16. Uit de bewijsoverwegingen kan worden afgeleid dat het hof van oordeel is dat het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het op 8 mei 2019 onder de verdachte in beslag genomen geldbedrag van € 8000 afkomstig is uit enig misdrijf. Het hof heeft daarbij, zo begrijp ik, in het bijzonder betekenis gehecht aan de omstandigheid dat het geld bij een securitycheck op een vliegveld bij de verdachte is aangetroffen, en dat het onder meer om veertien bankbiljetten van € 500,- ging. Het hof heeft voorts in aanmerking genomen dat de verdachte bij de aangifte inkomstenbelasting 2017 heeft aangegeven een contant tegoed ter hoogte van € 4.959,00 te hebben, dat over de jaren 2016 en 2018 geen gegevens zijn opgenomen die duiden op contante tegoeden, dat in de periode van 2 januari 2018 tot en met 7 juni 2019 in totaal een bedrag van € 5.627,14 van de betaalrekeningen van de verdachte is opgenomen, waarvan € 1.104,19 in Turkije, en dat de verdachte in diezelfde periode € 2.130,00 op zijn betaalrekeningen heeft gestort. En het hof hecht betekenis aan de omstandigheid dat ook een reisgezel van de verdachte is aangehouden, die in het bezit was van een geldbedrag van in totaal € 9.690, eveneens een dubbelgevouwen stapeltje geld in voornamelijk coupures van € 500, terwijl de verdachte heeft verklaard dat zijn reisgezel een oude bekende van hem was uit zijn schooltijd, dat hij hem even tevoren bij toeval heeft ontmoet op de luchthaven en dat hij niet wist dat ook zijn reisgezel een geldbedrag in cash bij zich had. Op grond van een en ander acht het hof het vermoeden gerechtvaardigd dat het geldbedrag van € 8000 van misdrijf afkomstig is.
17. Als ik het goed zie wordt dat oordeel in cassatie niet bestreden; de in de toelichting geformuleerde klacht is gericht tegen het oordeel dat geen sprake is van een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring. ’s Hofs oordeel dat op grond van de in aanmerking genomen feiten en omstandigheden van een vermoeden van witwassen sprake is, komt mij ook niet onbegrijpelijk voor. Het meenemen van een dergelijk groot contant bedrag is een veiligheidsrisico, bij de briefjes van € 500 gaat het om ongebruikelijke coupures die, naar de advocaat-generaal vermeldt, ‘vaak worden geassocieerd met criminele feiten’. Uit de belastingaangiftes over de jaren 2016, 2017 en 2018 blijkt niet van de opbouw van een contant geldbedrag. Daarbij heeft de verdachte in de (bijna) anderhalf jaar voor het tenlastegelegde feit een bedrag van zijn betaalrekeningen opgenomen dat veel lager was dan het aangetroffen contante geldbedrag, en ook nog een aanmerkelijk bedrag op zijn betaalrekeningen gestort. Dat de verdachte ook geld van zijn betaalrekeningen heeft opgenomen in Turkije maakt onder meer duidelijk dat hij ook op een andere manier (dan door vervoer per vliegtuig) in Turkije geld dat op die rekeningen stond contant ter beschikking kon krijgen. En het hof heeft ook aan de omstandigheid dat de verdachte samen reisde met een reisgezel die hij van vroeger kende en onder wie eveneens een groot geldbedrag dat vooral in coupures van € 500 bestond in beslag is genomen een aanwijzing kunnen ontlenen dat het geldbedrag van misdrijf afkomstig was.
18. De verklaring die de verdachte over de herkomst van het geld heeft gegeven houdt in, zo leid ik af uit de pleitnota en het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep, dat de verdachte het geld beetje bij beetje contant heeft gespaard, en dat hij de coupures van € 500 heeft verkregen door bankbiljetten van € 50,00 bij een autodealer en bij de [A] in te wisselen voor bankbiljetten van € 500. Het hof heeft deze verklaring aldus samengevat dat de verdachte heeft verklaard ‘dat hij het geld in de loop der jaren heeft gespaard en kleine coupures heeft gewisseld voor grote coupures met kennissen’. Uit ’s hofs overwegingen volgt dat het hof deze verklaring niet heeft aangemerkt als een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring dat het geld niet van misdrijf afkomstig is.
19. Anders dan de steller van het middel meen ik dat dit oordeel niet alleen of in hoofdzaak berust op de vaststelling dat de verdachte deze verklaring op geen enkele manier met stukken heeft onderbouwd. De feiten en omstandigheden waar dit oordeel op berust liggen in belangrijke mate al besloten in de onderbouwing van ’s hofs oordeel dat sprake is van een witwasvermoeden. Daaruit volgt in de eerste plaats dat de verdachte bij de aangifte inkomstenbelasting 2017 heeft aangegeven een contant tegoed van € 4.959,00 te hebben, en dat in de aangiften over de jaren 2016 en 2018 geen gegevens staan die duiden op contante tegoeden. Dat spreekt tegen dat sprake is van een contant tegoed dat in een reeks van jaren is opgebouwd. Uit de door het hof weergegeven feiten en omstandigheden volgt in de tweede plaats dat de verdachte in de (bijna) anderhalf jaar voor het tenlastegelegde feit een bedrag van € 5.627,14 van zijn betaalrekeningen heeft opgenomen, waarvan € 1.104,19 in Turkije, en in totaal € 2.130,- op zijn betaalrekeningen heeft gestort. De laatste bevinding spreekt tegen dat sprake is van een proces van sparen over een groot aantal jaren waarbij telkens geld aan de betaalrekening is onttrokken om dat contant beschikbaar te houden. Dat het in totaal opgenomen geldbedrag veel lager is dan het aangetroffen bedrag en dat dit bedrag deels in Turkije is opgenomen zijn aanwijzingen dat het aangetroffen geldbedrag niet tot van die betaalrekeningen opgenomen bedragen herleidbaar is. Ik neem daarbij in aanmerking dat niet gesteld (en onderbouwd) is dat van de opgenomen bedragen geen betalingen zijn gedaan voor (bijvoorbeeld) levensonderhoud.
20. Dat het hof, in de derde plaats, overweegt dat de verdachte de gegeven verklaring op geen enkele manier heeft onderbouwd met stukken brengt in dit licht, meen ik, niet mee dat ‘s hofs oordeel dat de verdachte geen concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring heeft gegeven over de herkomst van de geldbedragen ontoereikend is gemotiveerd. Dat oordeel berust, in de kern, op de in het vorige randnummer weergegeven feiten en omstandigheden. Daar komt bij dat de kern van de verklaring inhoudt dat het geldbedrag te herleiden is tot (van de betaalrekeningen van de verdachte) gepinde geldbedragen. Dat het hof, in aanvulling op de in de bewijsvoering vastgestelde feiten en omstandigheden, heeft meegewogen dat de verdachte de verklaring niet heeft onderbouwd met stukken, waarbij niet alleen te denken valt aan bankafschriften maar ook aan bescheiden inzake inkomsten en uitgaven waaruit de aannemelijkheid van de gestelde mogelijkheid tot sparen kan worden afgeleid, komt mede in het licht van de verschillen tussen de verklaringen die de verdachte daaromtrent heeft afgelegd (vgl. het requisitoir van de advocaat-generaal) niet onbegrijpelijk voor. Ik attendeer er in dit verband ook op dat de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep alleen heeft aangegeven dat hij het omwisselen niet kan bewijzen en niet heeft gewezen op mogelijkheden om zijn verklaring te verifiëren.