HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer21/05260
Zitting11 juli 2023
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1981,
hierna: de verdachte
De verdachte is bij arrest van 17 december 2021 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden wegens onder 1 primair ‘afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen’ en 2 ‘afpersing’ veroordeeld tot 68 maanden gevangenisstraf, met aftrek van voorarrest als bedoeld in art. 27, eerste lid, Sr. Het hof heeft voorts twee maatregelen strekkende tot beperking van de vrijheid opgelegd voor de duur van 5 jaren, met aftrek van de periode gedurende welke deze maatregelen al van kracht zijn geweest, en daarbij bevolen dat de maatregelen dadelijk uitvoerbaar zijn. Het hof heeft een inbeslaggenomen auto (Renault Megane) verbeurd verklaard. Daarnaast heeft het hof de vordering van twee benadeelde partijen (deels) toegewezen en twee schadevergoedingsmaatregelen opgelegd.
Er bestaat samenhang met de zaken 21/05355, 21/05344, 21/05285, 21/05329 en 21/05369. In deze zaken zal ik vandaag ook concluderen.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. N. van Schaik, advocaat te Utrecht, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld.
Het
eerstemiddel betreft de verwerping van het verweer dat schendingen van de Aanwijzing auditief en audiovisueel registreren van verhoren van aangevers, getuigen en verdachten (verder, in navolging van het hof: AVR) tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie dan wel bewijsuitsluiting hadden moeten leiden. Het
tweedemiddel bevat de klacht dat het hof bij de beoordeling of sprake is van overschrijding van de redelijke termijn het juiste toetsingskader heeft miskend.
Voordat ik de middelen bespreek, geef ik de bewezenverklaring weer, enkele onderdelen van de bewijsoverwegingen, het verweer inzake schending van de AVR in de pleitnota van de raadsman en de overwegingen waarin dat verweer wordt verworpen. Inzake de verweren die op schendingen van de AVR zien, is (in het bijzonder) het woord gevoerd door twee raadslieden; de betreffende delen van hun pleitnota’s zijn weergegeven in de conclusie in de zaak [medeverdachte 1] (21/05355). Daar is ook de verwerping van dit verweer, die in alle zaken in de kern gelijkluidend is, uitgebreider geciteerd, en in die conclusie zijn ook de relevante passages uit de AVR weergegeven. In de conclusie in de zaak [medeverdachte 1] zijn voorts de bewijsoverwegingen inzake de afpersing van [slachtoffer 1] (die in alle zes zaken in belangrijke mate overeenkomen) uitgebreider weergegeven.
Bewezenverklaring en bewijsvoering
6. Het hof heeft ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat
‘1. primair
hij in de periode van 7 en 8 november 2016 te [plaats] , in de gemeente [plaats] en te [plaats] , tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en bedreiging met geweld [slachtoffer 1] heeft gedwongen tot de afgifte van een zak met geld en/of hennep, toebehorende aan [slachtoffer 1] en/of zijn zoon en/of een vriend van zijn zoon, welk geweld en welke bedreiging met geweld hierin bestonden dat verdachte tezamen en in vereniging met zijn mededaders
- een strijkijzer heeft klaargezet en
- die [slachtoffer 1] meermalen met kracht tegen het hoofd en elders tegen het lichaam heeft gestompt (met handschoenen met rubberen noppen erop aan) en geschopt met geschoeide voet en geprobeerd heeft die [slachtoffer 1] in zijn kruis te trappen (met geschoeide voet) en
- tegen die [slachtoffer 1] heeft gezegd dat ze zijn vrouw ook nog wel klein zouden krijgen en
- het strijkijzer heeft getoond en tegen die [slachtoffer 1] heeft gezegd dat ze de No Surrender tatoeage met het strijkijzer weg zouden branden en
- die [slachtoffer 1] meermalen heeft bedreigd met de dood, als er geen geld zou komen en
- tegen die [slachtoffer 1] heeft gezegd dat hij geld moest betalen en dat ze wisten waar hij woonde en dat ze zijn vingers af zouden knippen en
- die [slachtoffer 1] een handdoek in zijn mond heeft gepropt en
- die [slachtoffer 1] heeft gedwongen mee te rijden in een busje naar een plek nabij de Papiermolen.
2.
hij in de periode van 1 juli 2016 tot en met 14 november 2016 te [plaats] met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen, door geweld en bedreiging met geweld [slachtoffer 2] heeft gedwongen tot de afgifte van geldbedragen, toebehorende aan [slachtoffer 2] , welk geweld en welke bedreiging met geweld hierin bestonden dat verdachte,
- die [slachtoffer 2] te kennen heeft gegeven dat hij een 'bad standing' had, en
- die [slachtoffer 2] meermalen, op verschillende tijdstippen in die periode, met kracht, heeft geschopt en/of geslagen en/of tegen de auto aan heeft geduwd en/of hem bij de keel heeft vastgegrepen en
- die [slachtoffer 2] meermalen heeft bedreigd o.a. met de woorden dat de gevolgen voor die [slachtoffer 2] niet te overzien zouden zijn als hij niet zou betalen en dat ze hem dan zouden komen opzoeken en
- tegen die [slachtoffer 2] heeft gezegd dat wat er was gebeurd met die jongen in [plaats] met hem ( [slachtoffer 2] ) nog veel erger zou gebeuren als hij ( [slachtoffer 2] ) geen geld zou brengen, en
- meermalen telefonisch contact heeft gezocht met die [slachtoffer 2] (o.a. via Whatsapp) en hem duidelijk heeft gemaakt dat hij nog moest betalen.’
7. Het hof heeft in het bestreden arrest onder meer de volgende bewijsoverwegingen opgenomen (met weglating van voetnoten):
‘
3.4. Conclusie t.a.v. het onder 1 ten laste gelegde
Op grond van het voorgaande acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat [slachtoffer 1] volgens een vooropgezet plan in de woning van [medeverdachte 1] is mishandeld door (in ieder geval) [verdachte] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 5] en [medeverdachte 4] , en dat [medeverdachte 6] ondertussen buiten stond te wachten. [medeverdachte 1] heeft een belangrijke rol gespeeld in het voortraject en het ter beschikking stellen van haar woning en is zowel fysiek als verbaal gewelddadig geweest. Na de mishandeling in de woning zijn verdachten [verdachte] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 6] , [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] , verspreid over de VW Transporter van [medeverdachte 5] en de Renault van [verdachte] , naar de Papiermolen gereden.
Het gezamenlijke doel van de verdachten was om [slachtoffer 1] geld of iets anders van waarde afhandig te maken, hetgeen ook daadwerkelijk is gelukt. Bij de Papiermolen is door de zoon van [slachtoffer 1] immers een tas met inhoud van waarde (vermoedelijk hennep) overhandigd. Daarmee is sprake van een voltooide afpersing in vereniging, zoals onder 1 primair ten laste gelegd. Het hof ziet hetgeen na de overdracht van de tas met inhoud is gebeurd, het vervoer naar [plaats] , waar in ieder geval [medeverdachte 5] en [medeverdachte 6] bij aanwezig zijn geweest en alwaar [slachtoffer 1] uit de bus is gezet, en het gebeuren de volgende dag bij zijn huis, toen er onder dreiging door [medeverdachte 6] om meer geld werd gevraagd, in hetzelfde verband. Het hof ziet dit niet als een nieuwe (poging tot) afpersing, maar als verlengde van hetgeen in [plaats] en bij de Papiermolen is gebeurd. Het betreft één feitencomplex.
Dat het een vooropgezet plan was om [slachtoffer 1] af te persen, kan worden afgeleid uit de berichtenwisseling tussen [medeverdachte 1] en [verdachte] , [medeverdachte 1] en [betrokkene 9] en de verklaring van [betrokkene 3] . Bovendien blijkt uit het hiervoor overwogene dat verdachten met elkaar hebben afgesproken, dat er vervoer is geregeld/er mensen werden opgehaald, waarna er bij de woning van [medeverdachte 1] werd verzameld. Er was sprake van een gezamenlijk doel: het betalen van geld of goederen van waarde in het kader van een ‘bad standing’. De verdachten hebben gedurende de hele avond onderling contact gehouden en hebben de volgende dag in hun opzet gepersisteerd door [slachtoffer 1] opnieuw op te zoeken en waarbij [medeverdachte 6] gevraagd heeft om (meer) geld, hetgeen vergezeld ging van bedreigingen.
Ten aanzien van verdachte [verdachte] geldt dat zijn verweer dat hij [slachtoffer 1] enkel wilde mishandelen en niet afpersen, wordt weersproken door de verklaring van [slachtoffer 1] , inhoudende dat [verdachte] tijdens de mishandeling te kennen gaf dat hij ‘doekoe’ moest hebben. Daarnaast is de voorafgaande berichtenwisseling tussen [medeverdachte 1] en [verdachte] over geld of goederen van [slachtoffer 1] relevant, het feit dat [slachtoffer 1] al in de woning van [medeverdachte 1] met [betrokkene 1] heeft gebeld en - zeer belangrijk - zijn aanwezigheid bij de Papiermolen alwaar de overdracht van de hennep plaatsvond.
Hoewel de rol van elk van voornoemde personen anders is, en niet iedereen op elk moment fysiek aanwezig is geweest, kunnen zij alle vijf als medeplegers worden aangemerkt. Zoals overwogen is het hof van oordeel dat op grond van de bewijsmiddelen kan worden vastgesteld dat zij met gezamenlijk opzet hebben gehandeld: het opzet om [slachtoffer 1] met geweld en bedreiging met geweld geld of goederen van waarde af te nemen. Zij hebben daartoe bewust en nauw met elkaar samengewerkt. Dat geldt ook ten aanzien van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 6] , ook al is [medeverdachte 1] niet bij het gebeuren bij de Papiermolen (en het vervolg daarop) aanwezig geweest, en [medeverdachte 6] niet bij de mishandeling in de woning. Het hof is van oordeel dat de bewijsmiddelen uitwijzen dat het niet anders kan zijn dan dat allen van het gehele plan op de hoogte zijn geweest. Elk van de verdachten heeft een eigen rol gehad, niet allemaal gelijk van aard, maar de rol van de ene is niet substantieel belangrijker dan die van de ander. Iedere schakel (het maken van de afspraak, het ter beschikking stellen van de woning, het geweld, het vervoer) was relevant voor het kunnen slagen in het gezamenlijke opzet. De mate van samenwerking die blijkt uit het onderlinge contact, de gemaakte afspraken, het feitelijk samen optreden richting [slachtoffer 1] en de bijdrage die een ieder aan de afpersing heeft geleverd, is van voldoende gewicht om de verdachten die thans terecht staan in het onderzoek Turgon als medeplegers van de afpersing van [slachtoffer 1] aan te merken.
Met de rechtbank en de advocaten-generaal is het hof van oordeel dat aan verdachte een regisserende en bepalende rol kan worden toegedicht. Hij is betrokken geweest bij het maken van de afspraak tussen [medeverdachte 1] en [slachtoffer 1] , hij onderhield contact met medeverdachten en was zowel in de woning van [medeverdachte 1] aanwezig, als bij de Papiermolen. Uit de bewijsmiddelen blijkt tevens dat verdachte een aanzienlijke bijdrage heeft gehad in het gepleegde geweld en in de gepleegde bedreigingen en dat hij sturend optrad richting de andere verdachten. Dat niet is gebleken dat [verdachte] fysiek aanwezig is geweest in [plaats] , en ook niet bij de woning van [slachtoffer 1] op 8 november 2016, maakt het voorgaande niet anders.
Het hof is met de advocaten-generaal van oordeel dat - anders dan in eerste aanleg - ook de ten laste gelegde onderdelen die zien op het dreigen met het strijkijzer en het afknippen van vingers kunnen worden bewezenverklaard. Het dreigen met het strijkijzer komt al in de eerste verklaring van [slachtoffer 1] voor, is heel specifiek en is daarna bij herhaling in de verklaringen van verdachte aan de orde gekomen. Ook in de verklaring van [betrokkene 3] komt dit terug. Ten aanzien van het afknippen van vingers geldt eveneens dat dit een specifieke uitlating betreft, die zowel op de avond van 7 november 2016 als op 8 november 2016 tegenover [slachtoffer 1] zou zijn geuit. De verklaring die [slachtoffer 1] hierover ten overstaan van de rechter-commissaris onder ede heeft afgelegd, acht het hof geloofwaardig.
6.2. Feiten en omstandigheden zoals die blijken uit de verklaring van [slachtoffer 2] :
Op 15 november 2016 heeft [slachtoffer 2] aangifte gedaan. In zijn aangifte, die woordelijk is uitgewerkt heeft hij verklaard dat hij in 2014 bij No Surrender kwam. Omdat [slachtoffer 2] diverse keren niet op de club verscheen, werd hij gesommeerd. Hij verklaart daarover: “En toen ben ik een paar weken weer niet geweest. En toen kreeg ik die eerste app, die gesproken app van [verdachte] (fon). [verdachte] , dat is ehh een full member van de club. Daar even achteraan volgde een bericht, een ingesproken bericht ook via de app van [betrokkene 10] (het hof begrijpt: [betrokkene 10] ). En, nou ja er werd mij dingen vertelt, hoe ehh de vork in de steel zat en dat ik fout bezig was. Later werd ik ehh gesommeerd ehh in die week om naar ehh Vinkhuizen te komen. Want ik werd gebeld, ehh gebeld dus ehh met ehh de vraag van: ‘Jij hebt iets van ons”. Ik wist bij God niet wie ik aan de telefoon had. En ik heb gevraagd van, ja hallo wat heb ik van jullie. Dat weet je wel. Het hesje. En die wordt ingeleverd. En ik moest komen ehh bij Vinkhuizen, bij het sportpark Vinkhuizen. Bij het Gruno voetbal terrein. Aldoende daar aangekomen, heb ik staan wachten op de jongens. Ze waren er nog niet. Toen ze aankwamen rijden, kwamen ze in een ehh in een zwarte auto aan rijden.”
[slachtoffer 2] heeft verklaard dat ‘ [betrokkene 10] ’ vervolgens zijn hes (het hof begrijpt: het hesje van No Surrender) van de achterbank pakte. [slachtoffer 2] : “Toen zag ik dus dat het hele gebeuren gefilmd werd door de bestuurder van die auto. Op dat moment kreeg ik ehh, ehh een klap in mijn gezicht van [verdachte] . Met zijn handen. In mijn gezicht op mijn linker kaak. (...) Er werd mij gesommeerd dat ik ehh zo spoedig mogelijk vijf en twintig honderd (2500) euro moest betalen. En ze hebben mij achtergelaten en zijn weggereden. ”
[slachtoffer 2] heeft verklaard dat de klap die hij van [verdachte] kreeg met de vuist was. [slachtoffer 2] heeft verklaard dat hij bang was, angstig en zwaar geïntimideerd door het gebeuren. Tijdens de mishandeling werd gezegd dat hij een ‘bad standing ’ had.
[slachtoffer 2] heeft zich naar eigen zeggen in allerlei bochten moeten wringen om geld af te staan. Hij heeft er alleen met zijn stiefmoeder over gesproken.
[slachtoffer 2] geeft aan dat hij in eerste instantie 500 euro betaalde, maar dat dit niet genoeg was. [slachtoffer 2] heeft later in het verhoor verduidelijkt dat hij daarvoor ook al eens 100 had betaald, in Vinkhuizen, op dezelfde plek als waar hij zijn hesje moest inleveren.
[slachtoffer 2] : “Ik heb gezegd ik heb eerst honderd, ik heb honderd (100) euro en was niet genoeg, dus die hebben ze wel aangepakt en meegenomen. (...)
[slachtoffer 2] verklaart dat hij op een bepaald moment weer wat geld had en dat hij toen [verdachte] een appje heeft gestuurd: “Ik heb hem een appje gestuurd. Dus, ja je bent bang dus. Je doet het maar. Ik heb hem gezegd, ik heb wat geld. Hij zei, hoeveel heb je. Ik zeg, ik heb nou vijfhonderd (500). Ik moest de volgende dag moest ik naar Paddepoel komen. En ehhm vervolgens ehh in Paddepoel aangekomen is hij bij mij in de auto gestapt. Hij is ehh [verdachte] . Dat is een full member en zijn richting ehh of richting zijn naar Beijum gereden daar moest ik ehh wachten. En daar voegde [betrokkene 10] zich bij ons in de auto. En daar werd geld betaald. En er werd mij direct gezegd van: “hé, dit is vijfhonderd (500), het is niet genoeg waar is de rest’? Ik zei, ik heb niet meer. En toen heeft hij mij gesommeerd zo snel mogelijk de rest van het geld te geven, als ik niet deed, als ik niet snel aan dat geld kwam dat ehh dan kwam hij een keer bij mij langs en dan ehh dan waren de gevolgen voor mij ehh niet te overzien. ” (...) En [verdachte] is uitgestapt. En heeft mij gezegd van regel dat geld zo snel mogelijk. Ik heb gezegd, ik doe mijn best. Hij zei doe beter je best dan je best. Twee (2) dagen later, drie (3) dagen later volgde weer de appjes, ik moest betalen.”
[slachtoffer 2] heeft toen bij Paddepoel weer 500 euro betaald, [verdachte] was daarbij. [slachtoffer 2] : “Later ehh had ik het ehh het eindbedrag eigenlijk tot vijfentwintighonderd (2500) euro, toen moest ik ehh bij de Praxis komen. (...) Nou, uiteindelijke bedrag was vijfentwintighonderd (2500) wat mij gezegd werd dus ik heb het laatste geld heb ik meegenomen. Ik had, ik had eerst alles zoiets van zeventienhonderd (1700) ik moest de rest brengen, ik weet niet meer precies. Maar het kwam op vijfentwintighonderd (2500) uit, Ik moest bij de Praxis komen daar kwam [verdachte] aanrijden in zijn autootje. Die is overgestapt in mijn auto. Toen zijn we ehh richting Beijum gegaan. Daar hebben we het geld aan [betrokkene 10] gegeven. Toen zijn [betrokkene 10] en [verdachte] samen weer terug gegaan, mij naar richting de Praxis naar [verdachte] auto. Op het moment dat ik bij Praxis aankwamen en hun uitstapten ehhm moest ik ook uit stappen. Ik ben vastgegrepen, tegen de auto aangedrukt, zeer stevig vastgegrepen ehh ehh ja bij mijn hals en bij mijn jas eigenlijk. Ja ehh. bij mijn keel. Eigenlijk ehh. ik werd gewoon hardhandig beetgepakt. En ik was er niet vanaf. Want chapter Emmen wilde ook vijfentwintighonderd (2500) Dat zei [betrokkene 10] tegen mij. Dat werd met grof geweld tegen mij gezegd. Als ik er niet aan voldeed dan waren de gevolgen voor mij zelf. Op dat moment, ja die ehh ik ben bang nog steeds.”
[slachtoffer 2] vervolgt: “En ik ben maar weer gaan betalen. Ik heb toen twee (2) keer betaald. Eén (1) keer vierhonderd (400) Later nog eens (200). [slachtoffer 2] : “Ehh toen werd mij gesommeerd door ehh [verdachte] dat ik geen contact meer mocht hebben met ehh [betrokkene 10] . Dat alle contacten nu, via [verdachte] moesten lopen. ”
De overdracht van de 400 euro was bij de Orionvijver, in Paddepoel: “Ehh op het moment ehh dat ik daar aan kom rijden ben staat stond [verdachte] daar al te wachten. Ehh zet de auto, parkeer de auto. Hij komt eraan, trekt de deur open, gaat zitten en ehh hij wil geld zien. Op dat moment, ja. Ik heb hem het geld gegeven en hij zegt dat is niet genoeg. Er moet meer geld komen. Je moet beter je best doen. En hij verwacht van mij binnen een paar dagen nog meer geld. Geld wat ik niet meer heb.”
[slachtoffer 2] heeft verklaard dat hij nog eens 500 euro ook aan [verdachte] heeft betaald, in Paddepoel, Ossehoedestraat. Later heeft hij nog eens 200 euro betaald. Dit is ongeveer 6 weken geleden. Daarna werd er weer telefonisch en via de app gevraagd om geld door [verdachte] .
[slachtoffer 2] heeft verklaard dat [verdachte] gisteren (het hof begrijpt: 14 november 2016) van [verdachte] in de Indische buurt moest komen. [slachtoffer 2] : “Daar werd mij vertelt dat wat er gebeurd was ehh met die jongen in [plaats] dat mij, en ik kon der gif op in nemen dat het mij nog erger ging gebeuren. Als ik vandaag het geld niet zou brengen. Vervolgens is hij uitgestapt en hebt gezegd tot vanmiddag, neem contact met mij op wanneer jij in Hengelo bent en de spullen afgegeven hebt en dat je onderweg naar mij terug bent. (...)” [slachtoffer 2] heeft verklaard dat hij wist wie dat was geweest, namelijk ene [slachtoffer 1] . Hij kent [slachtoffer 1] ook.
[slachtoffer 2] heeft de door hem beschreven [verdachte] op een foto als verdachte [verdachte] herkend. In een latere verklaring heeft [slachtoffer 2] aangegeven dat hij zes weken voor de bouwvak is begonnen met het betalen van de twee en een half duizend euro. Na de bouwvak heeft hij weer geld betaald. In het betreffende proces-verbaal hebben verbalisanten gerelateerd dat de bouwvak regio Noord in 2016 van 1 augustus 2016 tot en met 19augustus 2016 liep.
6.4. Conclusie t.a.v. het onder 2 ten laste gelegde:
Op grond van het voorgaande kan wettig en overtuigend worden bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan afpersing van [slachtoffer 2] .’
Het verweer inzake schending van de AVR; de verwerping daarvan
8. De inhoudelijke behandeling ter terechtzitting in hoger beroep heeft op 1, 2, 4 en 5 november 2021 plaatsgevonden. Het proces-verbaal van die terechtzitting houdt onder meer het volgende in:
‘Op
4 november 2021te 09:00 uur wordt het onderzoek ter terechtzitting
hervatvoor het houden van de pleidooien. Het hof bevindt zich in dezelfde samenstelling en de advocaten-generaal De Meijer en Lodder zijn aanwezig. Verdachte is ter terechtzitting aanwezig, alsmede alle raadslieden.
Met betrekking tot de formele verweren is overeengekomen dat
mr. Van der Walen
mr. Michelshet woord voeren namens alle raadslieden. Zij voeren het woord overeenkomstig door hun overgelegde pleitnota’s, die bij dit proces-verbaal zijn gevoegd en waarvan de inhoud hier geacht moet worden te zijn ingevoegd.
De
raadsmanvoert het woord overeenkomstig een door haar overgelegde pleitnota, die bij dit proces-verbaal is gevoegd en waarvan de inhoud geacht moet worden hier te zijn ingevoegd.’
9. De pleitnota’s van de raadslieden Van der Wal en Michels zijn, voor zover zij op de ‘formele verweren’ zien, weergegeven in de conclusie van medeverdachte [medeverdachte 1] . In de onderhavige zaak is ook de afpersing van [slachtoffer 2] tenlastegelegd. De raadsman van verdachte heeft (onder meer) het volgende aangevoerd:
‘Het Openbaar Ministerie heeft in het requisitoir een paar gewaagde standpunten ingenomen, die ik toch niet onweersproken wil laten. Zo stellen de advocaten-generaal - in afwijking van hun ambtsgenoten in eerste aanleg en de appelschriftuur - dat er geen sprake is van vormverzuimen. Zo zou er niet steeds sprake zijn van 'geplande verhoren’. Dat is opmerkelijk, want we mogen toch aannemen dat [slachtoffer 1] en de betreffende verbalisanten niet bij toeval in dezelfde ruimte verzeild zijn geraakt en dat [slachtoffer 1] toen pardoes besloot om maar een verklaring af te gaan leggen over hetgeen hem overkomen zou zijn. Het komt mij voor dat aan ieder samenzijn van de verbalisanten
met zowel [slachtoffer 1] als [slachtoffer 2] een zekere mate van planning vooraf is gegaan. Voor zover de advocaten-generaal proberen een redelijke uitleg te geven van het begrip verhoor, dan vallen de gesprekken van [slachtoffer 1] met de verbalisanten van team Turgon over hetgeen er op 6, 7 en 8 november 2016 zou zijn voorgevallen daar zonder meer onder. Dat geldt evenzeer voor de gesprekken van de verbalisanten met [slachtoffer 2] over hetgeen er zou hebben plaatsgevonden in de periode tussen 1 juli en 14 november 2016. Juist tijdens die gesprekken hebben er dingen plaatsgevonden waardoor de authenticiteit van de opnames en de betrouwbaarheid van de verklaringen zijn aangetast.
Verder poneert het Openbaar Ministerie de stelling dat er niet is gehandeld in strijd met de AVR, omdat daar niet als procedureel voorschrift in is opgenomen dat de verhoren “integraal” opgenomen moeten zijn. Nergens in de Aanwijzing staat dat tijdens een verhoor of de opname daarvan niet kan worden gepauzeerd of dat de opname niet tijdelijk kan worden stopgezet, aldus de advocaten-generaal. Waarschijnlijk is dat zo’n open deur geweest dat de wetgever het niet nodig vond die in te trappen en dit expliciet in de richtlijn te vermelden. Volgens de richtlijn is het in het belang van de waarheidsvinding wenselijk dat in bepaalde gevallen aangiften en/of verhoren auditief of audiovisueel worden opgenomen. De auditieve en audiovisuele registratie zijn in de eerste plaats hulpmiddelen ten behoeve van de toetsbaarheid van de verhoren in een latere fase van het strafproces. Als de opnames tijdens verhoren gepauzeerd zouden mogen worden, dan kan er per definitie niet getoetst worden wat er tijdens die pauzes is voorgevallen. Tijdens die pauzes kan er van alles gebeuren om de getuige op ontoelaatbare wijze te beïnvloeden en de betrouwbaarheid van zijn verklaringen aan te tasten. Dan heeft het opnemen van de rest van een verhoor alsof er niets is gebeurd uiteraard geen enkele zin. Om onduidelijkheden daarover te voorkomen, is het noodzakelijk dat verhoren van het begin tot het eind worden opgenomen, zonder dat de opnames worden gepauzeerd. Er wordt dan ook wel degelijk gehandeld in strijd met (de geest van) de AVR als men verhoren niet integraal opneemt en tijdens verhoren pauzeert.
Voorts stellen de advocaten-generaal dat er van het protocol bij de AVG mag worden afgeweken, mits daartoe toestemming wordt verleend door de officier van justitie en de redenen hiervoor uit het procesdossier blijken. Dat is nu juist waar de schoen wringt in deze zaak. De rechtbank heeft niet voor niets vastgesteld dat de verbaliseringsplicht is geschonden. De redenen voor het afwijken van de AVR bleken immers helemaal niet uit het procesdossier. Sterker nog: men had überhaupt niet vermeld dat men de regels niet had gevolgd. Enkel doordat mr. Eckert de opnames van de verhoren van [slachtoffer 2] is gaan beluisteren, is dat aan het licht gekomen. Naar aanleiding daarvan heeft de rechtbank het verzoek om de verhoren van [slachtoffer 1] ook te mogen te beluisteren toegewezen, waarna bleek dat ook in dat geval de verklaringen van de aangever niet correspondeerden met wat er in de processen-verbaal terecht was gekomen, dat de opnames waren gepauzeerd en soms plotseling ophielden terwijl de verhoren nog bezig waren.
Dat er sprake is van vormverzuimen en welke verzuimen dit zijn, is verder uitgebreid aan de orde gekomen in de pleidooien van de advocaten die voor mij hebben gepleit. Daar komt nog bij dat wij beperkt zijn in mogelijkheden onze cliënten effectief te verdedigen door de gang van zaken bij de getuigenverhoren in hoger beroep (van de officier van justitie en getuige [betrokkene 12] ), doordat er stukken en opnames waarschijnlijk niet of niet volledig aan de verdediging en uw Hof zijn verstrekt, een en ander zoals beschreven door mr. Ural in paragraaf 4 t/m 10 van zijn pleidooi.
Dat er wel degelijk sprake is van vormverzuimen blijkt overigens ook genoegzaam uit het vonnis van de rechtbank. De rechtbank heeft terecht geconcludeerd dat er is gehandeld in strijd met de AVR en de verbaliseringsplicht (p. 6 t/m 7 van het vonnis) en dat cliënt hierdoor daadwerkelijk, en op aanzienlijke wijze, in zijn verdediging is geschaad (p, 7). Dat en hoe er is gehandeld in strijd met de AVR en de verbaliseringsplicht is uitgebreid uiteengezet op pagina 1 t/m 31 van mijn pleidooi in eerste aanleg. Eén en ander handhaaf ik onverkort in hoger beroep. In hoger beroep zijn deze standpunten bovendien nog aangevuld met een aantal nieuwe inzichten over vormverzuimen, zoals uiteengezet in de pleidooien mijn voorgangers (onder andere naar aanleiding van de rapportages van de deskundigen van het NFI en het Prokuratuur-arrest).
Ondanks al hetgeen in eerste aanleg is betoogd, heeft de rechtbank onvoldoende grond gezien om te oordelen dat het schenden van de verbaliseringsplicht is gebeurd om te verhullen dat er afgeweken was van voorschriften van de AVR of om te verhullen dat de politie de verhoren op beslissende wijze beïnvloed heeft. Volgens de rechtbank lijkt één en ander veeleer te zijn voortgekomen uit een combinatie van omstandigheden die een negatieve invloed hebben gehad op de kwaliteit van het politiewerk in deze zaak, zoals het plotselinge overbrengen van [slachtoffer 1] en zijn gezin naar een safehouse en de verwevenheid van onderhavige strafzaak met andere onderzoeken naar mogelijke strafbare feiten binnen de motorclub No Surrender. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat zij geen aanleiding heeft om te veronderstellen dat er sprake is geweest van manipulatie van de AVR-bestanden.
Dat er sprake is geweest van manipulatie van de bestanden is inmiddels overigens wel vastgesteld, door de geluidsdeskundige van het NFI, zodat die redenering op losse schroeven komt te staan. Vandaag is dit uitgebreid toegelicht door mijn collega’s.
De rechtbank meent dat niet is komen vast te staan dat er doelbewust is getracht de verdediging en de rechtbank te misleiden, maar dat er wel is gehandeld met grove veronachtzaming van de belangen van de verdediging. In de visie van de verdediging duiden de verhoren bij de rechter-commissaris van de betrokken verbalisanten er juist wel op dat er is getracht de verdediging en de rechtbank te misleiden. Het is immers duidelijk dat zij zichzelf en elkaar op essentiële punten tegenspreken. Op dit punt slaat de rechtbank de plank dus mis.
De rechtbank overweegt vervolgens wel terecht dat de geconstateerde verzuimen direct aan één van de fundamentele taken van de verdediging raken - de mogelijkheid om het optreden van de opsporingsambtenaren op juistheid en volledigheid te kunnen controleren. Deze verzuimen zijn - zoals de rechtbank opmerkt - alleen door het optreden van de verdediging boven water gekomen.
Desondanks heeft de rechtbank nagelaten het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk te verklaren. In plaats daarvan meent de rechtbank dat zij de verdediging tegemoet gekomen is met gedeeltelijke bewijsuitsluiting. Aangezien cliënt alsnog veroordeeld is, is hij daarmee vanuit zijn perspectief niet bijster veel opgeschoten. Hij is als het ware blij gemaakt met een dode mus.
Anders dan de rechtbank, is de verdediging van mening dat de geconstateerde verzuimen te ernstig zijn om te volstaan met bewijsuitsluiting. Op de pagina’s 32 t/m 40 van mijn pleidooi in eerste aanleg heb ik uitgebreid betoogd waarom de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie onder de gegeven omstandigheden passend en geboden is. Ik persisteer uitdrukkelijk bij hetgeen ik daar heb betoogd. In de visie van de verdediging is de rechtbank er ten onrechte aan voorbijgegaan dat de verbalisanten die bij de rechter-commissaris zijn gehoord elkaar en zichzelf op cruciale punten tegenspreken of stellen dat zij zich niets herinneren. Op pagina 9 t/m 16 van het pleidooi in eerste aanleg ga ik daar uitgebreid op in, in hoger beroep persisteer ik volledig bij hetgeen daar geschreven staat. Dat de verbalisanten niet alleen zichzelf, maar ook elkaar tegenspreken is een hele sterke indicatie dat er wel degelijk is geprobeerd de verdediging en de rechtbank te misleiden. Daar komt nog bij dat middels het onderzoek door de geluidsdeskundige in hoger beroep vast is komen te staan dat de opnames van de verhoren van aangevers inderdaad gemanipuleerd zijn. En dat zal vast niet door een grove veronachtzaming zijn gebeurd, dat kan alleen opzettelijk zijn gedaan en zal ook los staan van het gegeven dat [slachtoffer 1] in een safehouse werd geplaatst.
Op grond van al hetgeen hieromtrent in eerste aanleg en hoger beroep door mij en mijn collega’s is aangevoerd, alsmede wat door de rechtbank is vastgesteld, worden de standpunten van het Openbaar Ministerie - die er kort gezegd - op neerkomen dat er überhaupt geen sprake is van vormverzuimen en dat er met de enkele constatering daarvan moet worden volstaan als dat wel het geval is, worden vrij eenvoudig weerlegd.
Al wat vandaag door mijn collega’s is of nog wordt betoogd over de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie dan wel bewijsuitsluiting, geldt onverkort in de zaak van cliënt - met dien verstande dat dit niet alleen geldt voor de verhoren van [slachtoffer 1] , maar ook voor de verhoren van [slachtoffer 2] . Ik verzoek u de pleidooien over de vormfouten van mijn collega’s en mijn eigen pleidooi in eerste aanleg (pagina 1 t/m 40 om precies te zijn) over de vormfouten hier als herhaald, ingelast en voorgedragen te beschouwen. De conclusie luidt primair dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk verklaard moet worden.
Subsidiair verzoek ik u tot bewijsuitsluiting over te gaan van de verklaringen van aangevers en de historische verkeersgegevens van cliënt. Met de rechtbank ben ik van mening dat aan de geverbaliseerde aangiften en verdere verhoren van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] dusdanig veel onduidelijkheden en gebreken kleven dat niet meer van de betrouwbaarheid en juistheid van die verklaringen kan worden uitgegaan. De verklaringen die. [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] bij de politie hebben afgelegd, kunnen niet in volle omvang door uw Hof en de verdediging worden getoetst. De rechtbank heeft de verhoren van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] om die reden terecht van het bewijs uitgesloten. Ik verzoek u hetzelfde te doen.
Het kan niet meer worden nagegaan in hoeverre hun later afgelegde verklaringen beïnvloed zijn door hun gestuurde verklaringen bij de politie. De rechtbank overweegt daarom vervolgens dat de verdediging terecht het verweer heeft gevoerd dat de inhoud van de verklaringen die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] ten overstaan van de rechter-commissaris hebben afgelegd, gekleurd kan zijn geraakt door de verhoren van de politie. De rechtbank verbindt daar echter ten onrechte niet de conclusie aan dat ook deze verhoren volledig uitgesloten moeten worden van het bewijs. De rechtbank heeft deze verklaringen alleen gebruikt voor zover zij volgens de rechtbank de bevestiging vormen van andere, meer objectieve bewijsmiddelen. Of daar in het geval van cliënt überhaupt sprake van is, komt ik later nog op terug.
In de visie van de verdediging miskent de rechtbank dat het mogelijk is dat [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] ten tijde van hun verhoren kennis hadden of kregen van de objectieve bewijsmiddelen en daar hun verklaringen op hebben aangepast. Gelet op het feit dat beide heren intensief contact hadden met de politie, ze werden immers bewaakt en beveiligd, en in ieder geval [slachtoffer 1] werd bijgestaan door een advocaat die het dossier namens hem heeft kunnen opvragen, is het bepaald niet onaannemelijk dat zij kennis hadden van het dossier en daarmee ook van het objectieve bewijs. Dat klemt temeer daar hun verhoren als getuige ten overstaan van de rechter-commissaris geruime tijd na het tenlastegelegde hebben plaatsgevonden. Het is niet meer mogelijk om met een voldoende mate van zekerheid vast te stellen in hoeverre [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] daadwerkelijk uit eigen wetenschap en ervaring verklaren, of dat hun verklaringen zijn gekleurd door informatie die op andere wijze tot hen is gekomen.
De verdediging huldigt daarom het standpunt dat alle verklaringen van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] - dus ook die bij de rechter-commissaris - moeten worden uitgesloten van het bewijs, ongeacht of zij bevestiging vinden in andere, meer objectieve bewijsmiddelen. Het kan immers met een onvoldoende mate van zekerheid worden vastgesteld dat deze bevestiging in feite aanpassingen van de verklaringen op die andere bewijsmiddelen betreffen.
Resumerend luidt mijn subsidiaire standpunt dat alle verklaringen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en de historische verkeersgegevens van de telefoon van cliënt uitgesloten moeten worden van het bewijs. Als u het daarmee eens bent, dan resteert er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs dat cliënt zich schuldig heeft gemaakt aan zowel het onder 1 als het onder 2 tenlastegelegde. In dat geval verzoek ik u cliënt integraal vrij te spreken.’
10. Het bestreden arrest houdt onder het kopje ‘Formele verweren’ onder meer het volgende in (met weglating van voetnoten):