ECLI:NL:PHR:2023:1154
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkverklaring en verwerping cassatieberoep inzake beslag en verschoningsrecht in fraudeonderzoek voedselketen
In deze zaak betreft het cassatieberoep van een klaagster tegen de ongegrondverklaring door de rechtbank van haar klaagschrift ex art. 552a Sv, gericht op opheffing van beslag en teruggave van inbeslaggenomen stukken en gegevens die onder haar verschoningsrecht vallen. Het onderzoek betreft een verdenking van grootschalige fraude in de voedselketen waarbij bedrijfspanden van de A-groep zijn doorzocht en dossiers en ICT-back-ups in beslag genomen.
De procedure omvatte onder meer een behandeling van het klaagschrift in de meervoudige economische raadkamer, waarbij het geschil speelde of deze behandeling in het openbaar had plaatsgevonden zoals voorgeschreven in art. 552a lid 7 Sv. De Hoge Raad concludeert dat ondanks het ontbreken van expliciete vermelding in het proces-verbaal, uit een brief van de voorzitter blijkt dat de behandeling wel openbaar was, zodat het middel hierover faalt.
Daarnaast is er een geschil over de toepassing van het verschoningsrecht. De klaagster had ook een klaagschrift ex art. 98 lid 4 Sv Pro ingediend dat eveneens ongegrond werd verklaard. De Hoge Raad oordeelt dat in dat geval het cassatieberoep over het verschoningsrecht niet-ontvankelijk moet worden verklaard wegens gebrek aan belang, en verwerpt het beroep voor het overige.
De conclusie van de Procureur-Generaal strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van het cassatieberoep voor zover het klachten over het verschoningsrecht betreft en tot verwerping van het beroep voor het overige. Er zijn geen gronden gevonden voor vernietiging van de bestreden uitspraak.
Uitkomst: Cassatieberoep niet-ontvankelijk verklaard voor klachten over verschoningsrecht en verworpen voor het overige.