Conclusie
1.Inleiding
2.Feiten en procesverloop
3.Bespreking prejudiciële vragen
verifieerbarevorderingen onder het akkoord vallen. [8]
ook tegen de gefailleerdeop geen andere wijze dan een in art. 110 Fw Pro bepaalde wijze [kunnen] worden ingesteld” (cursivering toegevoegd), dat wil zeggen door verificatie. Gemakshalve citeer ik de betrokken overweging van het arrest (met weglating van de verwijzing):
bestaandevorderingen –, waarnaar het arrest met zoveel woorden verwijst en waar het in het arrest om gaat, en waarin de opeisbaarheid van de vordering voorwaarde vormt voor het gaan lopen van de verjaring. Het arrest spreekt dan ook uitdrukkelijk over de “tijdens het faillissement
ontstanerentevorderingen” (rov. 3.5.1 laatste zin, hiervoor in 3.14 geciteerd, cursivering hier toegevoegd), waarmee wordt gedoeld op de rente die tijdens faillissement loopt. Daaruit volgt dat het in de gedachtegang van de Hoge Raad daarbij gaat om zelfstandige, bestaande vorderingen. In rov. 3.5.3 van het arrest wordt ook uitdrukkelijk overwogen dat de rentevorderingen tijdens het faillissement wel kunnen worden geïnd van eventuele borgen en hoofdelijk aansprakelijke medeschuldenaren. Ook daaruit volgt dat het volgens het arrest gaat om tijdens het faillissement
bestaandeen in beginsel
opeisbarevorderingen. Uit het arrest kan dus bezwaarlijk worden afgeleid dat de rentevorderingen tijdens faillissement nog deel zouden uitmaken van de hoofdvordering, die het lot van die vordering delen. Ook argument (2) mist dus grond.