ECLI:NL:PHR:2023:857

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
3 oktober 2023
Publicatiedatum
2 oktober 2023
Zaaknummer
21/03982
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Deels toewijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 420ter SrArt. 11a OpiumwetArt. 11, vijfde lid, OpiumwetArt. 3 onder B, C, D OpiumwetArt. 27, eerste lid, Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vermindering taakstraf wegens schending redelijke termijn bij medeplegen gewoontewitwassen en medeplegen facilitaire ruimte hennepteelt

De zaak betreft het cassatieberoep tegen het arrest van het hof Arnhem-Leeuwarden waarin verdachte is veroordeeld voor medeplegen van gewoontewitwassen en medeplegen van het voorhanden hebben van ruimten bestemd voor strafbare feiten op grond van de Opiumwet.

Het hof baseerde de bewezenverklaring mede op een eenvoudige kasopstelling waaruit bleek dat het huishouden van verdachte en medeverdachte gedurende de onderzoeksperiode meer contante uitgaven had gedaan dan via legale bronnen kon worden verantwoord. Verdachte kon geen concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geven voor het negatieve kasverschil, zodat het hof concludeerde dat het geldbedrag afkomstig was uit enig misdrijf.

Daarnaast was vastgesteld dat verdachte wist of ernstige reden had om te vermoeden dat een gehuurde loods werd gebruikt voor het plegen van opiumdelicten, mede gelet op de hoeveelheid hennep en hasj die werd aangetroffen, de aanwezigheid van beveiligingscamera’s en de aard van de huurrelatie.

De Hoge Raad bevestigt de rechtmatigheid van de bewijsconstructie en de uitleg van artikel 11a Opiumwet. Wel wordt de opgelegde taakstraf verminderd wegens overschrijding van de redelijke termijn. Het beroep wordt voor het overige verworpen.

Uitkomst: De Hoge Raad vermindert de taakstraf wegens schending van de redelijke termijn en verwerpt het beroep voor het overige.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer21/03982

Zitting3 oktober 2023
CONCLUSIE
B.F. Keulen
In de zaak
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1967,
hierna: de verdachte
De verdachte is bij arrest van 14 september 2021 door het gerechtshof Arnhem- [plaats] wegens 1 primair ‘medeplegen van: van het plegen van witwassen een gewoonte maken’ en 4. ‘medeplegen van: ruimten voorhanden hebben, waarvan zij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat deze bestemd zijn tot het plegen van een van de in artikel 11, vijfde lid, van de Opiumwet strafbaar gestelde feiten’ veroordeeld tot 180 uren taakstraf, subsidiair 90 dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest als bedoeld in art. 27, eerste lid, Sr. Daarbij heeft het hof de teruggave aan de verdachte gelast van een tas met een doosje vuurwerk.
Er bestaat samenhang met de zaken 21/03979, 21/03980 en 21/03981. In deze zaken zal ik vandaag ook concluderen.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. J. Boksem, advocaat te [plaats] , heeft drie middelen van cassatie voorgesteld.
Het eerste middel betreft de bewijsvoering van feit 1. Het tweede middel betreft de bewijsvoering van feit 4. Het derde middel betreft de interpretatie van artikel 11a Opiumwet en een verweer dat in dat verband is gevoerd. Voordat ik de middelen bespreek, geef ik de bewezenverklaring en bewijsvoering van beide feiten weer, de eenvoudige kasopstelling in een proces-verbaal van bevindingen waar het hof op voortbouwt, alsmede passages uit de pleitnota.
Bewezenverklaring, bewijsvoering, het proces-verbaal met de eenvoudige kasopstelling en gevoerde verweren
5. Het hof heeft ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat:
‘1. primair:
zij in de periode van 1 juli 2012 tot en met 8 december 2015, te [plaats] , gemeente [plaats] , tezamen en in vereniging met een ander van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers heeft zij, verdachte en haar medeverdachte [medeverdachte] een hoeveelheid geld verworven, voorhanden gehad, terwijl zij, verdachte en haar medeverdachte, wisten dat dat geldbedrag - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf;
4.
zij op 8 december 2015 te [plaats] , gemeente [plaats] , tezamen en in vereniging met een ander een ruimte, te weten een deel van een loods aan:
- [a-straat 1]
voorhanden heeft gehad, waarvan zij en haar mededader wist(en) of ernstige reden had(den) te vermoeden dat die ruimte bestemd was tot het plegen van een van de in artikel 11, vijfde lid van de Opiumwet strafbaar gestelde feiten.’
6. Deze bewezenverklaringen steunen op de volgende bewijsvoering (met overneming van voetnoten):

Overweging met betrekking tot het bewijs ter zake van het onder 1 en 4 tenlastegelegde
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft, overeenkomstig de inhoud van zijn aan het hof overgelegde pleitnota, vrijspraak bepleit van de onder 1 primair en subsidiair en 4 tenlastegelegde feiten. De raadsman heeft daartoe onder meer het volgende aangevoerd.
Voor zover sprake is van een situatie waarin sprake is van een ernstig vermoeden van witwassen, hebben [medeverdachte] en [verdachte] , in aanmerking genomen de verklaringen afgelegd bij de raadsheer-commissaris door de verschillende getuigen, het financiële onderzoek door [B] en de verklaringen en de bewijsstukken die bij het door [B] opgemaakte rapport als bijlagen zijn gevoegd, een concrete, verifieerbare en aannemelijke verklaring gegeven voor de herkomst van hun vermogen. Er is geen sprake van vermogen dat uit misdrijf afkomstig is. Het openbaar ministerie (hierna: OM) heeft geen onderzoek gedaan naar deze verklaringen over de herkomst van het vermogen. Het OM beschikt al sinds 2018 over het rapport van [B] en de verklaringen bij de raadsheer-commissaris zijn ook al bijna twee jaren geleden afgelegd. Het OM heeft aldus tijd genoeg gehad om bij twijfel onderzoek naar de verklaringen van verdachten te (doen) verrichten. Nu dat niet is gebeurd, ontbreekt het bewijs voor witwassen, zowel in de primaire als de subsidiaire variant.
De raadsman heeft subsidiair vrijspraak bepleit van het medeplegen van witwassen van de in de woning aangetroffen gelden. Niet kan worden bewezen dat verdachte en medeverdachte [medeverdachte] nauw en bewust hebben samengewerkt bij het opbergen van dit geld. Uit het dossier is geen significante bijdrage van verdachte af te leiden.
Ten aanzien van het onder 4 tenlastegelegde heeft de raadsman aangevoerd dat het bij artikel 11a Opiumwet moet gaan om het faciliteren van de grootschalige of professionele hennepteelt, niet om het faciliteren van de verkoop, zoals in deze zaak. Voorts heeft de raadsman aangevoerd dat verdachten niet wisten of ernstige reden hadden om te vermoeden dat de loods of het kantoortje in de loods werd gebruikt voor het plegen van opiumdelicten. Daarnaast kan uit de aard en bedoeling van de handeling geen criminele intentie worden afgeleid. De handeling in deze is immers enkel de verhuur van een ruimte.
(…)
Het oordeel van het hof
Feit 1
Het hof stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van het in de delictsomschrijving van het in de tenlastelegging onder 1 primair en subsidiair opgenomen bestanddeel “afkomstig uit enig misdrijf”, niet is vereist dat uit de bewijsmiddelen moet kunnen worden afgeleid dat het desbetreffende voorwerp afkomstig is uit een nauwkeurig aangeduid misdrijf. Wel is voor een veroordeling vereist dat vaststaat dat het voorwerp afkomstig is uit enig misdrijf.
Dat een voorwerp “afkomstig is uit enig misdrijf”, kan, indien op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen met een bepaald misdrijf, niettemin bewezen worden geacht, indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het in de tenlastelegging genoemde voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is.
Indien door het openbaar ministerie feiten en omstandigheden zijn aangedragen die een vermoeden rechtvaardigen dat het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is, mag van de verdachte worden verlangd dat hij of zij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is. De omstandigheid dat zo een verklaring van de verdachte mag worden verlangd, houdt niet in dat het aan de verdachte is om aannemelijk te maken dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is.
Indien de verdachte zo’n verklaring heeft gegeven, ligt het op de weg van het openbaar ministerie nader onderzoek te doen naar die verklaring. Mede op basis van de resultaten van dat onderzoek zal moeten worden beoordeeld of ondanks de verklaring van de verdachte het witwassen bewezen kan worden op de grond dat (het niet anders kan zijn dan dat) het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. Indien een dergelijke verklaring is uitgebleven, mag de rechter die omstandigheid betrekken in zijn bewijsoverwegingen.
Het hof leidt uit het dossier en het onderzoek ter terechtzitting de volgende feiten en omstandigheden af. [1]
Op 8 december 2015 heeft in de gezamenlijke woning van verdachte [verdachte] en medeverdachte [medeverdachte] aan [a-straat 1] te [plaats] onder leiding van de rechter-commissaris een doorzoeking door de politie plaatsgevonden. Tijdens die doorzoeking zijn op diverse plekken meerdere contante geldbedragen aangetroffen, in totaal een bedrag van € 83.790,-. [2] In de naast de woning gelegen loods van [medeverdachte] en [verdachte] is in een afgetimmerde ruimte een grote hoeveelheid hennep, hasj en joints aangetroffen. [3]
Uit het onderzoek door de politie (onderzoek [naam] ) bleek dat het huishouden van [medeverdachte] en [verdachte] substantiële bedragen aan contant geld uitgaf, dan wel voorhanden had. Om te onderzoeken in hoeverre deze contante transacties zijn te verklaren uit legale inkomstenbronnen, is door de politie een eenvoudige kasopstelling gemaakt. [4] Het hof neemt deze eenvoudige kasopstelling als uitgangspunt. Uit deze kasopstelling is gebleken dat het aannemelijk is dat [medeverdachte] en [verdachte] in de periode van 1 juli 2012 tot 8 december 2015 een bedrag van € 169.800,83 aan contant geld moeten hebben verdiend, afkomstig uit niet legale bron. [5]
Op grond van het financiële onderzoek door de politie acht het hof het vermoeden gerechtvaardigd dat het geldbedrag genoemd in de tenlastelegging uit enig misdrijf afkomstig is, wat betekent dat van de verdachte mag worden verlangd dat zij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat het geldbedrag niet van misdrijf afkomstig is.
Startdatum en beginsaldo
Door de raadsman van verdachte is aangevoerd dat de startdatum van 1 juli 2012 kwestieus is. Het op verzoek van de verdediging uitgevoerde onderzoek door [B] laat voorts zien dat het beginsaldo van € 60,- op 1 juli 2012 niet reëel is. Gesteld is door de verdediging dat op die datum een bedrag van circa € 125.000,- voorhanden moet zijn geweest.
Het hof overweegt als volgt.
De politie heeft 1 juli 2012 als aanvangsdatum gekozen omdat uit het onderzoek is gebleken dat vanaf juli 2012 maandelijks geld werd overgeschreven afkomstig van een bankrekening ten name van coffeeshop [C] in [plaats] voor de huur van (een gedeelte) van de loods. Het hof is van oordeel dat deze datum, gelet op de motivering van de politie, zeker aanvaardbaar is. Dat de politie de bankgegevens vanaf 2009 heeft gevorderd, maakt dat niet anders. Het hof acht het bestaan van een gegronde reden om 1 juli 2012 niet als startdatum te nemen niet aannemelijk geworden.
De politie is uitgegaan van een beginsaldo van € 60,- aan contant geld in kas omdat uit onderzoek naar de bankrekeningafschriften van [medeverdachte] en [verdachte] is gebleken dat in 2012 in totaal € 60,- aan contante opnames is geweest. Door de verdediging is aangevoerd dat uit de bankgegevens blijkt dat er in 2010 en 2011 respectievelijk € 44.885 en € 66.324 aan contante opnames hebben plaatsgehad. Voorts is er in 2010 en 2011 uit ambulante handel, verkoop van natuursteen en verkoop op rommelmarkten respectievelijk € 19.508 en € 24.100 ontvangen. In 2010 en 2011 is er respectievelijk € 21.019 en € 7.952,- contant uitgegeven. Volgens de verdediging zou er - resumerend - op 1 juli 2012 een bedrag van circa € 125.000,- in kas hebben gezeten omdat niet door het OM is aangegeven dat ongeveer € 125.000,- geheel zou zijn uitgegeven.
Het hof overweegt als volgt.
De contant opgenomen bedragen
[verdachte] heeft bij de politie verklaard dat zij in 2010 de woning aan [a-straat 1] te [plaats] heeft gekocht, dat zij haar woning aan de [b-straat 1] te [plaats] had verkocht en dat ze meer dan een ton overwaarde had en dit geld weer in het nieuwe huis heeft gestopt. [6] Onder andere de grond is van de overwaarde gekocht. [7] Ze heeft voorts verklaard dat zij in de zomer van 2011 een paar keer een groot bedrag van haar rekening heeft gehaald en dat dat geld allemaal in de woning is gestopt. [8] Het hof is aldus van oordeel dat het ervoor moet worden gehouden dat de in 2010 en 2011 contant opgenomen geldbedragen volledig zijn besteed aan het huis.
Bij de eenvoudige kasopstelling is een bedrag van € 4.214,00 als contante uitgave voor de aanbouw van een veranda. Het hof acht het aannemelijk dat dit bedrag betaald is met het contante geld dat is opgenomen in 2010 dan wel 2011.
De legale inkomsten
Verkoop van pallets natuursteen
Door de verdediging is aangevoerd dat [medeverdachte] halverwege 2010 een partij van 100 pallets met elk 50 m2 natuursteen heeft gekregen van getuige [betrokkene 2] . [medeverdachte] hoefde hier niets voor te betalen. [medeverdachte] heeft in 2011, 2013 en 2014 of 2015 in totaal 69 pallets verkocht voor € 500,- per pallet (€ 10,- per m2). Nu van 9 pallets niet meer kan worden vastgesteld aan wie deze zijn verkocht, dient volgens de verdediging een bedrag van € 30.000,- te worden meegenomen als contante ontvangsten in de kasopstelling.
Door de verdediging zijn schriftelijke verklaringen van [betrokkene 2] en [betrokkene 4] ter onderbouwing van het voorgaande overgelegd. [betrokkene 2] is voorts op 21 maart 2019 door de raadsheer-commissaris gehoord. Ook zijn diverse schriftelijke verklaringen overgelegd van afnemers die verklaren stenen te hebben gekocht van [medeverdachte] . Uit de schriftelijke verklaring van [betrokkene 2] blijkt dat [medeverdachte] een partij Flegstone natuurstenen van zijn terrein heeft opgehaald en daar niets voor heeft betaald. Deze stenen waren eigendom van een oude compagnon van [betrokkene 2] , die weigerde de stenen op te halen. Bij de raadsheer-commissaris heeft [betrokkene 2] verklaard dat de stenen van [betrokkene 4] waren. [betrokkene 4] regelde niks terwijl hij hem het een paar keer had gevraagd. [medeverdachte] had er wel belang bij dus heeft hij ( [betrokkene 2] ) tegen hem (verdachte) gezegd: “Ruim maar op". Voorts heeft hij verklaard dat hij de stenen niet zelf wilde verkopen omdat hij dan problemen [betrokkene 4] zou kunnen krijgen. Hij heeft nooit meer iets van [betrokkene 4] gehoord. In de schriftelijke verklaring van [betrokkene 4] schrijft [betrokkene 4] dat hij afstand heeft gedaan van de stenen en dat hij later heeft vernomen dat [medeverdachte] de stenen heeft opgehaald en dat hij blij was dat [betrokkene 2] de ruimte terug had.
Het hof verwerpt het verweer en overweegt daartoe als volgt. Ten eerste stelt het hof vast dat [medeverdachte] over deze waardevolle partij stenen niets heeft verklaard bij de politie. Voorts rijmen de verklaringen van [betrokkene 2] en [betrokkene 4] niet met elkaar. Zo heeft [betrokkene 4] verklaard dat hij afstand van de stenen heeft gedaan, terwijl [betrokkene 2] heeft verklaard niets meer te hebben vernomen van [betrokkene 4] en de stenen niet zelf te willen verkopen omdat hij geen problemen wilde [betrokkene 4] en daarom de stenen te hebben weggeven aan [medeverdachte] . Het hof acht het voorts onaannemelijk en hoogst onwaarschijnlijk dat een dergelijke partij waardevolle stenen gratis zou zijn weggegeven. Het hof schuift de vele verklaringen die over de partij stenen zijn afgelegd dan ook als ongeloofwaardig ter zijde.
Ambulante handel
Door de verdediging is voorts aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte de inkomsten uit ambulante handel niet heeft willen meenemen als inkomsten. Uit het onderzoek van [B] komt echter naar voren dat in ieder geval een verkoopbedrag van € 20.750,- wordt gestaafd, aldus de verdediging. Dat is meer dan de door het OM berekende bedrag van € 11.500,-. Naast de door het OM meegenomen inkomsten, gaat het om horloges die zijn verkocht “in ongeveer 2009”, de verkoop van een waterscooter “in ongeveer 2010”, meubels en een vorkheftruck die in 2013 en 2014 zijn verkocht aan [betrokkene 1] en een hoger bedrag voor de verkoop van een Quad.
Het hof overweegt daaromtrent als volgt. Het hof acht het niet aannemelijk dat het geld dat verdachte verdiend zou hebben met de verkoop van horloges nog voorhanden zou zijn geweest op 1 juli 2012. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat in 2010 en 2011 respectievelijk € 42.180,- en € 65.700,- contant is opgenomen van de bankrekening van medeverdachte [verdachte] . Dat dergelijke geldbedragen zijn opgenomen, terwijl nog een bedrag van € 7.750,- afkomstig uit de verkoop van de horloges, voorhanden zou zijn, acht het hof onaannemelijk. Dat geldt tevens voor het contante geld dat zou zijn verkregen met de verkoop van een waterscooter.
Voorts is door de verdediging aangevoerd dat de Quad met kenteken [kenteken 1] is verkocht voor een bedrag van € 5.000,- in plaats van het door het OM aangenomen bedrag van € 3.000,-. Het hof stelt vast dat de Quad op naam van [verdachte] heeft gestaan van 18 juni 2014 tot 23 juli 2014. Uit de factuur van Autobedrijf van [F] volgt dat de Quad is verkocht voor € 2.250,- op 20 juli 2014 en dat op 23 juli 2014 het bedrag van € 2.250 contant is voldaan. De Quad is kennelijk op 23 juli 2014 weer verkocht. Het hof acht het, gelet op het bedrag waarvoor het kort voor de verkoop was aangekocht, volstrekt onaannemelijk dat de Quad voor meer dan het dubbele is verkocht. In zoverre verwerpt het hof het verweer.
De verkopen aan [betrokkene 1] zijn door de verdediging onderbouwd met een verklaring van [betrokkene 1] , inhoudende de persoonsgegevens van [betrokkene 1] , het jaar van aankoop en de goederen die zijn aangekocht. Het totaalbedrag van de verkoop bedraagt € 3.500,-. Het hof zal dit bedrag als legale inkomsten in de jaren 2013 en 2014 aanmerken.
Verkoop via rommelmarkt
Ook is door de verdediging aangevoerd dat [verdachte] inkomsten verwierf door goederen te verkopen op rommelmarkten. Getuige [betrokkene 5] is door de raadsheer-commissaris gehoord en heeft verklaard dat zij samen met [verdachte] tweemaal per jaar op de vlooienmarkt in het [G] (
het hof begrijpt: het [G]) heeft gestaan. De opbrengst van [verdachte] betrof € 700/€ 800 per keer. De verdediging heeft voorts een e-mail afkomstig van het [G] overgelegd waaruit blijkt dat [verdachte] dan wel [betrokkene 5] diverse malen een standplaats heeft gehuurd op de ‘ [H] ’ in 2013/2014 en 2014/2015. Gelet op deze concrete onderbouwing acht het hof het aannemelijk dat [verdachte] in de periode van 1 juli 2012 tot 8 december 2015 zeven keer op een rommelmarkt goederen heeft verkocht met een gemiddelde opbrengst van € 800,- per keer. Het hof zal dan ook een bedrag van € 5.600,- aanmerken als legaal verkregen inkomsten. Het hof acht het echter niet aannemelijk dat de verkopen op de rommelmarkt ook hebben plaatsgevonden voorafgaand aan 1 juli 2012, nu dit door de verdediging ook niet nader concreet is onderbouwd. Het hof zal daar dan ook geen rekening mee houden bij het vaststellen van het beginsaldo op 1 juli 2012.
Huurinkomsten
Door de verdediging is voorts aangevoerd dat geen rekening is gehouden met de huurinkomsten van het kantoortje in de loods. [medeverdachte] en [verdachte] hebben verklaard dat het kantoortje door [betrokkene 3] werd gehuurd en dat deze huur contant werd betaald. Ook [betrokkene 3] heeft verklaard dat hij het kantoortje huurde en de huur contant betaalde.
Het hof passeert dit verweer. Evenals de rechtbank overweegt het hof hiertoe dat door [medeverdachte] , [verdachte] en [betrokkene 3] verschillend is verklaard over de hoogte van de huurprijs. Zo verklaarde [medeverdachte] dat [betrokkene 3] € 200,- per maand betaalde, verklaarde [verdachte] eerst dat [betrokkene 3] € 400,- à € 500,- per maand betaalde en later dat [betrokkene 3] € 500,- betaalde en [betrokkene 3] verklaarde dat het ging om € 250,-. [9] In het kantoortje is meer dan 25 kilo hennep en/of hasj aangetroffen en verpakkingsmateriaal met de naam van coffeeshop [C] . [10] [betrokkene 3] heeft verklaard dat hij belast was met de inkoop van softdrugs ten behoeve van [C] . [11] Uit hetgeen in het kantoortje is aangetroffen, leidt het hof af dat het deel van de loods dat door [betrokkene 3] zou worden gehuurd, feitelijk werd gebruikt voor bedrijfsactiviteiten van coffeeshop [C] . [C] huurde het voorste gedeelte van de loods voor € 1.500,- per maand en deze huur werd maandelijks per bankoverschrijving voldaan. Het zogenoemde kantoortje was slechts toegankelijk vanuit het gedeelte dat door [C] werd gehuurd. Gelet op het voorgaande acht het hof het onaannemelijk dat [betrokkene 3] , los van de huur die door [C] werd betaald, contant huur heeft betaald uitsluitend voor gebruik van het kantoor.
Resumerend
Het hof neemt als aanvangsdatum 1 juli 2012. Het hof neemt als beginsaldo een bedrag van € 60,-. Het hof gaat er voorts vanuit dat de contante uitgaven aan het huis zijn betaald uit de contante opnames in 2010 en 2011. Het gaat daarbij om een bedrag van € 4.214,-. Daarnaast gaat het hof er vanuit dat [verdachte] een bedrag van € 5.600,- heeft verdiend met de verkoop tijdens rommelmarkten en dat een bedrag van € 3.500,- is verdiend met de verkopen aan [betrokkene 1] in 2013 en 2014.
De uitgaven
Kosten levensonderhoud
De verdediging heeft aangevoerd dat de stelpost levensonderhoud ad € 15.471,- uit de kasopstelling moet worden verwijderd. Daartoe is aangevoerd dat geen rekening is gehouden met het feit dat dochter [betrokkene 6] niet altijd thuis at en dat regelmatig bij de moeder van [verdachte] en bij buurvrouw [betrokkene 7] werd gegeten. Ook werd goedkoop ingekocht bij de Hema etc.
Het hof verwerpt het verweer. De politie heeft de kosten voor levensonderhoud gebaseerd op cijfers van het Nibud. Het gaat daarbij om minimale kosten. Het hof overweegt dat de politie de cijfers van het Nibud terecht als uitgangspunt heeft genomen. Dat [medeverdachte] en [verdachte] circa € 4.400,- per jaar minder aan levensonderhoud hebben uitgegeven dan door de politie is berekend, terwijl de politie al in het voordeel van verdachten is uitgegaan van minimale bedragen, is door verdachten onvoldoende onderbouwd. [verdachte] heeft bij de politie verklaard dat zij maar één vriendin heeft in het dorp, [plaats] , en dat zij wel eens een bakje doet bij haar buurvrouw [betrokkene 7] . [12] Zij heeft toen niet verklaard geregeld bij [betrokkene 7] te eten. Ook heeft zij niet verklaard regelmatig bij haar moeder te eten. Wel heeft [verdachte] verklaard erg op zichzelf te zijn. [13] Het hof acht het, gelet op die uitlatingen van [verdachte] , ongeloofwaardig dat verdachten één keer in de week of twee weken bij [betrokkene 7] aten, zoals door [betrokkene 7] in een door de verdediging overgelegde schriftelijke verklaring is vermeld. Dat geregeld bij de moeder van [verdachte] werd gegeten, is op geen enkele wijze onderbouwd. Voorts acht het hof de omstandigheid dat dochter [betrokkene 6] mogelijk niet altijd thuis at, niet van zodanige invloed op de minimale kosten voor levensonderhoud dat om die reden het bedrag lager moet worden ingeschat.
Onderhoud voertuigen
Door de verdediging is ook aangevoerd dat de onderhoudskosten voor de voertuigen lager waren dan door de politie is berekend. Daartoe is aangevoerd dat de auto’s nooit lang in bezit waren en [medeverdachte] veelal zelf het onderhoud deed in de garage van een vriend en hij aanzienlijke handelaarskorting kreeg op gebruikte onderdelen.
Gelet op hetgeen is aangevoerd, is het hof van oordeel dat de stelpost onderhoudskosten voertuigen dient te worden gematigd. Het hof acht het daarbij redelijk om uit te gaan van een halvering van de kosten en zal derhalve een bedrag van € 3.925,- in mindering brengen op de uitgaven.
Brandstofkosten
Voorts is door de verdediging aangevoerd dat de stelpost brandstofkosten dient te worden gecorrigeerd. Daartoe is aangevoerd dat het CBS uitgaat van hogere prijzen dan sommige andere vergelijkingssites en het gaat uit van gemiddelden. Voorts is geen rekening gehouden met het feit dat de auto twee tot drie keer per maand werd uitgeleend aan [betrokkene 2] .
Het hof verwerpt het verweer. De politie is uitgegaan van een minimaal bedrag aan brandstofkosten gebaseerd op de kilometerstand van de voertuigen van verdachten. Dat brandstof volgens sommige vergelijkingssites goedkoper te krijgen is, wil niet zeggen dat verdachten de brandstof ook goedkoper hebben verkregen. In zoverre en ook overigens is de stelling van verdachten dat zij minder hebben uitgegeven aan brandstof dan door de politie is berekend, onvoldoende onderbouwd.
Mercedes en Quad
Tot slot heeft de verdediging aangevoerd dat voor de Mercedes niet € 17.050,- maar € 16.000,- is betaald en voor de Quad niet € 9.000,- maar € 5.000,- is betaald. Beide bedragen worden bevestigd door getuige [betrokkene 3] die bij de aankopen aanwezig was.
Het hof stelt vast dat in het dossier bij het bepalen van de prijs van de Mercedes is uitgegaan van de ANWB koerslijst. Op grond van hetgeen de verdediging heeft aangevoerd, acht het hof het aannemelijk dat voor de Mercedes destijds € 16.000,- betaald is. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat dat bedrag niet veel verschilt van de ANWB koerslijst. Ten aanzien van de Quad met kenteken [kenteken 2] oordeelt het hof echter anders. [betrokkene 8] heeft bij de politie verklaard dat zij de Quad in 2014 heeft verkocht, dat daar destijds negen- of tienduizend euro contant voor is betaald en dat zij na de verkoop nog contact heeft gehad met de dochter van de koper over de vrijwaring. Uit het dossier blijkt dat de Quad in augustus 2014 op naam van [verdachte] is komen te staan. Door de verdediging is ter onderbouwing van het verweer een verklaring van [betrokkene 3] overgelegd, inhoudende dat hij medio 2015 met [medeverdachte] naar Utrecht is gegaan en dat [medeverdachte] daar een Quad heeft gekocht van “ [I] ” voor € 5.000,-. Op grond van die door de verdediging overgelegde verklaring acht het hof het geenszins aannemelijk geworden dat verdachte voor de Quad met kenteken [kenteken 2] € 5.000,- heeft betaald. In zoverre verwerpt het hof het verweer.
Resumerend
Het hof gaat ervan uit dat een bedrag van € 3.925,- minder is uitgegeven aan onderhoudskosten voor de voertuigen dan door de politie is berekend en dat een bedrag van € 1.050,- minder is uitgegeven aan de Mercedes.
Medeplegen
Het hof is van oordeel dat sprake is van een financiële eenheid van [medeverdachte] en [verdachte] . Zij wonen samen, voeren een gemeenschappelijke huishouding en delen hun financiën, zoals blijkt uit hun eigen verklaringen en uit het daarover opgemaakte proces-verbaal van bevindingen. [14] Girale betalingen liepen via de bankrekeningen van [verdachte] . De financiën van verdachten zijn zodanig met elkaar verweven dat het hof oordeelt dat sprake is geweest van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking.
De conclusie
Het hof is, gelet op het voorgaande, van oordeel dat verdachte geen concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring heeft gegeven voor het grootste gedeelte van het negatieve kasverschil. Er is daarom geen andere conclusie mogelijk dan dat dit bedrag onmiddellijk of middellijk uit misdrijf afkomstig is.
Gezien de lange pleegperiode, is het hof is van oordeel dat [medeverdachte] en [verdachte] zich schuldig hebben gemaakt aan gewoontewitwassen. Het hof komt daarmee tot een bewezenverklaring van het onder 1 primair tenlastegelegde.
Voorwaardelijk verzoek
Door de raadsman van verdachte is ter terechtzitting van het hof verzocht om, indien het hof tot een bewezenverklaring van witwassen komt, het onderzoek te heropenen en de behandeling van de zaak aan te houden teneinde de verdediging in de gelegenheid te stellen om financieel weerwoord te geven op de stellingen van het OM ter zitting van het hof.
Door de raadsman is niet nader onderbouwd op welke stellingen van het OM de verdediging weerwoord wil geven en evenmin waarom de verdediging ter terechtzitting onvoldoende de mogelijkheid heeft gehad om op de stellingen van het OM te reageren. Het hof wijst het voorwaardelijk verzoek dan ook af.
Feit 4
Het hof neemt uit het vernietigde vonnis de volgende bewijsoverweging over:
Het aantreffen van hennep en hasjiesj
Op 8 december 2015 is de loods op de locatie [a-straat 1] te [plaats] doorzocht. Hierin bevond zich een afgetimmerd ‘kantoortje’ met een deur en ramen. Hier is, onder meer in een kluis, een hoeveelheid hennep en hasjiesj aangetroffen [15] en in beslag genomen [16] . [betrokkene 3] heeft verklaard dat alles wat in het kantoor is aangetroffen aan hem toebehoort, waaronder de henneptoppen, hennepgruis, hasj en joints. Hij leverde deze softdrugs aan een coffeeshop. [17]
De rechtbank is, evenals de officier van justitie en de verdediging, van oordeel dat de politie bij het wegen van de aangetroffen hennep en hasjiesj geen rekening heeft gehouden met het gewicht van verpakkingsmaterialen. Voorts blijkt uit het dossier dat een joint 0,3 gram hennep bevat en dat hennepmix 1/3e deel hennep bevat en 2/3e deel tabak. [18] Hiervan uitgaande komt de rechtbank tot een hoeveelheid van 26.218 gram hennep en 3.063 gram hasjiesj. De rechtbank concludeert dat die hoeveelheid een ‘grote hoeveelheid van een middel’ is, zoals bedoeld in de artikelen 11, vijfde lid, van de Opiumwet en 1, lid 2, van het Opiumwetbesluit.
Het voorhanden hebben van een ruimte
[...] de rechtbank [acht] aannemelijk [...] dat een deel van de loods, inclusief kantoor, is gehuurd door [C] . Op 20 juni 2012 heeft [C] voor het eerst een bedrag van € 1.500,00 overgemaakt naar [verdachte] in verband met de huur van de loods. Deze betalingen duurden voort tot 8 december 2015. [19] Hieruit volgt dat [verdachte] en verdachte een ruimte voorhanden hebben gehad en deze aan [C] ter beschikking hebben gesteld.
[...] de rechtbank [is] van oordeel dat de loods geschaard kan worden onder het bestanddeel ‘ruimten’ in de zin van artikel 1 la Pro Opiumwet. De wet behelst een ruimere strafbaarstelling, in die zin dat naast handelingen met betrekking tot ‘stoffen en voorwerpen’ ook het voorhanden hebben van ruimten strafbaar kan zijn.
Het hof overweegt in aanvulling op het voorgaande als volgt.
In de Memorie van Toelichting bij het wetsvoorstel tot Wijziging van de Opiumwet in verband met de strafbaarstelling van handelingen ter voorbereiding of vergemakkelijking van illegale hennepteelt is in de inleiding opgenomen dat de term illegale hennepteelt wordt gebruikt voor de bedrijfs- en beroepsmatige teelt en teelt van grote hoeveelheden en voor het gehele productieproces van cannabis, inclusief diensten en handelingen die met het oog daarop en op de verhandeling van cannabis worden verricht (Kamerstukken 32842, nr. 3). Het hof verwerpt derhalve de stelling van de raadsman dat het bij artikel 11a Opiumwet moet gaan om het faciliteren van de grootschalige of professionele hennepteelt en niet om het faciliteren van de verkoop. Zoals uit de Memorie van Toelichting blijkt ziet artikel 11a Opiumwet ook op diensten en handelingen die met het oog op het gehele productieproces van cannabis én op de verhandeling van cannabis worden verricht. Dat volgt ook uit de verwijzing in artikel 11a naar artikel 11 lid 5 juncto Pro lid 2, juncto artikel 3 onder Pro B Opiumwet. Laatstgenoemde bepaling ziet immers tevens op het verkopen, afleveren en verstrekken.
Het hof ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of verdachte wist of ernstige reden had om te vermoeden dat de door verdachten verhuurde ruimte bestemd was tot het plegen van in artikel 11 lid 5 juncto Pro lid 2 juncto artikel 3 onder Pro B, C of D van de Opiumwet strafbaar gestelde feiten.
Uit het proces-verbaal van verbalisant [verbalisant 1] blijkt dat hij op 30 mei 2015 een duidelijke henneplucht rook in het door [C] gehuurde gedeelte van de loods. [20] Ook uit het proces-verbaal van bevindingen met betrekking tot de doorzoeking van de loods blijkt dat verbalisanten vóór het kantoor een sterke hennepgeur roken. [21] Voorts stond ten tijde van de doorzoeking buiten het kantoor, naast de toegangsdeur van het kantoor, een doos met verpakkingsmaterialen waar zogenaamde ‘cones’ in hebben gezeten om joints te maken. Op de zolder van het kantoor stond een doos met tabak en een doos met zogenoemde ‘strijkzakken’, waarin hennep wordt geseald. [22]
[medeverdachte] heeft verklaard dat hij de loods heeft verhuurd aan [betrokkene 3] en [betrokkene 9] [23] , dat het gaat om ‘het hele achterdeur verhaal’ en dat de coffeeshop een legaal bedrijf is, dat ook moet worden bevoorraad. [24] [medeverdachte] heeft voorts verklaard dat hij een tas met - onmiskenbaar als zodanig aan te merken - hennephandelgerelateerde goederen ‘die zij daar hebben neergegooid’ heeft weggegooid. [25] Voorts zijn door [medeverdachte] [26] beveiligingscamera’s opgehangen aan elke hoek van de loods, terwijl er geen camera’s bij de woning hingen. [27] In de ruimte waar de hennep is aangetroffen, is het camerasysteem aangetroffen. [28] Deze laatste vaststelling wijst erop dat de camera’s (primair) geplaatst waren met het oog op de hennephandelgerelateerde activiteiten in de loods en vormt tevens een bevestiging van de hypothese dat het ‘grote hoeveelheden’ betrof die kennelijk de investering van het camerabeveiligingssysteem waard waren.
[verdachte] heeft verklaard dat zij gebruik maakt van het kledinghok direct naast het kantoor. Verder weet zij dat [betrokkene 3] en [betrokkene 9] een coffeeshop hebben. [29]
Voor wat betreft het bewijs van het feit dat de verdachte wist of ernstig reden had om te vermoeden dat de hennephandelgerelateerde activiteiten ‘grote hoeveelheden’ betrof, merkt het hof nog het volgende op. Ten tijde van de inval is meer dan 20 kilogram hennep, het 40-voudige van hetgeen in dit kader als ‘grote hoeveelheid’ heeft te gelden, aangetroffen in de loods. Zowel verdachte als haar medeverdachte hebben meerdere jaren voor de aan de loods te relateren coffeeshop gewerkt. Voor de hypothese dat sprake is geweest van een trendbreuk, in de zin van een enorme stijging van de omzet en dus van de hoeveelheid te
stashenen/of te verwerken hennep van de coffeeshop nadat de verdachte dan wel haar medeverdachte de (directe) werkzaamheden voor de coffeeshop had beëindigd, ontbreekt enig aanknopingspunt. Dit laatste geldt ook voor de hypothese dat de verdachte en haar medeverdachte in de veronderstelling zouden hebben kunnen verkeren dat er elders nog andere
stash- c.q. verwerkingslocaties zouden zijn geweest.
Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat verdachte wist of ernstige reden had om te vermoeden dat de ruimte bestemd was voor het bereiden, bewerken, verwerken en aanwezig hebben van grote hoeveelheden hennep en hasj, zodat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder 4 tenlastegelegde op de wijze die hierna blijkt uit de bewezenverklaring.
Omdat het hof wettig en overtuigend bewezen acht dat medeverdachte [medeverdachte] wist of ernstige reden had om te vermoeden dat de ruimte bestemd was voor het bereiden, bewerken, verwerken en aanwezig hebben van grote hoeveelheden hennep en hasj, acht het hof ook het medeplegen wettig en overtuigend bewezen.’
7. De eenvoudige kasopstelling die door de politie is gemaakt en waar het hof aan het begin van de bewijsoverwegingen naar verwijst houdt onder meer het volgende in: [30]

Eenvoudige Kasopstelling
Tijdens onderzoek [naam] bleek op basis van het financieel onderzoek dat het huishouden van verdachten [verdachte] en [medeverdachte] substantiële bedragen aan contant geld uitgaf danwel voorhanden had. Om te onderzoeken in hoeverre deze contante transacties zijn te verklaren uit legale inkomstenbronnen, heb ik een eenvoudige kasopstelling (EKO) opgezet.
Methode
Door middel van de methode van de EKO, wordt nagegaan of, en zo ja, in hoeverre betrokkenen meer contante uitgaven hebben gedaan dan via legale bron kunnen worden verantwoord. De kasopstelling bestaat uit een aantal onderdelen welke hieronder in een schema zijn opgenomen. Het standaardschema voor de eenvoudige kasopstelling ziet er als volgt uit:
Beginsaldo contant geld
A
+ / +
Legale ontvangsten (per kas)
B
- / -
Eindsaldo contant geld
C
Beschikbaar voor uitgaven
D
- / -
Feitelijke uitgaven (per kas)
E
Verschil
F
In deze methode worden de totale uitgaven afgezet tegen de beschikbare legale gelden. Indien de totale uitgaven groter zijn dan de beschikbare legale gelden (met andere woorden; het uiteindelijke verschil negatief is), is er dus sprake van onbekende contante ontvangsten. Een negatieve kas is immers niet mogelijk: men kan niet meer uitgeven dan men fysiek aan kasgeld beschikbaar heeft, tenzij sprake is van een andere, onbekende contante ontvangstenbron.
Omdat het ook bij een uitgebreid financieel onderzoek vrijwel onmogelijk is volledig zicht te krijgen op alle uitgaven (vooral die met een consumptief karakter, waarvan geen bescheiden worden aangetroffen), is bij de berekening op grond van voornoemde methoden altijd sprake van een schatting van de minimale omvang van de niet legale contante ontvangsten. Alle overige (niet bekende) uitgaven zullen immers het verschil alleen maar doen toenemen. (…)
Ontvangsten en uitgaven per BANK
Ten behoeve van de EKO heb ik nader onderzoek verricht naar de eerder genoemde bankrekeningen waarover het huishouden van verdachten [verdachte] en [medeverdachte] beschikking had gedurende de onderzoeksperiode. (…)
Gedurende de onderzoeksperiode is in totaal € 273.941,25 bijgeschreven op de bankrekeningen van betrokkenen en in totaal € 280.402,58 afgeschreven. Van deze bankrekeningen is in deze periode € 4.670,00 aan contant geld opgenomen. In diezelfde periode is op deze bankrekeningen € 6.220,00 aan contant geld gestort.
Beginsaldo contant geld op 1 juli 2012
Conform de gegevens van iCOV bestond het vermogen dat verdachten [verdachte] en [medeverdachte] en diens beide dochters per eind jaar 2011 hebben aangegeven bij de Belastingdienst, geheel uit banktegoeden op de hiervoor genoemde bankrekeningen. Uit onderzoek naar de afschriften van bankrekening [rekeningnummer 1] t.n.v. [verdachte] is gebleken dat in 2012 eenmaal een contante opname is geweest, namelijk op 29 juni 2012, ter waarde van € 50. Uit onderzoek van de afschriften van bankrekening [rekeningnummer 2] t.n.v. [betrokkene 10] is gebleken dat op 27 juni 2012 een contante opname is geweest ter waarde van € 10. Het totale beginsaldo contant geld per 1 juli 2012 bedraagt:
Contant [verdachte]
€ 50,00
Contant [betrokkene 6]
€ 10,00
Totaal Kas
€ 60,00
Legale ontvangsten per kas
Uit het financieel onderzoek is gebleken dat in de onderzoeksperiode door het huishouden van verdachten [verdachte] en [medeverdachte] enkele legale inkomsten in contanten zijn ontvangen. Naast opnames van contant geld vanaf de bankrekeningen, betreft dit de verkoop van twee voertuigen en twee restituties voor producten. (…) Hieronder is een overzicht weergegeven van de totaaltellingen per rubriek betreffende de contante ontvangsten.
Rubriek
Kasopname
€ 4.670,00
Restitutie
€ 58,00
Aan- en verkoop voertuigen
€ 11.500,00
TOTAAL
€ 16.228,00
Eindsaldo contant geld op 8 december 2015
Tijdens de doorzoeking op 8 december 2015 in de woning van verdachten aan [a-straat 1] te [plaats] is contant geld aangetroffen en in beslag genomen. (…) Omdat door verdachten geen verifieerbare of aannemelijke verklaring is afgelegd over de herkomst van dit geld, heb ik het totale eindsaldo contant geld per 8 december 2015 gesteld op:
Contant in de woning
bijkeuken
€ 55.200,00
Contant in de woning
slaapkamer BG
€ 26.500,00
Contant in de woning
kledingkast slaapkamer 1e verd.
€ 1.000,00
Contant in de woning
fouillering [medeverdachte]
€ 1.040,00
Contant in de woning
onder bed slaapkamer BG
€ 50,00
Totaal Kas
€ 83.790,00
Feitelijke uitgaven per kas
Uit het financiële onderzoek bleek dat het huishouden van verdachten gedurende de onderzoeksperiode substantiële uitgaven heeft gedaan welke contant zijn voldaan:
• in totaal € 4.214,00 voor de aanbouw van de veranda aan de woning gelegen aan [a-straat 1] te [plaats] (namelijk de som van de factuurbedragen van aannemer [betrokkene 7] € 1.547,00 + € 2.667,00; (…);
• in totaal € 38.050,00 voor de aanschaf van diverse voertuigen (…);
• in totaal € 8.608,86 volgens diverse betalingsbewijzen die zijn aangetroffen tijdens de doorzoeking van de woning van verdachten (…);
• in totaal € 2.386,38 aan betalingen via de dienstverlening van GWK Travelex (zogenaamde “money transfers”, (…);
• in totaal € 5.167,69 aan contante betalingen van vaste lasten aan gemeente [plaats] en energieleverancier Essent (…);
• in totaal € 667,17 voor onderhoud aan voertuigen (…).
Zoals reeds vermeld is bij deze berekening gewerkt met een rubricering voor ontvangsten en uitgaven. De contante uitgaven zoals vermeld in AH-046-01 horen bij verschillende rubrieken. Voor de duidelijkheid is hieronder een schema weergegeven hoe de genoemde bedragen zijn verdeeld over de gehanteerde rubrieken.
Bron
Rubriek
Doorzoeking
GWK
Essent
Gemeente
Totaal
Apparatuur
€ 2.624,95
€ 2.624,95
Energie en water
€ 326,00
€ 326,00
Heffingen
€ 1.710,05
€ 461,14
€ 4.841,69
€ 7.012,88
Inventaris en tuin
€ 562,61
€ 562,61
Kleding en schoenen
€ 1.016,23
€ 280,71
€ 1.296,94
Levensonderhoud
€ 115,30
€ 115,30
Onderwijs en opleiding
€ 250,95
€ 250,95
Overige uitgaven
€ 986,78
€ 393,54
€ 1.380,32
Persoonlijke verzorging
€ 31,85
€ 31,85
Vakantie en vrije tijd
€ 1.129,50
€ 564,16
€ 1.693,66
Verzekeringspremier
€ 431,59
€ 435,88
€ 867,47
Totaal
€ 8.608,86
€ 2.386,38
€ 5.167,69
€ 16.162,93
(…) Hieronder is een overzicht weergegeven van de totaaltellingen per rubriek betreffende de contante uitgaven.
Rubriek
Aan- en verkoop voertuigen
€ 38.050,00
Apparatuur
€ 2.624,95
Energie en water
€ 326,00
Heffingen
€ 7.012,88
Inventaris en tuin
€ 562,61
Kleding en schoenen
€ 1.296,94
Kasstorting
€ 6.220,00
Levensonderhoud
€ 115,30
Onderhoud voertuigen
€ 667,17
Onderwijs en opleiding
€ 250,95
Overige uitgaven
€ 1.380,32
Persoonlijke verzorging
€ 31,85
Vakantie en vrije tijd
€ 1.693,66
Verzekeringspremies
€ 867,47
Woning
€ 4.214,00
TOTAAL
€ 65.314,10
Uitkomst Eenvoudige Kasopstelling (1)
Op basis van het beginsaldo, de legale ontvangsten, het eindsaldo en de feitelijke uitgaven is de volgende EKO opgesteld:
Beginsaldo’s
Beginsaldo contant geld per 1-7-2012
€ 60,00
Legale inkomsten
Totaal inkomsten per kas
€ 16.228,00
Eindsaldo’s
Eindsaldo contant geld per 8-12-2015
€ -83.790,00
Beschikbaar voor uitgaven
€ -67.502,00
Feitelijke uitgaven
Totaal uitgaven per kas
€ -65.314,10
Verschil
€ -132.816,10
Uit deze berekening blijkt dat het huishouden van verdachten [verdachte] en [medeverdachte] op basis van hun legale inkomsten niet kon beschikken over de € 83.790,00 aan contant geld welke is aangetroffen in de woning tijdens de doorzoeking. Verder blijkt dat het huishouden gedurende de onderzoeksperiode in totaal
minimaal € 132.816,10aan contant geld moet hebben verdiend, afkomstig uit een niet legale bron.
(…)
Aannemelijke contante uitgaven aan “levensonderhoud"
Uit het financieel onderzoek is gebleken dat het huishouden van verdachten [verdachte] en [medeverdachte] gedurende de onderzoeksperiode € 13.899,69 per bank heeft uitgegeven binnen de rubriek 'levensonderhoud’. Daarnaast zijn er tijdens de doorzoeking van de woning van verdachten betalingsbewijzen aangetroffen die duiden op € 115,30 aan contante uitgaven aan levensonderhoud. Op basis van gegevens van het Nibud is het aannemelijk dat het huishouden van verdachten gedurende de onderzoeksperiode minimaal € 29.489,27 heeft moeten uitgeven aan levensonderhoud. (…) Deze gegevens leiden tot de volgende berekening:
Levensonderhoud
minimaal bedrag volgens Nibud
€ 29.489,27
uitgaven per BANK
€ -13.899,68
uitgaven per KAS
€ -115,30
Verschil
€ 15.474,29
Opgemerkt wordt dat de schatting van de uitgaven aan levensonderhoud op basis van Nibud gegevens een minimum positie is. Het is aannemelijk dat de daadwerkelijke uitgaven aan levensonderhoud hoger zijn geweest (voordeel verdachte).
Aannemelijke uitgaven voor “brandstof”
Uit het financieel onderzoek is gebleken dat het huishouden van verdachten [verdachte] en [medeverdachte] gedurende de onderzoeksperiode € 3.890,16 per bank heeft uitgegeven binnen de rubriek ‘brandstof. Op basis van de kilometerstanden van de voertuigen die verdachten in de onderzoeksperiode op naam hebben gehad en historische brandstofprijzen van het CBS, is het aannemelijk dat het huishouden van verdachten gedurende de onderzoeksperiode minimaal € 16.389,77 heeft moeten uitgeven aan brandstof. (…) Deze gegevens leiden tot de volgende berekening:
Brandstof
minimaal bedrag o.b.v. RDW / CBS
€ 16.389,77
uitgaven per BANK
€ -3.890,16
uitgaven per KAS
€ 0,00
Verschil
€ 12.499,61
Opgemerkt wordt dat de schatting van de uitgaven aan brandstof mede zijn gedaan op basis van verbruiksgegevens van de voertuigen afkomstig van de RDW. Hierbij is uitgegaan van het voor de verdachten meest gunstige verbruik. Het is aannemelijk dat de daadwerkelijke uitgaven aan brandstof hoger zijn geweest (voordeel verdachte).
Aannemelijke uitgaven voor “onderhoud van voertuigen”
Uit het financieel onderzoek is gebleken dat het huishouden van verdachten [verdachte] en [medeverdachte] gedurende de onderzoeksperiode per bank geen uitgaven heeft gedaan aan onderhoud en reparatie voor hun voertuigen. Kennelijk zijn uitgaven hiervoor contant voldaan. Naar aanleiding van de vordering tot verstrekking van gegevens door de Officier van Justitie heeft garagebedrijf [A] twee contant voldane facturen voor onderhoudswerkzaamheden aangeleverd voor een totaal bedrag van € 667,17. Op basis van gegevens van het Nibud is het aannemelijk dat het huishouden van verdachten gedurende de onderzoeksperiode minimaal € 8.518 heeft moeten uitgeven onderhoud en reparatie van hun voertuigen. (…) Deze gegevens leiden tot de volgende berekening:
Onderhoud voertuigen
minimaal bedrag volgens Nibud
€ 8.518,00
uitgaven per BANK
€ 0,00
uitgaven per KAS
€ -667,17
Resteert
€ 7.850,83
Opgemerkt wordt dat de schatting van de uitgaven aan onderhoud van voertuigen op basis van Nibud gegevens een minimum positie is. Het is aannemelijk dat de daadwerkelijke uitgaven aan levensonderhoud hoger zijn geweest (voordeel verdachte).
Aannemelijke uitgaven aan “illegaal vuurwerk”
Tijdens de doorzoeking in de loods aan [a-straat 1] te [plaats] is illegaal vuurwerk aangetroffen, waarover verdachte [medeverdachte] verklaarde dat deze aan hem toebehoorde. Uit het financieel onderzoek zijn geen transacties per bank gebleken die duiden op de aanschaf van dit vuurwerk. De aanschafwaarde van dit vuurwerk wordt geschat op € 1.160. (…)
Uitkomst Eenvoudige Kasopstelling (2)
Ten opzichte van de eerder weergegeven berekening kunnen de feitelijke uitgaven per kas worden uitgebreid met de hierboven beschreven aannemelijke correctieposten (namelijk: € 65.314,10 + € 15.474,29 + € 12.499,61 + € 7.850,83 + € 1.160,00 = € 102.298,83). Op basis hiervan is de volgende EKO opgesteld:
Beginsaldo’s
Beginsaldo contant geld per 1-7-2012
€ 60,00
Legale inkomsten
Totaal inkomsten per kas
€ 16.228,00
Eindsaldo’s
Eindsaldo contant geld per 8-12-2015
€ -83.790,00
Beschikbaar voor uitgaven
€ -67.502,00
Feitelijke uitgaven
Totaal uitgaven per kas
€ -102.298,83
Verschil
€ -169.800,83
Uit deze berekening blijkt dat het
aannemelijkis dat het huishouden van verdachten [verdachte] en [medeverdachte] gedurende de onderzoeksperiode in totaal
minimaal € 169.800,83aan contant geld moet hebben verdiend, afkomstig uit een niet legale bron.’
8. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep gehouden op 31 augustus 2021 blijkt dat de raadsman het woord heeft gevoerd overeenkomstig een overgelegde pleitnota. Deze houdt onder meer het volgende in (met weglating van voetnoten):
‘Ik probeer het eenvoudig te houden.
• stappenplan
De Hoge Raad heeft het in de rechtspraak ontwikkelde stappenplan bij witwassen bevestigd. Dat houdt het volgende in.
Stap 1: Op grond van wettige bewijsmiddelen dient een ernstig vermoeden van witwassen te worden aangenomen;
Stap 2: Indien dit ernstig vermoeden wordt aangenomen, mag van de verdachte worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor de herkomst van het geld;
Stap 3: Die herkomst moet vervolgens concreet, min of meer verifieerbaar, en niet op voorhand als volslagen onwaarschijnlijk zijn aan te merken.
Stap 4: Als de verdachte een zodanige verklaring geeft kan (om desondanks toch tot een veroordeling te komen) van het Openbaar Ministerie worden verlangd daarnaar vervolgens onderzoek te doen.
Vier stappen dus die noodzakelijk zijn om tot een veroordeling wegens witwassen te komen. De Hoge Raad benadrukt dat het bij stap 2 (het geven van een verklaring over de herkomst) niet zo is dat het aan de verdachte is om aannemelijk te maken dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is. En bij stap 3 (concreet, verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk) is van belang dat dit niet betekent dat het aan de verdachte is om aannemelijk te maken dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is.
Geen omkering van de bewijslast dus.
Cliënten hebben in eerste aanleg al het nodige te berde gebracht voor zover het ging om de herkomst van het vermogen. De verweren zijn gepasseerd. De rechtbank heeft op onderdelen geoordeeld dat de stellingen onvoldoende waren onderbouwd, zoals ten aanzien van de huurinkomsten voor het kantoortje, de inkomsten uit ambulante handel en de ontvangen natuurstenen.
Om de verklaring over de herkomst van het vermogen nog meer te onderbouwen, is op verzoek van de verdediging een aantal getuigen gehoord bij de Rhc. Daarnaast is een onafhankelijk financieel onderzoek uitgevoerd door de deskundige [betrokkene 11] van [B] waarbij alle kasstromen zijn onderzocht. Het door de deskundige opgestelde rapport d.d. 20 juli 2018 is op 2 augustus 2018 aan het ressortsparket verzonden met het verzoek het rapport als processtuk aan te merken.
Ik verwijs gemakshalve naar de inhoud van het rapport. De strekking is dat in het geheel geen sprake is van onverklaarbaar vermogen. Integendeel, over de periode van 2010-2015 is een overschot vastgesteld.
• startdatum
Kort samengevat komt uit het financiële onderzoek van [B] naar voren dat - zoals ook de verdediging in eerste aanleg heeft betoogd - de startdatum van het onderzoek kwestieus is. “Voor een objectief en representatief beeld van de ontvangsten en uitgaven van [verdachte] en [medeverdachte] zou het OM minimaal een periode van 2010 tot en met 2015 moeten hebben genomen voor een uitgebreide kasopstelling”. De deskundige benadrukt dat dit ook kon omdat bankgegevens zijn gevorderd vanaf 2009.
Het onderzoek geeft aan dat het beginsaldo van € 60,- op 1 juli 2012 niet reëel is. Uit de gegevens van het kasgeld, de gegevens van de opnames van contanten bij de bank, de inkomsten uit ambulante handel, de verkoop van natuursteen, de rommelmarkten enz. wordt gemotiveerd gesteld dat in plaats van € 60,- een bedrag van zo’n € 125.000,- voorhanden moet zijn geweest.
Dat is dus een valse start van het opsporingsonderzoek. Vals, omdat de inkomsten van vóór 1 juli 2012 zijn weggelaten. Daardoor ontstaat een verwrongen beeld.
De rechtbank heeft het verweer in eerste aanleg om van een andere startdatum uit te gaan verworpen door – kort samengevat – te oordelen dat uit de verklaringen van cliënte [verdachte] blijkt dat alle contant opgenomen geldbedragen volledig zijn besteed voor 1 juli 2012 en dat de ton overwaarde van de verkoop van het eerdere huis is gespendeerd aan de woning aan [a-straat 1] . Het eerste wordt gelogenstraft door het onderzoek van [B] , het tweede is onjuist. Cliënte [verdachte] heeft dit nl. niet verklaard. Zij verklaart meer dan een ton overwaarde te hebben gehad “en deze weer in het nieuwe huis gestopt” te hebben. Dat is wat anders dan dat voor 1 juli 2012 het hele bedrag in het nieuwe huis is gestopt. Ter verduidelijking is van belang dat – zoals te doen gebruikelijk als het oude huis nog niet verkocht is – een overbruggingshypotheek is afgesloten voor de bouw van de nieuwe woning. Toen de oude woning is verkocht, is deze overbruggingshypotheek afgelost met de overwaarde. Het restant is op de rekening van cliënte gestort, zoals blijkt uit het u op voorhand toegezonden overzicht van de bij- en afschrijvingen van de ING-rekening van cliënte. Op 10 maart 2011 is nl. een bedrag van bijna € 26.000,- door de notaris aan cliënte overgemaakt.
Het is dus niet zo dat de gehele overwaarde in het huis is gestopt. De overbruggingshypotheek is er van afgelost en het restant is op de rekening van [verdachte] overgemaakt.
Daarnaast blijkt uit het overzicht van de bij- en afschrijvingen op de ING-rekening van cliënte dat de woning in [plaats] door de koper [betrokkene 12] voor € 42.500,- op 23 mei 2011 giraal is betaald. Ik noem dit omdat de verdediging in eerste aanleg abusievelijk in de veronderstelling verkeerde dat het bedrag contant was voldaan. Naar nu blijkt ten onrechte. In het onderzoek van [B] is uitgegaan van de girale betaling en deze is in het onderzoek meegenomen.
• inkomsten
Natuurstenen
Het onderzoek van [B] toont ook aan dat aan de inkomstenkant veel meer inkomen is gegenereerd dan waar de rechtbank op basis van het politieonderzoek van uit is gegaan. Denk aan de 100 pallets natuursteen, waarvan de rechtbank nog oordeelde dat het niet aannemelijk is dat een dergelijke grote partij stenen is weggegeven. De waarheid is anders. Bij de Rhc heeft de getuige [betrokkene 2] bevestigd dat de partij stenen in de weg lag. “Ze hebben bij mij geen waarde, ze stonden alleen in de weg. (...) Ik heb ze aan [medeverdachte] gegeven.” De enige voorwaarde was dat de stenen in één keer snel weg moesten en dat het vervoer hiervan door [medeverdachte] moest worden geregeld. De getuige [betrokkene 13] bevestigt bij de Rhc ook dat [betrokkene 2] van de stenen af wilde. “ [betrokkene 2] wilde de troep weg hebben”. En voorafgaande aan de geplande maar vervolgens aangehouden zitting in augustus 2020 is aan uw hof toegezonden een getekende verklaring van de getuige [betrokkene 4] met dezelfde strekking.
In het onderzoeksrapport van [B] zijn verder diverse verklaringen opgenomen van mensen die bevestigen pallets te hebben gekocht van cliënt [medeverdachte] . Van de 69 verkochte pallets, zijn zelfs 60 kopers na zoveel jaren nog getraceerd. De opbrengsten van die verkopen zijn in de kasopstelling verwerkt. Het gaat daarbij om een bedrag van zo’n € 30.000,-. De 9 niet meer te achterhalen kopers hebben natuurlijk ook geld betaald, die post is PM in de kasopstelling meegenomen.
ambulante handel
De rechtbank heeft ook de inkomsten uit ambulante handel niet willen meenemen als inkomsten. Uit het onderzoek van [B] komt echter naar voren dat in ieder geval een verkoopbedrag van € 20.750,- wordt gestaafd. Een bedrag waarvan de rechtbank oordeelde dat die inkomsten niet waren onderbouwd. En voor alle duidelijkheid, het gaat bij deze verkoopopbrengsten alleen om de traceerbare transacties. Er zijn daarnaast ook nog niet verifieerbare transacties met personen geweest waarvan cliënt de details van de transactie en de identiteit van de koper niet meer kan achterhalen. Hoewel ook die transacties legale inkomsten hebben gegenereerd, is wellicht geen sprake van een – zoals de Hoge Raad eist – “min of meer verifieerbare” verklaring omtrent de herkomst van het vermogen. Ook zonder de niet te verifiëren transacties in het overzicht mee te nemen, is een bedrag van ruim € 20.000,- te onderbouwen dat door de rechtbank buiten beschouwing is gelaten.
rommelmarkten
Ook de inkomsten van de rommelmarkten zijn door de rechtbank niet meegewogen omdat deze onvoldoende waren onderbouwd. Bij de Rhc is de getuige [betrokkene 5] gehoord. Zij bevestigt tweemaal per jaar op vlooienmarkten en in het [G] te hebben gestaan met cliënte [verdachte] . Cliënte was de meest fanatieke. De verkochte spullen kregen ze gratis. De verkoopopbrengst was dus – afgezien van het stageld in het [G] – een netto-opbrengst. [betrokkene 5] schat de winsten op € 700/€ 800 per markt. De deskundige [betrokkene 11] van [B] onderbouwt een inkomen vanuit de rommelmarkten van in totaliteit € 8.000,-.
Verhuur kantoortje
Aan de inkomenskant is door de rechtbank geen rekening gehouden met de huurinkomsten van het kantoortje in de loods. Aan [betrokkene 3] werd het kantoortje verhuurd. De rechtbank heeft geoordeeld dat de inkomsten niet worden meegewogen, omdat onduidelijkheid bestond over de hoogte van de huurprijs, er geen kwitanties konden worden overgelegd en niet is onderbouwd dat de huur daadwerkelijk is voldaan. Inmiddels is de getuige [betrokkene 3] bij de Rhc gehoord. Hij regelde de achterdeur van de coffeeshop. Hij ontving in het kantoortje mensen om af te rekenen. [betrokkene 3] bevestigt de ruimte te hebben gehuurd – buiten de € 1.500,- voor de loods – voor € 250,- per maand. “Ik vond dat dat apart moest blijven van de coffeeshop.” Hij betaalde de huur contant. “De reden dat ik die 250 euro contant betaalde aan [betrokkene 14] was omdat het om de achterdeur ging. Die betalingen kan je niet in de boeken zetten.”
In totaal dient € 6.250,- aan huurinkomsten te worden meegenomen aan de inkomstenkant.
Alleen al deze posten leveren € 64.950,- aan legaal inkomen op, terwijl het startkapitaal ook nog eens geen € 60,- maar zo’n € 125.000 is geweest.
• uitgaven
Ook aan de uitgavenkant heeft [B] becijferd en onderbouwd dat in de kasopstelling is uitgegaan van verkeerde bedragen.
levensonderhoud
Zo is te gemakkelijk uitgegaan van de NIBUD-uitgaven voor een gemiddeld gezin en geen rekening gehouden met het feit dat de dochter [betrokkene 6] niet altijd thuis at, dat regelmatig bij de moeder van cliënte [verdachte] en bij de buurvrouw werd gegeten. Ook werd goedkoop ingekocht bij de Hema. enz. Een en ander is in het rapport met een onderzoek naar de financiële transacties en met getuigenverklaringen onderbouwd.
Dit resulteert er in dat een bedrag van € 15.471,- als stelpost in de kasopstelling dient te worden verwijderd. Er is dus minder uitgegeven dan waarvan de rechtbank is uitgegaan.
onderhoud voertuigen
Ook ten aanzien van voertuigen en het onderhoud hieraan is te gemakkelijk uitgegaan van gegevens van NIBUD. De auto’s waren nooit lang in het bezit, dus qua onderhoud werden de auto’s verkocht op het moment dat de onderhoudskosten normaal gesproken door de toenemende ouderdom toenemen. Bovendien deed [medeverdachte] veelal zelf het onderhoud in de garage van een vriend en kreeg hij aanzienlijke handelaarskorting op gebruikte onderdelen. Dit alles wordt gestaafd met verklaringen die aan het rapport zijn toegevoegd.
[B] benadrukt overigens nog dat de klasse van de Fiat 500 een andere is dan waar het NIBUD van uit gaat, met bijbehorende lagere onderhoudskosten. Ten aanzien van de onderhoudskosten wordt berekend dat een correctie ten opzichte van de stelpost van het OM van € 4.889,- moet plaatsvinden.
Brandstof
Dat geldt ook voor de brandstofkosten. Enerzijds gaat het CBS uit van andere prijzen dan sommige andere vergelijkingssites en gaat het uit van gemiddelden, anderzijds is geen rekening gehouden met het feit dat de auto twee tot drie keer per maand werd uitgeleend aan [betrokkene 2] . Die kilometers van [betrokkene 2] komen dan ook niet voor rekening van cliënten. Voor alle auto’s in de periode corrigeert de deskundige deze post met € 4.029,-.
Van belang is dat een verklaring van de getuige [betrokkene 2] hierover aan het rapport is toegevoegd. Ook deze stelling van cliënten wordt dus gestaafd.
Mercedes
Voor de Mercedes is geen € 17.050,- betaald, zoals in de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel is genoemd. Volgens cliënt [medeverdachte] bedroeg de aankoopsom € 16.000,-. Dat wordt bevestigd door de getuige [betrokkene 3] , wiens verklaring aan het deskundigenrapport is gehecht. Wederom een correctie op de uitgaven van ruim € 1.000,-.
Quad
Ook ten aanzien van de aankoop van een Quad dient een correctie plaats te vinden. Cliënt [medeverdachte] stelt dat de Quad niet € 9.000,-, waar in de kasopstelling van het OM van uit wordt gegaan, maar € 5.000,- heeft gekost. Dat wordt bevestigd door de getuige [betrokkene 3] , die mee was bij deze aankoop. Diens verklaring bevindt zich als bijlage bij het rapport. [betrokkene 3] geeft ook nog details van de locatie van de verkoop en van de persoon van de verkoper.
€ 4.000 Minder uitgaven dus dan waar in de kasopstelling van het OM rekening mee is gehouden.
Voor het overige verwijs ik naar de inhoud van het rapport van [B] en de aan dat rapport gehechte bijlagen.
Voor zover al sprake is van een situatie dat sprake is van een ernstig vermoeden van witwassen, stelt de verdediging dat cliënten met hun verklaringen, de verklaringen bij de Rhc en het financiële onderzoek door [B] en de verklaringen en bewijsstukken die bij het opgemaakte rapport als bijlage zijn gevoegd, een concrete, verifieerbare en aannemelijke verklaring hebben gegeven voor de herkomst van hun vermogen. Er is geen sprake van vermogen dat uit misdrijf afkomstig is. Hoewel de Hoge Raad niet vereist dat op grond van de bewijsmiddelen een rechtstreeks verband moet worden gelegd met een concreet misdrijf, is geen sprake van een situatie dat het op grond van de feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is.
De verdediging constateert dat het OM geen onderzoek heeft gedaan naar deze verklaringen over de herkomst. Het OM beschikt al sinds 2018 over het rapport. De verklaringen bij de Rhc zijn ook al bijna twee jaren geleden afgelegd. Tijd genoeg dus om bij twijfel nader onderzoek naar de verklaringen van cliënten te (doen) verrichten. Dat is niet gebeurd. Aldus ontbreekt bewijs voor witwassen, zowel in de primaire als in de subsidiaire variant.
Ik bepleit vrijspraak.
(…)

Artikel 11a Opiumwet

(…)
Maar veel belangrijker is de vraag of cliënten überhaupt wetenschap hadden van de hennep. Cliënten verklaren dat ze geen ernstige reden hadden om te vermoeden dat er hennep in de loods lag. Ze hebben dus niet de beroepsmatige verkoop van de wiet/hennep/cannabis door de coffeeshop gefaciliteerd.
Hun verklaring wordt ondersteund door de getuige [betrokkene 3] . “Alles wat in dat kantoor (is, […] ) aangetroffen, is van mij en van mij alleen en niemand anders had toegang tot dat kantoortje.”
Ik heb eerder al betoogd dat het kantoortje los moet worden gezien van de loods. Het kantoortje was dus van [betrokkene 3] , niet van [C] . [betrokkene 3] zelf is hierin volstrekt duidelijk. Hij legt ook uit waarom dit moet worden los gezien. “Dat kantoortje was de achterdeur. Ik vond dat dat apart moest blijven van de coffeeshop.” Ten onrechte gaat de rechtbank van het tegendeel uit.
In het kantoortje blijkt hennep opgeslagen te zijn geweest. Overigens pas kort voor de inval. Volgens de getuige [betrokkene 3] pas “na de zomer” van 2015. Maar uit niets blijkt dat cliënten in dat kantoortje zijn geweest. Integendeel. [verdachte] verklaart “ik kom daar nooit”. [medeverdachte] verklaart eveneens nooit in het hok te zijn geweest nadat hij het aan [betrokkene 3] had verhuurd. En hij had ook geen sleutel van het kantoortje.
Oftewel, [betrokkene 3] huurde op eigen naam een kantoortje. Daarin was na de zomer van 2015 hennep opgeslagen. [betrokkene 3] stelt dat die hennep van hem was en dat niemand toegang had tot het kantoortje. En [medeverdachte] en [verdachte] bevestigen nooit in dat kantoortje te zijn geweest. Bovendien hadden ze geen sleutel. [betrokkene 3] verklaart niemand te hebben verteld wat hij in dat kantoortje deed. “Niemand wist daarvan”. Cliënten hebben verklaard dat ze niet wisten dat [betrokkene 3] de achterdeur voor de coffeeshop regelde.
De rechtbank overweegt dat cliënten wisten dat de ruimte werd gebruikt voor het plegen van opiumdelicten. Anders gezegd, cliënten wisten volgens de rechtbank dat er hennep in het kantoortje lag.
Het bewijs hiervoor lijkt er aan de haren bij getrokken. Ik loop de bewijsmiddelen langs.
1. hennepgeur 30 mei 2015
In de eerste plaats verwijst de rechtbank naar het p.v. van de verbalisant [verbalisant 1] die relateert op 30 mei 2015 een henneplucht te hebben geroken. Dat is om een aantal redenen een markante waarneming en – in ieder geval – niet redengevend voor het bewijs. In de eerste plaats verklaart [betrokkene 3] dat er in het kantoortje nooit hennep lag maar dat dit werd gebruikt om af te rekenen met mensen. Pas na de zomer, ergens in het najaar van 2015, is [betrokkene 3] door de omstandigheden gedwongen geweest hennep op te slaan. Dat betekent dat [verbalisant 1] dus nooit hennep geroken kan hebben dat was opgeslagen in het kantoortje. Er is geen enkele aanwijzing dat elders hennep opgeslagen is geweest; bovendien gaat het bij dit ten laste gelegde feit enkel om het ter beschikking stellen van het kantoortje. Het is dus enkel van belang te achterhalen of cliënten ten aanzien van dat kantoortje wetenschap hadden dat er opiumdelicten werden gepleegd.
De getuige [betrokkene 5] heeft in die jaren rommel- en vrijmarkten bezocht met cliënte [verdachte] . “Ik ben regelmatig bij haar thuis geweest. Ook wel in de loods.” Ze verklaart één tot twee keer per jaar in die loods te zijn geweest. Haar is nooit wat opgevallen. Geen henneplucht, geen aanwezigheid van hennepgerelateerde spullen.
Opvallend is dat er niks met de hennepgeur is gedaan. Er is geen melding gemaakt, geen proces-verbaal opgemaakt, geen nader onderzoek gedaan. Niets. Bovendien is het p.v. maanden na dato opgemaakt. Uit de door de verbalisant opgemaakte schets blijkt ook nog dat het kantoortje en het rolluik ver uit elkaar liggen. Het ruiken van hennep – voor zover er al hennep in het kantoortje zou hebben gelegen – ligt niet voor de hand, temeer niet omdat er volgens de getuige ook nog een wand tussen zat. Hij relateert: “Daarna is het me niet meer verder opgevallen”. Alleen bij de roldeur dus. Als hij al hennep heeft geroken, waar lag het dan? Lag het dan wel in de verhuurde loods? Vragen, vragen, vragen.
Uit cameraobservatie blijkt dat de nodige personen bij cliënten op bezoek kwamen. [betrokkene 15] , [betrokkene 9] , [betrokkene 16] , [betrokkene 3] , [betrokkene 13] , [betrokkene 17] . Uit niets blijkt dat deze personen henneplucht bevestigen. Integendeel. [betrokkene 3] ontkracht het ruiken van deze lucht expliciet, in ieder geval in mei 2015.
Het kan haast niet anders dan dat [verbalisant 1] zich heeft vergist. In ieder geval roept zijn p.v. zoveel vragen op, dat onmogelijk kan worden volgehouden dat cliënten op basis hiervan wetenschap hebben moeten hebben gehad van de aanwezigheid van hennep in de door hen verhuurde ruimte. Voor alle duidelijkheid vermeld ik nog dat cliënte [verdachte] in dit hele verhaal rondom de waarneming van de verbalisant [verbalisant 1] helemaal geen rol speelt. In hoeverre de waarneming voor haar belastend kan zijn, is onduidelijk.
2. hennepgeur ten tijde van inval
Een ander redengevend argument van de rechtbank is dat ten tijde van de doorzoeking henneplucht is geroken. Het ligt iets genuanceerder. Het is slechts één agent. “Ik verbalisant rook bij deze ruimte een sterke hennepgeur en voelde dat de deur naar de ruimte op slot zat.” De ruimte waarop hier gedoeld wordt, is het kantoortje. De verbalisant had voorafgaande aan deze waarneming de loods al betreden en in de loods bepaalde constateringen gedaan. Op die momenten had hij geen hennep geroken. Pas bij het kantoortje rook hij hennep. Hieruit moet worden afgeleid dat de hennep – die volgens [betrokkene 3] inderdaad sinds het najaar aldaar was opgeslagen – niet door de hele loods te ruiken was.
Aan de doorzoeking in de loods namen diverse personen deel. Het frappeert dat alleen de verbalisant [verbalisant 2] hennepgeur heeft geroken bij het kantoortje. Ook dit is een aanwijzing dat de geur zich kennelijk niet door de loods verspreid had.
Als niet vastgesteld kan worden dat cliënten bij of naast het kantoortje zijn geweest en in staat waren om hennepgeur op te snuiven, in hoeverre is dan sprake van bewijs dat cliënten wisten dat er hennep lag?
3. Verpakkingsmateriaal en strijkzakken
Volgens de rechtbank heeft [verdachte] verklaard gebruik te maken van het kledinghok direct naast het kantoor. Naast de toegangsdeur van het kantoortje is ten tijde van de inval een doos met verpakkingsmateriaal aangetroffen. Het is een doos waar cones in hebben gezeten. Van de cones kunnen joints worden gemaakt. Ik begrijp hieruit dat de rechtbank er van uit gaat dat cliënten die doos ook hebben moeten zien.
Dat laatste blijkt niet. [verdachte] kwam “af en toe” in de loods. Uit het onderzoek is niet naar voren gekomen hoe lang die doos daar stond. Stond die er ook toen cliënten daar waren? Daarvan blijkt niets.
Maar zelfs al zou kunnen worden vastgesteld dat cliënten langs die doos zijn gelopen, dan nog zie ik niet dat cliënten om die reden hebben moeten weten dat er in het verhuurde kantoortje een opiumdelict werden gepleegd. Het ging immers om een normale kartonnen doos. De doos had geen opdrukken aan de buitenkant. Het is ook niet duidelijk of de doos afgesloten of open was. In de doos zat leeg verpakkingsmateriaal. Dus cliënten zouden in dat geval de doos eerst hebben moeten openen, vervolgens het verpakkingsmateriaal hebben moeten inspecteren en dan ook nog eens hebben moeten weten dat dit materiaal gebruikt werd voor cones om joints van te draaien.
De doos met tabak en een doos met strijkzakken lag boven op zolder. De politie relateert zelf al dat slechts door middel van een “schilderstrap” deze ruimte boven de afgetimmerde ruimte kon worden bereikt. Los van de vraag of bij de aanwezigheid van dergelijk materiaal gesproken kan worden van het faciliteren van de beroepsmatige verkoop van hennep (het gaat immers om tabak en strijkzakken waarvan de politie gemakshalve aanneemt dat het gaat om strijkzakken ten behoeve van het sealen van hennep) was deze ruimte dus alleen beschikbaar door er een trap tegen aan te zetten. Uit niets blijkt dat cliënten wetenschap hadden van deze dozen.
Kortom, de verdediging ziet geen bewijs dat cliënten wisten of ernstige reden hadden om te vermoeden dat de loods of het kantoortje werd gebruikt voor opiumdelicten.
Daar komt nog het volgende bij.
Voor het bewijs is van belang dat de wetgever twee bestanddelen redengevend acht. “Het gaat met andere woorden steeds om de criminele intentie van de dader en de daaruit voortvloeiende handeling. Deze twee bestanddelen van de strafbaarstelling moeten zijn vervuld, wil er sprake zijn van strafbare voorbereidingshandelingen. De werking van deze bestanddelen is vergelijkbaar met communicerende vaten. Indien de verrichte handeling onmiskenbaar bestemd is voor de hennepteelt zal de criminele intentie grotendeels kunnen worden afgeleid uit aard en bedoeling van die handeling, terwijl wanneer de handeling meer alledaags is, hogere eisen zullen gelden voor het bewijs van hetgeen de verdachte wist of redelijkerwijs had moeten vermoeden over het uiteindelijk doel ten behoeve waarvan de handeling werd verricht."
Ik meen dat uit de aard en bedoeling van de handeling geen criminele intentie kan worden afgeleid. De handeling in deze is immers de enkele verhuur van een ruimte. Er zijn geen getuigen die de criminele intentie van cliënten kunnen aantonen. Ook anderszins is hiervoor geen bewijs.’

Bespreking van het eerste middel

9. Het eerste middel bevat de klacht dat ’s hofs oordeel dat de verdachte geen concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring heeft gegeven voor het grootste gedeelte van het negatieve kasverschil blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting en/of onbegrijpelijk is. De steller van het middel meent dat het hof bij de toepassing van de maatstaf uit het zogenaamde stappenplan veel verder is gegaan dan ‘de gebruikelijke marginale toetsing’; daardoor zou de bewijslast ten aanzien van het witwassen ten onrechte bij de verdachte zijn komen te liggen. Uit de toelichting op het middel blijkt dat de steller van het middel in het bijzonder valt over de conclusie die het hof trekt nadat het op de verklaring van de verdediging is ingegaan. Uit die conclusie zou blijken dat het hof ‘het gebruikelijke stappenmodel’ heeft losgelaten en van de verdediging zou hebben verlangd dat zij met een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring ‘bewijst’ dat er geen sprake was van witwassen. Daarmee zou het hof de lat te hoog hebben gelegd.
10. Uw Raad heeft in een arrest van 30 mei 2023, in lijn met eerdere rechtspraak, het volgende overwogen: [31]
‘2.3.1 Het gaat bij dit cassatiemiddel om het bewijs van het bestanddeel “afkomstig is uit enig misdrijf”, zoals dat voorkomt in de witwasbepalingen (artikel 420bis e.v. van het Wetboek van Strafrecht). Eerdere rechtspraak van de Hoge Raad over dit thema kan als volgt worden samengevat.
2.3.2 Dat een voorwerp “afkomstig is uit enig misdrijf”, kan, als op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen met een bepaald misdrijf, niettemin bewezen worden geacht als het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. Het is aan het openbaar ministerie bewijs aan te dragen van dergelijke feiten en omstandigheden.
2.3.3 Als de door het openbaar ministerie aangedragen feiten en omstandigheden een vermoeden rechtvaardigen dat het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is, mag van de verdachte worden verlangd dat hij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is. De omstandigheid dat deze verklaring van de verdachte mag worden verlangd, houdt niet in dat het aan de verdachte is om aannemelijk te maken dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is.
Als de verdachte zo’n verklaring geeft, ligt het op de weg van het openbaar ministerie nader onderzoek te doen naar die verklaring. De rechter zal dan mede op basis van de resultaten van dat onderzoek moeten beoordelen of ondanks de verklaring van de verdachte het witwassen bewezen kan worden op de grond dat (het niet anders kan zijn dan dat) het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is.
Als zo’n verklaring uitblijft, mag de rechter die omstandigheid betrekken in zijn overwegingen over het bewijs. (Vgl. HR 18 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2352.)’
11. In de onderhavige zaak heeft het hof de bewezenverklaring van witwassen gebaseerd op de uitkomsten van een financieel onderzoek. Het hof is daarbij uitgegaan van de door de politie opgemaakte eenvoudige kasopstelling. Daarin is uitgegaan van een beginsaldo aan contant geld van € 60,-, totale legale ontvangsten per kas van € 16.228,-, een eindsaldo aan contant geld van € 83.790,- en totale contante uitgaven van € 102.298,83. Deze eenvoudige kasopstelling leverde een negatief kasverschil op van € 169.800,83 op. Naar aanleiding van een aantal verweren van de verdediging heeft het hof een totaalbedrag van € 18.289,- (bestaande uit extra legale inkomsten en verminderingen van de contante uitgaven) in mindering gebracht op dat negatieve kasverschil. [32] Deze vermindering in aanmerking genomen heeft het hof kennelijk geoordeeld dat de verdachte tezamen en in vereniging met de medeverdachte een gewoonte heeft gemaakt van het witwassen van € 151.511,83. [33]
12. Uit rechtspraak van Uw Raad volgt dat een bewezenverklaring van witwassen op de uitkomst van een eenvoudige kasopstelling kan worden gebaseerd. In een arrest van 23 april 2019 overwoog Uw Raad: [34]
‘2.4. Blijkens de hiervoor onder 2.2 weergegeven bewijsvoering heeft het Hof - na bespreking van de betwisting door de verdachte van een aantal contante uitgaven - geoordeeld dat de uitkomst van de eenvoudige kasopstelling, waaruit een groot verschil van ongeveer € 55.000,- blijkt tussen enerzijds de vastgestelde legale contante inkomsten en anderzijds de feitelijke contante uitgaven, het vermoeden van witwassen rechtvaardigt en dat onder die omstandigheden van de verdachte mag worden verlangd dat hij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand onwaarschijnlijke verklaring geeft dat genoemd verschil tussen legale inkomsten en feitelijke uitgaven niet van misdrijf afkomstig is. Vervolgens heeft het Hof naar aanleiding van hetgeen door de verdachte is aangevoerd, te weten dat hij aan het begin van de in de kasopstelling in aanmerking genomen periode een groot bedrag aan contant spaargeld had, geoordeeld dat hieromtrent "geen begin van aannemelijkheid" bestaat. Die oordelen geven, gelet op hetgeen hiervoor onder 2.3 is vooropgesteld, niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en zijn evenmin onbegrijpelijk. Voor zover het middel daarover klaagt, is het tevergeefs voorgesteld.’
13. De bewijsconstructie is, in de gevallen waarin deze in de kern is gebaseerd op een eenvoudige kasopstelling, wat anders van karakter dan in andere witwaszaken. [35] Het vermoeden dat een voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is, kan in die andere zaken bijvoorbeeld voortvloeien uit de toepasselijkheid van één of meer witwasindicatoren. [36] Te denken valt aan de omstandigheid dat sprake is van grote hoeveelheden contant geld in diverse valuta, een ongebruikelijke wijze van transport, of transacties die niet in verhouding staan tot de inkomsten. Bij een dergelijk vermoeden mag van de verdachte worden verlangd dat hij (in casu zij) een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is. Die verklaring zal het vermoeden dat (bijvoorbeeld) uit de toepasselijkheid van de witwasindicator(en) volgt, in toereikende mate dienen te ontzenuwen. [37] Dat het niet aan de verdachte is om aannemelijk te maken dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is, drukt uit dat op de verdachte niet de last mag worden gelegd, zijn onschuld te bewijzen.
14. Bij toepassing van de methode van de eenvoudige kasopstelling worden eerst het beginsaldo aan contant geld en de legale contante ontvangsten (inclusief bankopnamen) in de onderzochte periode opgeteld. Daarna wordt het eindsaldo in contant geld van het resultaat afgetrokken. Het overblijvende bedrag was in de onderzochte periode beschikbaar voor het doen van uitgaven. Van dat bedrag worden de feitelijke contante uitgaven (inclusief bankstortingen) afgetrokken. [38] Indien een negatief bedrag resulteert, is dat een basis voor het vermoeden dat het niet anders kan zijn dan dat het bedrag uit enig misdrijf afkomstig is.
15. Ook in een bewijsconstructie van witwassen die gebaseerd is op een eenvoudige kasopstelling gaat het om een afweging van aanwijzingen van een criminele herkomst (kort gezegd een verschil tussen legale inkomsten en feitelijke uitgaven) tegen verklaringen van de verdachte. De vaststelling van het vermoeden van witwassen is in dit geval evenwel meer verweven met het beoordelen van verklaringen van de verdachte. De verdachte kan bestrijden dat hij een contante uitgave heeft gedaan of aanvoeren dat hij meer contante legale inkomsten heeft gehad. Hij kan voorts aanvoeren dat het beginsaldo omvangrijker was of het eindsaldo geringer. Al deze verweren betreffen de inhoud van de eenvoudige kasopstelling. Tegelijk is er weinig ruimte voor verklaringen die het vermoeden van witwassen nog kunnen ontkrachten als de eenvoudige kasopstelling, bij de vaststelling waarvan de genoemde verweren zijn betrokken, een (duidelijk) negatief resultaat oplevert.
16. Dat de vaststelling van een vermoeden van witwassen bij een bewijsconstructie van witwassen op basis van een eenvoudige kasopstelling meer verweven is met de waardering van verklaringen van de verdachte, doet er niet aan af dat die verklaringen volgens hetzelfde grondpatroon van concreetheid, verifieerbaarheid en waarschijnlijkheid beoordeeld kunnen worden. Dat zijn maatstaven die meer in het algemeen bij de beoordeling van bewijsverweren van belang zijn. Verder geldt ook bij de verklaringen waar het hier om gaat dat het niet aan de verdachte is om aannemelijk te maken dat een contante uitgave niet is gedaan, contante (legale) inkomsten zijn gegenereerd, het beginsaldo hoger was of het eindsaldo geringer. De bewijslast mag niet op de verdachte worden gelegd.
17. Een en ander in aanmerking genomen meen ik dat het oordeel van het hof, op basis van de overwegingen waarin de eenvoudige kasopstelling is geanalyseerd en aangepast in het licht van de verklaring van de verdediging, dat de verdachte ‘geen concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring heeft gegeven voor het grootste gedeelte van het negatieve kasverschil’ en dat daarom ‘geen andere conclusie mogelijk (is) dan dat dit bedrag onmiddellijk of middellijk uit misdrijf afkomstig is’ geen blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting en niet onbegrijpelijk is. Ik merk daarbij op dat door de steller van het middel niet is aangevoerd dat en waarom uit ’s hofs overwegingen volgt dat het bij de beoordeling van één of meer van de gevoerde verweren de bewijslast op de verdachte heeft gelegd.
18. Het eerste middel faalt.

Bespreking van het tweede middel

19. Het tweede middel bevat de klacht dat ’s hofs oordeel dat de verdachte wist of ernstige reden had om te vermoeden dat de hennephandelgerelateerde activiteiten grote hoeveelheden betrof, blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting en/of onbegrijpelijk is. De steller van het middel meent dat uit de bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat de verdachte op de hoogte was of had kunnen en moeten zijn van de hoeveelheid hennep en hasj die in de door [betrokkene 3] gehuurde ruimte werd aangetroffen. Nu het kantoortje en de loods geschikt waren ‘voor tal van activiteiten’ had zonder nadere informatie niet geoordeeld mogen worden dat de verdachte en haar partner wisten of ernstige reden hadden om te vermoeden dat er grote hoeveelheden hennep en hasj werden opgeslagen.
20. Het hof heeft onder 4 bewezenverklaard dat de verdachte op 8 december 2015 te [plaats] tezamen en in vereniging met een ander een deel van een loods aan [a-straat 1] voorhanden heeft gehad, waarvan zij en haar mededader wist(en) of ernstige reden had(den) te vermoeden dat die ruimte bestemd was tot het plegen van één van de in artikel 11, vijfde lid, Opiumwet strafbaar gestelde feiten. [39] Het voorhanden hebben van ruimten waarvan de betrokkene weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van een van de in art. 11, vijfde lid, Opiumwet strafbaar gestelde feiten is strafbaar gesteld in art. 11a Opiumwet. Artikel 11, vijfde lid, Opiumwet bepaalt dat indien een feit als bedoeld in het tweede of vierde lid van dat artikel (daaronder ressorteert ook opzettelijk aanwezig hebben) betrekking heeft op een grote hoeveelheid van een middel, gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vijfde categorie wordt opgelegd. Het Opiumwetbesluit merkt 500 gram hennep als een grote hoeveelheid aan (art. 1).
21. Het hof heeft overwogen dat op 8 december 2015 de loods op de locatie [a-straat 1] te [plaats] is doorzocht en dat zich hierin een afgetimmerd ‘kantoortje’ bevond met een kluis waarin een hoeveelheid hennep en hasjiesj is aangetroffen. En dat [betrokkene 3] heeft verklaard dat alles wat in het kantoor is aangetroffen aan hem toebehoort. Het hof stelt voorts vast dat [C] op 20 juni 2012 voor het eerst een bedrag van € 1.500,- heeft overgemaakt naar verdachte in verband met de huur van de loods, dat deze betalingen voortduurden tot 8 december 2015 en dat hieruit volgt dat de verdachte en medeverdachte [verdachte] ‘een ruimte voorhanden hebben gehad en deze aan [C] ter beschikking hebben gesteld’.
22. In verband met de vraag of de verdachte wist of ernstige reden had om te vermoeden dat de door de verdachte en de medeverdachte verhuurde ruimte bestemd was tot het plegen van de in artikel 11, vijfde lid, jo. artikel 3 onder Pro B, C of D Opiumwet strafbaar gestelde feiten overweegt het hof dat verbalisant [verbalisant 1] relateert dat hij op 30 mei 2015 ‘een duidelijke henneplucht rook in het door [C] gehuurde gedeelte van de loods’. En dat ook uit het proces-verbaal van bevindingen met betrekking tot de doorzoeking van de loods blijkt ‘dat verbalisanten vóór het kantoor een sterke hennepgeur roken’. Het hof stelt voorts vast dat naast de toegangsdeur van het kantoor een doos met verpakkingsmaterialen stond waar ‘cones’ in hebben gezeten om joints van te maken, en dat op de zolder van het kantoor een doos met tabak stond en een doos met strijkzakken waarin hennep wordt geseald.
23. Het hof overweegt voorts dat medeverdachte [medeverdachte] heeft verklaard dat hij de loods heeft verhuurd aan [betrokkene 3] en [betrokkene 9] , dat het gaat om ‘het hele achterdeur verhaal’ en dat de coffeeshop een legaal bedrijf is dat ook moet worden bevoorraad. En dat [medeverdachte] heeft verklaard dat hij een tas met hennephandelgerelateerde goederen ‘die zij daar hebben neergegooid’ heeft weggegooid. Het hof wijst er voorts op dat [medeverdachte] beveiligingscamera’s heeft opgehangen aan elke hoek van de loods, terwijl er geen camera’s bij de woning hingen, en dat het camerasysteem is aangetroffen in de ruimte waar ook de hennep is gevonden. Betreffende de verdachte stelt het hof vast dat zij heeft verklaard gebruik te maken van het kledinghok direct naast het kantoor, en dat zij weet dat [betrokkene 3] en [betrokkene 9] een coffeeshop hebben.
24. Inzake het bewijs van het feit dat de verdachte wist of ernstige reden had om te vermoeden dat de hennephandelgerelateerde activiteiten ‘grote hoeveelheden’ betroffen, stelt het hof vast dat ten tijde van de inval meer dan 20 kilo hennep is aangetroffen in de loods, het 40-voudige van hetgeen in dit kader als ‘grote hoeveelheid’ heeft te gelden, en dat de verdachte en de medeverdachte ‘meerdere jaren voor de aan de loods te relateren coffeeshop’ hebben gewerkt.
25. Het hof heeft naar het mij voorkomt uit een en ander kunnen afleiden dat de verdachte op 8 december 2015 wist of ernstige reden had om te vermoeden dat de ruimte bestemd was tot het plegen van één van de in artikel 11, vijfde lid, Opiumwet strafbaar gestelde feiten. Ik wijs daarbij op de lengte van de periode waarin de loods werd verhuurd, de hoogte van de huur, de vaststellingen inzake de henneplucht bij de loods, de beveiligingscamera’s die door de verdachte zijn opgehangen en hetgeen de verdachte door haar eerdere werk voor de coffeeshop bekend was omtrent de personen aan wie de loods werd verhuurd. Ik wijs in het bijzonder ook op de verklaring van de verdachte waarin deze aangeeft dat het gaat om ‘het hele achterdeur verhaal’ en dat de coffeeshop ook moet worden bevoorraad. Anders dan de raadsman in hoger beroep meen ik dat het hof ook aan de doos met verpakkingsmaterialen waarin ‘cones’ hebben gezeten een aanwijzing heeft kunnen ontlenen, al is niet duidelijk geworden of de verdachte daarin heeft gekeken. Dat die doos (naar ik begrijp) open en bloot naast de toegangsdeur van het kantoortje stond, is een aanwijzing dat over het gebruik van dat kantoor door de huurders niet geheimzinnig werd gedaan tegenover de vroegere werknemers van de coffeeshop. Aan de toereikendheid van de bewijsconstructie doet voorts niet af dat de loods ook voor heel andere activiteiten had kunnen worden gebruikt. ’s Hofs bewijsoordeel geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk.
26. Het tweede middel faalt.

Bespreking van het derde middel

27. Het derde middel bevat de klacht dat het hof een te beperkte uitleg heeft gegeven aan de toepasselijke strafbepaling en/of niet is ingegaan op een door de raadsman uitdrukkelijk onderbouwd standpunt dat daarop betrekking had. De steller van het middel wijst daarbij op de laatste alinea’s van de pleitnota die eerder zijn geciteerd.
28. Artikel 11a Opiumwet is, onder vernummering van het bestaande artikel 11a tot artikel 11b Opiumwet, ingevoerd op 1 januari 2015 en luidt als volgt: [40]
‘Hij die stoffen of voorwerpen bereidt, bewerkt, verwerkt, te koop aanbiedt, verkoopt, aflevert, verstrekt, vervoert, vervaardigt of voorhanden heeft dan wel vervoermiddelen, ruimten, gelden of andere betaalmiddelen voorhanden heeft of gegevens voorhanden heeft, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van een van de in artikel 11, derde en vijfde lid, strafbaar gestelde feiten, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie jaar of geldboete van de vijfde categorie.’
29. De memorie van toelichting bij het wetsvoorstel dat tot deze strafbaarstelling heeft geleid houdt onder meer het volgende in: [41]
‘Bij de redactie van het voorgestelde nieuwe artikel 11a van de Opiumwet is aansluiting gezocht bij de algemene strafbaarstelling van voorbereidingshandelingen in artikel 46 Sr Pro, de voorbereiding van valsheidsdelicten (artikelen 223 Sr en 234 Sr) en artikel 10a van de Opiumwet. De opsomming van de gedragingen in het voorgestelde nieuwe artikel 11a van de Opiumwet vormen de juridische inkadering van het hierboven beschreven complex van handelingen die rond illegale teelt van hennep plaatsvinden, maar overigens niet tot deze drug beperkt hoeven te blijven. De strafbaarheid ontstaat doordat betrokkene weet dat een en ander bestemd is om de overtredingen van artikel 11, derde of vijfde lid, van de Opiumwet te plegen, maar ook in de gevallen waarin betrokkene ernstige redenen heeft om zulks te vermoeden. De keuze voor de vormgeving van het nieuwe artikel 11a van de Opiumwet – waarin naast de opzetvariant ook een culpavariant is opgenomen – is mede ingegeven door de aard van de gedragingen waarop de strafbaarstelling ziet. Bij en rond de illegale hennepteelt is er per definitie sprake van schimmige vormen van samenwerking. Dit brengt mee dat niet steeds met scherpte te onderscheiden zal zijn of er sprake is van opzet dan wel culpa, terwijl dit onderscheid er voor het lakenswaardige van de gedraging niet toe hoeft te doen. Het kabinet acht het wenselijk dat ook in gevallen van verwijtbare of wellicht gefingeerde naïviteit strafrechtelijk kan worden opgetreden en verwacht dan ook met deze strafbaarstelling een effectiever optreden tegen dergelijk gedrag. Blijkt tijdens het strafproces dat de ten laste gelegde gedraging de culpose variant van het misdrijf betreft, dan kan de rechter dit betrekken in de algehele afweging van factoren die bij de straftoemeting van belang zijn ten aanzien van strafsoort en strafmaat. Het wordt overigens weinig zinvol geacht om in de memorie van toelichting theoretische voorbeelden te geven van situaties waarin aan het bestanddeel «ernstige reden om te vermoeden» is voldaan. Het gaat immers om elke casuspositie die ook in de opzetvariant denkbaar is. Daarbij kan de dader evenwel geen opzet worden verweten, maar wel dat hij redelijkerwijs had moeten vermoeden dat zijn handelen strekte tot voorbereiding of vergemakkelijking van grootschalige hennepteelt.’
30. De nota naar aanleiding van het verslag houdt onder meer het volgende in: [42]
‘Voor een veroordeling ter zake van overtreding van het nieuwe artikel 11a zal het openbaar ministerie moeten bewijzen dat betrokkene wist dat of ernstige redenen had om te vermoeden dat de door hem verrichte handelingen bestemd waren voor het beroeps- of bedrijfsmatig telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken of vervoeren van lijst II middelen of van grote hoeveelheden van die middelen. Voorop gesteld wordt dat dezelfde bestanddelen in artikel 10a van de Opiumwet zijn opgenomen zonder dat dit tot vragen heeft geleid, terwijl het daarbij evenzeer kan gaan om personen die (ogenschijnlijk) onderdeel uitmaken van het reguliere bedrijfsleven. Bij de lijst II middelen zal het in de praktijk om voorbereidingshandelingen met betrekking tot de beroeps- of bedrijfsmatige hennepteelt gaan of teelt van grote hoeveelheden hennep. Van strafbare voorbereiding is sprake indien ten aanzien van de dader wetenschap of een ernstig vermoeden kan worden bewezen bij de verrichting van handelingen die strekken tot voorbereiding of vergemakkelijking van de genoemde illegale hennepteelt. Het gaat met andere woorden steeds om de criminele intentie van de dader en de daaruit voortvloeiende handeling. Deze twee bestanddelen van de strafbaarstelling moeten zijn vervuld, wil er sprake zijn van strafbare voorbereidingshandelingen. De werking van deze bestanddelen is vergelijkbaar met communicerende vaten. Indien de verrichte handeling onmiskenbaar bestemd is voor de hennepteelt zal de criminele intentie grotendeels kunnen worden afgeleid uit aard en bedoeling van die handeling, terwijl wanneer de handeling meer alledaags is, hogere eisen zullen gelden voor het bewijs van hetgeen de verdachte wist of redelijkerwijs had moeten vermoeden over het uiteindelijk doel ten behoeve waarvan de handeling werd verricht. Bij de producten die door een growshop verkocht worden, is er doorgaans geen sprake van twijfel over de bestemming ervan. Dit wordt door de leden van diverse fracties ook onderkend. Daarentegen zal de verkoop van alledaagse voorwerpen in een bouwmarkt of tuincentrum niet snel onder de voorgestelde strafbaarstelling gebracht kunnen worden. Daarvoor is immers nodig dat ten aanzien van concrete transacties tevens bewezen wordt dat bij de verkoper sprake was van een criminele intentie in de zin van wetenschap of de aanwezigheid van een ernstige reden om te vermoeden dat de verkochte goederen bestemd waren voor de illegale hennepteelt, hetgeen de verdachte er niet van heeft weerhouden om van de gedragingen af te zien. Voor een bewezenverklaring van een strafbare voorbereidingshandeling zal in die gevallen dus meer afhangen van het aantonen van de criminele intentie. Het door de leden van de VVD-fractie gegeven voorbeeld van de verkoop van een mes in een kookwinkel dat later gebruikt wordt als moordwapen spreekt in deze boekdelen. Met deze uiteenzetting hopen wij de bij diverse leden levende zorgen over een te verregaande strafrechtelijke aansprakelijkheid van deelnemers aan het reguliere handel- en dienstenverkeer te hebben weg genomen.’
31. De passage die de raadsman citeert maakt onderdeel uit van het citaat uit de nota naar aanleiding van het verslag. Uit die passage kan worden afgeleid dat de ministers van oordeel waren dat hogere eisen dienen te worden gesteld aan het bewijs van hetgeen de verdachte wist of redelijkerwijs moest vermoeden over het uiteindelijk doel ten behoeve waarvan de handeling werd verricht naarmate de gedraging meer alledaags is. Daarbij dachten zij in het bijzonder aan de verkoop van alledaagse voorwerpen in een bouwmarkt of tuincentrum. Dat zijn andere gedragingen, met een meer alledaags karakter, dan de verhuur van een loods.
32. Daar komt bij dat ook als ervanuit zou worden gegaan dat de handeling, het verhuren van een loods, van dien aard zou zijn dat hogere eisen gelden aan het bewijs van het weten of ernstige reden hebben om te vermoeden dat de loods bestemd is tot het plegen van het in artikel 11, vijfde lid, Opiumwet omschreven feit, uit ’s hofs bewijsvoering volgt dat aan die eis is voldaan. Ik volsta in dit verband met een verwijzing naar de aanwijzingen die het hof in kaart heeft gebracht (vgl. de bespreking van het tweede middel).
33. Een en ander in aanmerking genomen meen ik dat, voor zover hetgeen de raadsman heeft aangevoerd dient te worden opgevat als een interpretatie van de toepasselijke strafbepaling, uit ’s hofs overwegingen niet volgt dat het hof van een andere uitleg is uitgegaan. Voor zover het aangevoerde een (uitdrukkelijk onderbouwd) standpunt oplevert dat tot vrijspraak strekt, meen ik dat uit ’s hofs bewijsvoering volgt dat en waarom de bestreden beslissing van dat standpunt afwijkt. [43]
34. Het derde middel faalt.

Afronding

35. De middelen falen en kunnen met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende formulering worden afgedaan. Ambtshalve vestig ik er de aandacht op dat het bestreden arrest van 14 september 2021 dateert en dat Uw Raad niet binnen twee jaren na het instellen van het cassatieberoep uitspraak zal doen. Dat dient tot vermindering van de opgelegde straf te leiden. Voor het overige heb ik ambtshalve geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
36. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest, maar uitsluitend wat betreft het aantal uren te verrichten taakstraf en de duur van de vervangende hechtenis, tot vermindering daarvan aan de hand van de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Wanneer hierna wordt verwezen naar doorgenummerde dossierpagina’s betreft dit delen van ambtsedige processen-verbaal van politie Eenheid Noord-Nederland, als bijlagen opgenomen bij het dossier met nummer 2015203624, doorgenummerd 1 tot en met 1924, gesloten op 26 september 2016.
2.Pagina’s 470 en 471.
3.Pagina’s 440 e.v.
4.Pagina’s 1200 e.v.
5.Pagina 1207.
6.Pagina 1765.
7.Pagina 1790.
8.Pagina 1791.
9.Pagina’s 1734, 1776 en 1800.
10.Pagina’s 440 e.v.
11.Pagina’s 1799 en 1801.
12.Pagina 1781.
13.Pagina 1778.
14.Pagina’s 1764, 1721, 1722 en 1091 e.v.
15.Pagina’s 440, 443 en 444.
16.Pagina’s 217 tot en met 224.
17.Pagina’s 1800 en 1801.
18.Pagina 493.
19.Pagina’s 765 en 775 tot en met 806.
20.Pagina’s 308 en 309.
21.Pagina 441.
22.Pagina 445.
23.Pagina 1732.
24.Pagina 1723.
25.Pagina 1726.
26.Pagina 1727.
27.Pagina 247 en 322.
28.Pagina 449 en de onderste foto op pagina 290.
29.Pagina’s 1766 en 1767.
30.Proces-verbaal van bevindingen onderzoek witwassen, opgemaakt door verbalisant [verbalisant 3] op 12 juli 2016.
31.HR 30 mei 2023, ECLI:NL:HR:2023:772.
32.€ 4.214 + € 5.600 + € 3.500 + € 3.925 + € 1.050.
33.Dat de bewijsvoering en het bedrag waar de bewezenverklaring op ziet uit de combinatie van een eenvoudige kasopstelling in een proces-verbaal en het arrest gedestilleerd moet worden, spoort meen ik niet met art. 359, tweede en derde lid, Sv. Nu daarover niet wordt geklaagd en het resultaat ook wel helder is, laat ik dit rusten.
34.HR 23 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:668,
35.Vgl. de conclusie voor HR 29 maart 2022, ECLI:NL:HR:2022:459 (art. 81 RO Pro).
36.Zie voor een overzicht van witwasindicatoren de site van de Financial Intelligence Unit (Witwassen.pdf (fiu-nederland.nl)).
37.Zie voor een voorbeeld HR 11 mei 2021, ECLI:NL:HR:2021:691.
38.Zie nader G.P. Vermeulen,
39.Ik merk daarbij op dat uit de bewijsmotivering kan worden afgeleid dat de verdachte en de medeverdachte woonden op het adres [a-straat 1] , en dat de loods het adres [a-straat 1] had.
40.Wet van 12 november 2014,
43.Vgl. HR 11 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9130,