Conclusie
Nummer22/04207
Inleiding
“poging tot een ander door een feitelijkheid, gericht tegen die ander, wederrechtelijk dwingen iets te doen”(gevoegde strafzaak met parketnummer 10-279609-21) en
“bedreiging met brandstichting”(gevoegde strafzaak met parketnummer 10-310016-21) veroordeeld tot een gevangenisstraf van 41 dagen, met aftrek als bedoeld in artikel 27 Sr Pro. Daarnaast heeft het hof beslissingen genomen met betrekking tot vorderingen tot vergoeding van schade die het gevolg is van het onder parketnummer 10-279609-21 bewezen verklaarde feit, een en ander zoals nader in het arrest bepaald.
De bewijsconstructie en de verwerping van het verweer
Zaak met parketnummer 10-279609-21:
als de op genoemde datum afgelegde verklaring van [slachtoffer 2]:
als de op genoemde datum afgelegde verklaring van [slachtoffer 1]:
”
".
".
”.
”.
".
dat deze man zijn woord bij de daad[ik lees: de daad bij het woord, D.A.]
gaat voegen, hij is ontoerekeningsvatbaar. [verdachte] weet mijn huisadres en ook blijkbaar wat privézaken. Hij chanteert mij met geldbedragen die ik moet afstaan. In de pamfletten heeft [verdachte] aangegeven niet terug te deinzen geweld te gebruiken.
als de op genoemde datum afgelegde verklaring van [aangever]:
Het eerste middel (betreffende de zaak met parketnummer 10-279609-21)
geen koppeling (…) is gemaakt met een gevolg indien de eisen niet werden ingewilligd”. Omdat er in de (weliswaar lugubere) teksten, niets is opgenomen als conclusie waarmee gedwongen wordt om gehoorzaamheid te bewerkstellingen, hebben de teksten volgens de steller van het middel geen dwingend karakter: “
Als men niet voldeed aan de gestelde eisen, zat daar volgens het e-mailbericht geen gevolg aan. Iemand ergens toe willen dwingen heeft pas nut als er duidelijk wordt gemaakt wat het gevolg is als er niet aan de eisen wordt voldaan. De vraag is dan ook in hoeverre excuses eisen een strafbaar feit zou moeten opleveren.”Het hof had in het bijzonder behoren te responderen op hetgeen is aangevoerd met betrekking tot de vraag waaruit de dwang precies zou hebben bestaan, aldus de steller van het middel. [1]
Het beoordelingskader: dwang
Om middel tot het plegen van het misdrijf van dit artikel te zijn moeten zij zijn van zulke aard dat zij naar de gegeven omstandigheden beschouwd iemand kunnen dwingen, hem zijns ondanks brengen tot hetgeen van hem wordt verlangd”, aldus Machielse in zijn commentaar op artikel 284 Sr Pro. [2]
NJ2012/148 m.nt. Keijzer, kan de feitenrechter bij de beoordeling van de uitlatingen van een verdachte in dit kader de context van het geval mede van betekenis achten. [5]
De bespreking van het eerste middel
poging tot een ander door een feitelijkheid, gericht tegen die ander, wederrechtelijk dwingen iets te doen”, heeft het hof kennelijk geoordeeld dat (het verspreiden van) de teksten op de pamfletten en (het versturen van) de e-mail als ‘feitelijkheid’ – en niet als (bedreiging met) geweld – kunnen worden aangemerkt en dat daarmee is
gepoogdde slachtoffers te belemmeren in hun vrijheid om te handelen. Met andere woorden: volgens het hof heeft de verdachte, door middel van (het verspreiden van) de teksten op de pamfletten en (het sturen van) de e-mail,
getrachtbij de slachtoffers een zodanige psychische druk teweeg te brengen dat zij hieraan geen weerstand konden bieden en zich gedwongen voelden te voldoen aan hetgeen van hen werd verlangd, te weten het aanbieden van excuses en/of het betalen van een geldsom. Daarin ligt als ’s hofs oordeel besloten dat de gedragingen van de verdachte naar hun uiterlijke verschijningsvorm zijn gericht op voltooiing van de voorgenomen dwang. Zodoende heeft zich een begin van de uitvoering van het delict, omschreven in artikel 284 Sr Pro, geopenbaard, aldus versta ik ’s hofs oordeel.
koppeling met een gevolg” moet zijn indien “
de eisen niet worden ingewilligd”, geen steun vindt in het recht.
op de knietjes”) en een geldsom te betalen;
zeer serieus” namen;
bang” waren dat de verdachte “
een van deze uitspraken daadwerkelijk zal uitvoeren” en
zijn woord bij de daad gaat voegen”(ik begrijp: de daad bij het woord gaat voegen).
Het tweede middel (betreffende de zaak met parketnummer 10-310016-21)
het Dordrechts Museum”.
het Dordrechts museum”. Volgens de steller van het middel kan een museum, anders dan een medewerker c.q. vertegenwoordiger ervan, niet worden bedreigd. Indien het hof zou hebben vastgesteld dat het museum niet ‘als gebouw’ maar ‘als rechtspersoon’ was bedreigd, zou dat mogelijk nog anders kunnen zijn geweest, maar daarvan is geen sprake. Dan zou het hof in lijn met de jurisprudentie van de Hoge Raad, inzichtelijk hebben moeten maken in hoeverre in redelijkheid bij ‘relevante natuurlijke personen bij die rechtspersoon’ vrees is ontstaan dat de brandstichting waarmee werd gedreigd ook zou worden gepleegd.
Rechtspraak over bedreiging van anderen dan natuurlijke personen
Bedreiging met openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen of goederen, met geweld tegen een internationaal beschermd persoon of diens beschermde goederen, met enig misdrijf waardoor gevaar voor de algemene veiligheid van personen of goederen of gemeen gevaar voor de verlening van diensten ontstaat, met verkrachting, met feitelijke aanranding van de eerbaarheid, met enig misdrijf tegen het leven gericht, met gijzeling, met zware mishandeling of met brandstichting, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of geldboete van de vierde categorie.”
nietis vereist dat de bedreiging op de bedreigde een zodanige indruk heeft gemaakt dat daardoor daadwerkelijk vrees is opgewekt en de aangesprokene zich in zijn vrijheid belemmerd achtte. [9] Het delict bedreiging heeft zo bezien ‘trekken van een abstract gevaarzettingsdelict’: strafbaarheid wordt niet gerealiseerd omdat de persoonlijke vrijheid werkelijk is ingeperkt of belemmerd, maar omdat deze ingeperkt of belemmerd kan worden. [10]
geenslachtoffer kan zijn. [12] De jurisprudentie van de Hoge Raad in ogenschouw nemend lijkt een dergelijke opvatting evenwel strijdig met het uitgangspunt dat een rechtspersoon in beginsel beschikt over een persoonlijke levenssfeer waarop inbreuk
kanworden gemaakt, bijvoorbeeld als gevolg van een stelselmatige observatie van die rechtspersoon. [13]
NJ2016/12, als volgt:
De bespreking van het tweede middel
indien bij voor een rechtspersoon relevante natuurlijke personen in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat het misdrijf waarmee de rechtspersoon is bedreigd, zou kunnen worden gepleegd”, aldus oordeelde de Hoge Raad (zie randnummer 29). De rechtsvraag die (enigszins omfloerst) door het middel wordt opgeworpen, betreft de vraag of niet alleen natuurlijke personen en rechtspersonen, maar ook
andereentiteiten c.q. constructies dan dezen het slachtoffer kunnen zijn van misdrijven als bedreiging. Als ik het goed zie heeft de Hoge Raad zich over deze vraag nog niet eerder gebogen.
begaan. Die vraag wordt onomwonden beantwoord door artikel 51 Sr Pro, omdat deze strafrechtelijke bepaling limitatief moet worden begrepen. Het antwoord op de door mij gestelde vraag is daardoor ontkennend, tenzij het gaat om de (in lid 3 van die bepaling) met een rechtspersoon gelijkgestelde entiteiten: de vennootschap zonder rechtspersoonlijkheid, de maatschap, de rederij en het doelvermogen.