Conclusie
1.Het cassatieberoep
2.Het eerste en het tweede middel
Feit 1: (Angwier zaaksdossier B1)
[betrokkene 5]legt op vragen van het hof een verklaring af, inhoudende:
[betrokkene 5], geboren op [geboortedatum] 1978 te [geboorteplaats] , wonende aan de [a-straat 1] te [plaats] , van beroep medewerker in de funderingstechniek, verklaart:
[betrokkene 7], geboren op [geboortedatum] 1968 te [geboorteplaats], wonende aan de [e-straat 1] te [plaats], zonder beroep, verklaart:
[betrokkene 5]:
uiterlijk op 7 januari 2019contactgegevens van deze [betrokkene 1] te verstrekken en zal het onderzoek in alle zaken schorsen tot de terechtzitting van 11 januari 2019 te 13:45 uur, teneinde dan een beslissing te geven op het getuigenverzoek. De verdachten en de raadslieden worden aangezegd om alsdan te verschijnen. Desgevraagd door de voorzitter deelt mr. De Korte, raadsman van de verdachte [betrokkene 7] , mee dat de aanzegging van zijn cliënt via hem kan worden doorgegeven.
11 januari 2019 te 13:45 uur, teneinde een beslissing te geven op het verzoek tot het horen als getuige van [betrokkene 1] . De verdachten en hun raadslieden zijn aangezegd om alsdan te verschijnen.”
eerstemiddel bevat de klacht dat ’s hofs afwijzing van het verzoek van de verdediging om [betrokkene 1] als getuige te horen, blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting. Het hof heeft slechts overwogen dat "bij gebrek aan concrete gegevens omtrent deze persoon (...) het niet mogelijk is om hem te traceren”, terwijl het ex art. 288 lid Pro 1, aanhef en onder a, Sv “had dienen te beoordelen of het onaannemelijk is dat de getuige binnen een aanvaardbare termijn ter terechtzitting zal verschijnen”. Voor zover in deze overweging geacht moet worden besloten te liggen dat het hof van oordeel is dat de getuige niet binnen een aanvaardbare termijn ter terechtzitting zal verschijnen, is dit oordeel onbegrijpelijk, althans onvoldoende gemotiveerd, “nu het enkele feit dat de verdediging geen nadere contactgegevens van de getuige heeft kunnen verstrekken, niet maakt dat deze getuige niet (binnen een aanvaardbare termijn) te traceren valt en vervolgens (ter zitting of via een videoverbinding) gehoord kan worden”.
tweedemiddel bevat de klacht dat art. 6 EVRM Pro en/of art. 359 Sv Pro is geschonden “doordat de bewezenverklaring van de feiten 1 tot en met 6 (…) onvoldoende met redenen is omkleed, nu het Hof het verzoek tot het horen van deze [betrokkene 1] immers heeft afgewezen, maar er in zijn arrest geen blijk van heeft gegeven te hebben beoordeeld of, gegeven het ontbreken van de mogelijkheid om die getuige te (doen) ondervragen, de procedure als geheel voldoet aan het door artikel 6 EVRM Pro gewaarborgde recht op een eerlijk proces”.
flashengenoemd). Om dit verhaal kracht bij te zetten, had hij onderhoudsschema’s en (foto’s van) geschikte verbergplekken nodig om aan de te
flashenpersonen te kunnen tonen. In werkelijkheid kende hij niemand die drugs op het vliegtuig wilde plaatsen. De zich in het dossier bevindende telefoongesprekken waaraan hij heeft deelgenomen, moeten in het licht van dit “flashverhaal” worden bezien. Een getuige genaamd [betrokkene 1] zou dit verhaal kunnen bevestigen. Naar aanleiding van deze verklaring heeft de raadsvrouw van de verdachte verzocht [betrokkene 1] als getuige te horen.
3.Het derde middel
derdemiddel bevat de klacht dat de redelijke termijn in de cassatiefase, te weten de inzendtermijn, is geschonden. Daartoe is aangevoerd dat deze termijn met bijna twee jaar is overschreden. Ook zal de zaak in cassatie niet binnen twee jaar kunnen worden afgedaan. Gezien de zeer forse overschrijding verzoekt de steller van het middel Uw Raad de opgelegde gevangenisstraf van achttien maanden met tenminste zes maanden te verminderen, zodat deze alsdan nog twaalf maanden zal belopen.