achterburgwal. Er kwamen Polen aanlopen. Vooral die kleine van de Polen (
het hof begrijpt: [verdachte]) gedroeg zich agressief. Die kleine Pool nam een agressieve houding aan. Hij nam een bokshouding aan. Ik heb toen het horecateam gebeld. Ik heb gezegd dat het een groep was en dat ik dacht dat het Polen waren.
14. Een proces-verbaal van verhoor getuige met nummer 2016191166 en documentcode 7090179 van 5 september 2016, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 4] en [verbalisant 10](…).
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 5 september 2016 afgelegde verklaring van getuige [betrokkene 6] :
Ik was op 3 september aan het werk op de Oudezijds Achterburgwal. Ik zag een kleine man die uit zijn dak ging. Ik had het idee dat hij Oost-Europees was. Zijn haardracht was kort en naar voren gekamd (
het hof begrijpt: [verdachte]). Ze kwamen uit de richting van het bruggetje bij de Molensteeg. Hij stond uitdagend met zijn handen te zwaaien in de richting van de brug Molensteeg.
15. Een proces-verbaal van verhoor getuige met nummer PL1300-2016191166-7 van 4 september 2016, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [betrokkene 7](…).
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 4 september 2016 afgelegde verklaring van
getuige [betrokkene 8]:
Vanavond (
het hof begrijpt: 3 september 2016) heb ik een vechtpartij gezien. Ik zag twee groepjes vechten. Ik zag dat erover en weer geslagen werd. Het was op dat moment heel druk op straat.”
11. Voorts heeft het hof, voor zover hier van belang, in het bestreden arrest overwogen:

Bewijsoverwegingen ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde
Aanleiding van de vechtpartij
Uit de verklaringen van de betrokkenen en getuigen kan de aanleiding van de vechtpartij niet worden achterhaald en evenmin kan op grond van (objectieve) feiten en/of omstandigheden, zoals bijvoorbeeld camerabeelden, die aanleiding worden vastgesteld. Evenmin kan aan de hand van objectieve gegevens worden vastgesteld wie de eerste geweldshandeling heeft verricht.
Situatie op de brug (Molensteeg)
Op grond van het dossier stelt het hof vast dat zowel door de groep Roemenen als door de groep Voorthuizenaren geweldshandelingen op en nabij de brug Molensteeg met de kruising Oudezijds Achterburgwal zijn gepleegd. Verschillende personen binnen de groep Voorthuizenaren hebben verklaard dat de groep Roemenen klappen hebben uitgedeeld. [betrokkene 1] is blijkens zijn verklaring ten overstaan van de politie tegen zijn neus geslagen door ‘NN1’ of ‘NN2’ die deel uitmaakte van de groep Roemenen. Ook [betrokkene 2] , [betrokkene 3] , [betrokkene 4] en [aangever] hebben verklaard dat zij zijn geslagen door iemand uit de groep Roemenen. Door een van die klappen is de tand van [betrokkene 3] uit zijn mond geslagen.
Bovengenoemde verklaringen worden ondersteund door camerabeelden, verklaringen van [medeverdachte] en verklaringen van getuigen die niet bij de vechtpartij betrokken waren. Zo is op de beelden te zien dat de verdachte en [medeverdachte] vuistslagen geven aan verschillende personen binnen de groep Voorthuizenaren en op die wijze deelnemers zijn aan de vechtpartij. [medeverdachte] heeft in het politieverhoor van 19 oktober 2016 verklaard dat hij twee vuistslagen heeft uitgedeeld aan de groep Voorthuizenaren. Volgens getuigenverklaringen sloeg de verdachte een man met een
overall (het hof begrijpt: [betrokkene 3] ), gedroeg (‘vooral’) hij zich agressief, ging hij ‘uit zijn dak’ en zwaaide hij uitdagend met zijn handen. De getuige [betrokkene 8] heeft verklaard dat over en weer werd geslagen.
Conclusie
Het hof acht op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich met anderen schuldig heeft gemaakt aan openlijke geweldpleging jegens personen door [betrokkene 1] , [betrokkene 2] , [betrokkene 3] , [betrokkene 4] en [aangever] tegen het hoofd en/of het lichaam te slaan. Het hof spreekt de verdachte vrij voor zover de tenlastelegging zich richt op het schoppen van voornoemde en andere personen, nu weliswaar vaststaat dat er tijdens de vechtpartij is geschopt, maar niet is komen vast te staan door wie tegen wie zou zijn geschopt.”
[…]
Strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het onder 2 bewezenverklaarde
Het standpunt van het openbaar ministerie
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte niet strafbaar is omdat hij heeft gehandeld vanuit een noodweersituatie.
Hij heeft daartoe, kort gezegd en zakelijk weergegeven, het volgende aangevoerd. Er is geen sprake van één doorlopend feitencomplex waarbij de groep Roemenen (voortdurend) als agressor hebben opgetreden. Het dossier en het verhandelde ter terechtzitting bieden steun aan het scenario dat de groep Roemenen schetst: dat het geweld is gestart door de Voorthuizenaren. De advocaat generaal acht minst genomen aannemelijk dat niet de groep Roemenen maar juist de groep Voorthuizenaren de geweldspleging is begonnen en dat zij een gewelddadige confrontatie zijn blijven zoeken.
Nadat de Roemenen zich vervolgens aan verdere geweldpleging trachtten te onttrekken zijn zij achtervolgd door de groep Voorthuizenaren, waardoor en waarna opnieuw over en weer geweld is gepleegd. Door de groep Voorthuizenaren is daarbij grof geweld gebruikt, waartegen de groep Roemenen zich hebben verdedigd.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft gesteld dat de verdachte een beroep op noodweer toekomt en dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging. Daartoe heeft hij aangevoerd dat vanaf het ontstaan van de vechtpartij sprake is geweest van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van hun lijf waartegen verdediging geboden was. Ook volgt uit de verklaringen van de groep Roemenen, de getuigenverklaringen en de camerabeelden dat sprake is geweest van geweld van “een numerieke meerderheid van vastberaden knokkers” (
het hof begrijpt: de groep Voorthuizenaren). De verdachte en [medeverdachte] hebben geprobeerd [betrokkene 5] te ontzetten en ontvingen toen zelf klappen, waartegen de verdachte zich heeft verweerd. Op de beelden is onder meer te zien dat de groep Roemenen achteruitloopt en stop-gebaren maakt. Zij pogen zich aan het geweld te onttrekken (de-escaleren), terwijl de groep Voorthuizenaren vooruitloopt, opdrijft en geweldshandelingen verricht.
Overwegingen van het hof
Zoals hiervoor al is overwogen moet voor een geslaagd beroep op noodweer sprake zijn van een noodzakelijke verdediging tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van eigen of andermans lijf, eerbaarheid of goed. Dat betekent dat gedragingen die als aanvallend moeten worden beschouwd, geen grondslag kunnen vormen voor een geslaagd beroep op noodweer.
Anders dan de advocaat-generaal en de verdediging is het hof van oordeel dat aan de verdachte ten aanzien van de bewezenverklaarde openlijke geweldpleging op de brug geen beroep op noodweer toekomt. De gedragingen van de verdachte kunnen immers noch op grond van diens bedoeling noch op grond van de uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als verdedigend, maar moeten - naar de kern bezien - veeleer als aanvallend worden beschouwd, te weten als te zijn gericht op de confrontatie en deelneming aan het gevecht. Het hof baseert dat op het navolgende. De verdachte heeft deelgenomen aan een vechtpartij op de Molensteeg(brug) / Oudezijds Achterburgwal, waarbij hij en zijn groepsgenoten meerdere geweldshandelingen jegens de groep Voorthuizenaren hebben verricht. De aanleiding van de vechtpartij blijft onduidelijk, maar uit de camerabeelden volgt dat op/bij de brug van de Molensteeg/ Oudezijds Achterburgwal door beide groepen over en weer is gevochten. Uit verklaringen van getuigen volgt dat met name de kleine man uit de groep Roemenen - het hof begrijpt: de verdachte - zich agressief gedroeg, ‘uit zijn dak' ging en op de brug bij de Molensteeg één van de Voorthuizenaren heeft neergeslagen. Indien en voor zover de agressie door de groep Voorthuizenaren zou zijn gestart, is naar het oordeel van het hof onvoldoende aannemelijk geworden dat daardoor sprake zou zijn geweest van een noodweersituatie waarbinnen de verdachte zich op passende wijze heeft verweerd. De gedragingen van de groep Voorthuizenaren zouden alsdan worden gekwalificeerd als een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van eigen en/of ééns anders lijf, maar de daarop volgende handelingen van de verdachte kunnen gelet op de uiterlijke verschijningsvorm van zijn gedrag niet worden aangemerkt als verdedigingshandelingen. De verdachte heeft verschillende personen van de groep Voorthuizenaren geslagen en was daarmee een deelnemer aan de vechtpartij. Gelet op het aanvallende karakter van de geweldshandelingen gepleegd door de verdachte, kan niet worden aangenomen dat de verdachte op dat moment uit noodweer heeft gehandeld.
Voor zover ook voor dit ten laste gelegde feit een beroep op noodweerexces is gedaan wordt ook dat beroep verworpen, nu een beroep op noodweerexces enkel kan worden gehonoreerd indien aan alle eisen die aan een beroep op noodveer worden gesteld, met uitzondering van de proportionaliteitseis, is voldaan en dit niet het geval is.
De verdachte is aldus strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het onder 2 bewezenverklaarde uitsluit.”
V.
Het cassatiemiddel en de bespreking daarvan
12. In de toelichting op het middel wordt met verwijzing naar de rechtspraak van de Hoge Raad [2] betoogd dat pas van een aanvallende gedraging kan worden gesproken “indien zowel de bedoeling als ook de uiterlijke verschijningsvorm van de gedraging geen aanknopingspunten biedt voor het aanmerken van de gedraging als verdedigend”. Het hof zou hebben verzuimd aan deze twee elementen kenbaar aandacht te besteden.
13. Vooropgesteld moet worden dat blijkens de rechtspraak van de Hoge Raad een beroep op noodweer niet kan slagen als “de gedraging van degene die zich op deze exceptie beroept, noch op grond van diens bedoeling, noch op grond van de uiterlijke verschijningsvorm van zijn gedraging kan worden aangemerkt als verdedigend, maar naar de kern bezien als aanvallend moet worden beschouwd en bijvoorbeeld gericht is op een confrontatie of deelneming aan een gevecht”. [3]
14. De steller van het middel wijst er niet ten onrechte op dat het hier gaat om cumulatieve vereisten, maar wel miskent hij daarbij dat door de feitenrechter niet steevast aan beide factoren afzonderlijk expliciet aandacht hoeft te worden besteed. De bedoeling van de verdachte kan namelijk in de feitelijke vaststellingen van diens gedraging(en) besloten liggen. [4] Voor zover het middel daarover wil klagen, faalt het. Voorts wijs ik erop dat het hof heeft overwogen dat noch de aanleiding noch wie als eerste geweld heeft gebruikt zich op basis van de inhoud van het dossier laat vaststellen. Naar het oordeel van het hof staat echter wel vast dat over en weer is gevochten en de verdachte zich daarbij “agressief gedroeg, “uit zijn dak ging” en geweld tegen leden van de andere groep gebruikte. Deze vaststellingen zijn feitelijk van aard en kunnen in cassatie niet op hun juistheid worden getoetst. Daarnaast meen ik dat in deze vaststellingen aangaande fase 1 voldoende als oordeel van het hof besloten ligt dat de feitelijke toedracht zoals die door de verdediging ter ‘s hofs terechtzitting is geschetst – inhoudend dat de aanval van de groep Voorthuizenaren afkomstig was en de Roemenen zich daartegen enkel hebben verdedigd – niet aannemelijk is geworden. In dat kennelijke oordeel ligt tevens besloten dat volgens het hof in die eerste fase een noodweersituatie aan de zijde van de Roemenen niet valt aan te nemen en dat in die context bezien de als agressief overkomende gedragingen van de verdachte noch op grond van de bedoeling van de verdachte noch op grond van hun uiterlijke verschijningsvorm als verdedigend kunnen worden aangemerkt, maar – naar de kern bezien – veeleer als aanvallend dienen te worden beschouwd. Ook dit impliciete oordeel acht ik, mede in het licht van de gebezigde bewijsmiddelen, niet onbegrijpelijk. [5] Gelet op het voorgaande onderschrijf ik niet de visie van de steller van het middel dat het hof verzuimd heeft nadere “inhoudelijke overwegingen” te wijden aan de verklaring van de verdachte.
15. Ik meen overigens dat ’s hofs overweging dat verdachtes handelen “– indien en voor zover de agressie door de rivaliserende groep zou zijn gestart – naar de kern bezien als aanvallend moeten worden aangemerkt, te weten als te zijn gericht op de confrontatie en deelneming aan het gevecht”, moet worden aangemerkt als een overweging ten overvloede die niet tot cassatie kan leiden. [6] Het hof heeft daaraan voorafgaand immers al geoordeeld dat de aanleiding van de vechtpartij onduidelijk is gebleven en ook niet is komen vast te staan wie als eerste geweld heeft gebruikt. Daarmee heeft het hof tot uitdrukking gebracht dat het de door de verdediging aan haar verweer ten grondslag gelegde feitelijke toedracht niet aannemelijk geworden acht.
16. Afsluitend merk ik op dat de deelklacht dat het hof zou hebben geoordeeld dat een vuistslag nimmer als verdedigend kan worden aangemerkt, op een verkeerde lezing van het arrest berust.
VI.
Slotsom
17. Het middel faalt.
18. Ambtshalve merk ik op dat sinds het instellen van het cassatieberoep tot aan de datum van deze conclusie reeds twee jaren zijn verstreken, zodat de redelijke termijn is overschreden. [7] Het onvoorwaardelijke gedeelte van de opgelegde gevangenisstraf bedraagt echter minder dan een maand, zodat de Hoge Raad kan volstaan met de constatering dat de redelijke termijn in de cassatiefase is overschreden. [8]
19. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.
20. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.De verwijzingen naar de dossierpagina’s heb ik telkens gecursiveerd vervangen door een beletselteken tussen ronde haakjes.
2.HR 8 juni 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK47S88,
3.In het overzichtsarrest over noodweer en noodweerexces van 22 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:456,
4.In het arrest HR 26 januari 2016, ECLI:NL:HR:2016:108,
5.Vgl. HR 15 november 2011, ECLI:NL:HR:2011:BT2175,
6.A.J.A. van Dorst en M.J. Borgers,
7.HR 4 april 2023, ECLI:NL:HR:2023:464 (rov. 4).
8.HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578,