ECLI:NL:PHR:2023:365

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
30 mei 2023
Publicatiedatum
28 maart 2023
Zaaknummer
22/01915
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 94 SvArt. 552a SvArt. 33a Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging en terugwijzing wegens onvoldoende motivering bij derdenbeslag Piaggio M08

De rechtbank Noord-Nederland verklaarde het klaagschrift van de eigenaar van een inbeslaggenomen Piaggio M08 ongegrond, omdat het niet hoogst onwaarschijnlijk was dat de strafrechter het voertuig zou verbeurd verklaren. De eigenaar had het voertuig ter beschikking gesteld aan haar schoonzoon, die mogelijk zonder geldig rijbewijs reed. De rechtbank oordeelde dat de eigenaar onvoldoende haar verantwoordelijkheid had genomen om te verifiëren of de schoonzoon een rijbewijs had.

De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad stelde in zijn conclusie dat de rechtbank bij haar oordeel had moeten betrekken of het niet hoogst onwaarschijnlijk was dat de strafrechter ook zou oordelen dat de eigenaar bekend was met het criminele gebruik van het voertuig of dat zij dat redelijkerwijs had kunnen vermoeden, zoals vereist in art. 33a lid 2 Sr. Dit aspect was onvoldoende gemotiveerd door de rechtbank.

De Hoge Raad vernietigt daarom de beschikking en wijst de zaak terug naar de rechtbank Noord-Nederland voor hernieuwde beoordeling van het klaagschrift, met inachtneming van de juiste rechtsregels omtrent de kwade trouw van de rechthebbende.

De zaak betreft een summier onderzoek naar het belang van strafvordering bij derdenbeslag en de vraag of het beslag moet worden opgeheven. De Hoge Raad benadrukt dat bij verbeurdverklaring van een voorwerp dat niet aan de veroordeelde toebehoort, de kwade trouw van de rechthebbende moet worden onderzocht en gemotiveerd.

De conclusie van de Procureur-Generaal is gegeven op 30 mei 2023 en verwijst naar eerdere jurisprudentie over art. 33a Sr en derdenbeslag.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de beschikking en wijst de zaak terug naar de rechtbank voor hernieuwde beoordeling met inachtneming van art. 33a lid 2 Sr.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer22/01915 B
Zitting30 mei 2023

CONCLUSIE

A.E. Harteveld
In de zaak
[klaagster],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1960,
hierna: de klaagster
De rechtbank Noord-Nederland, zittingsplaats Groningen, heeft bij beschikking van 20 april 2022 het klaagschrift van de klaagster, strekkende tot teruggave van een inbeslaggenomen voertuig (een Piaggio M08 met het kenteken [kenteken]), ongegrond verklaard.
Het cassatieberoep is ingesteld door de klaagster en S. van den Akker, R.J. Baumgardt en P. van Dongen, allen advocaat te Rotterdam, hebben één middel van cassatie voorgesteld.
Het middel
3.1
Het middel klaagt over het oordeel van de rechtbank dat het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de verbeurdverklaring van het inbeslaggenomen voertuig zal bevelen.
3.2
De bestreden beschikking houdt – voor zover voor de beoordeling van het middel van belang – het volgende in:
“Feiten
Uit de kennisgeving van inbeslagname op grond van artikel 94 Sv Pro, blijkt dat op 14 maart 2022 onder [beslagene] (hierna te noemen: de beslagene) een Piaggio M08 (kenteken: [kenteken]) in beslag is genomen.
(…)
Beklag
Het beklag strekt tot teruggave van het inbeslaggenomen voorwerp aan klaagster.
Door klaagster is aangevoerd dat de in beslag genomen Piaggio M08 geheel haar eigendom is. Beslagene is de schoonzoon van klaagster. Klaagster wist niet dat beslagene niet in het bezit was van een geldig rijbewijs. Het is juist dat beslagene eerder zonder geldig rijbewijs in een voertuig van klaagster heeft gereden. Beslagene heeft echter aangegeven dat hij inmiddels een geldig rijbewijs heeft behaald. Klaagster heeft op deze informatie vertrouwd. Indien zij had geweten dat beslagene niet in het bezit was van een geldig rijbewijs, dan had zij hem geen toestemming gegeven om haar voertuig te besturen.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie verzet zich tegen teruggave van het inbeslaggenomen voorwerp aan klaagster en heeft daartoe aangevoerd dat het belang van strafvordering zich daartegen verzet, omdat het Openbaar Ministerie zal vorderen dat het voorwerp zal worden verbeurd verklaard. De officier van justitie voert daartoe aan dat klaagster als eigenaar verantwoordelijk is om zorg te dragen dat er geen personen die niet in het bezit zijn van een rijbewijs, gebruik kunnen maken van haar voertuigen. Het controleren van het wel of niet hebben van een rijbewijs is eenvoudig. Klaagster had aan beslagene kunnen verzoeken het rijbewijs aan haar te tonen. Daarnaast is klaagster reeds gewaarschuwd en had zij extra alert moeten zijn omtrent het rijden van beslagene in een voertuig van haar. Uit de stukken volgt dat beslagene de verkeersregels niet zo nauw neemt, niet leert van de eerder opgelegde straffen, de beschikking heeft over het voertuig en het hem er niet van weerhoudt te gaan rijden zonder in het bezit te zijn van een rijbewijs. De officier van justitie acht recidivegevaar dan ook aanwezig. Het is derhalve niet hoogst onwaarschijnlijk dat de strafrechter, later oordelend, de verbeurdverklaring van het voertuig zal bevelen.
Beoordeling
De rechtbank is bevoegd en klaagster is ontvankelijk in het beklag.
Bij de beoordeling stelt de rechtbank voorop dat het onderzoek in raadkamer naar aanleiding van een beklag als bedoeld in artikel 552a Sv een summier karakter draagt. Dat betekent dat van de rechter niet kan worden gevergd ten gronde in de mogelijke uitkomst van een nog te voeren hoofdzaak of ontnemingsprocedure te treden.
In geval van een beklag tegen een op grond van artikel 94 Sv Pro gelegd beslag dient de rechtbank eerst te beoordelen of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert.
Uit de stukken en hetgeen in raadkamer is besproken, is het volgende gebleken.
Klaagster is eigenaar van de in beslag genomen Piaggio M08. Ondanks het feit dat klaagster eerder is geconfronteerd met het feit dat beslagene geen rijbewijs heeft, heeft klaagster wederom haar voertuig ter beschikking van beslagene gesteld zonder te verifiëren of beslagene inmiddels in het bezit is van een geldig rijbewijs. Ter zitting verklaart klaagster dat zij haar schoonzoon heeft vertrouwd op zijn woord. Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat klaagster ten tijde van het ter beschikking stellen van haar voertuig aan beslagene niet haar verantwoordelijkheid heeft genomen door te verifiëren of beslagene inmiddels over een geldig rijbewijs beschikt.
Op grond van bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, het inbeslaggenomen voorwerp zal verbeurd verklaren. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het strafvorderlijk belang zich verzet tegen opheffing van het beslag.
Het beklag zal daarom ongegrond worden verklaard.”
3.3
In de toelichting op het middel wordt in de kern aangevoerd dat de rechtbank bij haar oordeel dat het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, het inbeslaggenomen voertuig verbeurd zal verklaren, het bepaalde in art. 33a, lid 2 aanhef en onder a, Sr, namelijk – kort gezegd – of de rechthebbende te kwader trouw was, heeft miskend, althans dat het (impliciete) oordeel van de rechtbank dat van dergelijke kwader trouw sprake was, niet begrijpelijk is dan wel ontoereikend is gemotiveerd.
3.4
Artikel 33a, leden 1 en 2, Sr luidt als volgt:
“1. Vatbaar voor verbeurdverklaring zijn:
(…)
c. voorwerpen met behulp van welke het feit is begaan of voorbereid;
(…)
2. Voorwerpen als bedoeld in het eerste lid onder a tot en met e die niet aan de veroordeelde toebehoren kunnen alleen verbeurd worden verklaard indien:
a. degene aan wie zij toebehoren bekend was met hun verkrijging door middel van het strafbare feit of met het gebruik of de bestemming in verband daarmede, dan wel die verkrijging, dat gebruik of die bestemming redelijkerwijs had kunnen vermoeden, of;
b. niet is kunnen worden vastgesteld aan wie zij toebehoren.”
3.5
Bij de beoordeling van een klaagschrift tegen een op grond van artikel 94 Sv Pro gelegd beslag moet de rechter - ook als het klaagschrift afkomstig is van een ander dan de beslagene - a. beoordelen of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert, en zo nee, b. de teruggave van het inbeslaggenomen voorwerp gelasten aan de beslagene, tenzij een ander redelijkerwijs als rechthebbende ten aanzien van dat voorwerp moet worden beschouwd. Het belang van strafvordering houdt hierbij verband met het veiligstellen van de belangen waarvoor artikel 94 Sv Pro de inbeslagneming toelaat. Het belang van strafvordering vordert bijvoorbeeld het voortduren van het beslag als niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de later oordelende strafrechter de verbeurdverklaring van het voorwerp zal bevelen. [1]
3.6
De verbeurdverklaring van een voorwerp waarmee het feit is begaan of voorbereid, is in beginsel alleen mogelijk als dat voorwerp aan de veroordeelde toebehoort. Op dit beginsel maakt art. 33a, lid 2 aanhef en onder a, Sr een uitzondering voor het geval de rechthebbende – kort samengevat – te kwader trouw was. Dat betekent dat bij de vraag of de wet verbeurdverklaring toelaat, niet in het midden kan worden gelaten of een ander dan de verdachte of veroordeelde de rechthebbende is op het desbetreffende voorwerp en, als dit het geval is, evenmin of die ander onbekend was met het criminele gebruik dat de verdachte of veroordeelde daarvan maakte en dat gebruik ook niet redelijkerwijs had kunnen vermoeden. [2]
3.7
De rechtbank heeft vastgesteld dat het op 14 maart 2022 inbeslaggenomen voertuig toebehoort aan de klaagster, zodat een geval als bedoeld in art. 33a, lid 2 aanhef en onder b, Sr zich in de onderhavige zaak niet voordoet en verbeurdverklaring ingevolge art. 33a, lid 2 aanhef en onder a, Sr alleen mogelijk is als de klaagster bekend was met het gebruik van het voorwerp voor het strafbare feit, dan wel dit gebruik redelijkerwijs had kunnen vermoeden. Door bij haar oordeel dat het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de verbeurdverklaring van het inbeslaggenomen voertuig zal bevelen, beslissend te achten dat de klaagster “niet haar verantwoordelijkheid heeft genomen door te verifiëren of beslagene inmiddels over een geldig rijbewijs beschikt” heeft de rechtbank haar oordeel niet toereikend gemotiveerd. De rechtbank had bij dit oordeel immers moeten betrekken of het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter daarbij tevens tot het oordeel zal komen dat de klaagster bekend was met het gebruik van het voertuig voor het rijden zonder rijbewijs door de verdachte op 14 maart 2022, dan wel dat gebruik redelijkerwijs had kunnen vermoeden. [3]
3.8
Het middel slaagt.
4. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
5. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot terugwijzing van de zaak naar de rechtbank Noord-Nederland, teneinde op het bestaande beklag opnieuw te worden berecht en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

Voetnoten

1.HR 14 maart 2023, ECLI:NL:HR:2023:387, rechtsoverweging 2.4. De Hoge Raad verwijst hierbij naar zijn eerdere jurisprudentie: HR 19 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3212, rechtsoverweging 2.3. Zie ook HR 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2823.
2.HR 8 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1462.
3.Zie HR 14 maart 2023, ECLI:NL:HR:2023:387. Zie ook HR 6 juli 2021, ECLI:NL:HR:2021:967 en HR 20 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1126.