AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Veroordeling voor opzetheling van gestolen steigeronderdelen in gehuurde container
De verdachte werd bij arrest van 12 oktober 2022 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden veroordeeld tot zes weken gevangenisstraf wegens opzetheling van gestolen steigeronderdelen die in een door hem gehuurde container waren aangetroffen. De benadeelde partij werd niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering. De verdachte stelde cassatieberoep in tegen de bewezenverklaring dat hij ten tijde van het voorhanden krijgen van de goederen wist dat deze door misdrijf waren verkregen.
De bewijslast berustte op verklaringen van de verhuurder van de container, politieprocessen-verbaal, en het feit dat de sleutel van het hangslot van de container in de auto van de verdachte werd gevonden. Ook was op de telefoon van de verdachte een foto van een opgebouwde steiger opgeslagen en had hij op de dag van de controle gezocht naar soortgelijke steigeronderdelen op Marktplaats. Het hof achtte het niet aannemelijk dat een ander dan de verdachte huurder was van de container en concludeerde dat de verdachte wist dat het goed gestolen was.
De Hoge Raad bevestigt dat het hof de bewezenverklaring voldoende heeft gemotiveerd en dat de verdachte geen aannemelijke ontlastende verklaring heeft gegeven. Wel constateert de Hoge Raad een schending van de redelijke termijn, omdat de uitspraak meer dan twee jaar na het instellen van het cassatieberoep plaatsvindt, en adviseert tot vermindering van de straf. Het cassatieberoep wordt verder verworpen.
Uitkomst: De straf voor opzetheling wordt bevestigd maar verminderd wegens schending van de redelijke termijn.
Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer22/03922
Zitting15 oktober 2024
CONCLUSIE
E.J. Hofstee
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1977,
hierna: de verdachte
Inleiding
De verdachte is bij arrest van 12 oktober 2022 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Zwolle, wegens “opzetheling” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes weken (met aftrek van het voorarrest). Voorts heeft het hof de benadeelde partij [A] B.V. in haar vordering niet-ontvankelijk verklaard.
Namens de verdachte heeft B. Kizilocak, advocaat in Rotterdam, een middel van cassatie voorgesteld.
Het middel en de bespreking daarvan
Het middel
3. Het middel richt zich met een motiveringsklacht tegen de bewezenverklaring voor zover deze inhoudt dat de verdachte ten tijde van het voorhanden krijgen wist dat het om een door misdrijf verkregen goed ging.
Bewezenverklaring en bewijsvoering
4. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
“hij op 16 oktober 2020 te [plaats] , [plaats] , een hoeveelheid steigeronderdelen, voorhanden heeft gehad terwijl hij ten tijde van het voorhanden krijgen van dit goed wist, dat het een door misdrijf verkregen goed betrof.”
5. De bewezenverklaring berust op de volgende bewijsmiddelen:
“1. De verklaring van verdachte,afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van [geboortedatum] 2022, voor zover inhoudende:
Ik huurde de container. Ik zat in de auto bij de container toen de politie kwam. Het klopt dat [betrokkene 1] mij heeft aangewezen als de huurder van de container. Ik kwam daar wekelijks en ik sprak hem ook wel. Het klopt ook dat ik een sleutel had van de container, die lag in mijn bus.
[…]
2. Een proces-verbaal van aangifte van [betrokkene 2] namens [A] B.V.te [plaats] , gedateerd 16 oktober 2020, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven (blz. 6 e.v.):
Pleegdatum/tijd: tussen dinsdag 13 oktober 2020 om 16.00 uur en woensdag 14 oktober 2020 om 07.00 uur.
Ik doe aangifte van diverse steigeronderdelen, welke de firma [A] B.V. geheel in eigendom toebehoren. Deze steigeronderdelen waren door de firma [B] B.V. gehuurd en lagen op een bouwlocatie te [plaats] . Op 14 oktober 2020 kregen wij via de huurder te horen dat de steigeronderdelen van de bouwplaats te [plaats] waren weggenomen.
Er zijn zeven.platformen zonder luik, twee aluminium opbouwframes vier sporten, acht aluminium opbouwframes zeven sporten, vier platformen met luik, zestien aluminium horizontale schoren van 2.45 meter, dertien aluminium diagonale schoren van 2.45 meter, twee aluminium wielstaanders, vier vouwbare aluminium stabilisatoren van 2.00 meter, twee aluminium leuningen voor trap van 2.45 meter, eenmaal een aluminium vide leuning voor trap van 2.45 meter en één aluminium trap van één meter hoogte weggenomen.
Vandaag kreeg de firma [A] een telefoontjes dat te [plaats] een container was aangetroffen waarin steigeronderdelen van [A] waren aangetroffen. Deze steigeronderdelen zijn herkenbaar aan stickers met de naam van [A] B.V. en de met spuitverf aangebrachte kenmerken op de diverse uiteinden van onderdelen.
Ik ben op verzoek van de politie naar de locatie in [plaats] gereden en herken de steigeronderdelen van [A] B.V.
Aan niemand werd het recht of toestemming gegeven tot het plegen van het feit.
3. Een proces-verbaal van bevindingen, gesloten op 16 oktober 2020, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven (blz. 12 e.v.):
Op 16 oktober 2020 waren wij op de [a-straat 1] te [plaats] . Dit betrof een groot terrein met daarop meerdere zeecontainers. In een van deze zeecontainers zou mogelijk vuurwerk zitten. Wij waren mee ter ondersteuning van de milieupolitie.
Op bovengenoemde dag, datum en tijdstip, zag ik verbalisant [verbalisant] , op de genoemde locatie een roodkleurige Opel Movano staan. Ik zag dat de Opel was voorzien van het volgende kenteken: [kenteken] . Achter het stuur van de Opel zag ik een man. Deze man bleek later te zijn:
[verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1977 te [geboorteplaats] .
Ik, [verbalisant] zag dat [verdachte] in de politiesystemen voorkwam als verdachte van vermogensdelicten. Ik zag dat [verdachte] voor een container stond. Ik zag dat [verdachte] ter hoogte van een container stond met het nummer [01] erop. Ik hoorde dat een collega aan [verdachte] vroeg wat hij daar kwam doen. Ik hoorde [verdachte] zeggen dat hij bij een container moest zijn. [verdachte] kon niet duidelijk aangeven bij welke container.
Enkele minuten later kwam er een man aanrijden. Deze man bleek later de bewoner van het genoemde adres te zijn. Ik, [verbalisant] hoorde deze, man zeggen: "Deze man is van nummer [01] . Die ken ik" of woorden van gelijke strekking. Van deze man is later een getuigenverklaring opgenomen.
Wij zagen dat de container afgesloten was met een hangslot. Een collega heeft de container vervolgens geopend door het slot te forceren. In de container zagen wij grote hoeveelheden steigeronderdelen staan. Op deze steigeronderdelen zaten stickers van een verhuurbedrijf.
De steigeronderdelen bleken van diefstal afkomstig te zijn. Wij hadden het vermoeden van de sleutel van het bovengenoemde hangslot in het bovengenoemde voertuig aanwezig was. In de deurstijl zag ik een koffiebeker staan. Ik zag dat de koffiebeker was afgesloten door een deksel. Ik pakte de koffiebeker en rammelde hem heen en weer. Ik voelde dat er iets zwaars in de koffiebeker zat. Ik opende vervolgens de koffiebeker. Ik zag in de koffie beker een kleine sleutel. Ik probeerde deze sleutel op het bovengenoemde hangslot. Ik zag dat deze sleutel passend was.
Wij verbalisanten, zagen in het bovengenoemde voertuig een mobiele telefoon liggen. Wij zagen dat [verdachte] deze telefoon eerder in zijn hand had. Wij hebben de telefoon vervolgens in beslag genomen.
Ik, [verbalisant] heb vervolgens in de galerij van de telefoon gekeken. Een galerij is een mapje waar foto's in staan. In de galerij zag ik een mapje prullenbak. Ik zag in deze map een foto van een opgebouwde steiger. Ik, [verbalisant] heb vervolgens de internetbrowser geopend. Ik zag in de zoekgeschiedenis dat Martplaats.nl meervoudig bezocht was. Ik zag dat op Marktplaats was gekeken naar een advertentie voorzien van de volgende titel: Met spoed gezocht, Altrex steigermateriaal. Ik zag dat de steigeronderdelen in de bovengenoemde container ook van dit merk waren.
Ik, [verbalisant] ben vervolgens naar de. site Marktplaats.nl gegaan; Ik zag dat de telefoon ingelogd was op een profiel. Ik zag dat het profiel van een persoon genaamd [verdachte] was. Ik zag dat [verdachte] in mei en juli steigeronderdelen had aangeboden op Marktplaats.nl.
4. Een proces-verbaal van verhoor van getuige [betrokkene 1], gesloten op 16 oktober 2020, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven (blz. 32 e.v.):
Op vrijdag 16 oktober 2020 omstreeks 13.30 uur was de politie bij mij op het terrein aan de Burgemeester [a-straat 1] in [plaats] voor een onderzoek naar de inhoud van vrachtcontainers, die bij mij op het terrein staan.
Ik verhuur onder andere 32 vrachtcontainers aan mensen die het nodig hebben voor opslag. De blauwe container nummer [01] verhuurde ik aan een man genaamd [betrokkene 3] voor 80 euro per maand. Drie maanden geleden had ik de container aan hem verhuurd. [betrokkene 3] kwam ongeveer één keer per week naar zijn container om materialen in te stoppen. Ik weet dat hij bouwsteigers verhuurde. Ik vraag 80 euro huur per maand voor de container. Dit bedrag moest [betrokkene 3] vooruit betalen. [betrokkene 3] komt altijd in een grote rode bus van het merk Opel.
Ik had zelf afgesproken met [betrokkene 3] om de container aan hem te verhuren. Daarbij kreeg ik het telefoonnummer: [telefoonnummer] . Meer gegevens heb ik niet van [betrokkene 3] .
Ik vraag eigenlijk nooit een identiteitsbewijs aan de mensen die ik een container verhuur. [betrokkene 3] zat in zijn rode Opel bus toen de politie hem aansprak. De politie heeft de man die ik herkende als [betrokkene 3] en container nummer [01] huurde, meegenomen naar het politiebureau.
5. Een proces-verbaal van bevindingen, gesloten op 22 oktober 2022, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven (blz. 36):
Op 22 oktober 2020 nam ik telefonisch contact op met getuige [betrokkene 1] . Ik stelde aanvullende vragen aan [betrokkene 1] . Ik hoorde dat getuige [betrokkene 1] mij op deze vragen als volgt antwoordde:
A: De huur werd door [betrokkene 3] , de man die door de politie werd meegenomen, zelf betaald. Hij heeft mij in totaal ik denk nu drie keer huur betaald.
B: Hij betaalde mij contant. Mogelijk ook één keer via een tikkie.”
6. Voorts heeft het hof het volgende met betrekking tot het bewijs overwogen:
“Tijdens een controle van de politie op 16 oktober 2020 werden in een container steiger(onderdelen) van het merk Altrex aangetroffen die een paar dagen eerder, tussen 13 oktober, 16.00 uur en 14 oktober 2020, 7.00 uur gestolen waren. Verdachte zat achter het stuur van een rode Opel Movano, ter hoogte van die container op het moment van aanvang van de controle. Na de controle van de container en de vondst van de gestolen steiger(onderdelen) werd de rode Opel doorzocht en werd de sleutel van het hangslot van de container gevonden.
Verdachte heeft verklaard dat niet hij, maar een neef waarvan hij de naam niet wil noemen, de huurder van deze container is. Verder weet hij niet hoe de gestolen steiger(onderdelen) in de container terecht zijn gekomen maar ze zijn in ieder geval niet van hem.
Uit de verklaring van de verhuurder van de container, [betrokkene 1] , blijkt echter het volgende. Hij heeft de container verhuurd aan een man die hij [betrokkene 3] noemt die ongeveer één keer in de week naar de container kwam en dan altijd in een grote rode bus van het merk Opel reed. In zijn telefoon heeft [betrokkene 1] het telefoonnummer van deze huurder opgeslagen. Dat telefoonnummer bleek later van verdachte te zijn. Uit zijn verklaring en een proces-verbaal van bevindingen blijkt dat [betrokkene 1] de huurder “ [betrokkene 3] ” en de Rode Opel herkende toen hij in verband met de controle op de locatie van de container arriveerde.
[betrokkene 1] was erbij toen de politie de man die hij kende als “ [betrokkene 3] ” aansprak en meenam naar het bureau. De getuige verklaarde dat hij de man herkende als [betrokkene 3] die container [01] huurde.
Uit het proces-verbaal van bevindingen blijkt dat de man uit de rode Opel Movano, die ter hoogte van container [01] stond toen de politie daar een controle uitvoerde, en die werd meegenomen naar het bureau, verdachte was.
De stelling dat niet verdachte maar zijn neef de container huurde en dat de steiger(onderdelen) door een ander in de container moeten zijn geplaatst acht het hof zonder enige nadere onderbouwing niet aannemelijk geworden. Van een andere huurder of een andere persoon die deze steiger(onderdelen) in die container heeft gezet, is het hof niet gebleken. Desgevraagd heeft verdachte ter zitting verklaard dat hij geen neef heeft die [betrokkene 3] heet. Het feit dat verdachte geen [betrokkene 3] heet en weleens met een andere persoon bij de container is gesignaleerd doet daar niet(s) aan af.
Op grond van het vorenstaande komt het hof tot het oordeel dat verdachte de enige huurder is geweest van de container.
Als enig huurder mag van verdachte verwacht worden dat hij bekend is met de inhoud van de container.
De sleutel van het hangslot van de container werd bij de doorzoeking van de auto van verdachte gevonden in een koffiebeker met een deksel erop die in de deurstijl van het bestuurdersportier stond.
Zelfs toen het slot van die container (met behulp van een slijptol) door de politie werd geforceerd, heeft verdachte niet gemeld dat hij in het bezit was van de sleutel van het slot.
Bovendien is bij onderzoek aan de telefoon van verdachte gebleken dat hij een foto van een opgebouwde steiger had opgeslagen en had weggegooid en op de dag van de controle nog op marktplaats.nl had gekeken naar een advertentie: “met spoed gezocht Altrex steigermateriaal”.
Gelet op het vorenstaande is naar het oordeel van het hof buiten redelijke twijfel komen vast te staan dat verdachte wist dat in de door hem gehuurde container gestolen steiger(onderdelen) waren opgeslagen.”
Het juridisch kader
7. Art. 416 lid 1 aanhefPro en onder a Sr bepaalt – onder meer – dat hij die een goed voorhanden heeft terwijl hij ten tijde van het voorhanden krijgen daarvan wist dat het een door misdrijf verkregen goed betrof, zich schuldig maakt aan opzetheling. Voor een bewezenverklaring van opzetheling dient te worden vastgesteld dat de verdachte “wist” dat het goed dat hij voorhanden had door misdrijf was verkregen. Onder dit “weten” is mede begrepen de bewuste aanvaarding van de aanmerkelijke kans dat het goed door misdrijf is verkregen. [1]
8. Voorts is voor een bewezenverklaring van opzetheling vereist dat wordt vastgesteld dat de verdachte de hiervoor bedoelde wetenschap had “ten tijde van het voorhanden krijgen” van het door misdrijf verkregen goed. In vier uitspraken van 29 januari 2019 heeft de Hoge Raad de te stellen eisen aan het bewijs van deze wetenschap van de verdachte nader voor het voetlicht gebracht. [2] In HR 29 januari 2019, ECLI:NL:HR:2019:97, NJ2019/310, m.nt. Rozemond stelt de Hoge Raad in rov. 2.5.3 voorop dat uit de wetsgeschiedenis van art. 416 lid 1 SrPro volgt dat de wetgever met het opnemen van het bestanddeel “ten tijde van” onder meer het verwerven of voorhanden krijgen van het goed, heeft willen bewerkstelligen dat in het geval dat iemand eerst na het verwerven of voorhanden krijgen wetenschap heeft verkregen van de herkomst uit misdrijf, hij niet strafbaar is ter zake van opzetheling. Bij de bewijsvoering ter zake van de wetenschap van de herkomst uit misdrijf “ten tijde van” onder meer het voorhanden krijgen van een goed mag, aldus nog altijd de Hoge Raad in voormeld arrest uit 2019 (rov. 2.5.4), de rechter betrekken dat aanwijzingen ontbreken dat de wetenschap van de herkomst uit misdrijf eerst is ontstaan na het verwerven of voorhanden krijgen van het goed. Daarbij kan de procesopstelling van de verdachte een rol spelen. De rechter mag aldus bij zijn bewijsoordeel in aanmerking nemen dat de verdachte voor een omstandigheid die op zichzelf of in samenhang met de verdere inhoud van de bewijsmiddelen beschouwd redengevend kan worden geacht voor het bewijs van het aan hem tenlastegelegde feit, geen aannemelijke, die redengevendheid ontzenuwende, verklaring heeft gegeven (rov. 2.3.3). De Hoge Raad komt in de vier genoemde zaken telkens tot een verwerping van de tegen het bewijs van opzetheling aangevoerde klacht, waarbij aan het ontbreken van een aannemelijke verklaring van de verdachte betekenis wordt toegekend voor het bewijs dat de verdachte ook ten tijde van het voorhanden krijgen van het goed moet hebben geweten dat het was verkregen uit misdrijf. [3]
De bespreking van het middel
9. Uit de bewijsvoering van het hof blijkt onder meer dat er steigeronderdelen, die enkele dagen eerder waren gestolen, met daarop stickers van verhuurbedrijf ( [A] B.V.) in een verhuurde opslagcontainer lagen en dat het naar het oordeel van het hof niet aannemelijk is dat een ander dan de verdachte op dat moment huurder van die opslagcontainer was. Daarbij heeft het hof in aanmerking genomen dat:
- de verdachte in zijn roodkleurige Opel ter hoogte van de container stond;
- de verhuurder de verdachte als huurder (‘ [betrokkene 3] ’) van de container heeft herkend en ook diens rode Opel heeft herkend;
- de verhuurder het telefoonnummer van de huurder van de container in zijn telefoon had opgeslagen en dit telefoonnummer van de verdachte is;
- de sleutel van het hangslot van de container is aangetroffen in de auto van de verdachte in de deurstijl aan de bestuurderskant (in een koffiebeker met een deksel erop);
- de verdachte niet heeft gemeld dat hij een sleutel van het slot van de container had, zelfs niet toen dit slot werd geforceerd door de politie;
- de verdachte op zijn telefoon een foto van een opgebouwde steiger had opgeslagen en vervolgens had weggegooid;
- de verdachte op de dag van de controle op marktplaats.nl had gekeken naar een advertentie met de titel “met spoed gezocht Altrex steigermateriaal” en de in de container aangetroffen steigeronderdelen van dit merk waren;
- het hof niet is gebleken van een andere huurder of een andere persoon die de steigeronderdelen in de container zou kunnen hebben gezet.
10. In de bewijsoverwegingen van het hof ligt tevens besloten dat de verdachte geen aannemelijke verklaring heeft gegeven met betrekking tot het voorhanden hebben van de steigeronderdelen en dat het niet anders kan dan dat de verdachte ook “ten tijde van" het voorhanden krijgen van de steigeronderdelen wist dat het door misdrijf verkregen goederen betrof.
11. Op grond van het voorgaande meen ik dat het bestreden oordeel van het hof niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd is. Dit brengt mee dat de bewezenverklaring mijns inziens naar de eis der wet voldoende met redenen is omkleed.
Slotsom
12. Het middel faalt en kan worden afgedaan met een aan art. 81 lid 1 ROPro ontleende motivering.
13. Ambtshalve merk ik op dat namens de verdachte cassatie is ingesteld op 20 oktober 2022. Dat betekent dat de Hoge Raad uitspraak zal doen nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Daarmee is de redelijke termijn in de zin van art. 6, eerste lid, EVRM geschonden. Dit dient denk ik te leiden tot vermindering van de opgelegde straf.
14. Andere gronden die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven, heb ik niet aangetroffen.
15. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan naar de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.
3.Ook in twee latere arresten kwam de Hoge Raad met een vergelijkbare overweging tot een verwerping van de bewijsklachten; zie HR 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:723 (rov. 2.3) en HR 13 juli 2021, ECLI:NL:HR:2021:1034,