In deze zaak staat de ontnemingsvordering centraal die voortvloeit uit een veroordeling wegens medeplegen van witwassen. De betrokkene werd door het hof veroordeeld tot betaling van € 75.755,91 als wederrechtelijk verkregen voordeel, vastgesteld via een eenvoudige kasopstelling over de periode 1 juli 2012 tot en met 8 december 2015.
De verdediging voerde primair vrijspraak van witwassen en het niet aannemelijk zijn van andere strafbare feiten die voordeel zouden hebben opgeleverd. Subsidiair werd betoogd dat witgewassen geld niet zonder meer als wederrechtelijk verkregen voordeel kan worden aangemerkt. De Hoge Raad bevestigt de vaste jurisprudentie dat witwassen op zichzelf geen voordeel oplevert, maar dat op grond van artikel 36e lid 3 Sr ontneming mogelijk is indien aannemelijk is dat het misdrijf of andere strafbare feiten tot voordeel hebben geleid.
De eenvoudige kasopstelling, gebaseerd op verklaringen van de betrokkene en medeverdachte, en politieonderzoek, toont een significant negatief kasverschil dat niet verklaard kan worden uit legale inkomsten. Het hof acht deze kasopstelling betrouwbaar en wijst de bezwaren van de verdediging af. De ontvangen huurpenningen van circa € 60.000,- zijn niet meegerekend in het wederrechtelijk verkregen voordeel omdat de betrokkene daarvoor in de strafzaak is vrijgesproken.
De Hoge Raad oordeelt dat het hof de ontnemingsvordering terecht heeft toegewezen en dat de keuze voor de eenvoudige kasopstelling niet onbegrijpelijk is. De middelen van cassatie falen, en het beroep wordt verworpen. De redelijke termijn is overschreden, maar dit leidt niet tot vernietiging van het arrest.