Conclusie
verzoekster tot cassatie,
advocaat: mr. N.T. Dempsey,
verweerster in cassatie,
niet verschenen.
[verzoekster]respectievelijk
Evean.
1.Inleiding en samenvatting
We weten dat je hebt gestolen. Ontken het maar niet, we weten zeker dat jij het bent.” [1] [verzoekster] erkende na enige tijd dat zij de uit de portemonnee verdwenen munten bij zich droeg. Zij gaf als verklaring dat haar door de bewoonster was gevraagd van dat geld kaas en schouderham te kopen. Zij haalde tijdens het gesprek de munten uit haar zak. Zij werd toen op staande voet ontslagen.
2.Feiten
[betrokkene 2]) voortgezet.
[manager 1]). Een collega manager, [manager 2] (hierna:
[manager 2]), was bij dat gesprek aanwezig.
We spraken met de medewerkster. Het management zei: "We weten dat je hebt gestolen. Ontken het maar niet, we weten zeker dat jij het bent”.
De medewerkster ontkende dit in eerste instantie. Vervolgens veranderde ze haar verhaal ze zei dat ze het geld had gekregen van [betrokkene 2] om boodschappen te doen. Vervolgens bekende de medewerkster dat ze het geld wel had gestolen.
De medewerkster had het gemerkte geld teruggegeven.”
of [verzoekster] wel eens boodschappen voor mij heeft gedaan in de periode dat zij mij en mijn man heeft verzorgd. Dit is niet zo. Zij heeft nooit boodschappen voor ons gedaan. Dat hoeft ook niet, want dat kan ik heel goed zelf.”
[manager 1] zei tegen mij: “Loop je met mij mee, ik ga het gesprek aan met [verzoekster] .”
We liepen naar de Multi Functionele Ruimte (MFR) op de begane grond en ik zag dat daar mevrouw [verzoekster] stond en zij liep met mij en [manager 1] mee naar binnen.
nam het woord en zei: “Er is geld weggenomen uit het beursje van [betrokkene 2] en dat heb jij gedaan [verzoekster] .” Of woorden van gelijke strekking.Ik hoorde [verzoekster] zeggen dat zij daar niets van wist.
[manager 1] herhaalde haar woorden en opnieuw ontkende [verzoekster] .
Voor de derde keer herhaalde [manager 1] dat er geld was weggenomen uit het beursje van [betrokkene 2] en dat [verzoekster] dat had gedaan. Ik hoorde [manager 1] zeggen: “Het geld zat nog in het beursje voordat jij [betrokkene 2] ging verzorgen. Jij bent [de] enige die op de kamer is geweest. Het kan niet anders. Je hebt het geld gepakt.”
Daarop zag ik dat [verzoekster] met een van haar handen in haar broekzak ging. Ik zag dat zij een aantal muntstukken uit haar zakken haalde en deze op de in de ruimte aanwezige tafel neer legde. (…) [verzoekster] begon te huilen en [manager 1] vroeg haar of [verzoekster] vaker geld heeft gestolen. [verzoekster] vertelde dat zij het vaker had gedaan bij [betrokkene 2] .
Ik was meer dan verbaasd. Ik had echt niet gedacht dat [verzoekster] (…) geld had gestolen bij [betrokkene 2] . (…)
[verzoekster] bleef erg verdrietig en zei: “Ik weet niet waarom ik het gedaan heb en nu ben ik alles kwijt.” “Wat gaan jullie doen? Jullie gaan toch geen aangifte doen?” Ik heb in het bijzijn van [verzoekster] de wijkagent gebeld. Tijdens het gesprek ben ik even weggelopen uit de MFR. Dit omdat het ging over het wel of niet aangifte gingen doen. De wijkagent gaf aan dat het ontslaan op staande voet wat hem betreft een voldoende straf was. (…)
gaf aan het einde van het gesprek aan dat zij ook boodschappen deed voor [betrokkene 2] . Doordat zij eerst het gemarkeerde geld op tafel legde en daarna bekende geld te hebben gestolen van [betrokkene 2] , hebben wij daar geen aandacht aan besteed en zijn wij niet ingegaan op haar bewering.”
3.Procesverloop
de kantonrechter) onder meer verzocht het ontslag op staande voet te vernietigen.
het hof) en heeft verzocht deze beschikking te vernietigen. Verder heeft [verzoekster] onder meer verzocht voor recht te verklaren dat het ontslag op staande voet ten onrechte is gegeven en Evean te veroordelen de arbeidsovereenkomst te herstellen.
[verzoekster]heeft als getuige verklaard: “
Ik heb een paar jaar voor [betrokkene 1] en [betrokkene 2] gewerkt. Ik deed wel boodschappen voor hen. Niet zo heel veel. Het waren dan kleine dingen, zoals een krentenbol, yoghurt, boter, of brood. Ik heb die boodschappen niet heel vaak bij het winkeltje binnen Evean gedaan. Misschien twee keer, omdat het brood dan beschimmeld was. [betrokkene 2] vond het winkeltje duur. Boodschappen deed ik daarom meestal bij de Albert Heijn. [betrokkene 2] deed de grote boodschappen zelf maar ik haalde wat kleine dingen die ze vergeten was.” en ook: “
Als ik boodschappen deed voor [betrokkene 2] , dan deed ik dat na mijn werk. Ik nam ze dan de volgende dag mee en gaf ze aan haar. Daarom deed ik die boodschappen alleen wanneer ik twee dagen achter elkaar werkte. Op 5 augustus 2020 hielp ik [betrokkene 2] met douchen en aankleden. In de badkamer vroeg ze mij of ik ook de volgende dag werkte. Dat was zo en ze vroeg toen of ik dan voor haar jong belegen kaas en schouderham wilde kopen. Vanuit de badkamer liep ik met haar mee naar het keukentje. Daar stond haar tas op tafel. Zij haalde haar portemonnee daaruit en wilde het geld pakken maar dat lukte niet zo. Ze vroeg of ik het geld eruit wilde halen. Dat deed ik en ik legde het op mijn hand. Zij vroeg: ”Wat zal dat kosten”? Ik zei: “Vijf euro”. Ik had € 5,55 op mijn hand en ze zei: de rest mag je houden want het zal niet precies vijf euro zijn. Wanneer ik boodschappen deed dan liet ik altijd na afloop de bon zien en als er dan geld over was, dan gaf ik dat aan haar terug. Die € 5,55 stopte ik in de zak van mijn vest van Evean. Ik ging toen verder met het ontbijt maken en met de was.” [verzoekster] heeft als getuige ook verklaard, kort samengevat, dat het binnen Evean gebruikelijk was dat er door personeel voor bewoners boodschappen werd gedaan, ook [manager 2] deed dat. Niemand had haar ooit verteld dat dat niet zou mogen.
Ik was leidinggevende over een gebied van 4 etages.(...). Er werden vaak boodschappen gedaan voor bewoners. Die boodschappen werden dan soms op tafel in de teampost neergelegd en per bewoner verdeeld. Sommige bewoners hadden een rekening bij het interne winkeltje. Sommige bewoners gaven geld mee. Het winkeltje was best duur.[betrokkene 2] vroeg vaak of [verzoekster]( [verzoekster] , hof)boodschappen voor haar kon doen. [betrokkene 2] kwam dan in haar elektrische rolstoel naar het kantoortje en vroeg dan naar [verzoekster] .Soms was [betrokkene 2] zelf in staat om die boodschappen te doen maar soms ook niet.” In de schriftelijke verklaring van 8 maart 2021 heeft [betrokkene 3] geschreven: “
Ja [verzoekster] deed boodschappen voor [betrokkene 2] , omdat ik ook wel eens in de winkel stond en [verzoekster] haalde boodschappen of bij het verdelen van de boodschappen werd er ook gezegd welke boodschappen voor welke bewoner was.”
[betrokkene 4] , [betrokkene 5] en [betrokkene 6](allen ex-werknemers van Evean en oud-collega’s van [verzoekster] )
hebben verklaard dat medewerkers boodschappen deden voor bewoners.[betrokkene 5] en [betrokkene 6] hebben niet specifiek verklaard of ook voor [betrokkene 2] boodschappen werden gedaan. [betrokkene 4] heeft als getuige verklaard: “
Voordat dit gebeurde(het overlijden van [betrokkene 1] , hof)
heb ik [verzoekster] zelf met brood en kaas naar [betrokkene 2] zien gaan.”
[betrokkene 2] heeft in haar verklaring geschreven dat [verzoekster] het desbetreffende geld op 5 augustus 2020 zonder toestemming uit haar portemonnee heeft gehaald.
[manager 1], werknemer van Evean, heeft verklaard: “
Toen [betrokkene 2] eind juli 2020 mij vertelde over het geld dat ze regelmatig miste, zei ze erbij dat het haar was opgevallen dat dit gebeurde wanneer ze onder de douche had gestaan en geholpen werd door [verzoekster]. Als detail vertelde ze dat [verzoekster] als enige haar rollator uit de douche haalde, zodat ze ook niet zonder hulp weg kon uit de douche. Maar, zei [betrokkene 2] erbij: het kan bijna niet dat [verzoekster] dit heeft gedaan, want zowel zij als haar man en hun kinderen waren erg op [verzoekster] gesteld.
In de MFR zat ik tegenover [verzoekster] .Ik zei tegen haar, dit is heel ernstig, je wordt verdacht van diefstal. [verzoekster] ontkende maar ik zei dat er een heel sterke verdenking was en dat ik graag wilde dat ze haar zakken zou legen. Ze ontkende nog een keer maar leegde toen haar zakken en daar zat het gemarkeerde geld in. Ik had niet alle muntjes in de portemonnee van [betrokkene 1] gemarkeerd maar wat ik gemarkeerd had, legde [verzoekster] op tafel. Uit de portemonnee ontbrak een bedrag van 5 euro nog wat.
[manager 2], werknemer van Evean, heeft verklaard: “
Tijdens dat gesprek(op 5 augustus 2020, hof)
zei [manager 1]( [manager 1] , hof)
tegen [verzoekster] dat de muntjes die eerst in de portemonnee van [betrokkene 2] zaten, er nu niet meer waren; ”Jij bent de enige die daar is geweest dus jij moet dat hebben gedaan”. [verzoekster] ontkende twee keer maar erkende het de derde keer, haalde muntjes uit haar zak en legde die op tafel. Er zaten door [manager 1] gemerkte muntjes tussen. Ik weet niet om hoeveel geld dat ging. Ik was flink geschokt. [verzoekster] zei: ”Ik heb het gedaan” en ze gaf toe dat ze vaker geld van [betrokkene 2] had weggenomen.
verklaart dat zij maar zelden in het interne winkeltje van Evean boodschappen heeft gedaan voor [betrokkene 2] .De enkele keer dat zij dat deed was het kopen van brood omdat het eigen brood van [betrokkene 2] beschimmeld was.
[betrokkene 3] verklaart echter dat zij medewerkers in het eigen winkeltje van Evean boodschappen zag doen voor bewoners, ook [verzoekster] , en ook dat [verzoekster] daarbij boodschappen deed voor [betrokkene 2]. Ook de verklaring van [betrokkene 4] strookt onvoldoende met die van [verzoekster] . [betrokkene 4] verklaart immers dat zij [verzoekster] met brood en kaas naar [betrokkene 2] zag gaan, terwijl [verzoekster] verklaarde dat zij in het winkeltje slechts brood kocht voor [betrokkene 2] , en dat zij dat heel incidenteel deed. Andere boodschappen kocht [verzoekster] naar haar zeggen de avond van te voren en nam die de volgende dag mee voor [betrokkene 2] . Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, is dus niet duidelijk hoe [betrokkene 4] gezien heeft dat [verzoekster] brood en kaas bracht naar [betrokkene 2] . Ook de getuige [ [betrokkene 7] ] verklaart dat zij [verzoekster] boodschappen heeft zien doen voor [betrokkene 2] . [ [betrokkene 7] ] duidt hierbij op het in het interne winkeltje van Evean doen van dergelijke boodschappen. Zij verklaart immers: "
De praktijk is dat als ik aan het werk ging, dat dan in de agenda stond dat ik voor sommige bewoners boodschappen moest doen. Brood halen, beleg, enz. Ik weet niet of medewerkers ook buiten Evean boodschappen deden. [verzoekster] deed boodschappen voor [betrokkene 2] . Ik heb dat gezien."
Deze verklaring strookt echter niet met die van [verzoekster] zelf dat zij in het interne winkeltje amper boodschappen deed voor [betrokkene 2] , maar dat zij dat na afloop van het werk buiten Evean deed, om de boodschappen dan de volgende dag mee te nemen.”
Evean dus geen enkele reden had om [verzoekster] te willen ontslaan, anders dan op grond van de door [verzoekster] gepleegde diefstal. Dat is door [verzoekster] niet weersproken. Deze omstandigheid acht het hof van groot belang. Want ofwel [betrokkene 2] zou [verzoekster] valselijk hebben beschuldigd van diefstal, en [manager 1] en [manager 2] zouden als getuige een onjuiste verklaring hebben afgelegd, daar waar zij hebben verklaard dat [verzoekster] ten overstaan van hen heeft erkend geld van [betrokkene 2] te hebben ‘weggenomen’, en waarbij [verzoekster] in het gesprek vroeg of er aangifte gedaan zou worden en welke gevolgen dit had voor haar VOG (scenario 1), ofwel de diefstal is inderdaad door [verzoekster] gepleegd (scenario 2). Dat [betrokkene 2] enig motief zou hebben gehad om [verzoekster] valselijk te beschuldigen, is voor het hof al niet komen vast te staan maar dat [manager 1] en [ [manager 2] ; A-G] enige reden zouden hebben gehad een onjuiste verklaring over [verzoekster] af te leggen is op geen enkele manier gebleken. [verzoekster] heeft ook niets gesteld wat daartoe aanleiding zou kunnen geven.
Het hof acht scenario 1 daarmee hoogst onwaarschijnlijk. Dan blijft over scenario 2. Hoewel collega’s van [verzoekster] als getuige hebben verklaard erg op [verzoekster] gesteld te zijn, en ook [manager 2] heeft verklaard niet direct aan [verzoekster] te hebben gedacht als mogelijke pleger van diefstal, betekent dit niet dat [verzoekster] die diefstal niet gepleegd kan hebben.”
4.Bespreking van het cassatiemiddel
Onderdeel 1draait om de uitleg en waardering van de getuigenverklaringen en van stellingen van [verzoekster] . Het middel betoogt in de kern dat het oordeel van het hof over wat er feitelijk is voorgevallen onbegrijpelijk is in het licht van de stellingen van [verzoekster] en de na de tussenbeschikking afgelegde getuigenverklaringen.
Onderdeel 2spitst zich toe op het oordeel dat [verzoekster] niet is geslaagd in het leveren van tegenbewijs en ziet onder meer op de maatstaf die moet worden aangelegd om te beoordelen of een rechterlijk bewijsvermoeden is ontzenuwd.
vooral een kwestie van het afwegen van de (al dan niet onderbouwde) argumenten die vóór of tégen een bepaald feit zijn aangevoerd”. Dat maakt dat het oordeel dat een feit in voldoende mate vaststaat, uiteindelijk berust op een rechterlijke waardering en afweging van de argumenten die in het processuele debat door partijen over en weer zijn aangevoerd. [13]
ontzenuwd. [16] Indien de wederpartij daarin slaagt, is het gestelde feit niet afdoende bewezen met als gevolg dat het niet vaststaat. [17] De bewijslast (met bijbehorend bewijsrisico) verschuift bij een rechterlijk vermoeden niet. [18]
Voordat dit gebeurde(het overlijden van [betrokkene 1] , hof)
heb ik [verzoekster] zelf met brood en kaas naar [betrokkene 2] zien gaan.”
Onderdeel 1.2bevat een motiveringsklacht voor het geval het hof in rov. 2.3.3 heeft geoordeeld dat uitsluitend [betrokkene 4] , [betrokkene 5] en [betrokkene 6] hebben verklaard dat medewerkers van Evean boodschappen deden voor bewoners. [24]
heeft gedaan, noch dat enige andere medewerker voor haar boodschappen deed.
uitsluitend[betrokkene 4] , [betrokkene 5] en [betrokkene 6] hebben verklaard dat medewerkers van Evean (wel eens) boodschappen deden voor bewoners. Onderdeel 1.2 faalt mitsdien reeds bij gebrek aan feitelijke grondslag. Het valt overigens ook niet in te zien dat het gegeven dat nog méér getuigen hebben verklaard dat boodschappen werden gedaan voor bewoners, ’s hofs overweging anders zou hebben kunnen maken. Het hof neemt in rov. 2.3.3 immers al (zonder meer) aan dat het voorkwam dat medewerkers boodschappen deden voor bewoners. Het gaat er om of boodschappen (i) door [verzoekster] , (ii) voor [betrokkene 2] , (iii) buiten Evean werden gedaan
(…)
Ik weet niet of medewerkers ook buiten Evean boodschappen deden. [verzoekster] deed boodschappen voor [betrokkene 2] . Ik heb dat gezien.”
over het soms door [verzoekster] doen van boodschappen voor [betrokkene 2]”) besproken, om daarna afzonderlijk aandacht te besteden aan de – in zoverre algemenere – verklaring van [betrokkene 7] . De in het onderdeel aangeduide innerlijke tegenstrijdigheid zie ik dan ook niet.
onder ais gekant tegen het oordeel met betrekking tot de verklaring van getuige [betrokkene 3] . Ik citeer uit rov. 2.3.7:
waardie boodschappen werden gedaan of dat zij heeft gezien waar [verzoekster] die boodschappen deed.
of daarbuiten.”
schriftelijke verklaringvan 8 maart 2021 bestaat uit antwoorden van [betrokkene 3] op door de advocaat van [verzoekster] gestelde vragen. Het hof heeft in rov. 2.3.2 (alleen) het antwoord op vraag 9 geciteerd. Ik citeer hierna de vragen 8 en 9 en de antwoorden die [betrokkene 3] op die vragen heeft gegeven: [31]
9. Is het u bekend dat [verzoekster] boodschappen deed voor [betrokkene 2] ? Zo ja, hoe weet u dat?”
9. Ja [verzoekster] deed boodschappen voor [betrokkene 2] , omdat ik ook weleens in de winkel stond en [verzoekster] haalde boodschappen voor [betrokkene 2] of bij het verdelen van de boodschappen werd er ook gezegd welke boodschappen voor welke bewoner was.”
onder a(slot) slaagt dan ook.
onder bbetreft het oordeel met betrekking tot de verklaring van getuige
[betrokkene 4]. Ik citeer opnieuw uit rov. 2.3.7:
waarboodschappen werden gedaan.
externboodschappen doen onder meer verklaard: [33]
onder bslaagt.
onder cbetreft het oordeel met betrekking tot de verklaring van
[betrokkene 7]:
“De praktijk is dat als ik aan het werk ging, dat dan in de agenda stond dat ik voor sommige bewoners boodschappen moest doen. Brood halen, beleg, enz. Ik weet niet of medewerkers ook buiten Evean boodschappen deden. [verzoekster] deed boodschappen voor [betrokkene 2] . Ik heb dat gezien.”Deze verklaring strookt echter niet met die van [verzoekster] zelf dat zij in het interne winkeltje amper boodschappen deed voor [betrokkene 2] , maar dat zij dat na afloop van het werk buiten Evean deed, om de boodschappen dan de volgende dag mee te nemen.”
niet heel vaak”voor [betrokkene 2] boodschappen deed in het interne winkeltje onverlet dat [betrokkene 7] haar een van die keren heeft gezien”.
onder cslaagt daarom ook.
[verzoekster] heeft niet expliciet betwist dat de verklaringen van [manager 1] en [betrokkene 2] , over het bij laatstgenoemde op 3 augustus 2020 vermist raken van enkele euro’s, onjuist zouden zijn [sic]. Evenmin heeft [verzoekster] er enige verklaring voor gegeven hoe dat gebeurd kon zijn, anders dan door haarzelf.”
bijlage 4). Daarin wordt aan de politie medegedeeld dat op twee momenten het management geld heeft geteld en circa 1 uur tot 1,5 later weer heeft herteld en beide keren bleek geld te ontbreken. Allereerst is van belang dat uit deze informatie nog steeds niet blijkt dat [verzoekster] geld van [betrokkene 2] heeft gestolen en dat diverse andere scenario’s niet zijn uit te sluiten, waaronder dat iemand anders geld heeft weggenomen, [betrokkene 2] wellicht zelf geld uit haar beursje heeft weggenomen dan wel [betrokkene 2] het geld ter beschikking heeft gesteld aan [verzoekster] om boodschappen voor haar te doen.”
70. Evean erkent bovendien dat er te veel tijd zat tussen het moment waarop [manager 1] dit ontdekte, en het laatste contactmoment met [verzoekster] (verweerschrift nr. 12). Er zijn die ochtend wellicht andere medewerkers van Evean langs gekomen, zoals van de catering. Bovendien valt het, gezien hetgeen is aangevoerd over de rancuneuze gevoelens van [betrokkene 2] jegens [verzoekster] en de aantoonbare onwaarheden in haar schriftelijke verklaring, niet uit te sluiten dat [betrokkene 2] het geld op die maandag zelf uit haar beursje heeft weggenomen teneinde [verzoekster] verdacht te maken.”
aannameheeft gedaan dat [verzoekster] verantwoordelijk was voor het wegraken van enkele euro’s op 3 augustus, welke aanname voor een belangrijk deel is gebaseerd op de – door [verzoekster] betwiste – stelling van Evean dat alleen [verzoekster] die maandagochtend bij [betrokkene 2] op de kamer is geweest. [34] Evean heeft verder zelf ook onderkend dat er op die datum enige tijd tussen het verzorgmoment van [betrokkene 2] door [verzoekster] en het moment van controleren door [manager 1] was. [35] Ik wijs voorts op de verklaring van [manager 1] in contra-enquête (onderstreping toegevoegd): [36]
Op 3 augustus bleek het geld weg te zijn maar [betrokkene 2] had te laat gebeld dus het kon zo zijn dat dit door anderen was gedaan. Ook na deze gebeurtenis op 3 augustus hield ik er rekening mee dat anderen dan [verzoekster] dit gedaan konden hebben.Toen ik op 5 augustus 2020 opnieuw muntjes gemarkeerd had, lag de uitkomst voor mij nog wel open.”
nooit boodschappen voor haar deed”, verschillende getuigen staan (naast [verzoekster] zelf) die onder ede hebben verklaard dat [verzoekster] wel degelijk boodschappen voor [betrokkene 2] deed (waarbij onduidelijk bleef waar precies en hoe vaak). Toch hecht het hof, blijkens rov. 2.4.1, op dit punt ‘belangrijke waarde’ aan de door [betrokkene 2] ondertekende verklaring.