ECLI:NL:PHR:2022:925

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
11 oktober 2022
Publicatiedatum
10 oktober 2022
Zaaknummer
21/01183
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 3 OpiumwetArt. 36e SrArt. 81 ROArt. 328 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt financieel voordeel betrokkene uit hennepkwekerij en wijst getuigenverzoeken af

In deze zaak is betrokkene door het hof veroordeeld voor het opzettelijk telen, bereiden, bewerken en verwerken van 533 hennepplanten in een woning te [plaats]. Het hof heeft vastgesteld dat betrokkene uit dit bewezenverklaarde handelen financieel voordeel heeft genoten, vastgesteld op € 24.931,78. Betrokkene voerde verweer dat hij slechts de post kwam ophalen en niet betrokken was bij de hennepkwekerij, en dat een ander, [betrokkene 4], de bovenverdieping huurde en verantwoordelijk was.

De verdediging verzocht om het horen van meerdere getuigen, waaronder [betrokkene 4], [betrokkene 2], en [betrokkene 3], om het alternatieve scenario te onderbouwen dat betrokkene geen wederrechtelijk voordeel had. Het hof wees deze verzoeken af wegens onvoldoende noodzaak en onderbouwing, stellende dat het zich voldoende voorgelicht achtte op basis van de stukken.

De Hoge Raad overweegt dat het hof geen onjuiste rechtsopvatting heeft gegeven en dat de afwijzing van de getuigenverzoeken begrijpelijk en voldoende gemotiveerd is. Ook oordeelt de Hoge Raad dat het oordeel over het financieel voordeel toereikend is gemotiveerd en dat het hof terecht is uitgegaan van het financieel rapport en de bewezenverklaring. Het cassatieberoep wordt verworpen.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen; het hof heeft terecht vastgesteld dat betrokkene financieel voordeel heeft genoten en getuigenverzoeken afgewezen.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer21/01183 P

Zitting11 oktober 2022
CONCLUSIE
B.F. Keulen
In de zaak
[betrokkene ] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1982,
hierna: de betrokkene
Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft bij arrest van 5 maart 2021 het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op een bedrag van € 24.931,78 en aan de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling van € 23.000,00 aan de Staat ter ontneming van dat wederrechtelijk verkregen voordeel. Het hof heeft de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd bepaald op 460 dagen.
Er bestaat samenhang met de zaak 21/01184. In deze zaak zal ik vandaag ook concluderen.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de betrokkene. J.O.A.N. de Vries, advocaat te Utrecht, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld.
Het
eerstemiddel bevat (onder meer) een klacht over ‘s hofs afwijzing van het verzoek tot het horen van enkele getuigen. Het
tweedemiddel bevat de klacht dat ’s hofs oordeel dat de betrokkene financieel voordeel heeft genoten niet uit de bewijsmiddelen kan volgen, blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting dan wel ontoereikend en/of onbegrijpelijk is gemotiveerd.
Voordat ik beide middelen bespreek, geef ik de bewezenverklaring en bewijsoverweging in het arrest in de strafzaak, de overwegingen inzake de vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel in het bestreden arrest en de in de aanvulling opgenomen bewijsmiddelen weer, alsmede getuigenverzoeken, een verzoek om nader onderzoek alsmede de beslissingen op die verzoeken en de resultaten van het onderzoek.
Bewezenverklaring, bewijsoverweging, overwegingen inzake de vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel en bewijsmiddelen
6. In de strafzaak, waarin ik vandaag eveneens concludeer, heeft het hof op 5 maart 2021 ten laste van de betrokkene bewezenverklaard – kort gezegd – dat hij in de periode van 1 oktober 2017 tot en met 5 januari 2018 in de gemeente [plaats] opzettelijk 533 hennepplanten heeft geteeld en bereid en bewerkt en verwerkt.
7. Het hof heeft in het in de strafzaak gewezen arrest met betrekking tot het bewezenverklaarde het volgende overwogen:
‘Verdachte heeft ontkend dat hij wist dat de hennepkwekerij zich bevond in de woning waar hij werd aangetroffen en dat hij iets met de hennepkwekerij te maken heeft gehad. De raadsvrouw heeft bepleit verdachte integraal vrij te spreken.
Het hof is van oordeel dat het door verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het tenlastegelegde wordt weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.
Het hof overweegt daarbij in het bijzonder het volgende.
Op 5 januari 2018 werd een hennepkwekerij aangetroffen in de woning aan de [a-straat 1] in [plaats] . De eerste verdieping en de zolder van de woning waren ingericht als kweekruimtes waarin in totaal 533 hennepplanten stonden.
Uit het proces-verbaal van bevindingen van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] van 10 januari 2018 volgt dat zij verdachte in de slaapkamer op de eerste verdieping onder het bed zagen liggen.
De woning wordt sinds 24 april 2017 gehuurd door [betrokkene 1] en [betrokkene 2] .
Verdachte is op 5 januari 2018 door de politie gehoord. Hij heeft verklaard dat hij beschikte over de sleutel van de woning waarin hij werd aangetroffen. Verdachte heeft ter zitting in hoger beroep verklaard dat hij vrijwel dagelijks bij de woning kwam. De verklaring van verdachte wordt ondersteund door getuige [betrokkene 3] . De getuige is op 4 januari 2018 door de politie gehoord. Zij heeft verklaard dat er vrijwel dagelijks iemand bij de woning komt. Uit het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 2] van 4 januari 2018 volgt dat hij een foto van verdachte aan getuige [betrokkene 3] heeft getoond. De getuige [betrokkene 3] herkende de persoon op deze foto als de kale man die vrijwel dagelijks bij het huis komt.
Uit het dossier volgt niet dat verdachte nauw en bewust heeft samengewerkt met een of meer andere personen. Het hof komt, anders dan de rechtbank, dan ook niet tot een bewezenverklaring van het onder 1 -impliciet primair- tenlastegelegde medeplegen van het aanwezig hebben van de hennepplanten.
Wat het hof, gelet op het voornoemde, wel bewezen acht, is het onder 1 -impliciet primair-tenlastegelegde telen/bereiden/bewerken en verwerken van hennep. Verdachte heeft aangevoerd dat hij enkel in de woning kwam om de post op te halen ten behoeve van de voormalige bewoner die in het buitenland verbleef en voorts dat hij niet op de bovenverdieping kwam omdat hem dat door deze persoon was verboden in verband met het feit dat daar gesluierde vrouwen zouden vertoeven. Dat hij desondanks toch op de bovenverdieping onder het bed was aangetroffen had zijn reden hierin volgens verdachte dat hij als gevolg van traumatische ervaringen met de politie in Syrië naar boven was gevlucht toen de politie aan de deur kwam.
Het hof acht die verklaringen onaannemelijk en stelt deze terzijde en merkt daarbij op dat verdachte aanvankelijk sterk wisselend heeft verklaard over de frequentie waarmee hij naar de woning kwam, en evenmin eenduidig heeft verklaard waarom hij dan - vrijwel dagelijks - de post kwam checken.
Voorts is de aanwezigheid van gesluierde dames die op de bovenverdieping zouden verblijven door verdachte naar zijn zeggen zelf niet op enig moment vastgesteld en evenmin verklaart getuige [betrokkene 3] erover deze dames te hebben gezien.
Ook het verweer dat een andere persoon verantwoordelijk was voor de hennepkwekerij en dat de bovenverdieping aan een ander was onderverhuurd acht het hof onvoldoende onderbouwd en niet aannemelijk geworden.’
8. Het hof heeft in het bestreden arrest onder meer het volgende overwogen:

De ontnemingsvordering van het openbaar ministerie
De inleidende schriftelijke vordering van de officier van justitie strekt tot schatting van het door betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel op € 24.940,67 en tot oplegging van de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 24.931,78.
De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gevorderd dat het door betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat op € 24.931,78 en dat aan betrokkene wordt opgelegd de verplichting tot betaling aan de Staat van hetzelfde bedrag.

Het standpunt van de verdediging

In de met deze ontnemingszaak samenhangende strafzaak heeft de raadsvrouw een vrijspraakverweer gevoerd. De raadsvrouw heeft daarom primair bepleit de ontnemingsvordering af te wijzen. Subsidiair heeft zij bepleit dat als overwogen wordt om in de strafzaak alleen het aanwezig hebben bewezen te verklaren, de ontnemingsvordering afgewezen moet worden omdat betrokkene puur uit het aanwezig hebben geen voordeel heeft verkregen. Meer subsidiair heeft zij bepleit dat alle aftrekposten, zoals huurkosten en de kosten voor het inhuren van knippers, nog dienen te worden afgetrokken.

De vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel

De betrokkene is bij arrest van dit hof van 5 maart 2021 (parketnummer 21-005465-18) ter zake van het opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder Pro B van de Opiumwet gegeven verbod veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee maanden, met een proeftijd van twee jaren, en een taakstraf voor de duur van 160 uren, subsidiair 80 dagen vervangende hechtenis.
Uit het strafdossier en bij de behandeling van de vordering ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken dat betrokkene uit het bewezenverklaarde handelen financieel voordeel heeft genoten. Het hof baseert zich hierbij op de inhoud van het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel hennepkwekerij van 14 maart 2018. Hetgeen de verdediging omtrent de aftrekposten heeft aangevoerd, is onvoldoende aannemelijk geworden bij gebreke van elke vorm van onderbouwing daarvan.
Bij de beoordeling van de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel gaat het hof uit van het rapport berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel van 14 maart 2018. De uit dit rapport volgende berekening is inzichtelijk en duidelijk. De in de berekening gerelateerde feiten zijn door het hof gecontroleerd en juist bevonden aan de hand van de onderliggende stukken. Het hof komt als volgt tot de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
Opbrengsten
Een kilogram hennep levert volgens het FPA-rapport (voorheen BOOM) een bedrag van € 4.070,- op. Het hof neemt dit uitgangspunt over. Datzelfde geldt voor de uitgangspunten voor de hieronder vermelde hoeveelheid planten per m2 en de daarbij behorende opbrengst.
Eerdere oogst
In de woning aan de [a-straat 1] werd een in werking zijnde hennepkwekerij aangetroffen met in totaal 533 hennepplanten. Deze hennepkwekerij was verdeeld over twee kweekruimtes. Op basis van het ingestelde onderzoek blijkt dat in één kweekruimte 1 reeds eerder gerealiseerde oogst is geweest. Uitgangspunt hierbij is een gemiddelde kweekcyclus van tien weken per oogst. De vermelde eerdere oogst is vastgesteld op basis van ingesteld onderzoek, waarbij het hof uitgaat van de aanwijzingen in voornoemd rapport van 14 maart 2018. Het hof neemt deze conclusie van het rapport over.
De kweekruimte
In de kweekruimte stonden minimaal 254 hennepplanten. De oppervlakte van de beplanting in de kweekruimte was 14 m2, per m2 stonden er dus (afgerond) 19 planten. Volgens het FPA-rapport kan bij 19 planten per m2 worden uitgegaan van een minimale opbrengst van 26,2 gram per plant per oogst.
De bruto opbrengst per oogst bedraagt dan:
254 planten x 26,2 gram = 6,6548 kilogram
6,6548 kilogram x € 4.070,- = € 27.085,04
Kosten
Betrokkene heeft de elektriciteit op illegale wijze betrokken. Omdat niet is gebleken dat de betrokkene de door Liander in rekening gebrachte kosten reeds heeft voldaan, worden geen kosten voor elektriciteit op het wederrechtelijk verkregen voordeel in mindering gebracht. Uit het onderzoek volgt verder dat betrokkene voor het knippen van de hennepplanten geen kosten heeft gemaakt en dat ook geen extra kosten zijn gemaakt ten behoeve van huisvesting, zodat hier geen rekening mee zal worden gehouden in de berekening. De in mindering te brengen kosten per oogst van de hennepkwekerij van betrokkene zijn op basis van het FPA-rapport:
Afschrijvingskosten: € 200,-
Hennepstekken: € 967,74 (€ 3,81 per stek/plant)
Variabele kosten: € 985,52 (€ 3,88 per stek/plant)
Totale kosten: € 2.153,26
Wederrechtelijk verkregen voordeel
Bruto opbrengst 1 oogst (x € 27.085,04): € 27.085,04
Totale kosten 1 oogst (x € 2.153,26): € 2.153,26 -
€ 24.931,78
Gelet op het voorgaande zal het hof het bedrag aan wederrechtelijk verkregen voordeel schatten op een bedrag van € 24.931,78.’
9. De bewijsmiddelen houden het volgende in (met weglating van verwijzingen):
‘1. Het
arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, van 5 maart 2021 in de strafzaak tegen betrokkene, waarvan een kopie aan deze aanvulling is gehecht.
2. Het in de wettelijke vorm opgemaakt
Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel hennepkwekerij ex art. 36e 2e lid Sr,(…), afgesloten op 14 maart 2018, opgemaakt en ondertekend door [verbalisant 3] , brigadier van politie Eenheid Oost-Nederland, voor zover -zakelijk weergegeven- inhoudende:
Ontnemingsperiode
Van 8 september 2017 tot 5 januari 2018. Deze periode beslaat 17 weken. Op vrijdag 5 januari 2018, te 09.40 uur, werd in de woning aan de [a-straat 1] te [plaats] , een in werking zijnde hennepkwekerij aangetroffen met in totaal 533 hennepplanten. Deze hennepkwekerij was verdeeld over twee kweekruimtes. Uit onderzoek blijkt dat in een (1) kweekruimte, 254 hennepplanten, een eerdere oogst is geweest. In deze kweekruimte stonden 254 hennepplanten welke ongeveer 7 weken oud waren. Het BOOM rapport rekent voor een cyclus 10 weken. 5 januari is de dag van ontmanteling hennepkwekerij. De begindatum van 8 september 2017 is 17 weken (10 weken cyclus eerdere oogst + leeftijd planten aangetroffen oogst) teruggerekend vanaf datum ontmanteling hennepkwekerij.
Ter beschikking staande gegevens
Ten behoeve van het onderzoek en het opmaken van dit rapport is gebruik gemaakt van gegevens die op navolgende wijze zijn verkregen:
- Gegevens uit het proces-verbaal, (…), die zijn opgemaakt door medewerkers van het onderzoeksteam.
- - Het rapport ‘Wederrechtelijk verkregen voordeel hennepkwekerij bij binnenteelt Onder kunstlicht’ van het Functioneel Parket Afpakken (voorheen BOOM) van 1 juni 2016, waarin standaardberekeningen en normen met betrekking tot het wederrechtelijk verkregen voordeel van hennepkwekerijen bij binnenteelt onder kunstlicht zijn vermeld. Wanneer van de normen uit het Functioneel Parket Afpakken gebruik is gemaakt wordt dat vermeld. De overzichten van deze normen zijn als bijlagen bij dit rapport gevoegd. Als bovenstaande informatie van belang is voor de onderbouwing van de bevindingen en de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel, wordt dit als bijlage bij dit rapport gevoegd. In overige gevallen wordt verwezen naar de vindplaats in het proces verbaal dat is opgemaakt in de strafzaak.
Aantal kweekruimtes:1
Vaststelling opbrengst per oogst in de kweekruimte
Aangetroffen planten/potten
In de kweekruimte stonden minimaal 254 hennepplanten en/of potten. De oppervlakte van de beplanting in de kweekruimte was 14 m2, per m2 stonden er 19 hennepplanten en/of potten.
Opbrengst hennep per plant
In het rapport van Functioneel Parket Afpakken van 1 juni 2016 is een tabel opgenomen met daarin de opbrengst per hennepplant. Deze opbrengst is afhankelijk van de hoeveelheid hennepplanten op een m2. Hieruit blijkt, dat hoe lager het aantal planten op een m2, hoe hoger de opbrengst per plant. De opbrengst aan hennep per plant van de kweekruimte is volgens de tabel minimaal 26,2 gram.
Opbrengst hennep per oogst
De totale bruto opbrengst aan hennep per oogst bedraagt dan:
254 planten x 26,2 gram = 6,6548 kilogram
Financiële opbrengst per oogst
De daadwerkelijke verkoopprijs van de hennep kon niet worden vastgesteld. Volgens het rapport van functioneel parket afpakken bedraagt dit minimaal € 4.070,- per kilogram.
De totale bruto opbrengst per oogst bedraagt minimaal 6,6548 kilogram x € 4.070 = € 27.085,04.
Vaststelling eerdere oogsten in de kweekruimte
In de hierna vermelde berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt uitgegaan van 1 reeds eerder gerealiseerde oogst(en) in de kweekruimte. Uitgangspunt hierbij is een gemiddelde kweekcyclus van tien weken per oogst. De vermelde eerdere oogst(en) is vastgesteld op basis van ingesteld onderzoek, waarbij de volgende aanwijzingen bleken.
Hennepresten
Verdroogde resten van hennepplanten waren aangetroffen in een kartonnen doos welke in de kweekruimte werd aangetroffen, in een schaaltje welke werd aangetroffen in de kweekruimte, in een plastic zak welke in de badkamer van de woning hing en in een droognet welke in de slaapkamer 1e verdieping werd aangetroffen.
Stof op koolstoffilters
De aangetroffen koolstoffilters waren in de kweekruimte bevestigd middels kettingen aan het plafond. Het filterdoek van de koolstoffilters was vervuild. Bij het verplaatsen van de bevestiging bleek dat op de plaats(en) waar deze was aangebracht, het filterdoek een aanzienlijk lichtere kleur vertoonde ten opzichte van de kleur van het overige filterdoek. Het is aannemelijk dat de vervuiling van het filterdoek in de kweekruimte is opgetreden nadat de koolstoffilters in de kweekruimte waren bevestigd. De vervuiling van het filterdoek treedt pas na langere tijd op en wordt veroorzaakt door kleine stofdeeltjes, voornamelijk afkomstig van het droge kweekmedium waarin hennepplanten worden gekweekt. Door de sterke afzuiging van de afgewerkte lucht in de kweekruimte, komen deze stofdeeltjes op het filterdoek terecht.
Stof op voorwerpen
Er lag stof op de kappen van de armaturen van de assimilatielampen, het stoffilter van de koolstofcilinder en de kachel.
Verkleuring van houten latten
Het hout van de latten waaraan de assimilatielampen waren opgehangen was verkleurd op de plaatsen waar de lampen waren bevestigd aan de lat.
Droogrekken
In een doos in de kweekruimte 2 (zolder) was een droognet aangetroffen. Op dit droognet waren resten van hennepplanten aangetroffen. Foto 9 toont de doos van foto 8. Er zaten hennepresten in de doos. Een droognet werd aangetroffen in de slaapkamer, direct links na de trap, op de 1e verdieping van de woning. Op dit droognet waren resten van hennepplanten aangetroffen.
Slaolie voor knipscharen
Er was slaolie aangetroffen. Deze olie wordt onder andere gebruikt om de handen en de knipschaartjes schoon te maken na het knippen van de hennepplanten.
Potgrond/wortelresten
In vuilniszakken welke in de kweekruimte zijn aangetroffen was een aantal (vuilnis)zakken met potgrond aangetroffen. In deze potgrond bevonden zich gebruikte stekblokjes/rondjes en wortelresten. Verder hadden diverse stukken samengeperste potgrond dezelfde vorm en inhoud als de lege potten die in de kweekruimte waren aangetroffen. Aannemelijk is dat deze potgrond zich in een eerder stadium in deze potten had bevonden.
Kostenberekening in de kweekruimte
Verdachte [betrokkene ] betrok de elektriciteit op illegale wijze en door Liander werd hiervan aangifte gedaan. Omdat de verdachte de door Liander in rekening gebrachte kosten op het moment van sluiten van dit rapport niet had voldaan, werden geen kosten voor elektriciteit op het wederrechtelijk verkregen voordeel in mindering gebracht. Uit het onderzoek rijst de verdenking dat verdachte voor het knippen van de hennepplanten geen kosten heeft gemaakt. Bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel zal er dan ook geen rekening mee worden gehouden. Uit het onderzoek rijst het vermoeden dat er ten behoeve van de huisvesting geen extra kosten gemaakt zijn. Bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel zal er dan ook geen rekening mee worden gehouden. De in mindering te brengen kosten per oogst voor de in dit onderzoek betrokken hennepkwekerij zijn op basis van het rapport van Functioneel Parket Afpakken (FPA) als volgt:
Afschrijvingskosten: € 200,-
Hennepstekken: € 967,74 (€ 3,81 per stek/plant)
Variabele kosten: € 985,52 (€ 3,88 per stek/plant)
Totale kosten: € 2.153,26
Wederrechtelijk verkregen voordeel
Bruto opbrengst 1 oogst (x € 27.085,04): € 27.085,04
Totale kosten 1 oogst (x € 2.153,26): € 2.153,26 –
€ 24.931,78’
Getuigenverzoeken, een verzoek om nader onderzoek, beslissingen ter zake en de resultaten van dat onderzoek
10. Op 22 oktober 2018 heeft de raadsman van de betrokkene een appelschriftuur ingediend. Deze houdt (onder meer) het volgende in:
‘In de zaak met opgemeld parketnummer bericht ik u op te treden als raadsman van cliënt, [betrokkene ] .
Ik bericht u met het oog op art. 410 Sv Pro, als volgt.
Cliënt kan zich niet verenigen met de veroordeling en de ontnemingsmaatregel en heeft consequent aangegeven dat hij niets met de hennepkwekerij van doen heeft.

Onderzoekswensen.

Cliënt verzoekt om het horen van
1. [betrokkene 4] ,
[b-straat 1] ,
[plaats]
Bovengenoemde persoon is de huurder van de woning waar cliënt in is aangetroffen en zou volgens cliënt weten van wie de kwekerij is.’ [1]
11. Bij de stukken van het geding bevindt zich een ‘Voorzittersbeslissing in de strafzaak en ontnemingszaak’ tegen de betrokkene van 9 april 2019, inhoudend dat [betrokkene 4] als getuige zal worden opgeroepen om te worden gehoord ten overstaan van de raadsheer-commissaris. Tot de stukken van het geding behoort voorts een proces-verbaal van verhoor getuige, betreffende een verhoor van [betrokkene 4] door de raadsheer-commissaris in ‘de straf- en ontnemingszaak’ tegen de betrokkene, dat plaatsvond op 24 september 2019 en onder meer de volgende passages bevat:
‘Op de vragen van de raadsheer-commissaris antwoordt de getuige als volgt:
(…) U vraagt mij of ik een [betrokkene ] ken. Ja, ik ken een [betrokkene ] (…).
Op de vragen van de raadsman antwoordt de getuige als volgt;U vraagt mij waar ik [betrokkene ] van ken. Ik heb hem in het AZC leren kennen via een mevrouw. Dat was ongeveer vier jaar geleden. (…) U vraagt mij of ik ook buiten het AZC contact heb gehad met [betrokkene ] . Ja, ik zag hem ook wel buiten het AZC in Enschede en hij is ook wel bij mij thuis geweest met die mevrouw. U vraagt mij of ik [betrokkene 2] (…) ken. Nee.
Wat is uw woonadres en hoe lang woont u daar al?
[b-straat 1] in [plaats] . Ik woon daar 8 á 10 jaar.
Wie is de verhuurder van uw woning?
Woningstichting [A] . Het huurcontract staat momenteel op mijn naam.
Met welke gezinsleden woont u op dit adres?
Met z’n zevenen. Twee volwassenen en vijf kinderen. (…)
Heeft u een bankrekening in Nederland? Zo ja, bij welke bank(en)?
Ja, bij de ING. U vraagt mijn bankrekeningnummer. De laatste vier cijfers zijn [001] .
U houdt mij voor een kopie waarop staat [betrokkene 4] en een ING-rekeningnummer dat eindigt op [001] en legt mij uit dat [betrokkene ] stelt dat dit een kopie is van een afschrift van de bankrekening van [betrokkene 2] en dat de betaling van € 700,00 bestemd was voor de huur.
De RHC merkt op dat de overgelegde kopie geen ander bankrekeningnummer vermeldt dan het ING-nummer dat eindigt op [001] , niet te zien is van welk rekeningnummer deze kopie een afschrift is. De kopie zal aan het proces-verbaal van het verhoor worden gehecht. Ik herken mijn rekeningnummer. U, RHC, vraagt mij of ik op 3 januari 2018 € 700,00 heb overgemaakt vanaf mijn rekening. Het kan zijn dat ik zo’n bedrag destijds heb overgemaakt aan mijn vrouw. Dat doe ik wel vaker omdat dat makkelijker is. Zij heeft een rekening bij de SNS-bank.
Klopt het dat u op 3 januari 2018 een bedrag van € 700= hebt betaald aan [betrokkene 2] van deze rekening? De RHC merkt op dat het aan getuige zelf is om zijn gegevens wel of niet ter inzage te laten zien. Ik wil dat wel doen.
Ik kijk nu op de app van mijn bank en zie dat ik op 3 januari 2018 een bedrag van € 700,00 op mijn eigen rekening heb gestort. Ik wil u op dit moment geen inzage geven in mijn bankgegevens op de app. U vraagt mij om naar het papier te kijken en vraagt of ik die dag € 700,00 gestort heb. Ik heb € 700,00 op mijn eigen rekening gestort. Ik heb geen € 700,00 overgeschreven van mijn rekening naar [betrokkene 2] , Ik ken hem niet.
Ik houd u voor dat [betrokkene ] heeft verklaard dat [betrokkene 2] een schriftelijke verklaring heeft afgelegd waarin hij aangeeft dat hij de bovenverdieping van zijn huis in [plaats] verhuurd zou hebben aan [betrokkene 4] voor een bedrag van € 700,00. Klopt dit?
Nee. Heeft U een huurcontract? U houdt mij voor dat er een mondelinge huurafspraak zou zijn. Waarom zou ik een huis huren als ik een eigen huis heb in [plaats] ?
(…)
U houdt mij voor dat in de verklaring ook staat dat er een wietplantage in de woning zou zijn aangetroffen en dat daarover contact met mij zou zijn geweest en dat ik daarin dreigend zou zijn geweest. Nee, dat klopt helemaal niet. (…)’
12. Blijkens het daarop geplaatste stempel is op 3 januari 2020 een brief van de raadsman bij het hof binnengekomen, die gericht is aan de voorzitter van de meervoudige strafkamer. Deze brief houdt onder meer het volgende in:
‘In opgemelde zaak heb ik eerder – en wel op 9 oktober 2019 – een verzoek aan het openbaar ministerie en aan de raadsheer-commissaris gericht, (…). Tot op heden heb ik daar geen antwoord op gekregen, reden dat ik mij namens cliënt nu tot het gerechtshof wend. Heet verzoek om nader onderzoek in de zaak is hierna enigszins aangepast geformuleerd.
In opgemelde zaak is op dinsdag 24 september 2019 de getuige [betrokkene 4] (hierna verder te noemen “getuige”) verhoord bij de raadsheer-commissaris (…).
U leest daarin dat ik vragen heb gesteld over eventuele overschrijvingen van de rekening van de getuige, nu cliënt stelt dat de getuige het huis aan de [a-straat 1] te [plaats] (meer specifiek de bovenverdieping) zou hebben gehuurd van [betrokkene 2] de originele huurder van de [a-straat 1] te [plaats] , hetgeen inmiddels twee keer bevestigd is door [betrokkene 2] , op 13 december 2018 en 23 oktober 2019 (…).
In het kader van de waarheidsvinding verzoek ik u gezien de voorgaande gang van zaken, zonodig ambtshalve het openbaar ministerie opdracht te geven een vordering ex. art. 126nd te richten aan de ING bank ten einde inzicht te krijgen in de overschrijvingen van de ING rekening van [betrokkene 4] over de periode juni 2017 t/m februari 2018. Immers als daaruit blijkt dat de getuige [betrokkene 4] inderdaad een of meerdere keren het bedrag van € 700,= heeft betaald aan [betrokkene 2] , dan heeft de getuige overduidelijk een meinedige verklaring afgelegd en vraagt dat tevens om een nadere uitleg van de getuige.
Het zou eveneens betekenen dat de verklaring van mijn cliënt niet zomaar terzijde kan worden geschoven.
Ik verzoek u een nieuwe regie-zitting te bepalen danwel het bovenstaande eenvoudige verzoek ex art. 126nd Sv middels een voorzittersbeslissing te gelasten.
13. Tot de stukken van het geding behoort een proces-verbaal van bevindingen dat op 24 maart 2020 is opgemaakt. Dit proces-verbaal houdt onder meer het volgende in:
‘Op woensdag 12 februari 2020 kreeg ik, als taakaccenthouder Financieel Rechercheren, het verzoek van officier van justitie Z. Rajcevic om in deze zaak een aanvraag vordering historische financiële gegevens op te maken.
Deze zaak gaat over een hennepkwekerij welke werd aangetroffen in de woning van verdachte [betrokkene ] , aan de [a-straat 1] te [plaats] . Kennelijk heeft zijn verdediging een verzoek ingediend. Daarin stellen zij dat verdachte [betrokkene 4] de (onder)huurder was van de bovenverdieping van de woning aan de [a-straat 1] te [plaats] , waar de hennepkwekerij werd aangetroffen. Verdachte [betrokkene 4] zou via zijn bankrekening huur hebben betaald voor deze bovenverdieping en dat zou hij gedaan hebben vanaf zijn bankrekening met nummer [001] . De bedragen zouden overgemaakt worden aan ene ‘ [betrokkene 2] ’ of ‘ [betrokkene 2] ”.
Vordering
Op donderdag 20 februari 2020 deed ik een aanvraag vordering verstrekking historische financiële gegevens, gericht aan de ING-bank. Het betreft hier alle saldo- en transactiegegevens van rekeningnummer [001] , welke op naam staat van [betrokkene 4] in de periode van 1 juni 2017 tot en met 28 februari 2018.
Op dinsdag 25 februari 2020 werd deze vordering doorgestuurd naar de ING-bank.
Bevindingen met betrekking tot het transactieoverzicht
Op donderdag 19 maaart 2020 ontving ik van de ING-bank de gevorderde gegevens. In het transactieoverzicht, dat als bijlage 3 bij die proces-verbaal is gevoegd, zie ik de volgende opvallende transacties:
(…)

Transactie 82. 3 januari 2018. Overboeking van 700 euro, naar: [betrokkene 2] //

Omschrijving: […] // IBAN: [002] .

(…)
Enkel in transactie 82 wordt de naam [betrokkene 2] genoemd, waarover de verdediging het heeft.
Opvallende zaken:
- Er worden diverse keren een contant geldbedrag gestort, waarvan de herkomst niet duidelijk is.
- Er wordt geld overgeboekt naar diverse rekeningen met als omschrijving ‘lening’, maar er is niet te zien dat al die leningen ook terugbetaald worden. Dit zou een verhulling kunnen zijn.
- [betrokkene 4] ontvangt geld uit Oostenrijk en uit Oman.
- Het verweer stelt dat de bovenverdieping van [betrokkene ] gehuurd werd door [betrokkene 4] en dat het geld voor de huur werd overgeboekt naar [betrokkene 2] . De onderzoeksperiode rondom de hennepkwekerij is een periode van 8 maanden. 700 euro lijkt een zeer gering bedrag voor het huren van een bovenverdieping voor die periode en het lijkt een zeer geringe vergoeding, ook voor het risico dat men loopt qua veiligheid en strafrechtelijke vervolging.’
14. Op 19 oktober 2020 heeft een eerste terechtzitting in hoger beroep plaatsgevonden. De betrokkene en zijn raadsman zijn daar niet verschenen. De voorzitter deelde mee dat de raadsman van de betrokkene, mr. T. der Bedrosian, een verzoek tot aanhouding had gedaan omdat hij wegens ziekte niet ter zitting aanwezig kon zijn. Ook de tolk had laten weten dat hij door ziekte niet ter zitting aanwezig kon zijn. Het hof heeft vervolgens het onderzoek voor onbepaalde tijd geschorst.
15. Voorafgaand aan het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep, gehouden op 19 februari 2021, heeft de raadsvrouw van de betrokkene, mr. J.O.A.N. de Vries, op 5 februari en op 18 februari 2021 een e-mailbericht inhoudende onderzoekswensen aan het hof en de advocaat-generaal toegezonden. [2] Het e-mailbericht van 18 februari houdt, voor zover van belang, het volgende in:
‘Geacht Hof en geachte advocaat-generaal,
Hierbij verzoek ik u nogmaals om nader onderzoek te verrichten.
Uit het pv bevindingen d.d. 24 maart 2020 met bijlagen – dat ik recent van uw gerechtshof heb mogen ontvangen – blijkt dat [betrokkene 4] in zijn verhoor bij de raadsheer-commissaris d.d. 24 september 2019 heeft gelogen. [betrokkene 4] heeft immers verklaard dat hij [betrokkene 2] niet kent (RhC, p.2 bovenaan) en verklaard dat hij – na raadplegen van de app van zijn bank – op 3 januari 2018 geen € 700 heeft overgemaakt van zijn rekening naar de rekening van [betrokkene 2] (RhC, p. 2 halverwege). Uit het PV bevindingen blijkt echter dat [betrokkene 4] op 3 januari 2018 wel degelijk € 700 heeft overgemaakt van zijn bankrekening naar de bankrekening van [betrokkene 2] .
Cliënt heeft na zijn aanhouding vanuit de Syrische gemeenschap vernomen dat [betrokkene 4] bekend staat als een persoon die Syriërs in AZC’s benadert om een deel van hun woning te verhuren, zodat hij hier hennepkwekerijen kan beginnen. Een bekende handelswijze (zie bijlagen: De Volkskrant en NOS). Uit het pv bevindingen d.d. 24 maart 2020 blijkt dat [betrokkene 4] diverse keren een contant geldbedrag gestort krijgt op zijn bankrekening waarvan de herkomst niet duidelijk is en dat er sprake zou kunnen zijn van verhullingen ten aanzien van betalingen aan derden. Ondersteuning voor de verdenking dat [betrokkene 4] betrokken is bij de hennepteelt.
1.
Verzoek horen getuigen
Gelet op het voorgaande en gelet op het standpunt van de advocaat-generaal dat er in de ogen van het Openbaar Ministerie nog niet afdoende zou zijn aangetoond dat een ander dan cliënt verantwoordelijk is voor de hennepteelt en het verkregen voordeel hiervan in de woning aan de [a-straat 1] te [plaats] acht de verdediging het noodzakelijk om de navolgende getuigen te horen:
1. [betrokkene 4] , geboren op [geboortedatum] 1965, wonende aan [b-straat 1] te [plaats] ;
2. [betrokkene 2] , geboren op [geboortedatum] 1995, huurder van de woning aan de [a-straat 1] te [plaats] ;
3. [betrokkene 1] , geboren op [geboortedatum] 1990, huurster van de woning aan de [a-straat 1] te [plaats] ;
4. [betrokkene 3] , geboren op [geboortedatum] 1957, wonende aan de [c-straat 1] te [plaats] ;
5. NN ‘storter’ van geldbedrag € 700,00 d.d. 4 oktober 2017
Motivering 1
[betrokkene 4] heeft eerder bij de raadsheer-commissaris aantoonbaar gelogen. De verdediging wenst hem hiermee – onder ede – te confronteren en hem te bevragen waarom hij hierover heeft gelogen, waar hij [betrokkene 2] van kent, waarom hij € 700 naar [betrokkene 2] heeft overgemaakt en of hij verder maandelijks via [C] € 700 per maand naar [betrokkene 2] heeft overgemaakt. Voorts zou ik hem graag willen confronteren met de getuigenverklaringen van de andere verzochte getuigen en een foto van hem willen maken die gebruikt kan worden om aan getuige [betrokkene 3] te tonen.
Motivering 2 en 3
[betrokkene 2] heeft een officiële schriftelijke verklaring afgelegd waarin hij heeft verklaard dat [betrokkene 4] de bovenverdieping van de woning aan de [a-straat 1] te [plaats] van hem heeft gehuurd en dat hij cliënt heeft gevraagd zorg te dragen voor de benedenverdieping van het huis en de post. De verdediging wenst [betrokkene 2] en zijn vrouw [betrokkene 1] hierover als getuigen te horen en hierbij onder meer de volgende vragen te stellen: of het klopt dat zij de bovenverdieping aan [betrokkene 4] hebben verhuurd, welk bedrag zij hiervoor maandelijks ontvingen, hoe [betrokkene 4] dit bedrag aan hen overmaakte, of het klopt dat [betrokkene ] de sleutels van hun woning had om zorg te dragen over de benedenverdieping en de post, wat zij wisten van de hennepkwekerij in hun woning en of cliënt hier volgens hen een rol bij heeft gehad. Ook wenst de verdediging hen te bevragen of cliënt een bemiddelende / tolkende rol heeft gehad bij hun gesprekken met hun woningbouwvereniging [B] .
Motivering 4:
[betrokkene 3] is de buurvrouw van de woning aan de [a-straat 1] te [plaats] . Zij stelt dat cliënt als tolk zou hebben gefungeerd voor de buren toen zij naast haar kwamen wonen (…), terwijl de politie heeft geconstateerd dat cliënt de Nederlandse taal onvoldoende beheerst (…). De verdediging wenst [betrokkene 3] te bevragen in hoeverre zij de woning aan [a-straat 1] in de gaten heeft gehouden, haar willen bevragen waarom zij denkt dat cliënt zou hebben getolkt en hoe zeker zij is dat dit geen andere Syrische man betrof, of zij een grijze Hyundai met kenteken [kenteken] bij de woning heeft waargenomen (dit betreft de auto van [betrokkene 4] , zie foto in de bijlage), of zij de twee mannen van mogelijk Syrische afkomst die ze heeft gezien nader kan omschrijven en hoe vaak zij deze twee mannen heeft waargenomen in de buurt van de woning aan de [a-straat 1] . Tot slot wenst de verdediging haar te confronteren met de foto van [betrokkene 4] met de vraag of zij deze persoon heeft gezien en zo ja, hoe vaak, waar en wanneer.
Motivering 5:
[betrokkene 4] heeft de huur maandelijks aan [betrokkene 2] overgemaakt. De verdediging heeft aangetoond dat het huurbedrag ad € 700 onder andere op 4 oktober 2017 via [C] naar [betrokkene 2] is overgemaakt en op 3 januari 2018 via de bankrekening van [betrokkene 4] . Om aan te tonen dat [betrokkene 4] de huur betaalde, wenst de verdediging persoon te horen die het huurbedrag op 4 oktober 2017 via [C] naar [betrokkene 2] heeft overgemaakt om te vragen in wiens opdracht deze betaling gebeurde en met welke reden.’
16. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 19 februari 2021 heeft de raadsvrouw van de betrokkene de bovengenoemde verzoeken herhaald en nader toegelicht. Tevens heeft het hof op de verzoeken beslist. Dit proces-verbaal houdt, voor zover van belang, het volgende in:
‘De voorzitter deelt mondeling mede dat het hof en de advocaat-generaal op 5 februari 2021 en 18 februari 2021 per e-mail een aantal stukken hebben ontvangen van de raadsvrouw van verdachte, waarbij ook is verzocht om nader onderzoek te verrichten. De voorzitter geeft de raadsvrouw het woord om de verzoeken nader toe te lichten.
De raadsvrouw reageert -zakelijk weergegeven- als volgt:
Ik heb deze zaak in een laat stadium overgenomen en ik realiseer mij dat het noodzaakscriterium van toepassing is op de door mij gedane verzoeken. Toch vraag ik u om rekening te houden met het verdedigingsbelang. De verdediging acht het noodzakelijk om de volgende getuigen te horen:
1. [betrokkene 4]: de verdediging wil de getuige onder ede confronteren met het gegeven dat hij heeft gelogen bij de raadsheer-commissaris. De verdediging wil de getuige vragen waarom hij heeft gelogen over het feit dat hij [betrokkene 2] niet zou kennen, terwijl hij wel een geldbedrag heeft overgeschreven naar de rekening van [betrokkene 2] . Ook is belangrijk om te vragen of hij op een andere wijze geld heeft overgemaakt. Daarnaast wil de verdediging hem confronteren met andere getuigenverklaringen. Tenslotte kan er een foto gemaakt worden van deze getuige die gebruikt kan worden om te tonen aan getuige [betrokkene 3] om daarmee aannemelijk te maken dat niet cliënt maar [betrokkene 4] verantwoordelijk is voor de hennepkwekerij.
2.
[betrokkene 2] en
3.
[betrokkene 1]:
Getuige [betrokkene 3] beweert dat mijn cliënt als tolk heeft opgetreden tussen [betrokkene 2] en [betrokkene 1] met de woningcorporatie. De verdediging wil aan deze twee getuigen vragen of dit klopt. Cliënt spreekt namelijk geen Nederlands en kent [betrokkene 1] ook niet. Daarnaast wil de verdediging [betrokkene 2] vragen of het klopt dat hij de bovenverdieping heeft verhuurd aan [betrokkene 4] , welk bedrag zij hiervoor maandelijks ontvingen, hoe [betrokkene 4] dit bedrag aan hen overmaakte, of het klopt dat cliënt de sleutels van hun woning had om zorg te dragen over de benedenverdieping en de post, wat zij wisten van de hennepkwekerij in hun woning en of cliënt hier volgens hen een rol bij heeft gehad.
4.
[betrokkene 3]: getuige [betrokkene 3] is de buurvrouw van de woning aan de [a-straat 1] te [plaats] . De verdediging wenst de getuige te vragen in hoeverre zij de woning aan [a-straat 1] in de gaten heeft gehouden, hoe vaak zij thuis was, waarom zij denkt dat cliënt zou hebben getolkt, hoe zeker zij is dat dit geen andere Syrische man betrof en of zij een grijze Hyundai met kenteken [kenteken] bij de woning heeft waargenomen. Tot slot wenst de verdediging haar te confronteren met de foto van [betrokkene 4] met de vraag of zij deze persoon heeft gezien en zo ja, hoe vaak, waar en wanneer.
5.
NN ‘storter’ van het geldbedrag € 700,- d.d. 4 oktober 2017: [betrokkene 4] heeft de huur maandelijks aan [betrokkene 2] overgemaakt. De verdediging heeft aangetoond dat het huurbedrag ad € 700,- onder andere op 4 oktober 2017 via [C] naar [betrokkene 2] is overgemaakt en op 3 januari 2018 via de bankrekening van [betrokkene 4] . Om aan te tonen dat [betrokkene 4] de huur betaalde, wenst de verdediging persoon te horen die het huurbedrag op 4 oktober 2017 via [C] naar [betrokkene 2] heeft overgemaakt om te vragen in wiens opdracht deze betaling gebeurde en met welke reden.
6. [betrokkene 5] , geboren op [geboortedatum] 1977, te bereiken via [e-mailadres]: dit is een aanvullende getuige die niet in de e-mail van 18 februari 2021 staat. Deze getuige blijkt als jurist benaderd te zijn door [betrokkene 2] en [betrokkene 4] om een overeenkomst op te stellen. Dat is uiteindelijk niet gelukt omdat er onenigheid ontstond over wat er in die overeenkomst moest komen te staan.. Deze jurist zou kunnen bevestigen dat beide heren bij hem kwamen om een huurovereenkomst vast te leggen over de woning aan de [a-straat 1] . Dit is ook om duidelijk te maken dat cliënt niet betrokken was bij de hennepteelt, maar dat dit anderen zijn geweest.
Met betrekking tot het verzoek opstellen aanvullend proces-verbaal licht ik het volgende toe. In het proces-verbaal van 24 maart 2020 zijn de bankrekeningafschriften van [betrokkene 4] opgevraagd. De verdediging wenst de bankrekeningafschriften van [betrokkene 2] ook in te zien, om te kijken of hij maandelijks € 700,- gestort heeft gekregen via [C] of anderszins. Daarnaast moet onderzocht worden wie zich op 4 oktober 2017 bij [C] heeft gelegitimeerd bij het storten van het huurbedrag op de bankrekening van [betrokkene 2] . Tot slot moet onderzoek plaatsvinden ter verificatie dat de grijze Hyundai met kenteken [kenteken] toebehoort aan [betrokkene 4] . Dat is van belang als getuige [betrokkene 3] zegt dat zij deze auto heeft zien staan. Dan staat ook vast aan welke persoon deze auto toebehoort.
De advocaat-generaal zegt dat als er eenmaal een bedrag is overgemaakt dit nog niet direct betekent dat de bovenverdieping verhuurd is. Getuige [betrokkene 2] zou kunnen bevestigen dat wel sprake is geweest van een huurovereenkomst.
Ik heb ook nog een vertaald bericht van [betrokkene 2] gericht aan mijn cliënt waarin hij aangeeft dat [betrokkene 4] bij hem kwam en een stapel geld meenam. Dit bericht stuur ik nu door naar het hof en de advocaat-generaal.
(…)
De voorzitter onderbreekt het onderzoek voor het houden van beraad.
De voorzitter hervat het onderzoek ter terechtzitting en deelt als beslissing van het hof mede dat de verzoeken van de verdediging worden afgewezen. Waar het om lijkt te gaan is de betrokkenheid van [betrokkene 4] bij de verhuur van de twee verdiepingen van de woning en of hij daar betrokkenheid bij heeft. Daartoe worden een aantal onderzoeksvragen geformuleerd en gevraagd om nadere getuigen te horen. Het hof is van oordeel dat de noodzaak van deze verzoeken onvoldoende is onderbouwd omdat het enkel betrekking heeft op een andere persoon die een deel van de woning heeft gehuurd. Het hof acht zich op grond van de voorhanden zijnde stukken in zoverre voldoende voorgelicht om de vragen als bedoeld in de artikelen 348 en 350 van het Wetboek van Strafvordering te kunnen beantwoorden. De beslissing om de verzoeken af te wijzen geldt zowel in de strafzaak als in de ontnemingszaak.’

Bespreking van het eerste middel

17. Het
eerstemiddel bestaat uit twee deelklachten. De eerste deelklacht houdt in dat het hof het verzoek tot het horen van [betrokkene 4] , [betrokkene 2] , [betrokkene 1] , [betrokkene 3] , de nog onbekende storter van het huurbedrag ad € 700,- d.d. 4 oktober 2017 en [betrokkene 5] op onjuiste, onbegrijpelijke en/of ontoereikende gronden heeft afgewezen. De steller van het middel wijst daarbij op de uitspraak van het EHRM in Keskin v. Nederland.
18. Het EHRM maakt in Keskin v. Nederland onderscheid tussen enerzijds het recht ‘
to obtain the attendance and examination of defence witnesses’ en anderzijds het recht ‘
to cross-examine prosecution witnesses’. [3] Het overweegt dat ‘
it is for the domestic courts to assess the relevance of the evidence which defendants seek to adduce’ (par. 43). Het ligt op de weg van de verdediging om een getuigenverzoek te onderbouwen ‘
by explaining why it is important for the witnesses concerned to be heard, and their evidence must be capable of influencing the outcome of a trial or must reasonably be expected to strengthen the position of the defence’. Het EHRM hanteert daarbij een drieledige test:
‘(i) Whether the request to examine a witness was sufficiently reasoned and relevant to the subject matter of the accusation?
(ii) Whether the domestic courts considered the relevance of that testimony and provided sufficient reasons for their decision not to examine a witness at trial?
(iii) Whether the domestic courts’ decision not to examine a witness undermined the overall fairness of the proceedings?’
19. Bij het recht ‘
to cross-examine prosecution witnesses’ is het vertrekpunt anders. Bij deze getuigen is de verdachte ‘
not required to demonstrate the importance of a prosecution witness. In principle, if the prosecution decides that a particular person is a relevant source of information and relies on his or her testimony at the trial, and if the testimony of that witness is used by the court to support a guilty verdict, it must be presumed that his or her personal appearance and questioning are necessary’ (par. 45).
20. Het Wetboek van Strafvordering maakt geen onderscheid tussen
prosecution witnessesen
defence witnesses. Wel wordt een onderscheid gemaakt tussen gronden waarop het verzoek kan worden geweigerd (kortweg: verdedigingsbelang en noodzaakcriterium); de toepasselijkheid van elk van die gronden is (onder meer) afhankelijk van het stadium van de procedure waarin het getuigenverzoek wordt gedaan. Uw Raad heeft in een arrest van 4 juli 2017 aangegeven dat ‘een tot de zittingsrechter gericht verzoek tot het oproepen en het horen van getuigen door de verdediging dient te worden gemotiveerd teneinde de rechter in staat te stellen de relevantie van dat verzoek in het licht van de toepasselijke wettelijke voorschriften te beoordelen.’ [4] In een arrest van 20 april 2021 heeft Uw Raad deze eis ten dele bijgesteld en is uit de uitspraak van het EHRM in de zaak Keskin afgeleid ‘dat in bepaalde gevallen het belang bij het oproepen en horen van een getuige moet worden voorondersteld, zodat van de verdediging geen nadere onderbouwing van dit belang mag worden verlangd. Dat is aan de orde als het verzoek betrekking heeft op een getuige ten aanzien van wie de verdediging het ondervragingsrecht nog niet heeft kunnen uitoefenen, terwijl deze getuige al – in het vooronderzoek of anderszins – een verklaring heeft afgelegd met een belastende strekking.’ [5] Uw Raad wijst er voorts op dat een verzoek tot het oproepen en horen van een getuige die al een belastende verklaring heeft afgelegd, onder meer kan worden geweigerd indien die verklaring ‘betrekking heeft op feiten en omstandigheden die door de verdachte niet worden betwist’.
21. In verband met de vraag of deze bijstelling in de ontnemingsprocedure toepasselijk is, heeft Uw Raad in HR 30 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1749,
NJ2022/45 m.nt. Jörg het volgende overwogen:
‘2.4.2 De Hoge Raad heeft zijn rechtspraak over de eisen die in strafzaken gelden met betrekking tot de onderbouwing van verzoeken van de verdediging tot het oproepen en horen van getuigen, ten dele bijgesteld in zijn arrest van 20 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:576 naar aanleiding van de uitspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in de zaak Keskin tegen Nederland (EHRM 19 januari 2021, nr. 2205/16). Kort gezegd en voor zover hier van belang, houdt die bijstelling in dat in gevallen waarin een getuige een verklaring met een belastende strekking heeft afgelegd, het belang bij het oproepen en horen van die getuige moet worden voorondersteld, zodat van de verdediging geen nadere onderbouwing van dit belang mag worden verlangd.
Deze bijstelling is ook in ontnemingszaken van betekenis, maar - gelet ook op wat in 2.4.1 is vooropgesteld - alleen indien en voor zover het verzoek tot het horen van getuigen is gedaan in verband met een in de ontnemingsprocedure te nemen beslissing die ertoe strekt dat de betrokkene zelf een concreet aangeduid strafbaar feit heeft begaan. Als het getuigenverzoek is gedaan in verband met een andere beslissing, zoals de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel, de verdeling van dat voordeel of de gemaakte kosten, geldt onverminderd dat de rechter bij de beoordeling van een verzoek tot het horen van een getuige, mede in zijn oordeel kan betrekken of het betreffende verzoek van de verdediging, in het licht van de door het openbaar ministerie aan zijn vordering ten grondslag gelegde financiële gegevens, is voorzien van een onderbouwing waaruit blijkt waarom het horen van die getuige van belang is voor die beslissing (vgl. onder meer HR 25 juni 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD8950).’
22. In de onderhavige zaak is de betrokkene door het hof in de strafzaak veroordeeld voor – kort gezegd – het opzettelijk telen (etc.) van 533 hennepplanten in de periode van 1 oktober 2017 tot en met 5 januari 2018. Het hof heeft in de ontnemingszaak overwogen dat uit het strafdossier en bij de behandeling van de vordering ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken ‘dat betrokkene uit het bewezenverklaarde handelen financieel voordeel heeft genoten’. Het hof heeft de ontneming aldus gebaseerd op het bewezenverklaarde feit en niet (ook) op ‘andere strafbare feiten’. Tegelijk houdt het onder de bewijsmiddelen opgenomen ‘Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel hennepkwekerij ex art. 36e 2e lid Sr’ in dat de periode van 8 september 2017 tot 5 januari 2018 als ‘ontnemingsperiode’ in aanmerking is genomen. Ik begrijp een en ander aldus dat de in aanmerking genomen oogst binnen de bewezenverklaarde periode valt en aldus in die periode voordeel heeft gegenereerd. Uit het rapport volgt voorts dat de eerdere oogst (mede) is afgeleid uit verdroogde resten van hennepplanten, stof op koolstoffilters etc., niet uit verklaringen van getuigen. Dat brengt mee dat bij geen van de verzochte getuigen het belang bij het horen in de ontnemingszaak voorondersteld diende te worden.
23. De raadsvrouw heeft tijdens het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep verzocht om het horen van zes getuigen. Het gaat daarbij in ieder geval waar het de andere getuigen dan [betrokkene 4] betreft om een verzoek als bedoeld in art. 328 Sv Pro jo. art. 331, eerste lid, Sv om toepassing te geven aan art. 315, eerste lid, Sv dan wel art. 316 Sv Pro. Deze bepalingen zijn ingevolge art. 511g, tweede lid, Sv jo. art. 415, eerste lid Sv ook van toepassing op ontnemingszaken in hoger beroep. Bij de beoordeling van de verzoeken is het noodzaakcriterium van toepassing. Dat het noodzaakcriterium ook bij het verzoek ter terechtzitting tot het horen van [betrokkene 4] van toepassing is, volgt uit art. 418, tweede lid, Sv. [6] In cassatie is ook niet bestreden dat het noodzaakcriterium bij de beoordeling van de getuigenverzoeken van toepassing is. .
24. Waar het in cassatie op aankomt is of ’s hofs afwijzing om de getuigen te horen begrijpelijk is in het licht van - als waren het communicerende vaten – enerzijds hetgeen aan het verzoek ten grondslag is gelegd en anderzijds de gronden waarop het is afgewezen. [7]
25. De steller van het middel voert aan dat de verdediging heeft verzocht om de getuigen te horen om het door de betrokkene gepresenteerde ‘alternatieve scenario aannemelijk te maken dat [betrokkene 4] de verdiepingen huurde waarin de hennepkwekerij is aangetroffen’, dat (niet de betrokkene maar) [betrokkene 4] betrokken was bij deze hennepkwekerij, dat de betrokkene ‘enkel bij en in de benedenverdieping van de woning kwam om post te halen voor [betrokkene 2] ’ en dat de betrokkene ‘geen wederrechtelijk voordeel van de hennepkwekerij heeft gehad’. De steller van het middel meent dat het noodzakelijk is getuige [betrokkene 3] te bevragen over (onder meer) de aanwezigheid van [betrokkene 4] bij en in de woning, nu er ook twee andere mannen met een Syrisch uiterlijk zijn gezien. Dat het hof zich voldoende voorgelicht acht zonder verklaringen van [betrokkene 2] en [betrokkene 1] zou niet zonder meer begrijpelijk zijn nu zij zouden kunnen verklaren dat [betrokkene 4] de onderhuurder was van het deel van de woning waar de hennepkwekerij is aangetroffen en dat deze onderhuurder een stapel geld meenam. Daarbij zou [betrokkene 2] kunnen bevestigen dat de betrokkene enkel is benaderd in verband met de post en [betrokkene 1] dat zij de betrokkene niet kent. Dat het hof zich voldoende voorgelicht acht zonder een nadere verklaring van [betrokkene 4] zou niet zonder meer begrijpelijk zijn nu deze getuige aantoonbaar zou hebben gelogen en er nieuwe vragen naar voren zijn gebracht ter onderbouwing van het alternatieve scenario.
26. Het hof is van oordeel, zo begrijp ik, dat de noodzaak van het verhoren van de opgegeven getuigen onvoldoende is onderbouwd omdat de getuigenverzoeken enkel betrekking hebben ‘op een andere persoon die een deel van de woning heeft gehuurd’. Vervolgens komt het hof tot het oordeel dat het zich op grond van de voorhanden zijnde stukken in zoverre voldoende voorgelicht acht om de vragen als bedoeld in de artikelen 348 en 350 van het Wetboek van Strafvordering te kunnen beantwoorden. Het hof heeft voorts overwogen dat de beslissing om de verzoeken af te wijzen zowel in de strafzaak als in de ontnemingszaak geldt.
27. Bij het beoordelen van de begrijpelijkheid van deze afwijzing is, meen ik, de scheiding tussen beslissingen die in enerzijds de strafzaak en anderzijds de ontnemingszaak worden genomen van belang. In de strafzaak is aan de orde of de betrokkene het tenlastegelegde feit heeft begaan. De strafrechter dient ook te beslissen of van plegen dan wel van medeplegen sprake is. Het verzoek tot het oproepen en verhoren van de genoemde getuigen zag, zo begrijp ik, in de kern op de bewijsvraag. Het strekte er, zo volgt uit de e-mail van 18 februari 2021 en uit de toelichting ter terechtzitting op het verzoek tot het horen van [betrokkene 4] , toe aannemelijk te maken dat laatstgenoemde verantwoordelijk was voor de hennepteelt, en niet de betrokkene. Ook in de toelichting op het middel worden de verzoeken aldus geduid. Tegen die achtergrond heeft het hof de omstandigheid dat de verzoeken betrekking hadden ‘op een andere persoon die een deel van de woning heeft gehuurd’ ten grondslag kunnen leggen aan het oordeel dat de ontnemingsrechter zich voldoende voorgelicht achtte.
28. Ter illustratie wijs ik op een arrest van 20 april 1999. [8] Daarin was het verzoek gedaan om een aantal personen te horen in verband met de vraag of de officier van justitie ontvankelijk was in de strafvervolging. Het hof had overwogen dat in de ontnemingsprocedure niet ter beoordeling stond of het openbaar ministerie ontvankelijk was in de vervolging van betrokkene ter zake van een strafbaar feit. Uw Raad overwoog dat in ’s hofs oordeel besloten lag ‘dat door het niet horen van de getuigen de verdachte redelijkerwijs niet in zijn verdediging was geschaad’ en dat dit oordeel geen blijk gaf van een onjuiste rechtsopvatting. Ik wijs voorts op een arrest van 11 december 2018. [9] Uit de conclusie van A-G Bleichrodt volgt dat de raadsman een verzoek had gedaan om twee personen ‘als getuigen te horen over de personen die in de hennepkwekerijen aanwezig waren en wat de rol van verdachte was’. Bleichrodt merkt op dat dit verzoek strekte ‘ter ondersteuning van een in de hoofdzaak te voeren bewijsverweer’ (randnummer 4.5). In aanmerking genomen ‘dat de ontnemingsrechter is gebonden aan het oordeel van de rechter in de hoofdzaak’ was ’s hofs oordeel dat het horen niet noodzakelijk was, zijns inziens geenszins onbegrijpelijk. [10]
29. In verband met de vragen die in de ontnemingsprocedure aan de orde zijn merk ik op dat door of namens de betrokkene niet concreet en gemotiveerd is aangevoerd waarom de gehanteerde aannames en berekeningsmethodes uit het ‘Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel hennepkwekerij ex art. 36e 2e lid Sr’ onjuist zouden zijn en het hof tot een andere berekening zou moeten komen, bijvoorbeeld omdat het voordeel niet volledig aan de betrokkene zou zijn toegekomen. Aan de getuigenverzoeken is enkel ten grondslag gelegd dat niet de betrokkene, maar een ander (alleen) verantwoordelijk zou zijn voor de hennepkwekerij. En dat de betrokkene om die reden, zo begrijp ik, in het geheel geen wederrechtelijk verkregen voordeel van de hennepkwekerij heeft gehad. Die benadering noopte niet tot nader onderzoek naar de verdeling van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
30. Ik wijs in verband met de begrijpelijkheid van ’s hofs afwijzing ook nog op het tijdstip waarop het verzoek is gedaan. Nadat het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep voor onbepaalde tijd was geschorst zijn onderzoekswensen naar voren gebracht, de getuigenverzoeken zijn pas de dag voor de zitting in een e-mail kenbaar gemaakt. [11]
31. Al met al meen ik dat ’s hofs afwijzing van de getuigenverzoeken niet getuigt van een onjuiste rechtsopvatting en niet onbegrijpelijk en toereikend is gemotiveerd.
32. De tweede deelklacht van het eerste middel houdt in dat het hof in strijd met het bepaalde in artikel 6 EVRM Pro de processen-verbaal houdende verklaringen van getuige [betrokkene 3] voor het bewijs heeft gebruikt in de hoofdzaak zonder dat de verdediging in enig stadium van het geding de gelegenheid heeft gehad om haar als getuige te ondervragen, terwijl de bewezenverklaring in beslissende mate op deze getuigenverklaringen steunt en van compenserende maatregelen niet is gebleken.
33. Deze deelklacht bevestigt in zeker opzicht dat het eerste middel zich richt tegen beslissingen die de strafzaak betreffen. De klacht is naar het mij voorkomt geen middel in de zin der wet, nu zij zich niet richt tegen een beslissing van de ontnemingsrechter. [12]
34. Het eerste middel faalt.

Bespreking van het tweede middel

35. Het
tweedemiddel bevat de klacht dat het oordeel van het hof dat de betrokkene financieel voordeel heeft genoten niet uit de bewijsmiddelen kan volgen en/of dat dit oordeel blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting dan wel ontoereikend en/of onbegrijpelijk is gemotiveerd, nu niet kan worden vastgesteld – er geen concrete aanwijzingen zijn – dat de betrokkene financieel heeft geprofiteerd.
36. Uw Raad heeft in een arrest van 26 maart 2013 overwegingen gewijd aan het bewijsrecht in ontnemingszaken, en in het bijzonder aan de ontnemingsrapportage [13] :
‘3.3.2. Krachtens art. 511f Sv kan de schatting van het op geld waardeerbare wederrechtelijk verkregen voordeel slechts worden ontleend aan wettige bewijsmiddelen. Ingevolge art. 511e, eerste lid, Sv (in eerste aanleg) en art. 511g, tweede lid, Sv (in hoger beroep) is op de uitspraak op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel art. 359, derde lid, Sv van overeenkomstige toepassing. Dat betekent dat die uitspraak de bewijsmiddelen moet vermelden waaraan de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel is ontleend met weergave van de inhoud daarvan, voor zover bevattende de voor die schatting redengevende feiten en omstandigheden.
3.3.3. Als wettig bewijsmiddel zal veelal een (in het kader van een strafrechtelijk financieel onderzoek opgesteld) financieel rapport in het geding zijn gebracht met een beredeneerde, al dan niet door de methode van vermogensvergelijking verkregen, begroting van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel kan worden geschat. Een dergelijk rapport is doorgaans zo ingericht dat daarin onder verwijzing naar of samenvatting van aan de inhoud van andere wettige bewijsmiddelen ontleende gegevens gevolgtrekkingen worden gemaakt omtrent de verschillende posten die door de opsteller(s) van het rapport aan het totale wederrechtelijk verkregen voordeel ten grondslag worden gelegd.
In beginsel staat geen rechtsregel eraan in de weg om de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel uitsluitend op de inhoud van een financieel rapport als zojuist bedoeld te doen berusten.
3.3.4. Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad wordt wel afgeleid dat de uitspraak een (volledige) weergave dient te bevatten van de feiten en omstandigheden waarop de in dat rapport gemaakte gevolgtrekkingen steunen. De Hoge Raad ziet aanleiding de in dit verband aan de motivering te stellen eisen te verduidelijken.
3.3.5. Indien en voor zover een in het financieel rapport gemaakte gevolgtrekking is ontleend aan de inhoud van een of meer wettige, voldoende nauwkeurig in dat rapport aangeduide bewijsmiddelen en die gevolgtrekking — blijkens vaststelling door de rechter — door of namens de betrokkene niet of onvoldoende gemotiveerd is betwist, kan de rechter bij de opgave van de bewijsmiddelen waaraan de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel is ontleend, volstaan met de vermelding van (het onderdeel van) het financieel rapport als bewijsmiddel waaraan de schatting (in zoverre) is ontleend en het weergeven van die gevolgtrekking uit het rapport.
3.3.6. Indien door of namens de betrokkene zo een gevolgtrekking wel voldoende gemotiveerd is betwist, dienen aan de motivering van de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel nadere eisen te worden gesteld. In dat geval zal de rechter in zijn overwegingen met betrekking tot die schatting moeten motiveren op grond waarvan hij ondanks hetgeen door of namens de betrokkene tegen die gevolgtrekking en de onderliggende feiten en omstandigheden is aangevoerd, die gevolgtrekking aanvaardt. Indien de rechter de aan het financieel rapport of aan andere wettige bewijsmiddelen ontleende feiten en omstandigheden, die hij bij zijn oordeel daaromtrent betrekt en die redengevend zijn voor de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel, in de overwegingen (samengevat) weergeeft onder nauwkeurige vermelding van de vindplaatsen daarvan, is aan de uit art. 359, derde lid, Sv voortvloeiende verplichting voldaan.’
37. Uit deze overwegingen, in het bijzonder rov. 3.3.5, volgt dat het gebruik voor het bewijs van een in de ontnemingsrapportage gemaakte gevolgtrekking onder omstandigheden is toegestaan. Voorwaarde is dat de rechter heeft vastgesteld dat die gevolgtrekking door of namens de betrokkene niet of onvoldoende gemotiveerd is betwist.
38. Uit de pleitnota die de raadsvrouw tijdens de terechtzitting in hoger beroep heeft overgelegd, blijkt dat zij heeft verzocht de betrokkene vrij te spreken en ‘de ontnemingsvordering af te wijzen’. Bij een veroordeling ‘voor enkel het aanwezig hebben van hennepplanten’ verzocht de raadsvrouw ‘eveneens om de vordering af te wijzen’. Zij vervolgde met: ‘Op grond van het strafdossier kan niet worden vastgesteld dat cliënt financieel voordeel heeft genoten uit het aanwezig hebben van hennep. Weliswaar bevond hij zich tijdens de aanhouding vlakbij de hennepkwekerij, maar hieruit kan nog niet de conclusie worden getrokken dat hij financieel voordeel heeft gehad. Er zijn concrete aanwijzingen nodig dat hij hiervan financieel heeft geprofiteerd. Deze aanwijzingen zijn er niet.’
39. Daaraan heeft de raadsvrouw blijkens het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting (onder meer) nog toegevoegd:
‘Als u cliënt veroordeelt voor het aanwezig hebben verzoek ik u eveneens om de ontnemingsvordering af te wijzen. Cliënt heeft niet veel vermogen en hij heeft geen dure en luxe spullen. Cliënt heeft dus niet geprofiteerd. Als u cliënt veroordeelt voor medeplegen van het telen van hennep, is het de vraag of het volledige bedrag toegeschreven kan worden aan cliënt. Wat maakt dat gesteld kan worden dat het aannemelijk is dat cliënt de volledige opbrengst heeft ontvangen. Mijns inziens kan de vordering niet zomaar hoofdelijk worden opgelegd. Samengevat vraag ik u primair en subsidiair om de ontnemingsvordering af te wijzen. Meer subsidiair merk ik op dat er heel veel aftrekposten niet zijn meegenomen. Er zijn huurkosten gemaakt, voor deze omvang kunnen er knippers zijn ingehuurd dus dan moeten de knipkosten afgetrokken worden, water en elektriciteit moet iemand hebben betaald. Daarnaast moet de vordering over meerdere mensen verdeeld worden.’
40. Naar het mij voorkomt is de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel als zodanig daarmee niet (gemotiveerd) betwist; dat wordt in cassatie ook niet aangevoerd. Het hof kon derhalve in zoverre volstaan met het onder de bewijsmiddelen opnemen van (de delen van) het financieel rapport waaraan de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel is ontleend. In het arrest ontbreekt een overweging waarin het hof vaststelt dat in het rapport gemaakte gevolgtrekkingen onvoldoende gemotiveerd zijn getwist. Over het ontbreken van een overweging met die strekking wordt in cassatie evenwel niet geklaagd. Ik merk nog op dat het hof een overweging heeft gewijd aan de gestelde aftrekposten.
41. De steller van het middel voert aan dat uit de bewijsmiddelen niet volgt dat de betrokkene ‘feitelijke uitvoeringshandelingen heeft gepleegd ten aanzien van de hennepkwekerij’.
42. In verband met de beoordeling van deze klacht wijs ik erop dat de rechter die over een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel moet oordelen, gebonden is aan het oordeel van de rechter in de hoofdzaak. Aan de ontnemingsrechter komt een zelfstandig oordeel toe ten aanzien van alle verweren die betrekking hebben op de vaststelling van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel kan worden geschat. [14] Gedragingen die in de hoofdzaak bewezen zijn verklaard, staan in de ontnemingsprocedure evenwel vast.
43. In de toelichting op het middel wordt voorts aangevoerd dat niet kan worden vastgesteld dat de betrokkene financieel voordeel heeft gehad van de hennepkwekerij en het ‘bovendien aannemelijk (is) dat de huur is betaald zonder dat hier woongenot tegenover stond, derhalve ten behoeve van de hennepkwekerij’. Daarnaast zou een getuige twee Syrische mannen hebben gezien waarvan op zijn minst aannemelijk zou zijn ‘dat zij betrokken zijn bij de oprichting en/of oogst van de hennepkwekerij, zeker in combinatie met het feit van algemene bekendheid dat er andere organisaties achter het neerzetten van hennepkwekerijen kunnen zitten.’
44. Voor toewijzing van een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel is niet vereist dat wordt vastgesteld langs welke weg, op welk moment en/of op welke plaats de betrokkene het uit strafbaar handelen voortvloeiende voordeel daadwerkelijk onder zich heeft gekregen. In de strafzaak is bewezenverklaard dat de betrokkene in de periode van 1 oktober 2017 tot en met 5 januari 2018 in de gemeente [plaats] opzettelijk 533 hennepplanten heeft geteeld en bereid en bewerkt en verwerkt. Het hof heeft uit de inhoud van het ‘Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel hennepkwekerij ex art. 36e 2e lid Sr’ afgeleid en kunnen afleiden welk financieel voordeel uit dit bewezenverklaarde handelen is voortgevloeid. Dat oordeel is – mede in het licht van hetgeen door de verdediging is aangevoerd – mijns inziens toereikend gemotiveerd.
45. Resteert de vraag of het hof voorbij kon gaan aan hetgeen door de raadsvrouw bij pleidooi is aangevoerd met betrekking tot de verdeling van de opbrengst en of het hof kon oordelen dat hetgeen is aangevoerd omtrent aftrekposten onvoldoende aannemelijk is geworden ‘bij gebreke van elke vorm van onderbouwing daarvan’.
46. Vertrekpunt is daarbij, naar het mij voorkomt, dat het standpunt van de betrokkene er in de kern op neerkomt dat [betrokkene 4] betrokken was bij de hennepkwekerij, en de betrokkene niet. De getuigenverzoeken waren erop gericht bevestiging te krijgen van dat scenario. Bij dit standpunt passen de bewoordingen die de raadsvrouw in verband met de verdeling van de opbrengst en aftrekposten heeft gekozen. Zij werpt de vraag op wat maakt dat gesteld kan worden dat de betrokkene de volledige opbrengst heeft ontvangen. Gesteld wordt niet dat de betrokkene met anderen heeft samengewerkt en dat de opbrengst verdeeld is. Zij merkt op dat aftrekposten niet zijn meegenomen maar geeft niet aan dat de betrokkene deze kosten gemaakt heeft. Gesteld wordt dat er huurkosten gemaakt zijn, niet dat de betrokkene deze gemaakt heeft. Ik merk daarbij op dat de raadsvrouw aannemelijk heeft proberen te maken dat [betrokkene 4] de woning deels huurde. Gelet op de omvang van de kwekerij kunnen volgens haar knippers zijn ingehuurd; niet wordt gesteld wordt dat zulks daadwerkelijk is gebeurd.
47. De ontnemingsrechter is gebonden aan de bewijsbeslissing in de strafzaak. [15] Feiten en omstandigheden die meebrengen dat het, van de bewezenverklaring uitgaand, niet aannemelijk is dat betrokkene de volledige opbrengst heeft ontvangen (maar dat deze over meer personen is verdeeld) zijn niet gesteld. Van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt dat het hof tot een nadere reactie verplichtte is geen sprake.
48. Ten overvloede merk ik nog op dat feiten en omstandigheden die niet aan de ontnemingsrechter bekend waren en die aanleiding geven om aan te nemen dat hij het in de uitspraak vastgestelde wederrechtelijk verkregen voordeel op een lager bedrag zou hebben bepaald indien hij daarmee bij het onderzoek ter terechtzitting bekend was geweest, reden kunnen vormen tot een verzoek om vermindering van de betalingsverplichting uit hoofde van art. 6:6:26 Sv Pro. [16] Daarvan zou sprake kunnen zijn in het geval alsnog duidelijk wordt dat [betrokkene 4] een rol heeft gespeeld bij deze hennepkwekerij, en welke.
49. Al met al meen ik dat het hof uit de bewijsmiddelen heeft kunnen afleiden dat de betrokkene uit het bewezenverklaarde handelen financieel voordeel heeft genoten. Dit oordeel geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd.
50. Het tweede middel faalt.
51. Beide middelen falen en kunnen worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende formulering. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
52. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Het is de vraag of deze zin op [betrokkene 4] van toepassing is. In het getuigenverzoek was aanvankelijk de naam [betrokkene 2] opgenomen. Deze naam is doorgestreept en vervangen door (handgeschreven) [betrokkene 4] . [betrokkene 2] was, zo blijkt uit andere stukken van het geding, officieel de huurder van de betreffende woning.
2.Het e-mailbericht van 5 februari 2021 bevatte geen getuigenverzoeken.
3.EHRM 19 januari 2021, nr. 2205/16 (Keskin v. Nederland).
4.HR 4 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1015,
5.HR 20 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:576,
6.Art. 418, tweede lid, Sv, spreekt alleen over de rechter-commissaris. Uw Raad eist evenwel niet dat het verhoor door de rechter-commissaris heeft plaatsgevonden voor de terechtzitting in eerste aanleg (HR 22 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC5977,
7.Vgl. HR 8 februari 2022, ECLI:NL:HR:2022:147,
8.HR 20 april 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZD1540,
9.HR 11 december 2018, nr. 17/04973 (niet gepubliceerd, art. 81 RO Pro).
10.Vgl. over de verhouding tussen de bewijsvoering in de strafzaak en de ontnemingszaak ook HR 2 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK3424,
11.Vgl. HR 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1496,
12.Vgl. A.J.A. van Dorst en M.J. Borgers,
13.HR 26 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BV9087,
14.Vgl. onder meer HR 8 juni 1999, ECLI:HR:1999:ZD1501,
15.Vgl. HR 13 september 2022, ECLI:NL:HR:2022:1118 en de daaraan voorafgaande conclusie van A-G Aben, randnummer 8. In de ontnemingszaak was, evenals in de strafzaak, aangevoerd dat niet de betrokkene, maar een ander de kwekerij had opgezet en die ander verantwoordelijk was voor het telen, respectievelijk de oogst. In cassatie werd geklaagd dat het oordeel dat de betrokkene überhaupt enig wederrechtelijk voordeel had genoten onbegrijpelijk was gelet op het aangevoerde ter zitting. Uw Raad deed de zaak af met art. 81 RO Pro.
16.Vgl. HR 30 mei 2017, ECLI:NL:HR:2017:970,