Conclusie
Nummer21/01183 P
eerstemiddel bevat (onder meer) een klacht over ‘s hofs afwijzing van het verzoek tot het horen van enkele getuigen. Het
tweedemiddel bevat de klacht dat ’s hofs oordeel dat de betrokkene financieel voordeel heeft genoten niet uit de bewijsmiddelen kan volgen, blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting dan wel ontoereikend en/of onbegrijpelijk is gemotiveerd.
De ontnemingsvordering van het openbaar ministerie
Het standpunt van de verdediging
De vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel
arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, van 5 maart 2021 in de strafzaak tegen betrokkene, waarvan een kopie aan deze aanvulling is gehecht.
Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel hennepkwekerij ex art. 36e 2e lid Sr,(…), afgesloten op 14 maart 2018, opgemaakt en ondertekend door [verbalisant 3] , brigadier van politie Eenheid Oost-Nederland, voor zover -zakelijk weergegeven- inhoudende:
Onderzoekswensen.
De RHC merkt op dat de overgelegde kopie geen ander bankrekeningnummer vermeldt dan het ING-nummer dat eindigt op [001] , niet te zien is van welk rekeningnummer deze kopie een afschrift is. De kopie zal aan het proces-verbaal van het verhoor worden gehecht. Ik herken mijn rekeningnummer. U, RHC, vraagt mij of ik op 3 januari 2018 € 700,00 heb overgemaakt vanaf mijn rekening. Het kan zijn dat ik zo’n bedrag destijds heb overgemaakt aan mijn vrouw. Dat doe ik wel vaker omdat dat makkelijker is. Zij heeft een rekening bij de SNS-bank.
Transactie 82. 3 januari 2018. Overboeking van 700 euro, naar: [betrokkene 2] //
Omschrijving: […] // IBAN: [002] .
Verzoek horen getuigen
[betrokkene 2] en
[betrokkene 1]:
[betrokkene 3]: getuige [betrokkene 3] is de buurvrouw van de woning aan de [a-straat 1] te [plaats] . De verdediging wenst de getuige te vragen in hoeverre zij de woning aan [a-straat 1] in de gaten heeft gehouden, hoe vaak zij thuis was, waarom zij denkt dat cliënt zou hebben getolkt, hoe zeker zij is dat dit geen andere Syrische man betrof en of zij een grijze Hyundai met kenteken [kenteken] bij de woning heeft waargenomen. Tot slot wenst de verdediging haar te confronteren met de foto van [betrokkene 4] met de vraag of zij deze persoon heeft gezien en zo ja, hoe vaak, waar en wanneer.
NN ‘storter’ van het geldbedrag € 700,- d.d. 4 oktober 2017: [betrokkene 4] heeft de huur maandelijks aan [betrokkene 2] overgemaakt. De verdediging heeft aangetoond dat het huurbedrag ad € 700,- onder andere op 4 oktober 2017 via [C] naar [betrokkene 2] is overgemaakt en op 3 januari 2018 via de bankrekening van [betrokkene 4] . Om aan te tonen dat [betrokkene 4] de huur betaalde, wenst de verdediging persoon te horen die het huurbedrag op 4 oktober 2017 via [C] naar [betrokkene 2] heeft overgemaakt om te vragen in wiens opdracht deze betaling gebeurde en met welke reden.
Bespreking van het eerste middel
eerstemiddel bestaat uit twee deelklachten. De eerste deelklacht houdt in dat het hof het verzoek tot het horen van [betrokkene 4] , [betrokkene 2] , [betrokkene 1] , [betrokkene 3] , de nog onbekende storter van het huurbedrag ad € 700,- d.d. 4 oktober 2017 en [betrokkene 5] op onjuiste, onbegrijpelijke en/of ontoereikende gronden heeft afgewezen. De steller van het middel wijst daarbij op de uitspraak van het EHRM in Keskin v. Nederland.
to obtain the attendance and examination of defence witnesses’ en anderzijds het recht ‘
to cross-examine prosecution witnesses’. [3] Het overweegt dat ‘
it is for the domestic courts to assess the relevance of the evidence which defendants seek to adduce’ (par. 43). Het ligt op de weg van de verdediging om een getuigenverzoek te onderbouwen ‘
by explaining why it is important for the witnesses concerned to be heard, and their evidence must be capable of influencing the outcome of a trial or must reasonably be expected to strengthen the position of the defence’. Het EHRM hanteert daarbij een drieledige test:
to cross-examine prosecution witnesses’ is het vertrekpunt anders. Bij deze getuigen is de verdachte ‘
not required to demonstrate the importance of a prosecution witness. In principle, if the prosecution decides that a particular person is a relevant source of information and relies on his or her testimony at the trial, and if the testimony of that witness is used by the court to support a guilty verdict, it must be presumed that his or her personal appearance and questioning are necessary’ (par. 45).
prosecution witnessesen
defence witnesses. Wel wordt een onderscheid gemaakt tussen gronden waarop het verzoek kan worden geweigerd (kortweg: verdedigingsbelang en noodzaakcriterium); de toepasselijkheid van elk van die gronden is (onder meer) afhankelijk van het stadium van de procedure waarin het getuigenverzoek wordt gedaan. Uw Raad heeft in een arrest van 4 juli 2017 aangegeven dat ‘een tot de zittingsrechter gericht verzoek tot het oproepen en het horen van getuigen door de verdediging dient te worden gemotiveerd teneinde de rechter in staat te stellen de relevantie van dat verzoek in het licht van de toepasselijke wettelijke voorschriften te beoordelen.’ [4] In een arrest van 20 april 2021 heeft Uw Raad deze eis ten dele bijgesteld en is uit de uitspraak van het EHRM in de zaak Keskin afgeleid ‘dat in bepaalde gevallen het belang bij het oproepen en horen van een getuige moet worden voorondersteld, zodat van de verdediging geen nadere onderbouwing van dit belang mag worden verlangd. Dat is aan de orde als het verzoek betrekking heeft op een getuige ten aanzien van wie de verdediging het ondervragingsrecht nog niet heeft kunnen uitoefenen, terwijl deze getuige al – in het vooronderzoek of anderszins – een verklaring heeft afgelegd met een belastende strekking.’ [5] Uw Raad wijst er voorts op dat een verzoek tot het oproepen en horen van een getuige die al een belastende verklaring heeft afgelegd, onder meer kan worden geweigerd indien die verklaring ‘betrekking heeft op feiten en omstandigheden die door de verdachte niet worden betwist’.
NJ2022/45 m.nt. Jörg het volgende overwogen:
Bespreking van het tweede middel
tweedemiddel bevat de klacht dat het oordeel van het hof dat de betrokkene financieel voordeel heeft genoten niet uit de bewijsmiddelen kan volgen en/of dat dit oordeel blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting dan wel ontoereikend en/of onbegrijpelijk is gemotiveerd, nu niet kan worden vastgesteld – er geen concrete aanwijzingen zijn – dat de betrokkene financieel heeft geprofiteerd.