ECLI:NL:PHR:2024:1307

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
1 oktober 2024
Publicatiedatum
2 december 2024
Zaaknummer
23/01164
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 245 Sr (oud)Art. 240b SrArt. 27, eerste lid, SrArt. 358, derde lid, SvArt. 359, tweede lid, Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling wegens ontuchtige handelingen met minderjarige slachtoffers en bezit kinderporno

De verdachte is door het gerechtshof 's-Hertogenbosch veroordeeld tot 45 maanden gevangenisstraf, waarvan 12 maanden voorwaardelijk, wegens ontuchtige handelingen met drie minderjarige slachtoffers in de leeftijd van 13 tot 15 jaar en het bezit van kinderporno. De feiten betreffen seksueel binnendringen en het bezit van videobeelden met minderjarige betrokkenen.

De verdediging voerde onder meer een beroep op afwezigheid van alle schuld (AVAS) met betrekking tot de leeftijd van de slachtoffers, onvoldoende bewijs voor ontucht en kinderpornobezit, en betwistte de causaliteit van de studievertraging als schadepost. Het hof verwierp deze verweren, onder meer omdat de verdachte tekort was geschoten in zijn onderzoeksplicht omtrent de leeftijd van de minderjarigen, en de verklaringen van de slachtoffers consistent en betrouwbaar waren.

Het hof motiveerde de strafoplegging mede op het misbruik van de kwetsbare situatie van de slachtoffers, die waren weggelopen en door politie werden gezocht. De vordering tot schadevergoeding wegens studievertraging werd toegewezen, omdat het hof het causaal verband voldoende aannemelijk achtte. De Hoge Raad vindt geen gronden voor cassatie en verwerpt het beroep.

Uitkomst: Hoge Raad verwerpt cassatieberoep en bevestigt veroordeling tot 45 maanden gevangenisstraf, waarvan 12 maanden voorwaardelijk, en toewijzing van schadevergoeding wegens studievertraging.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer23/01164

Zitting1 oktober 2024
CONCLUSIE
B.F. Keulen
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1999,
hierna: de verdachte
Het gerechtshof 's-Hertogenbosch heeft bij arrest van 15 maart 2023 het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant bevestigd voor zover de verdachte daarin is veroordeeld wegens 1. ‘met iemand, die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die bestaan uit het seksueel-binnendringen van het lichaam’, 2. ‘met iemand, die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam’, 3. ‘met iemand, die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, meermalen gepleegd’ en 4. ‘een gegevensdrager, bevattende een afbeelding van een seksuele gedraging, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt, is betrokken, in bezit hebben, meermalen gepleegd’, met uitzondering van ‘de opgelegde straf/maatregel – waaronder begrepen de beslissing op het beslag – en de beslissingen op de vorderingen tot schadevergoeding van de benadeelde partijen, alsmede de daarmee samenhangende opgelegde schadevergoedingsmaatregel ten aanzien van het [slachtoffer 1] ’. Het hof heeft de verdachte veroordeeld tot 45 maanden gevangenisstraf, waarvan 12 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren en met aftrek van voorarrest als bedoeld in art. 27, eerste lid, Sr. Het hof heeft voorts de onttrekking aan het verkeer bevolen van een iPhone, de vorderingen van de benadeelde partijen [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] en [slachtoffer 1] al dan niet gedeeltelijk toegewezen en schadevergoedingsmaatregelen opgelegd.
Er bestaat samenhang met de zaak 23/01047. In deze zaak zal ik vandaag ook concluderen.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. G.W.L.A.M. Koppen, advocaat in [plaats] , heeft vier middelen van cassatie voorgesteld.

Bespreking van het eerste middel

4. Het eerste middel bevat de klacht dat het hof, door de bijzondere overwegingen van de rechtbank ten aanzien van de strafbaarheid van de verdachte bij feit 1 en 2 over te nemen, onjuist en/of niet begrijpelijk heeft gerespondeerd op het verweer dat sprake was van afwezigheid van alle schuld als het gaat om de leeftijd van de in die feiten opgenomen minderjarigen.
5. Op de terechtzitting in hoger beroep van 1 maart 2023 heeft de raadsvrouw van de verdachte gepleit overeenkomstig de inhoud van de door haar aan het hof overgelegde pleitnota. Deze pleitnota houdt met betrekking tot de feiten 1 en 2 onder meer het volgende in (met weglating van verwijzingen):

Feiten 1 en 2: het plegen van ontuchtige handelingen, mede bestaan uit seksueel binnendringen, met [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] , beiden jonger dan 16 jaar
Op 22 april 2019 besluiten [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] weg te gaan van huis. Ze belanden in [plaats] en komen terecht bij cliënt en zijn medeverdachten. Ze zeggen dat ze 16 en 17 jaar oud zijn en dat ze op vakantie zijn. Ze deden er ondertussen alles aan om niet getraceerd te kunnen worden. Ze zetten de telefoon op fabrieksinstellingen en vernietigen de simkaart. Ze maken weloverwogen een uitstapje en doen zich weloverwogen ouder voor dan dat zij zijn. Twee meiden die weloverwogen hun eigen plan trekken.
(…)
Client heeft niet betwist dat hij zowel met [slachtoffer 2] als met [slachtoffer 3] seksuele handelingen heeft gepleegd. De vraag waar het om draait, is of deze handelingen als
ontuchtige handelingenkunnen worden aangemerkt. De verdediging stelt dat het ontuchtig karakter ontbreekt en dat de rechtbank om die reden niet tot een bewezenverklaring had kunnen komen.
De wetgever heeft aangegeven dat seksueel gedrag tussen leeftijdsgenoten dat in het huidig tijdsgewricht als normaal wordt beschouwd, buiten het bereik van de strafwet valt. Normaal seksueel verkeer tussen jongeren is geen ontucht. Er kan pas sprake zijn van ontucht bij seks tussen een kind en een aanmerkelijk ouder persoon.
Volgens de rechtspraak zijn seksuele handelingen enkel juridisch verwijtbaar wanneer de handelingen in strijd zijn met de sociaal-ethische norm en dus een ontuchtig karakter dragen. Of hiervan sprake is, hangt af van de concrete omstandigheden van het geval. Bovendien volgt uit de jurisprudentie dat bepaalde handelingen wellicht als grensoverschrijdend kunnen worden aangemerkt, maar dat zij daarmee niet direct (ook) ontuchtig zijn.
Onder meer de context, de verhoudingen tussen betrokkenen, de intenties en de tijdsgeest zijn van belang. Het ontuchtig karakter kan bovendien ontbreken indien bijvoorbeeld sprake is van vrijwilligheid, gelijkwaardigheid en/of experimenteergedrag. Bij deze beoordeling is het leeftijdsverschil van belang, maar niet doorslaggevend. Daarbij speelt ook het eventuele uit de leeftijd voortvloeiende overwicht een rol.
Aangeefsters hebben voortdurend aangegeven 17 en 16 jaar oud te zijn. Cliënt was op dat moment 19 jaar oud. Cliënt vertrouwde erop dat de leeftijden van aangeefsters op dat moment 17 en 16 jaar was. Daarvan uitgaande, was het leeftijdsverschil met hem gering. Weliswaar is de leeftijd in art. 245 Sr Pro geobjectiveerd, maar in deze zaak is van belang dat cliënt niet kón weten dat aangeefsters feitelijk pas 14 en 13 jaar oud waren op dat moment. Zelfs als we wel uitgaan van het daadwerkelijke leeftijdsverschil, kunnen we nog niet stellen dat het leeftijdsverschil aanzienlijk is, dat cliënt voor de meisjes ‘stokoud’ was, zoals de A-G stelt.
In deze zaak staat onomstotelijk vast dat beide aangeefsters doelbewust hebben gelogen over hun leeftijd, wetende dat de verdachten anders niet eens met hen in gesprek zouden zijn gegaan. Ze hebben de verdachten voorgelogen en bewust geen ID meegenomen. Uit de verklaringen van zowel de verdachten als de aangeefsters blijkt dat de verdachten, in ieder geval cliënt, direct bij kennismaking en ook daarna nog meerdere keren hebben gevraagd naar de leeftijd. Aangeefsters bleven hierover liegen, zelfs nadat ze waren ‘betrapt’ doordat de verdachten het Facebook-bericht over de vermiste meisjes zagen. Op basis van de verklaringen van aangeefsters, hun gedrag en hun uiterlijk had cliënt dan ook geen enkele reden om te twijfelen aan hun leeftijd. Hij heeft aan zijn onderzoeksplicht voldaan.
Het werkelijke leeftijdsverschil was op dat moment 5 en 6 jaar. Toch is in dit specifieke geval geen sprake van ongelijkwaardigheid.
In eerste aanleg heeft de verdediging een beroep gedaan op de (niet gepubliceerde) uitspraak van de rechtbank Den Bosch van 16 maart 2020 met parketnummer 01/860156-19. Vandaag wordt nogmaals naar deze uitspraak verwezen.
In die zaak ging het om een leeftijdsverschil van ruim 4 jaar en een aangeefster van pas 12 jaar oud. De rechtbank was echter niet gebleken dat de seks onvrijwillig was en evenmin dat de verdachte op de seks had aangedrongen. De verdachte en aangeefster namen beiden het initiatief. Aangeefster had gezegd dat zij 15 jaar was en al vaker seks had gehad. Aangeefster heeft ook verklaard dat zij de seks met verdachte fijn vond. Uit het dossier bleek dat aangeefster op seksueel gebied al flink ontwikkeld was. Van een ongelijkwaardige seksuele ontwikkeling was dan ook geen sprake. De rechtbank overweegt tenslotte nog dat het niet ongebruikelijk of uitzonderlijk is dat er seksueel contact is tussen jongeren zonder dat sprake is van een affectieve relatie en dat het algemeen bekend is dat jongeren in deze leeftijdsfase experimenteren op seksueel gebied.
In deze zaak is dat niet anders.
De rechtbank heeft in het vonnis overwogen dat aangenomen moet worden dat een verschil van 5 en 6 jaar in de betreffende levensfase een groot verschil in seksuele ontwikkeling betekent. Van een gelijkwaardige verhouding tussen aangeefsters en cliënt kan onder deze omstandigheden dan ook geen sprake zijn, aldus de rechtbank. De rechtbank gaat hiermee voorbij aan haar eerdere uitspraak van 16 maart 2020, waarin sprake was van een leeftijdsverschil van ruim 4 jaar en een jongere aangeefster van pas 12 jaar, en waarbij, alle omstandigheden overziende, niet werd aangenomen dat sprake was van een ongelijkwaardige seksuele ontwikkeling.
Het initiatief tot het aangaan van de seksuele contacten lag (in ieder geval mede) bij aangeefsters. Cliënt heeft verklaard dat hij de eerste nacht op de bank sliep en dat [slachtoffer 3] die nacht naar hem toe kwam en hem begon te zoenen, waarna zij seks met elkaar hadden. Bovendien heeft [slachtoffer 3] bevestigd dat de seksuele handelingen vrijwillig plaatsvonden.
Ook [slachtoffer 2] nam het initiatief volgens cliënt. Zij pakte zijn hand om hem mee te nemen naar de kleine kamer, daar deed ze haar kleding uit en ze zei daarbij: ik laat jou mijn skills zien. Van enig uit leeftijd voortvloeiend overwicht was dan ook geen sprake. Client heeft verklaard dat zij precies wist wat zij moest doen.
De rechtbank heeft in dit kader in aanmerking genomen dat het seksueel contact heeft plaatsgevonden in een voor [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] onbekende woning in een onbekende stad met een grote afhankelijkheid van onder meer cliënt en zijn medeverdachten.
Ik merk op dat [slachtoffer 2] heeft verklaard dat cliënt van haar boodschappen moest gaan doen en dat zij hem daarbij ook de opdracht heeft gegeven om condooms te halen. Want, zo geeft zij aan, [slachtoffer 3] zag mijn cliënt wel zitten en zij zag Aliale en Mo wel zitten. De meisjes gaven dus concrete opdrachten en instructies aan de jongens. De meisjes wilden daar op dat moment zijn. Zij kozen ervoor bij cliënt en zijn medeverdachten te blijven. Zij kozen ervoor om niet gevonden te worden. Zij maakten gebruik van de telefoons van de jongens en kozen er dan doelbewust voor geen bericht naar huis te sturen of alarmnummer te bellen. Dat zij daar achteraf wellicht anders over denken uit schaamte of schuldgevoelens, doet daar niet aan af. Van een grote afhankelijkheid, dan wel van enige afhankelijkheid van cliënt en zijn medeverdachten was geen sprake. Uit meerdere getuigenverklaringen in het dossier − onder meer de verklaring van getuige Mellow − blijkt dat de meisjes duidelijk in staat waren om hun eigen wil kenbaar te maken. Dit geldt zeker ten aanzien van [slachtoffer 2] .
[slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] hadden het naar hun zin in [plaats] , ze wilden niet naar huis, ze wilden niet gevonden worden. Ze hebben de telefoon van [slachtoffer 3] gereset en haar simkaart vernietigd, om niet getrackt te kunnen worden. En als zij op een andere telefoon inlogden op Snapchat, dan waren de berichten bewust heel kort, waren zij maar een bepaalde (korte) tijd online en gebruikten zij telkens een ander toestel, wederom met het idee op die manier niet opgespoord te kunnen worden. Zij stuurden dan ook bewust geen berichten naar huis.
Ik benadruk voorts nogmaals dat [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] doelbewust hebben gelogen over hun leeftijd om bij de jongens te kunnen verblijven.
[slachtoffer 2] heeft verklaard dat zij bewust geen ID hadden meegenomen, omdat zij nog geen 16 jaar oud waren. Ze heeft verklaard dat de jongens waarschijnlijk niet eens met hen hadden gepraat als zij de daadwerkelijke leeftijden hadden geweten, dat ze dan waarschijnlijk niet eens naar binnen mochten. Ze zegt dat de jongens niets met hen te maken wilden hebben als ze de waarheid hadden verteld. Ze heeft ook verklaard dat de jongens elke dag wel vroegen wat de ouders van de meisjes ervan vonden dat zij in [plaats] waren en dat de meisjes dan hadden gelogen tegen de jongens.
[slachtoffer 3] heeft verklaard dat, de jongens heel boos waren toen ze de waarheid ontdekten en dat ze op dat moment ook wilden dat de meisjes naar huis gingen.
De uitlatingen rondom de leeftijd zijn van belang bij de beoordeling of sprake is geweest van ontuchtige handelingen en stroken bovendien niet met de overweging van de rechtbank dat sprake was van een grote mate van afhankelijkheid.
Aangeefsters hebben vrijwillig seksueel contact gehad met mijn cliënt, (mede) op eigen initiatief, waarbij zij doelbewust hebben gelogen over hun leeftijd. Uit het dossier blijkt niet dat daarbij sprake was van ongelijkheid of van enig uit de leeftijd voortvloeiend overwicht.
Integendeel. Seksueel contact tussen jongeren en experimenteren op dit gebied is niet ongebruikelijk. Ik verwijs naar de genoemde uitspraak van uw rechtbank, waarbij de aangeefster nog jonger was (12 jaar). Dat cliënt de meisjes pas kort daarvoor had ontmoet, doet daar niet aan af. Dat hij de meisjes niet goed kende op het moment van de seksuele handelingen, maakt de seksuele handelingen nog niet in strijd met de sociaal-ethische norm. Client wilde de meisjes helpen, onderdak bieden zodat zij niet op straat hoefde te overnachten. Ze zouden ook maar even blijven. Een aantal jongens en meisjes komen in contact, gaan chillen in een woning, van het een ontstaat het ander. Zij duiken bij binnenkomst in de woning niet direct het bed in. Zij gaan wat drinken, roken, praten, gamen, film kijken.
Volgens de A-G is dit geen ‘normaal’ gedrag, cliënt had ook nee kunnen zeggen toen de meisjes avances maakten. Ieders normen en waarden zijn anders. Het doet er niet zoveel toe wat volgens de A-G normaal is, of wat volgens mij normaal is. Ik houd u voor dat we het hier hebben over jonge jongens, cliënt was net meerderjarig, en meisjes die aangeven 16 en 17 te zijn. Een leeftijdsfase waarin seksualiteit een belangrijke rol speelt. Hoe de ontwikkeling op seksueel gebied verloopt en wat wel of niet normaal is, is voor iedereen anders. Het was in ieder geval voor deze meisjes kennelijk normaal om onbekende jongens via Snapchat te benaderen voor een slaapplek. Uit de stukken blijkt dat in ieder geval [slachtoffer 2] dit vaker deed. Ook blijkt dat zij vaker seksuele contacten had gehad, ook met oudere mannen. Wat is dan normaal? Wat is onethisch? Dit experimenteergedrag van een groepje jonge jongens en meisjes kan in ieder geval zeker niet worden aangemerkt als gedrag in strijd met de sociaal-ethische normen.
Alles overwegende kan niet worden aangenomen dat de handelingen van cliënt een ontuchtig karakter dragen, zodat
vrijspraakdient te volgen.’
6. De uitspraak van het hof houdt onder meer het volgende in:

Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep − voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen − met aanvulling en verbetering van de gronden waarop dit berust en met uitzondering van de opgelegde straf/maatregel − waaronder inbegrepen de beslissing op het beslag − en de beslissingen op de vorderingen tot schadevergoeding van de benadeelde partijen, alsmede de daarmee samenhangende opgelegde schadevergoedingsmaatregel ten aanzien van het [slachtoffer 1] . In zoverre zal het vonnis waarvan beroep worden vernietigd, Bijgevolg komen de strafoverwegingen van de rechtbank, de overwegingen met betrekking tot het beslag, de overwegingen met betrekking tot de vorderingen tot schadevergoeding van de benadeelde partijen en de overwegingen met betrekking tot de opgelegde schadevergoedingsmaatregel te vervallen en zullen deze worden vervangen dooretgeen hierna zal worden overwogen.
De bewijsvoering zal voorts worden aangevuld en verbeterd op de wijze als hierna te melden.
Het hof zal tevens de toepasselijke wettelijke voorschriften waarop de beslissingen van de rechtbank zijn gegrond vervangen door de hierna opgenomen artikelen.’
7. Het vonnis houdt onder meer het volgende in:

‘De strafbaarheid van verdachte.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte ten aanzien van het tenlastegelegde onder feit 1 en 2 verontschuldigbaar heeft gedwaald ten aanzien van de leeftijd van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] en dat hem daarom een geslaagd beroep op afwezigheid van alle schuld toekomt, zodat de verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.
De rechtbank stelt voorop dat een beroep op dwaling omtrent leeftijd ingevolge vaste jurisprudentie slechts in uitzonderlijke gevallen kan worden gehonoreerd. Voor een geslaagd beroep op feitelijke dwaling − en derhalve op afwezigheid van alle schuld − is noodzakelijk dat de verdachte op de misleidende informatie betreffende de leeftijd van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] mocht vertrouwen.
De rechtbank merkt op dat uit de wettelijke omschrijving van artikel 245 van Pro het Wetboek van Strafrecht blijkt dat is beoogd aan personen beneden de leeftijd van zestien jaren ten aanzien van misdrijven tegen de zeden een zo doeltreffend mogelijke strafrechtelijke bescherming te bieden. Hieruit volgt dat deze strafbepaling ook de strekking heeft jeugdige personen te beschermen tegen verleiding, die mede van hen zelf kan uitgaan. Dit betekent dat een verdachte een vergaande onderzoeksplicht heeft om achter de (werkelijke) leeftijd van de betrokken minderjarige te komen.
De rechtbank is van oordeel dat de verdachte in dit laatste is tekortgeschoten. De verdachte heeft de mededeling van de voor hem totaal onbekende meisjes dat zij 17 jaar waren voor waar aangenomen. Het had op de weg van de verdachte gelegen, daar waar hij er voor gekozen heeft om bij de eerste ontmoeting seks te hebben met [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] , meisjes die hij niet kende en van wie hij in ieder geval wist dat zij jonger waren dan hijzelf, meer onderzoek te verrichten naar hun werkelijke leeftijd. Het gegeven dat de meisjes de verdachte doelbewust hebben voorgelogen over hun leeftijd ontslaat de verdachte niet van een verdere onderzoeksverplichting. De omstandigheid dat de meisjes er wellicht ouder uitzien dan hun werkelijke leeftijd, zich presenteren als een 17-jarige, zelf initiatieven ontwikkelen die leiden tot seksuele handelingen en mogelijk zelf daarin leidend zijn, maakt dat in het licht van het belang van de bescherming van de minderjarigen, niet anders. Daarnaast acht de rechtbank het een feit van algemene bekendheid dat uiterlijke kenmerken nooit absolute zekerheid omtrent een leeftijd kunnen verschaffen. Het verweer dat sprake is van een verschoonbare dwaling omtrent de leeftijd van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] wordt daarom verworpen.
De rechtbank zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.’
8. Anders dan bij de rechtbank is ten overstaan van het hof niet het verweer gevoerd dat de verdachte inzake het tenlastegelegde onder 1 en 2 verontschuldigbaar heeft gedwaald ten aanzien van de leeftijd van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] en dat hem daarom een geslaagd beroep op afwezigheid van alle schuld toekomt. Ter terechtzitting in hoger beroep is inzake de onder 1 en 2 bewezenverklaarde feiten bepleit dat niet kan worden aangenomen dat de handelingen van de verdachte een ontuchtig karakter dragen, zodat vrijspraak dient te volgen. Nu de rechter ingevolge art. 358, derde lid, Sv slechts dient te beslissen op een ter terechtzitting uitdrukkelijk voorgedragen verweer dat een bepaalde strafuitsluitingsgrond niet aanwezig is, gaat het bij de door het hof overgenomen overwegingen die de rechtbank aan het in eerste aanleg gevoerde verweer heeft gewijd om overwegingen ten overvloede. [1]
9. Eveneens ten overvloede derhalve merk ik over de juistheid en begrijpelijkheid van de betreffende overweging het volgende op. Uw Raad heeft reeds in een arrest van 20 januari 1959 overwogen dat de vraag of bij de dader van een strafbaar feit alle schuld in strafrechtelijke zin afwezig is, beantwoord moet worden in verband met de aard en de strekking van de strafbepaling waar de tenlastelegging op ziet. [2] En dat wat de artikelen 245 en 247 (oud) Sr betreft ‘uit de wettelijke omschrijving van die bepalingen blijkt, dat daarmede is beoogd personen beneden den leeftijd van zestien jaren ten aanzien van misdrijven tegen de zeden een zo doeltreffend mogelijke strafrechtelijke bescherming te doen geworden’. En dat hieruit volgt ‘dat deze bepalingen ook de strekking hebben deze jeugdige personen te beschermen tegen verleiding, die mede van henzelf kan uitgaan’. Het doel van de strafbepaling van art. 245 (oud) Sr zou worden gemist als het verweer ‘dat de getuigen (…) er uitzien als vrouwen, die den leeftijd van zestien jaar reeds een of meer jaren zijn gepasseerd, en dat deze getuigen, voordat hij de bewezenverklaarde feiten pleegde, desgevraagd een hogeren leeftijd dan vijftien jaar hebben opgegeven’ ‘haar toepassing zou vermogen uit te sluiten’.
10. In dat licht getuigt het oordeel van het hof dat de verdachte in zijn onderzoeksplicht om achter de werkelijke leeftijd van de betrokken minderjarigen te komen is tekortgeschoten niet van een onjuiste rechtsopvatting. Dat oordeel is ook niet onbegrijpelijk.
11. Het middel faalt.

Bespreking van het tweede middel

12. Het tweede middel bevat de klacht dat het hof bij het bepalen van de strafduur uitdrukkelijk heeft overwogen dat de verdachte ‘misbruik heeft gemaakt van het gegeven dat de in de feiten 1 en 2 opgenomen minderjarigen zich in een kwetsbare positie bevonden omdat zij van huis waren weggelopen, zich in een onbekende stad bevonden en door hun ouders en door de politie werden gezocht’, zulks terwijl op basis van de vastgestelde feiten onbetwist zou zijn dat de verdachte van dit alles niets wist en door de minderjarigen hierover valselijk is ingelicht. Daardoor zou de strafoplegging onbegrijpelijk dan wel ontoereikend zijn gemotiveerd. In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat op geen enkele wijze zou zijn vastgesteld dat de verdachte zich bewust is geweest van het gegeven dat [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] waren weggelopen en door de politie werden gezocht. Het gebruik door het hof van het woord ‘misbruik’ zou impliceren dat de verdachte zich van deze kwetsbare situatie bewust was. Daarvan was uitdrukkelijk geen sprake, aldus de steller van het middel.
13. Het arrest van het hof houdt omtrent de strafoplegging het volgende in:

Op te leggen straf
De raadsvrouw van de verdachte heeft een straftoemetingsverweer gevoerd en heeft het hof verzocht te volstaan met oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan de duur van het voorarrest van 105 dagen, met daarnaast eventueel de oplegging van een taakstraf. Daartoe heeft de raadsvrouw aangevoerd dat onder meer rekening dient te worden gehouden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, alsmede de overschrijding van de redelijke termijn.
Het hof overweegt dienaangaande als volgt.
Het hof heeft bij het bepalen van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich (meermalen) schuldig heeft gemaakt aan het plegen van ontuchtige handelingen met de toen 13-jarige [slachtoffer 2] , 14-jarige [slachtoffer 3] en 15-jarige [slachtoffer 1] , bestaande uit onder meer het seksueel binnendringen van hun vagina. Het is algemeen bekend dat dergelijke feiten grote schade kunnen toebrengen aan de verdere ontwikkeling van kinderen, hetgeen tevens is gebleken uit de vorderingen tot schadevergoeding van de slachtoffers als benadeelde partijen. Op seksueel gebied zijn zij namelijk nog niet volgroeid en kunnen zij niet geacht worden om zelfstandig de gevolgen van seksueel contact met een volwassene voldoende in te schatten. De verdachte heeft volledig miskend dat de meisjes juist bescherming behoefden tegen seksuele benadering door een volwassene. De verdachte heeft uitsluitend oog gehad voor de bevrediging van zijn eigen lustgevoelens en heeft door zijn handelen het risico voor lief genomen dat hij de normale seksuele ontwikkeling van de slachtoffers ernstig zou verstoren. Door zijn handelen heeft de verdachte dan ook een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit en persoonlijke levenssfeer van de meisjes.
Alle drie de meisjes bevonden zich in die periode in een kwetsbare fase van hun ontwikkeling, namelijk de pubertijd. Daar komt bij dat [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] zich ook in een kwetsbare situatie bevonden omdat zij van huis waren weggelopen, zich in een voor hun onbekende stad bevonden en door hun ouders en de politie werden gezocht. De verdachte heeft daarvan misbruik gemaakt. (…) De verdachte heeft in alle gevallen zich kennelijk laten leiden door zijn eigen lustgevoelens en heeft zich ten tijde van het bewezenverklaarde op geen enkele wijze rekenschap gegeven van de ernst van zijn handelen en de mogelijke gevolgen voor de meisjes.
(…)
Het hof rekent het de verdachte dan ook ernstig aan dat hij heeft gehandeld zoals is bewezenverklaard.
(…) Wat betreft [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] heeft de verdachte wel in een vroeg stadium van het strafproces openheid van zaken gegeven en daarmee zijn verantwoordelijkheid genomen.
(…)
Het hof is van oordeel dat, in het bijzonder gelet op de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, de straffen die in soortgelijke gevallen door dit hof worden opgelegd en mede vanuit een oogpunt van een juiste normhandhaving, niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt. De duur van de door de rechtbank aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf doet daarbij naar het oordeel van het hof in onvoldoende mate recht aan de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn gepleegd.
In hetgeen de raadsvrouw naar voren heeft gebracht ziet het hof, mede gelet op de ernst van het bewezenverklaarde, geen aanleiding tot het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan de duur van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, ook niet met daarnaast de oplegging van een taakstraf.
Alles afwegende acht het hof in beginsel oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 48 maanden met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, passend en geboden. Met oplegging van deze deels voorwaardelijke gevangenisstraf wordt enerzijds de ernst van het bewezenverklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.’
14. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 1 maart 2023 houdt onder meer het volgende in:
‘De voorzitter houdt kort de stukken voor van de zaak voor zover betrekking hebbend op het onder feit 1 en feit 2 tenlastegelegde.
De verdachte verklaart het volgende:
Het klopt dat ik seks heb gehad met [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] . Ik had ze nog nooit eerder gezien. Alles ging heel snel. Ze zeiden dat ze 17 jaar waren. Ik wist dat ze niet meerderjarig waren, ik dacht dat ze 17 waren. Het is niet gebruikelijk dat ik op die manier meisjes leer kennen.
U, voorzitter, vraagt mij hoe ik [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] leerde kennen. [medeverdachte] had ze gebracht. Hij belde mij dat hij twee dames had ontmoet en vroeg aan mij of ik een hotel kon regelen. Ik zei dat ik dat niet kon regelen, maar ik kende wel een huis van iemand anders waar ze konden blijven. We zouden daar één dag blijven, maar dat werd langer. We hebben daar wat gedronken en gegeten, toen is het gebeurd.
U, voorzitter, vraagt mij waarom ik een plek moest regelen voor meiden die ik niet kende. [medeverdachte] zei dat ze de volgende ochtend naar België zouden gaan. Ik moest ze aan een slaapplek helpen. Wij hebben thuis ook veel kinderen, dus bij mij thuis was er geen logeerbed. Ik heb een maat van mij gebeld en we zijn toen naar zijn huis gegaan. Ik weet verder ook niet hoe alles precies is gebeurd, het is al lang geleden.
(…)
Het klopt dat ik [slachtoffer 2] van tevoren niet kende.
U, voorzitter, houdt mij voor dat ik een hotel heb willen betalen voor de meisjes. Ik wilde dat wel doen, maar toen bedacht ik mij dat ik ook een huis kon regelen.
U, voorzitter, houdt mij voor dat u niet begrijpt dat ik voor onbekende meiden die een vriend van mij heeft ontmoet een verblijfplaats regel. Ik deed dat omdat mijn vriend dat vroeg. Hij vroeg mij om een hotel te regelen waar wij konden overnachten. Uiteindelijk bedacht ik een huis te regelen.
U, voorzitter, vraagt mij of het de bedoeling was om samen te overnachten. Nee.
U, voorzitter, vraagt mij wat ik vroeg aan de meisjes toen ik hen voor het eerst zag. Ik stelde mij netjes voor. Ze zeiden dat ze 17 jaar waren. Ze hadden geen ID-bewijs bij zich. Ik heb daar wel naar gevraagd, maar ze hadden niets bij zich. Ik dacht dat er niets aan de hand was omdat ze 17 jaar waren.
U, voorzitter, vraagt mij of een ID-bewijs nodig was geweest voor het boeken van een hotel. Daar dachten wij later aan. Als je een hotel boekt, dan heb je een ID-bewijs nodig.
U, voorzitter, vraagt mij of ik aan de meisjes heb gevraagd waar ze vandaan kwamen. Ja, ze zeiden dat ze de volgende ochtend naar een vriend zouden gaan.
U, voorzitter, vraagt mij of ik het raar vond dat meisjes van 17 jaar ‘s avonds laat alleen waren en de dag erna naar België zouden gaan. Ik heb daar niet over nagedacht. Ik dacht dat ik mijn vriend en de dames zou helpen met het regelen van onderdak. Ik zou ook niet willen dat mijn zusjes buiten zouden zijn. Ik wilde helpen.
(…)
Desgevraagd delen de advocaat-generaal, de raadsvrouw en de verdachte mede dat het dossier met betrekking tot het tenlastegelegde voldoende is besproken en dat alle stukken in het dossier voor zover hierop betrekking hebbend, bekend zijn en als volledig voorgehouden kunnen worden beschouwd.
(…)
De advocaat-generaal voert het woord overeenkomstig de inhoud van het door deze aan het hof overgelegde op schrift gestelde requisitoir, dat aan dit proces-verbaal is gehecht en als hier herhaald en ingelast wordt beschouwd.’
15. Het op de voornoemde terechtzitting gehouden requisitoir houdt onder meer in:
‘Het gaat om ernstige zedenvergrijpen waarbij de aangeefsters 14, 15 jaren oud waren. Meisjes die net de basisschoolleeftijd waren ontgroeid en twee ervan waren weggelopen van huis. [slachtoffer 3] en [slachtoffer 2] waren in een stad die zij niet kenden en werden door hun ouders en de politie gezocht. Zonder (werkende) telefoon. Zij waren overgeleverd aan deze verdachten. Deze meisjes hadden bescherming nodig. In plaats daarvan zijn ze misbruikt.’
16. Bij de beoordeling van het middel kan worden vooropgesteld dat de feitenrechter vrij is in de keuze van de straf en in de waardering van de factoren die hij daartoe van belang acht. In cassatie kan niet worden onderzocht of de juiste straf is opgelegd en evenmin of de straf beantwoordt aan alle daarvoor in aanmerking komende factoren, zoals de ernst van het feit of de persoon van de verdachte. [3] De enige grens, aldus Van Dorst en Borgers, ‘die de rechter in acht moet nemen bij de selectie van de gegevens die hij wil gebruiken bij de straftoemeting, is dat die gegevens moeten zijn gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.’ [4] Dat betekent ‘dat de rechter alles wat ter terechtzitting is verklaard of wat in de gedingstukken is neergelegd, in aanmerking mag nemen’. In cassatie kan worden ingegrepen indien deze grens niet in acht is genomen, en ook indien de strafoplegging (in het licht van de gegeven motivering dan wel het ontbreken daarvan) onbegrijpelijk is of verbazing wekt. [5]
17. Het hof heeft overwogen dat [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] zich ‘in een kwetsbare fase van hun ontwikkeling, namelijk de pubertijd’ bevonden, en dat zij zich voorts in een kwetsbare situatie bevonden ‘omdat zij van huis waren weggelopen, zich in een voor hun onbekende stad bevonden en door hun ouders en de politie werden gezocht’. Dat deze gegevens uit het onderzoek ter terechtzitting kunnen worden afgeleid wordt in cassatie niet bestreden, zo begrijp ik. Waar het de steller van het middel om gaat, is ’s hofs overweging dat de verdachte van die kwetsbare situatie ‘misbruik’ heeft gemaakt.
18. Uit het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep blijkt dat de verdachte beide meisjes heeft leren kennen doordat de medeverdachte, die hen had ontmoet, heeft gevraagd of hij een hotel (voor hen) kon regelen en heeft gezegd dat zij de volgende dag naar België zouden gaan. Verdachte heeft voorts verklaard dat zij geen ID-bewijs bij zich hadden, en dat zij op zijn vraag waar zij vandaan kwamen hebben gezegd dat zij de volgende dag naar een vriend zouden gaan. In een en ander ligt besloten dat beide meisjes niet in staat waren in de betreffende stad zelf een slaapplaats te regelen. Daarmee was de verdachte minst genomen op de hoogte van het kernelement van de afhankelijke situatie waarin beide meisjes verkeerden. In dat licht heeft het hof in het kader van de strafmotivering in aanmerking kunnen nemen dat de verdachte misbruik heeft gemaakt van de kwetsbare situatie waarin beide meisjes zich bevonden.
19. Het middel faalt.

Bespreking van het derde middel

20. Het derde middel bevat de klacht dat het hof bij de bewezenverklaring van ontucht (feit 3) en het bezit van kinderpornografie (feit 4), door overneming van de bewijsoverwegingen van de rechtbank, niet heeft gerespondeerd op hetgeen door de verdediging bij pleidooi in hoger beroep is aangevoerd, zulks terwijl ‘deze eerdere bijzondere bewijsoverwegingen gelet op de inhoud van het specifieke verweer in hoger beroep deze bewezenverklaringen niet zonder meer begrijpelijk doen zijn’.
21. Ten laste van de verdachte is onder 3 en 4 bewezenverklaard dat hij:
‘3.
meermalen in de periode van 1 oktober 2018 tot en met 25 april 2019 te [plaats] , met [slachtoffer 1] , geboren op [geboortedatum] 2003, die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, telkens ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 1] , te weten:
- het brengen van zijn, verdachtes, penis in de vagina van die [slachtoffer 1] en/of
- het brengen, van zijn, verdachtes, penis in de anus van die [slachtoffer 1] en/of
- het brengen van zijn, verdachtes, penis in de mond van die [slachtoffer 1] ;
4.
in de periode van 2 april 2019 tot en met 25 april 2019 in Nederland, een gegevensdrager, bevattende video's van seksuele gedragingen, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet had bereikt, is betrokken, in bezit heeft gehad, welke seksuele gedragingen - zakelijk weergegeven - bestonden uit:
het oraal en vaginaal penetreren van het lichaam van een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt.’
22. Het hof heeft het vonnis wat deze bewezenverklaringen betreft bevestigd met aanvulling en verbetering van de gronden. De in het vonnis opgenomen bewijsmiddelen houden inzake de feiten 3 en 4 onder meer het volgende in (met weglating van voetnoten en verwijzingen):
‘•
een proces-verbaal van verhoor getuige met bijlagen, opgemaakt d.d. 6 mei 2019, (…), voor zover − zakelijk weergegeven − inhoudende de verklaring van [slachtoffer 1]:
(p. 412) Ik ben [slachtoffer 1] van der Lee. Ik ben geboren op [geboortedatum] 2003 in [geboorteplaats] . (p. 413) Ik heb [verdachte] ontmoet via Instagram. (p. 414) Op 16 oktober 2018 had ik voor het eerst contact met hem. (p. 413) Uiteindelijk hebben we afgesproken bij een benzinestation. Hij vroeg eerst of ik goed hoofd kon geven en daarna hadden we daar seks in de bosjes. Ik liep stage in [plaats] en daar ben ik ook vaker weggelopen, omdat ik hem wilde zien en dan hadden we ook seks. (p. 413) [verdachte] zei ook dat hij huizen kon regelen. Ik dacht om te chillen, maar dit was voor de seks. In een huis (p. 414) op de [a-straat] in [plaats] heb ik (p. 417) met [verdachte] seks gehad op de bank en in de slaapkamer. (p. 415) Op 2 april 2019 heb ik in een huis in [plaats] ook seks gehad met [verdachte] . (p. 419) In die woning heeft [verdachte] voor het eerst gefilmd. (p. 420) In het zwembad heb ik [verdachte] hoofd gegeven. Dat was in een pashokje bij het zwembad, maar toen kwam al snel de badmeester, (p. 414) Ik heb met [verdachte] vaginaal en anaal seks gehad en ook pijpen. (p. 415) [verdachte] heeft mij geneukt en gebeft. (p. 414) Ik heb met [verdachte] overal rond [plaats] seks gehad.

een geschrift, te weten een kennisgeving van inbeslagneming, (…) voor zover − zakelijk weergegeven − inhoudende:
(p. 46)
Inbeslagneming : 26 april 2019 om 00.27 uur
Beslagene : [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1999
Goednummer : PL2100-2019085004-1499987
Object : communicatieapparatuur
Merk/type : Apple Iphone 8 XL

een proces-verbaal van bevindingen met bijlagen, opgemaakt d.d. 28 augustus 2019, (…) voor zover − zakelijk weergegeven − inhoudende het relaas van [verbalisant] :
(p. 258) Binnen het onderzoek Pirates werd de telefoon van [verdachte] in beslaggenomen. De gegevens werden door mij bekeken. (p. 264) In de telefoon staan Whatsapp-gesprekken tussen [slachtoffer 1] en de verdachte. [slachtoffer 1] staat onder de contactpersoon "Kech". Deze chatgesprekken zijn op 18 oktober 2018 gestart en op 31 december 2018 geëindigd en houden onder meer het volgende in:
(
BFK: vier chatberichten; één houdt als tekst in: ‘Ff neuken en dan dumpen)

een proces-verbaal beschrijving onderzoek kinderpornografische afbeeldingen, opgemaakt d.d. 18 juli 2019, (…) voor zover − zakelijk weergegeven − inhoudende het relaas van [verbalisant] :
(p. 606) Op 26 april 2019 werd de gegevensdrager met beslagcode PL2100-2019085004-1499987 in beslag genomen (smartphone, Apple Iphone 8XL). (p. 607) In verband met de aanwezigheid van mogelijk kinderpornografische afbeeldingen en videobestanden werden op 23 mei 2019 kopieën van de in beslag genomen gegevensdrager aan mij, (p. 605) werkzaam bij de zedenrecherche van de Eenheid Oost-Brabant, (p. 607) overgedragen. Op 24 mei 2019 ben ik begonnen met het onderzoek naar de ter beoordelingen aangeboden afbeeldingen en videobeelden. (p. 609) Ik zag op de gegevensdrager een viertal toegankelijke kinderpornografische filmfragmenten die op 2 april 2019 zijn aangemaakt op de gegevensdrager. (p. 609) Het meisje op deze beelden is geïdentificeerd als [slachtoffer 1] , geboren op [geboortedatum] 2003.
(p.610) IMG_7768MP4 betreft een kinderpornografisch videobestand welke gemaakt is op 2 april 2019 16:55:23 uur met een duur van 11 seconden. Hierop is te zien dat [verdachte] een zogenaamde sisha pijp (waterpijp) aan het roken is. Te zien is dat hij geheel naakt is. Te zien is dat [verdachte] voor een bed met een gekleurd dekbed staat. [slachtoffer 1] zit geknield op de rand van het bed en is de sisha rokende [verdachte] oraal aan het bevredigen. Op de achterzijde van het bed zit nog een andere geklede manspersoon welke toekijkt naar deze gebeurtenis. [slachtoffer 1] is geheel naakt. Op de achtergrond is op de muur een slinger kerstverlichting te zien en een schilderij. Een van de muren is voorzien van een grijs steenmotief.
IMG_7769.MOV betreft een kinderpornografisch videobestand welke gemaakt is op 2 april 2019 17:01:02 uur met een duur van 9 seconden. Hierop is te zien dat [verdachte] op een gekleurd dekbed ligt. Hierop is de kerstverlichting aan de muur te zien en een schilderij. [verdachte] is geheel naakt en boven op hem zit [slachtoffer 1] welke vaginale geslachtsgemeenschap heeft met [verdachte] . Het videobestand lijkt door een andere persoon opgenomen te worden omdat het beeld niet schokvrij is. De afstand tussen de personen op het bed en het opname apparaat is te groot om dit zelf te kunnen filmen.
IMG_7770.MP4 betreft een videobestand welke gemaakt is op 2 april 2019 17:27:13 uur met een duur van 8 seconden. Hierop is te zien dat een vrouw op de schoot van een man zit. De man is gekleed in een rode trainingsbroek en de vrouw heeft alleen een zwartkleurige onderbroek aan. Het lijkt alsof de man licht en de vrouw ter hoogte van zijn geslachtsdeel zit terwijl zij een rijdende bewegingen maakt. De opname lijkt gemaakt vanuit de liggende persoon waardoor de rugzijde van de vrouw gefilmd wordt. De lange zwarte haren van het meisje zijn hierdoor zichtbaar. Op de achtergrond is de eerder beschreven grijze steenmotief en het eerder genoemde schilderij zichtbaar. Tijdens de rijdende beweging is te zien dat de man de zwarte onderbroek van het meisje naar beneden doet waardoor haar bilnaad zichtbaar is.
IMG_7774.MOV betreft een videobestand welke gemaakt is op 2 april 2019 23:42:45 uur met een duur van 7 seconden. Hierop is te zien dat [verdachte] een zogenaamde sisha pijp (waterpijp) aan het roken is. Te zien is dat hij geheel naakt is. Te zien is dat [verdachte] voor een bed met een gekleurd dekbed staat. [slachtoffer 1] zit geknield op de rand van het bed en is de sisha rokende [verdachte] oraal aan het bevredigen. [slachtoffer 1] is geheel naakt. Op de achtergrond is op de muur een slinger kerstverlichting te zien en een schilderij. Een van de muren is voorzien van een grijs steenmotief. Dit kinderpornografisch videobestand lijkt een deel van het videobestand IMG 7768MP4.

een proces-verbaal van verhoor getuige met bijlagen, opgemaakt d.d. 10 juli 2019, (…) voor zover − zakelijk weergegeven − inhoudende de verklaring van [slachtoffer 1] :
(p. 530) Mij worden wat fragmenten (foto’s) van filmpjes getoond (p. 529) die op de telefoon van [verdachte] zijn aangetroffen (p. 530) en gevraagd wordt wat ik op deze foto’s zie. Dit is in het huis van [betrokkene 1] . Volgens mij was dit op 2 april. Ik moest rijden. Ik keek achterom en ik had het idee dat [verdachte] aan het filmen was. Hij zei “kijk maar vooruit”. Mij wordt een volgend fragment getoond. Ik wist niet dat [verdachte] me had gefilmd, Die jongen is [verdachte] en dat meisje ben ik. (p. 531) Ik denk dat deze film op 2 april is gemaakt. Dit is in [betrokkene 1] zijn huis geweest. Het klopt dat op het filmpje te zien is dat ik [verdachte] een hoofd geef. Ik herken me zelf aan mijn zwarte haren en omdat ik weet dat ik dat deed. Mij wordt een ander filmpje getoond. Volgens mij is dit ook bij [betrokkene 1] . Ik zie dat aan het schilderij en de kleine lampjes die er hangen. Ik heb daar een filmpje van op mijn telefoon.
Opmerking verbalisant: [slachtoffer 1] laat een filmpje zien waar zij op staat en sisha rookt. Op de achtergrond zijn kleine lampjes te zien, een soort kerstverlichting. Op de achtergrond is een zelfde soort schilderij te zien. Ik zat op [verdachte] . Ik moest voorover buigen. Ik ben het meisje op de foto. Ik denk dat dit ook op 2 april is opgenomen. Toen dit gebeurde waren [verdachte] en ik in de woning. Op het eind van de film is een persoon te zien. Dat is kleine [betrokkene 2] . Ik herken hem aan zijn baardje en zijn haren.

een proces-verbaal van verhoor verdachte met bijlagen, opgemaakt d.d. 26 juni 2019, (…) voor zover − zakelijk weergegeven − inhoudende de verklaring van [verdachte] :
(p. 870) Ik heb een Iphone 8 Plus die ik sinds oktober vorig jaar heb. Alleen ik maak gebruik van deze telefoon.
een proces-verbaal van verhoor verdachte met bijlagen, opgemaakt d.d. 27 juni 2019, (…) voor zover − zakelijk weergegeven − inhoudende de verklaring van [verdachte] :
(p. 878) Ik heb [slachtoffer 1] in april [
de rechtbank begrijpt: april 2019] gezien. Ik weet niet meer welke dag. [slachtoffer 1] heeft mij hoofd gegeven.’
23. Met betrekking tot het bewijs inzake de feiten 3 en 4 heeft de rechtbank verder overwogen:
‘De verdediging heeft zich ten aanzien van het tenlastegelegde onder feit 3 op het standpunt gesteld dat er onvoldoende steunbewijs is voor de verklaring van [slachtoffer 1] dat zij orale, anale en vaginale seks heeft gehad met de verdachte. Ten aanzien van feit 4 betoogt de verdediging dat uit het dossier niet blijkt op basis waarvan aangenomen zou moeten worden dat het meisje op de videofragmenten minderjarig is, zodat niet kan worden vastgesteld dat die videofragmenten kinderpornografisch van aard zijn.
De rechtbank overweegt het volgende.
[slachtoffer 1] herkent zichzelf op de videofragmenten die zijn opgenomen in de ten laste gelegde periode. Zij verklaart bovendien gedetailleerd over de locatie waar de videobeelden zijn opgenomen. Dat maakt dat er voor de rechtbank ook geen reden is te twijfelen aan de waarneming van de verbalisanten die verklaren [slachtoffer 1] te herkennen. Uit het voorstaande volgt dat er voldoende steun is voor de verklaring van [slachtoffer 1] van 6 mei 2019 dat zij verdachte heeft gepijpt en dat er ook vaginale seks is geweest. Dat er geen expliciet steunbewijs is voor de anale seks staat aan een bewezenverklaring niet in de weg nu er niet voor ieder onderdeel van de tenlastelegging steunbewijs behoeft te zijn. Daarnaast ondersteunen overigens ook de onder de bewijsmiddelen opgenomen Whatsapp-berichten tussen [slachtoffer 1] en verdachte dat er sprake is geweest van vaginale seks.
Nu de rechtbank concludeert dat [slachtoffer 1] het meisje is op de voornoemde videofragmenten, volgt daaruit onmiddellijk dat er sprake is van seksuele handelingen met een minderjarig meisje.
Ten aanzien van feit 3 overweegt de rechtbank verder nog als volgt. De rechtbank komt tot de conclusie dat de gedragingen die tussen verdachte en [slachtoffer 1] hebben plaatsgevonden als ontuchtige handelingen in de zin van artikel 245 van Pro het Wetboek van Strafrecht moeten worden aangemerkt. Daarvoor is van belang dat verdachte ten tijde van het seksueel contact met [slachtoffer 1] 19 jaar, terwijl [slachtoffer 1] 15 jaar was. Het leeftijdsverschil tussen verdachte en [slachtoffer 2] bedroeg vier jaar. Dit leeftijdsverschil is niet aan te merken als een gering leeftijdsverschil op grond waarvan de seksuele integriteit van [slachtoffer 1] geen bescherming (meer) zou behoeven. Aangenomen moet worden dat een verschil van vier jaar in de betreffende levensfase een groot verschil in seksuele ontwikkeling betekent. Van een gelijkwaardige verhouding tussen verdachte en [slachtoffer 1] kan onder deze omstandigheden dan ook geen sprake zijn. Verder moet aangenomen worden dat er nooit sprake is geweest van een wederzijdse affectieve relatie tussen verdachte en [slachtoffer 1] . In de gegeven omstandigheden kan niet anders worden geconcludeerd dan dat het handelen van verdachte in strijd is met de sociaal-ethische norm.’
24. De aanvulling en verbetering van de bewijsvoering door het hof houdt het volgende in:

Aanvulling
Met betrekking tot de bewijsvoering vult het hof de door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen ten aanzien van feit 3 en feit 4 aan met:
-
een geschrift, te weten een akte van geboorte, opgemaakt te [geboorteplaats] , op [geboortedatum] 2003 door de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente Veldhoven, los opgenomen in het procesdossier, voor zover − zakelijk weergegeven − inhoudende:
KIND
Geslachtsnaam: [slachtoffer 1]
Voornamen: [slachtoffer 1]
Dag van geboorte: [geboortedatum] 2003
Voorts vult het hof de bewijsoverwegingen aan als volgt.
De raadsvrouw van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd dat de verdachte consistent heeft verklaard, dit in tegenstelling tot de meisjes. Het hof oordeelt dat de verklaringen van de meisjes in essentie consistent zijn en op het hof authentiek en betrouwbaar overkomen, zodat ook deze bruikbaar zijn om te bezigen tot het bewijs, en ook daartoe worden gebezigd.
Verbetering
Voorts verbetert het hof de inhoud van het bewijsmiddel “
een proces-verbaal beschrijving onderzoek kinderpornografische afbeeldingen, opgemaakt d.d. 18 juli 2019, dossierpagina’s 605-613, voor zover − zakelijk weergegeven − inhoudende het relaas van [verbalisant]”, opgenomen op pagina 7 van het vonnis, in de vierde alinea het woord "licht" in “ligt”.’
25. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsvrouw van de verdachte gepleit overeenkomstig de inhoud van de door haar aan het hof overgelegde pleitnota. Deze pleitnota houdt met betrekking tot de feiten 3 en 4 het volgende in (met weglating van verwijzingen):
‘Cliënt ontkent dat er seksuele handelingen hebben plaatsgevonden tussen hem en [slachtoffer 1] .
De verklaring van [slachtoffer 1] vindt onvoldoende steun in de overige bewijsmiddelen en staat daarmee op zichzelf.
De rechtbank heeft in de bewijsoverwegingen in aanmerking genomen dat [slachtoffer 1] zichzelf herkent op de videofragmenten die zijn opgenomen in de ten laste gelegde periode en dat zij bovendien gedetailleerd kan verklaren over de locatie waar de videobeelden zijn opgenomen. De rechtbank ziet ook geen reden om te twijfelen aan de waarneming van de verbalisanten die verklaren [slachtoffer 1] te herkennen. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat voldoende steunbewijs aanwezig is. Ook de Whatsapp-berichten tussen cliënt en [slachtoffer 1] zouden de verklaring ondersteunen dat sprake is geweest van vaginale seks.
De verdediging kan zich hier niet in vinden.
De aangetroffen filmpjes en foto’s op de telefoon van [slachtoffer 1] komen niet overeen met de aangetroffen filmpjes op de telefoon van cliënt. We hebben het dus over verschillend materiaal.
[slachtoffer 1] geeft aan dat zij naaktfoto’s heeft gestuurd naar cliënt, op zijn verzoek. Ik benadruk dat deze foto’s dus niet zijn aangetroffen op zijn telefoon.
Wel zijn op de telefoon van cliënt drie filmpjes aangetroffen waarop cliënt te zien is terwijl hij seks heeft met een meisje. Cliënt herkent zichzelf op deze filmpjes. [slachtoffer 1] geeft ook aan zichzelf te herkennen op de filmpjes, maar volgens cliënt is het meisje op de filmpjes niet [slachtoffer 1] . Dat cliënt niet wil zeggen wie het meisje wel is, omdat hij dit meisje niet wil betrekken bij een omvangrijke zedenzaak als deze, is niet onbegrijpelijk.
De politie heeft [slachtoffer 1] gevraagd om de filmpjes te beschrijven voordat de filmpjes aan [slachtoffer 1] zijn getoond. [slachtoffer 1] noemt een filmpje waarop zij cliënt hoofd geeft en een filmpje waarop ze op hem zit en rijdende bewegingen maakt. De politie vraagt haar wat cliënt aan het doen was toen zij hem hoofd gaf. [slachtoffer 1] geeft aan dat hij zijn telefoon in zijn hand had. Pas nadat [slachtoffer 1] specifiek wordt verteld door de verbalisant dat op het filmpje te zien is dat cliënt een sishapijp rookte, zegt [slachtoffer 1] dat hij dit ook aan het doen was. Het filmpje zou zijn opgenomen in de woning van ‘ [betrokkene 1] ', maar [slachtoffer 1] beschrijft deze woning pas na het zien van het filmpje. [slachtoffer 1] geeft aan dat op het filmpje waarop zij rijdende bewegingen maakt te zien zou zijn dat cliënt geheel naakt is en zij een grijze onderbroek draagt. Op het bij cliënt aangetroffen filmpje is te zien dat de man een rode trainingsbroek draagt en de vrouw een zwartkleurige onderbroek. Verder zijn slechts de rug van de vrouw en haar lange zwarte haren te zien.
[verbalisant] meent [slachtoffer 1] te herkennen, nádat [slachtoffer 1] zichzelf heeft herkend, aan haar gezicht en haren. Verdere kenmerken worden hierbij niet genoemd. Aan de herkenning van de verbalisant kan dan ook geen waarde worden gehecht, nu deze onvoldoende specifiek is.
Uit het dossier blijkt verder ook niet op basis waarvan zou moeten worden aangenomen dat het meisje op de video’s minderjarig is.
Dit betekent dat onvoldoende is gebleken dat het meisje op de filmpjes die op de telefoon van cliënt zijn aangetroffen [slachtoffer 1] is. De beschrijving van [slachtoffer 1] zelf wijkt op significante details af van de beschreven inhoud van de filmpjes.
Over de verklaring ten aanzien van de locatie − de beschrijving van de woning − merk ik verder nog het volgende op.
[slachtoffer 1] heeft verklaard dat zij in de woning aan de [a-straat 1] seks heeft gehad met cliënt en met [medeverdachte] , een trio, en dat zij met drieën naakt in bed lagen. [medeverdachte] is de bijnaam van [medeverdachte] . De verdenking jegens hem ten aanzien van [slachtoffer 1] is geseponeerd.
De betreffende woning aan de [a-straat 1] wordt bewoond door [getuige] . [getuige] heeft op 11 juni 2019 bij de politie verklaard dat hij cliënt vorig jaar één keer in zijn woning heeft gezien, samen met [medeverdachte] . [getuige] heeft dit bevestigd bij de R-C.
[getuige] heeft bij de R-C voorts verklaard dat hij een sleutel van zijn huis aan [medeverdachte] heeft gegeven. Volgens [slachtoffer 1] is de woning aan de [a-straat 1] de woning van [medeverdachte] . Zij heeft verklaard nooit in dat huis te zijn geweest zonder dat [medeverdachte] daar was. Dat zij die woning kan beschrijven, wil dus niet zeggen dat zij met cliënt in die woning is geweest.
Ook de chatberichten tussen cliënt en [slachtoffer 1] kunnen niet als steunbewijs worden gebruikt. Het dossier bevat 90 pagina’s aan chatberichten. Het énige seks gerelateerde bericht dat op die 90 pagina’s gevonden kan worden, is het bericht van [slachtoffer 1] op 23 december 2018 waarin zij stuurt: "
ff neuken en dan dumpen". Cliënt heeft hierop aangegeven dat dit niet zijn bedoeling was, hetgeen net zo goed kan zien op het dumpen an sich en dus niets hoeft te betekenen.
Alles overwegende is dan ook geen sprake van voldoende wettig en/of overtuigend bewijs ten aanzien van de feiten 3 en 4, zodat ook voor deze feiten een
vrijspraakdient te volgen.’
26. Het bekende arrest van Uw Raad van 11 april 2006 inzake de motiveringsplicht van art. 359, tweede lid, tweede volzin, Sv houdt onder meer het volgende in: [6]
‘Omvang van de motiveringsplicht
3.8.1. Het nieuwe art. 359, tweede lid, Sv brengt geen wijziging in de vrijheid van de rechter die over de feiten oordeelt, ten aanzien van de selectie en waardering van het beschikbare bewijsmateriaal alsmede de keuze en weging van de factoren die van belang zijn voor de oplegging van de straf en/of de maatregel. Wel brengt die bepaling mee dat hij zijn beslissing dienaangaande in een aantal gevallen nader zal dienen te motiveren. Omtrent de gevallen en de mate waarin een beslissing nader dient te worden gemotiveerd, zijn wegens de vele, uiteenlopende situaties die zich kunnen voordoen, geen algemene regels te geven. In dat verband zal betekenis toekomen aan onder meer de aard van het aan de orde gestelde onderwerp alsmede de inhoud en indringendheid van de aangevoerde argumenten.
3.8.2. De nadere motivering dient in te houden dat het naar voren gebrachte doch door de rechter niet aanvaarde standpunt in de uitspraak beargumenteerd wordt weerlegd.
Dit neemt niet weg
(i) dat zich het geval kan voordoen dat de uitspraak voldoende gegevens bevat, bijvoorbeeld in de gebezigde, voor de verwerping van het standpunt relevante bewijsmiddelen en/of in een aanvullende bewijsmotivering, waarin die nadere motivering besloten ligt;
(ii) dat ingeval een uitdrukkelijke weerlegging ontbreekt, dit - mede in het licht van het verhandelde ter terechtzitting, waaronder begrepen hetgeen door of namens de verdachte en het openbaar ministerie over en weer naar voren is gebracht - geen afbreuk behoeft te doen aan de toereikendheid en begrijpelijkheid van de motivering van de uitspraak;
(iii) dat indien de rechter heeft verzuimd een nadere motivering in zijn uitspraak op te nemen, dit verzuim van zo ondergeschikte betekenis kan zijn dat het niet tot nietigheid leidt.
3.8.3. (…)
3.8.4. Uit het vorenoverwogene volgt ten aanzien van de motiveringsplicht van art. 359, tweede lid, Sv onder meer
a. dat de motiveringsplicht slechts geldt bij de niet-aanvaarding van een ter terechtzitting ingenomen en "uitdrukkelijk onderbouwd standpunt";
b. dat de motiveringsplicht niet geldt indien in de einduitspraak niet wezenlijk wordt afgeweken van zo een standpunt. Dat kan zich voordoen in het geval van een afwijking van de eis van het openbaar ministerie of het standpunt van de verdediging ter zake van de strafoplegging, welke afwijking van beperkt belang is;
c. dat de omvang van de motiveringsplicht afhankelijk is van de aard van het onderwerp en de mate waarin wordt afgeweken van het ingenomen standpunt. Zo kan bij afwijking van een "uitdrukkelijk onderbouwd standpunt" van het openbaar ministerie of van de verdediging met betrekking tot de bewijsbeslissing met een beperktere motivering worden volstaan indien de afwijking slechts een onderdeel en niet de gehele tenlastelegging betreft;
d. dat de motiveringsplicht niet zo ver gaat dat bij de niet-aanvaarding van een "uitdrukkelijk onderbouwd standpunt" op ieder detail van de argumentatie moet worden ingegaan.’
27. Blijkens de in hoger beroep voorgedragen pleitnota heeft de verdediging aangevoerd dat de verklaring van [slachtoffer 1] onvoldoende steun vindt in de overige bewijsmiddelen. Verder heeft de verdediging kanttekeningen geplaatst bij de herkenning van [slachtoffer 1] op de filmpjes door haarzelf en door [verbalisant] en is betoogd dat niet blijkt dat het meisje op de filmpjes minderjarig is.
28. Uit de door het hof overgenomen bewijsvoering volgt onder meer dat de rechtbank heeft overwogen dat [slachtoffer 1] zichzelf herkent op de videofragmenten die zijn opgenomen in de ten laste gelegde periode, dat [slachtoffer 1] bovendien gedetailleerd heeft verklaard over de locatie waar de videobeelden zijn opgenomen en dat dit voor de rechtbank maakt dat er ook geen reden is te twijfelen aan de waarneming van de verbalisanten die verklaren [slachtoffer 1] te herkennen. In een aanvullende bewijsoverweging heeft het hof overwogen dat de verklaringen van de meisjes in essentie consistent zijn en op het hof authentiek en betrouwbaar overkomen.
29. Het middel faalt bij gebrek aan feitelijke grondslag voor zover het er blijkens de toelichting van uitgaat dat ‘het gerechtshof in het geheel geen aanvullingen ten aanzien van de door de rechtbank gehanteerde bijzondere bewijsoverwegingen bij feit 3 en 4 in het arrest heeft opgenomen’. Het hof heeft in zijn uitspraak een aanvullende bewijsoverweging opgenomen.
30. Het middel faalt eveneens voor zover de steller van het middel er blijkens de toelichting vanuit gaat dat het hof tot een extra motivering verplicht is als de verdediging in hoger beroep tegen de overwegingen van de rechtbank is opgekomen. Waar het om gaat is of de overgenomen overwegingen van de rechtbank, aangevuld met overwegingen van het hof, een toereikende respons bevatten op hetgeen door en namens de verdachte is aangevoerd.
31. In dat verband wijs ik erop dat de bewezenverklaring van deze beide feiten niet alleen berust op verklaringen van het slachtoffer, maar ook op (in het bijzonder) een proces-verbaal beschrijving onderzoek kinderpornografische afbeeldingen waaruit blijkt dat [verbalisant] het slachtoffer heeft herkend. Van een situatie waarin de verklaring van het slachtoffer ‘op zichzelf’ staat is derhalve geen sprake. Op de opmerkingen over de beschrijving die het slachtoffer van de filmpjes geeft voordat zij ze heeft gezien, heeft het hof toereikend gerespondeerd met de overweging ‘dat de verklaringen van de meisjes in essentie consistent zijn en op het hof authentiek en betrouwbaar overkomen’. Ik wijs er daarbij op dat de beschrijving van de seksuele gedragingen op de filmpjes die het slachtoffer volgens de pleitnota geeft voordat zij de filmpjes ziet, spoort met de weergave van de filmpjes door verbalisant. Inzake de verklaring van het slachtoffer betreffende seks die zij in de woning aan de [a-straat 1] met de verdachte zou hebben gehad, wordt per saldo slechts opgemerkt dat de omstandigheid dat zij de woning kan beschrijven niet wil zeggen dat zij met verdachte in die woning is geweest. En inzake de chatberichten wordt niet ontkend dat het slachtoffer op 23 december 2018 een bericht aan de verdachte heeft gestuurd met de betreffende inhoud.
32. Voor zover hetgeen bij pleidooi inzake de bewijsvoering van de feiten 3 en 4 naar voren is gebracht als een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt dient te worden aangemerkt, heeft het hof in toereikende mate de redenen opgegeven die tot afwijking van dat standpunt hebben geleid.
33. Het middel faalt.

Bespreking van het vierde middel

34. Het vierde middel bevat de klacht dat het hof bij de toewijzing van de door [slachtoffer 3] gevorderde materiële schade in de vorm van studievertraging op onbegrijpelijke gronden heeft geoordeeld ‘dat is voldaan aan de vereiste causaliteit tussen de gebeurtenis en de ontstane schade’. In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat onduidelijk blijft ‘welk criterium het hof in zijn beoordeling heeft betrokken’. Voorts wordt aangevoerd dat het hof in feite niet heeft gereageerd op het gevoerde causaliteitsverweer en dat geheel in het midden blijft op welke grondslag het hof tot het oordeel is gekomen dat het door de verdediging gevoerde verweer geen doel treft.
35. Het vonnis van het rechtbank houdt onder meer het volgende in:

‘De vorderingen van de benadeelde partijen [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] .

(…)
De benadeelde partij [slachtoffer 3] heeft een bedrag van € 16.154,60 aan materiële schadevergoeding en een bedrag van € 10.000,00 aan immateriële schadevergoeding gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De door de benadeelde partij gevorderde materiële schadevergoeding bestaat uit een bedrag van € 1.679,60 ter zake van reiskosten die gemaakt zijn in verband met een behandeling in Leeuwarden en uit een bedrag van € 14.475,00 als compensatie voor de geleden studievertraging.
(…)
Het oordeel van de rechtbank.
De rechtbank dient na te gaan of de bewezenverklaarde strafbare gedraging van de verdachte jegens [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] een noodzakelijke voorwaarde is voor het ontstaan van de schade, zoals zij stellen te hebben geleden. Aannemelijk moet zijn dat die schade zonder de strafbare gedragingen niet zou zijn ingetreden. Vervolgens ziet de rechtbank zich voor de vraag gesteld wat de omvang van de schadevergoedingsverplichting is. Artikel 6:98 van Pro het Burgerlijk Wetboek stelt daartoe nadere eisen aan de causaliteit. Beoordeeld moet worden of de schade in een zodanig verband staat met het bewezen verklaarde feit, dat de schade aan de verdachte, mede gezien de aard van de aansprakelijkheid en de aard van de schade, als een gevolg van het bewezen verklaarde feit kan worden toegerekend.
De rechtbank is echter van oordeel dat zij vorenstaande vragen thans niet kan beantwoorden op basis van de onderliggende stukken. Het causaliteitsvraagstuk wordt naar het oordeel van de rechtbank in ernstige mate bemoeilijkt.
(…)
Ten aanzien van de vordering van [slachtoffer 3] overweegt de rechtbank dat uit de voorhanden zijnde stukken de rechtbank aannemelijk is geworden dat ook in dit geval voorafgaand aan het bewezenverklaarde er reeds zorgen waren omtrent (de thuissituatie van) [slachtoffer 3] .
Gebleken is dat [slachtoffer 3] vaker van huis is weggelopen en eerder seksueel is misbruikt en daarvoor een behandeling heeft gehad. Daar komt bij dat de seksuele handelingen tussen de verdachte en [slachtoffer 3] geheel vrijwillig tot stand zijn gekomen.
Bij deze stand van zaken is de rechtbank van oordeel dat zonder een uitgebreid en gedegen onderzoek niet zonder meer vast te stellen is dat en in hoeverre de door verdachte jegens (…) [slachtoffer 3] begane handelingen verband houden met de schade waarvan thans om een geldelijke vergoeding wordt verzocht. Daar komt bij dat het ook nog de vraag is of, en zo ja in hoeverre, de door de medeverdachten jegens (…) [slachtoffer 3] begane handelingen een bijdrage hebben geleverd aan de gevorderde schade. Het voert in deze strafprocedure thans te ver om onderzoek naar deze vragen te verrichten. De rechtbank is met de verdediging dan ook van oordeel dat de behandeling van de vordering van de benadeelde partijen een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. De rechtbank zal daarom de benadeelde partijen niet-ontvankelijk verklaren in de vordering tot schadevergoeding en bepalen dat de vorderingen slechts bij de burgerlijke rechter kunnen worden aangebracht.’
36. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep houdt onder meer het volgende in:
‘De voorzitter deelt kort de inhoud mede van de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 3] , die schriftelijk heeft medegedeeld de vordering tot schadevergoeding in hoger beroep te handhaven.
Mr. Flooren licht de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 3] toe:
Wij waren verrast dat de rechtbank de vordering tot schadevergoeding niet-ontvankelijk heeft verklaard. Het is een verbazingwekkende conclusie dat er in feite wel voldoende wettig en overtuigend bewijs aanwezig is, maar dat het te ingewikkeld zou zijn − wegens de aanwezigheid van andere factoren − om het causaal verband vast te stellen. Daar zegt de rechtbank in het vonnis het nodige over. De rechtbank haakt aan bij stukken waardoor aannemelijk zou zijn geworden dat er een bepaalde voorgeschiedenis is geweest. Ik vind dat dit heel ver uit zijn verband is gehaald. Ik wil uw hof meenemen in een tijdlijn, die maakt dat die overweging van de rechtbank niet juist is.
Ik zal beginnen bij de datum van het incident: 22 april 2019. We zien in productie 2 dat er op 29 april 2019 een aanmelding is gedaan bij de hulpverlenende instantie. Dat is dus één week na het incident. In productie 3 zien we dat die aanmelding bij […] is doorgelopen bij Pro Persona en is beëindigd. De brief dateert van 1 april 2020. Zo lang heeft de behandeling dus geduurd. In die brief staat dat er sprake is geweest van een seksueel incident tijdens haar peuterleeftijd, waarvoor zij toen behandeling heeft gehad en deze behandeling heeft afgerond. Ook staat in de brief vermeld dat [slachtoffer 3] rond haar 7e jaar de diagnose ADHD heeft gehad. Hoe belangrijk is dat? Er zijn veel verschillende gradaties van ADHD. Zij gebruikt daar geen medicatie voor. In productie 6 ziet uw hof dat het schooljaar 2017-2018 gewoon is verlopen. [slachtoffer 3] heeft wel wat problemen gehad, maar niet zodanig dat zij niet overging naar de volgende klas. Wat maakt dat er dan geen causaal verband kan worden vastgesteld? Direct na het incident is er langdurige hulpverlening geweest. Dit heeft zelfs tot een uithuisplaatsing en opname geleid. Dit duurde ongeveer 10 maanden, dat is best lang.
Het is niet niets wat er is gebeurd. [slachtoffer 3] was slechts 14 jaar. Zoals zij heeft aangegeven, is het haar eerste seksuele contact geweest. Het is niet logisch dat er dan geen causaal verband zou zijn. Ik meen dat de verdachte minimaal een voorschot dient te betalen. Het gevolg is duidelijk. School heeft een jaar oponthoud gehad, omdat de behandeling Pro Persona niet voldoende was. Dat heeft geleid tot uithuispIaatsing.
Ik ben van mening dat de persoonlijke omstandigheden van [slachtoffer 3] niet helemaal zwart op wit op papier staan, maar via mijn producties kan uw hof aflezen dat direct na het incident veel hulp is gezocht. Anders zou er niet gesproken worden van een aanmelding. Die hulp was er dus nog niet. Belangrijke jurisprudentie betreft hier het Eierschedelarrest. De persoonlijke omstandigheden van [slachtoffer 3] moeten op de koop toegenomen worden. Iedereen heeft wel iets in het leven meegemaakt. Nergens blijkt uit dat er kort voor het incident sprake was van grote problemen.
(…)
De verdachte verklaart desgevraagd het volgende:
Ik ben niet bereid de schade te vergoeden. Het was vrijwillig.
Desgevraagd delen de advocaat-generaal, de raadsvrouw en de verdachte mede dat de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij. [slachtoffer 3] voldoende is besproken en dat er geen vragen zijn.’
37. Bij de aan de Hoge Raad gezonden stukken bevinden zich (als onderbouwing van de vordering):
- Een brief van 6 mei 2019 van […] . Deze brief houdt onder meer het volgende in:
‘Hierbij bevestigen wij de aanmelding van uw dochter [slachtoffer 3] per 29-04-2019 bij […] .’
- Een brief van 1 april 2020 van Pro Persona. Deze brief houdt onder meer het volgende in:
‘Onlangs is de behandeling bij Pro Persona beëindigd van: (…) [slachtoffer 3] .
(…)

Reden van behandeling

[slachtoffer 3] wordt verwezen met spoed door het wijkteam voor traumabehandeling.

Beschrijvende diagnose

[slachtoffer 3] is een 14-jarige adolescente, aanmeld via het wijkteam voor trauma behandeling. [slachtoffer 3] is samen met een vriendin meegegaan met een paar jongens, waarbij ze een aantal dagen zijn vastgehouden en waarbij sprake was van seksueel geweld. [slachtoffer 3] voldoet aan een Posttraumatische Stress stoornis, waarbij ze herbelevingen heeft, concentratieproblemen, hyperalert zijn, angstig voelen. EMDR is geïndiceerd. [slachtoffer 3] groeit op bij moeder, stiefvader, broer (17), halfzusje (7). [slachtoffer 3] is seksueel misbruikt rondom peuterleeftijd door haar vader en heeft daarvoor toen behandeling gehad. Rond haar 7e jaar heeft ze de diagnose ADHD gehad, gebruikt nu geen medicatie meer. Werd daar ook somber van.

DSM classificatie

Hoofddiagnose 309.81 Posttraumatische stressstoornis (incl. de posttraumatische stressstoornis bij kinderen van 6 jaar en jonger)
GAF-score 50 (max 55)

Samenvatting en resultaat van de behandeling

[slachtoffer 3] heeft vanaf september 2019 tot november 2019 traumabehandeling (EMDR) gehad. Deze therapie sloeg goed aan bij [slachtoffer 3] . De klachten passend bij PTSS zijn fors afgenomen. [slachtoffer 3] gaf aan minder herbelevingen te hebben, zich beter in haar vel te voelen, minder terug te denken aan het trauma. Ook moeder zag hierin voldoende verbetering. In de thuissituatie is het daarentegen minder goed gegaan. [slachtoffer 3] ging thuis meer gedragsproblemen laten zien en er waren zorgen of [slachtoffer 3] thuis daarin voldoende kon worden begeleid. Het wijkteam heeft dit verder opgepakt en gekeken naar een passende vorm van meer intensieve jeugdhulpverlening. Samen met moeder is besloten het dossier hier te sluiten.’
38. De ter terechtzitting in hoger beroep voorgedragen pleitnota houdt inzake de vorderingen van de benadeelde partijen onder meer het volgende in:

Vordering [slachtoffer 3]
Ook ten aanzien van de vordering van [slachtoffer 3] heeft de rechtbank overwogen dat uit de stukken aannemelijk is geworden dat er voorafgaand aan het bewezenverklaarde reeds zorgen waren omtrent (de thuissituatie van) [slachtoffer 3] . [slachtoffer 3] is vaker van huis weggelopen en eerder seksueel misbruikt. Zij heeft daarvoor een behandeling gehad. De rechtbank neemt in haar overwegingen ook mee dat het seksueel contact tussen cliënt en [slachtoffer 3] vrijwillig heeft plaatsgevonden.
De rechtbank heeft overwogen dat ook deze vordering benadeelde partij een onevenredige belasting van het strafproces oplevert en heeft [slachtoffer 3] niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering.
De verdediging sluit zich hier volledig bij aan en bepleit ook in hoger beroep niet-ontvankelijkheid van de vordering van [slachtoffer 3] . De toelichting die vandaag op zitting is gegeven, maakt dat niet anders. De vordering vormt een onevenredige belasting van het strafproces.’
39. Het arrest van het hof houdt inzake de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3] ten aanzien van materiële schade het volgende in:
‘Het hof is van oordeel dat de onderhavige vordering van de benadeelde partij met betrekking tot de gemaakte reiskosten in het kader van de opname en (gesloten) klinische behandeling van de benadeelde bij Fier te Leeuwarden met voldoende bewijsstukken is onderbouwd en acht deze toewijsbaar voor het gevorderde bedrag van € 1.679,60. Het hof acht het voldoende aannemelijk geworden dat de gesloten en klinische behandeling van de benadeelde een rechtstreeks gevolg is van onder meer het bewezenverklaarde handelen van de verdachte. Dat er mogelijk andere problemen bij de benadeelde partij (hebben) bestaan is niet van belang. De dader moet het slachtoffer accepteren zoals het is. Het verweer van de verdediging dat de causaliteit niet kan worden vastgesteld en een onderzoek daarnaar een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert, treft derhalve geen doel.
Met betrekking tot de gestelde schade vanwege de opgelopen studievertraging overweegt het hof dat aan de benadeelde partij geen strenge eisen mogen worden gesteld met betrekking tot het te leveren bewijs omtrent de causaliteit tussen de bewezenverklaarde feiten en de gestelde studievertraging en dat, nu de vordering op dit punt conform de Letselschade Richtlijn Studievertraging is vastgesteld, het hof de gestelde en gevorderde schade voor het bedrag van € 14.475,00 voldoende aannemelijk en onderbouwd acht. Ook hier treft aldus het verweer van de verdediging dat de causaliteit niet kan worden vastgesteld geen doel.’
40. In het overzichtsarrest inzake de vordering van de benadeelde partij van 28 mei 2019 heeft Uw Raad uiteengezet op welke wijze de rechter de vordering van de benadeelde partij dient te beoordelen. [7] Uw Raad overwoog onder meer (met weglating van voetnoten):
‘2.8.1 Voor de toewijsbaarheid van de vordering van de benadeelde partij gelden niet de bewijs(minimum)regels van het Wetboek van Strafvordering maar de regels van stelplicht en bewijslastverdeling in civiele zaken. Overeenkomstig de hoofdregel van art. 150 Rv Pro rust op de benadeelde partij die een vordering instelt in beginsel de last de feiten en omstandigheden te stellen – en in geval van betwisting daarvan bewijs bij te brengen – die tot toewijzing van de vordering kunnen leiden. In de context van het strafproces heeft die stelplicht in het bijzonder betrekking op de feiten en omstandigheden die niet kunnen worden vastgesteld aan de hand van uit het strafdossier af te leiden gegevens met betrekking tot het aan de verdachte tenlastegelegde strafbare feit, hetgeen in het bijzonder geldt voor feiten en omstandigheden die bepalend zijn voor de aard en omvang van de gevorderde schade.
2.8.2 In het geval de verdachte de vordering van de benadeelde partij betwist zal de rechter aan de hand van de onderbouwing van de stellingen over en weer moeten beoordelen of de feiten en omstandigheden die tot toewijzing van de vordering kunnen leiden in voldoende mate zijn komen vast te staan.
2.8.3 In het geval de verdachte de vordering van de benadeelde partij niet (gemotiveerd) betwist, zal de rechter uitgaan van de juistheid van de daaraan ten grondslag gelegde feiten (vgl. art. 149 Rv Pro) en zal de vordering in de regel worden toegewezen, tenzij de vordering onrechtmatig of ongegrond voorkomt of zich het (…) geval voordoet waarin de rechter door de beperkingen van het strafproces niet verzekerd acht dat beide partijen in voldoende mate in de gelegenheid zijn geweest hun stellingen en onderbouwingen met betrekking tot de toewijsbaarheid genoegzaam naar voren te brengen. (...)
(…)
2.8.6 Art. 361, vierde lid, Sv schrijft voor dat de beslissing op de vordering van de benadeelde partij met redenen is omkleed. De begrijpelijkheid van de beslissingen over de vordering van de benadeelde partij is mede afhankelijk van de wijze waarop (en de stukken waarmee) enerzijds de vordering is onderbouwd en anderzijds daartegen verweer is gevoerd. Naarmate de vordering uitvoeriger en specifieker wordt weersproken, zal de motivering van de toewijzing van de vordering dus meer aandacht vragen.’
41. In dit overzichtsarrest overwoog Uw Raad inzake de begrippen ‘rechtstreekse schade’ en ‘schade’ het volgende ( (met weglating van voetnoten):

’Rechtstreekse schade’(art. 51f, eerste lid, Sv; art. 361, tweede lid aanhef en onder b, Sv)
2.3.1 De benadeelde partij kan in het strafproces vergoeding vorderen van de schade die zij door een strafbaar feit heeft geleden indien tussen het bewezenverklaarde handelen van de verdachte en de schade voldoende verband bestaat om te kunnen aannemen dat de benadeelde partij door dit handelen rechtstreeks schade heeft geleden.
Voor de beantwoording van de vraag of zodanig verband bestaat zijn de concrete omstandigheden van het geval bepalend. (…) Voorts is niet vereist dat de benadeelde partij is getroffen in een belang dat door de overtreden strafbepaling rechtstreeks wordt beschermd.
2.3.2 Van zodanige schade die de benadeelde partij rechtstreeks door een strafbaar feit heeft geleden, was bijvoorbeeld sprake in het geval waarin:
(i) de benadeelde partij door de verdachte was mishandeld en haar schade bestond uit de reparatiekosten van de fiets die zij had laten vallen op het moment dat de verdachte op haar afkwam en haar mishandelde;
(ii) de benadeelde partij een vergoeding vorderde van het geld dat door een onbekend gebleven persoon is opgenomen nadat de verdachte de bankpas van de benadeelde partij had gestolen;
(iii) de benadeelde partij vergoeding vorderde van loon, gederfd door het opnemen van een vrije dag vanwege de door de verdachte in haar woning gepleegde inbraak;
(iv) de benadeelde partij vergoeding vorderde van schade die was ontstaan doordat de politie op zoek was naar (mede)daders van de door de verdachte gepleegde inbraak en daarbij schade toebracht aan een deur in de woning van de benadeelde partij.
Schade
2.4.1 Voor vergoeding aan de benadeelde partij komt overeenkomstig de regels van het materiële burgerlijk recht slechts in aanmerking de schade die de benadeelde partij heeft geleden als gevolg van de onrechtmatige gedragingen van de verdachte, voor zover deze schade op de voet van art. 6:98 BW Pro aan de verdachte kan worden toegerekend. Deze schade kan bestaan uit vermogensschade en, voor zover de wet daarop aanspraak geeft, ander nadeel (art. 6:95, eerste lid, BW).
a) Vermogensschade (art. 6:96 BW Pro)
2.4.2 Vermogensschade kan zowel geleden verlies als gederfde winst omvatten (art. 6:96, eerste lid, BW). Zij bestaat uit de daadwerkelijke verandering die het vermogen van de benadeelde partij door het strafbare feit heeft ondergaan. Uitgangspunt is dus de vergoeding van de concreet geleden schade.
(…)
Indien de omvang van de schade niet nauwkeurig kan worden vastgesteld, wordt zij geschat (art. 6:97 BW Pro).’
42. Blijkens de in hoger beroep voorgedragen pleitnota heeft de verdediging betoogd dat de vordering van de benadeelde partij een onevenredige belasting van het strafproces oplevert en dat deze op die grond niet-ontvankelijk zou moeten worden verklaard. De verdediging heeft aangevoerd dat de rechtbank heeft overwogen dat uit de stukken aannemelijk is geworden dat er voorafgaand aan het bewezenverklaarde reeds zorgen waren omtrent (de thuissituatie van) [slachtoffer 3] , dat zij vaker van huis is weggelopen, dat zij eerder seksueel is misbruikt en dat zij daarvoor een behandeling heeft gehad. Voorts heeft de verdediging erop gewezen dat de rechtbank heeft overwogen dat het seksueel contact tussen de verdachte en [slachtoffer 3] vrijwillig heeft plaatsgevonden. De verdediging heeft aangegeven dat zij zich volledig bij de overwegingen van de rechtbank aansluit.
43. Het hof heeft overwogen dat aan de benadeelde partij ‘geen strenge eisen mogen worden gesteld met betrekking tot het te leveren bewijs omtrent de causaliteit tussen de bewezenverklaarde feiten en de gestelde studievertraging’ en heeft de gestelde en gevorderde schade voor het bedrag van € 14.475,00 voldoende aannemelijk en onderbouwd geacht. Daarmee heeft het hof – meen ik − niet miskend dat overeenkomstig de hoofdregel van art. 150 Rv Pro op de benadeelde partij die een vordering instelt in beginsel de last rust om de feiten en omstandigheden te stellen – en in geval van betwisting daarvan bewijs bij te brengen – die tot toewijzing van de vordering kunnen leiden en dat het hof de vraag dient te beantwoorden of de gestelde feiten en omstandigheden in voldoende mate zijn komen vast te staan. Tegen het oordeel van het hof dat de benadeelde partij genoegzaam heeft aangetoond dat zij ter zake van studievertraging materiële schade heeft geleden tot een bedrag van € 14.475,00 zijn in cassatie geen klachten gericht.
44. Het bepaalde in art. 6:98 BW Pro impliceert dat sprake dient te zijn van een condicio sine qua non-verband tussen de onrechtmatige gedraging en de schade. [8] In ’s hofs overweging dat aan de verdediging geen strenge eisen mogen worden gesteld omtrent de causaliteit tussen de bewezenverklaarde feiten en de gestelde studievertraging ligt naar het mij voorkomt besloten dat het hof heeft geoordeeld dat van een dergelijk causaal verband sprake is. Ik neem daarbij in aanmerking dat het hof daaraan voorafgaand heeft geoordeeld ‘dat de gesloten en klinische behandeling van de benadeelde’ bij Fier ‘een rechtstreeks gevolg is van onder meer het bewezenverklaarde handelen van de verdachte’ en dat daarbij niet van belang is dat er ‘mogelijk andere problemen bij de benadeelde partij (hebben) bestaan’, nu de dader ‘het slachtoffer (moet) accepteren zoals het is’. Ik wijs er voorts op dat het hof – zo bleek – in het kader van de strafmotivering heeft overwogen dat het ‘algemeen bekend’ is dat het bewezenverklaarde plegen van ontuchtige handelingen met de minderjarige slachtoffers ‘grote schade kan toebrengen aan de verdere ontwikkeling van kinderen’. In ’s hofs overwegingen ligt voorts besloten dat het hof in hetgeen namens de verdachte is aangevoerd geen grond heeft gezien om de gestelde schade door studievertraging niet geheel aan de verdachte toe te rekenen.
45. Inzake de begrijpelijkheid van ’s hofs oordeel wijs ik erop dat namens de benadeelde partij ter terechtzitting in hoger beroep is aangevoerd dat er direct na het incident ‘langdurige hulpverlening is geweest’, dat dit ‘zelfs tot een uithuisplaatsing en opname (heeft) geleid’ en dat dit ‘ongeveer 10 maanden’ duurde. Deze omstandigheden zijn namens de benadeelde partij onderbouwd met een brief van 6 mei 2019 waaruit volgt dat op 29 april 2019 (minder dan een week na het bewezenverklaarde) een aanmelding is gedaan bij een hulpverlenende instantie en een brief van 1 april 2020 waaruit volgt dat de aanmelding (voor onder meer traumabehandeling voor het bewezenverklaarde) is beëindigd. De aldus gestelde feiten zijn door of namens de verdachte niet bestreden.
46. Aldus faalt het middel voor zover daarin wordt geklaagd dat het hof op onbegrijpelijke gronden zou hebben geoordeeld dat sprake is van een condicio sine qua non-verband tussen de bewezenverklaarde gedragingen en de schade door studievertraging, dan wel op onbegrijpelijke gronden zou hebben geoordeeld dat deze schade geheel aan de verdachte kan worden toegerekend. [9]
47. In de overwegingen van het hof ligt voorts het oordeel besloten dat tussen het bewezenverklaarde handelen van de verdachte en de schade die de benadeelde partij heeft geleden voldoende verband bestaat en er dus sprake is van rechtstreekse schade als bedoeld in art. 51f, eerste lid, Sv. Ook dat oordeel is niet onbegrijpelijk. [10]
48. Het middel faalt.

Afronding

49. Alle middelen falen en kunnen worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, Wet RO ontleende motivering. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven. [11]
50. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.B.F. Keulen en G. Knigge,
2.Vgl. HR 20 januari 1959, ECLI:NL:HR:1959:135,
3.A.J.A. van Dorst en M.J. Borgers,
4.Vgl. ook HR 14 februari 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU7119.
5.Vgl. G.J.M. Corstens,
6.HR 11 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9130,
7.HR 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793,
8.Vgl. HR 3 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:2895,
9.Vgl. in verband met schadevergoeding wegens studievertraging eerder HR 20 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1123.
10.Ik wijs in verband met het begrip ‘rechtstreekse schade’ op de conclusie van A-G Hofstee, randnummer 33, voor HR 18 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2335,
11.Inmiddels is op 1 juli 2024 de Wet seksuele misdrijven,