Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Beslissing
29 maart 2022.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep van een verdachte die werd veroordeeld voor witwassen door het omzetten van een geldbedrag, zoals bedoeld in artikel 420bis lid 1 sub b van het Wetboek van Strafrecht. Het gerechtshof 's-Hertogenbosch had op 21 oktober 2020 uitspraak gedaan in deze strafzaak en het beroep richtte zich tegen dit arrest.
Namens de verdachte werd een cassatiemiddel ingediend door advocaten A.B.E. van Kan en A. Cinar. De advocaat-generaal B.F. Keulen concludeerde tot verwerping van het beroep. De Hoge Raad heeft de klachten van de verdachte beoordeeld en geoordeeld dat deze niet leiden tot vernietiging van het arrest van het hof.
De Hoge Raad achtte het niet noodzakelijk om de motivering van het oordeel te geven, omdat beantwoording van de vragen niet van belang is voor de eenheid of ontwikkeling van het recht, conform artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie.
Het arrest is op 29 maart 2022 gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, samen met raadsheren A.L.J. van Strien en J.C.A.M. Claassens. Het beroep in cassatie is verworpen, waarmee het hofarrest in stand blijft.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het hofarrest blijft in stand.